HR, 18-12-2020, nr. 19/05006
ECLI:NL:HR:2020:1949
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
18-12-2020
- Zaaknummer
19/05006
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
Beroepschrift, Hoge Raad, 18‑12‑2020
ECLI:NL:HR:2020:1949, Uitspraak, Hoge Raad, 18‑12‑2020; (Cassatie)
In cassatie op: ECLI:NL:GHDHA:2019:2539
Verwijzing naar: ECLI:NL:GHAMS:2021:1836
- Vindplaatsen
V-N 2020/65.10 met annotatie van Redactie
BNB 2021/60 met annotatie van E.J.W. Heithuis
FED 2021/49 met annotatie van G.J.W. Kinnegim
NLF 2021/0003 met annotatie van Mark Robben
NTFR 2021/25 met annotatie van Drs. N.M. Ligthart
Beroepschrift 18‑12‑2020
Geachte heer, mevrouw,
Hiermede doe ik u toekomen de machtiging van [D] en de motivering van het beroepschrift in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof 's‑Gravenhage betreffende het ingestelde hoger beroep door de belastingdienst Den Haag tegen de uitspraak van Rechtbank Den Haag betreffende de aanslag inkomstenbelasting 2014 ten name van [D], aanslagnummer [0001].
Verloop van de aanslagregeling en de procedure
Met dagtekening 7 september 2017 heeft [D] (hierna: belastingplichtige) een aankondiging ontvangen dat er een navorderingsaanslag inkomstenbelasting 2014 zal worden opgelegd. Zie bijlage 1 bij het beroepschrift van belastingplichtige bij de Rechtbank tegen de uitspraak op het bezwaarschrift.
Met dagtekening 25 september 2017 is er een beschikking inkomstenbelasting 2014 ten name van belastingplichtige opgelegd. Op deze beschikking is het verzamelinkomen, het restant persoonsgebonden aftrek en het verrekenbare box-2 verlies opnieuw vastgesteld. Zie bijlage 2 bij het beroepschrift van belastingplichtige bij de Rechtbank tegen de uitspraak op het bezwaarschrift.
Op 29 september 2017 is er tegen deze navorderingsaanslag bezwaar aangetekend. Ik mag u verwijzen naar bijlage 3 bij het beroepschrift van belastingplichtige bij de Rechtbank tegen de uitspraak op het bezwaarschrift.
Op 5 oktober 2017 is er tegen de beschikking inkomstenbelasting 2014 bezwaar aangetekend. Ik mag u verwijzen naar bijlage 4 bij het beroepschrift van belastingplichtige bij de Rechtbank tegen de uitspraak op het bezwaarschrift.
Op 13 april 2018 heeft er een hoorzitting plaatsgevonden. Hiervan is een hoorverslag opgesteld. Zie bijlage 5 bij het beroepschrift van belastingplichtige bij de Rechtbank tegen de uitspraak op het bezwaarschrift.
Op 7 mei 2018 heeft de belastingdienst uitspraak gedaan op het bezwaarschrift, waarin de belastingdienst niet aan het bezwaarschrift is tegemoet gekomen. Ik mag u verwijzen naar bijlage 6 bij het beroepschrift van belastingplichtige bij de Rechtbank tegen de uitspraak op het bezwaarschrift.
Op 4 juni 2018 heeft belastingplichtige een beroepschrift ingediend. Dit beroepschrift en de motivering daarvan zijn in het dossier aanwezig.
Op 30 augustus 2018 heeft de belastingdienst een verweerschrift ingediend. Dit verweerschrift is in het dossier aanwezig.
Rechtbank 's‑Gravenhage heeft het ingestelde beroep in de uitspraak d.d. 1 november 2018 met nummer SGR 18/4209 gegrond verklaard. Deze uitspraak is in het dossier aanwezig.
Op 6 december 2018 heeft de belastingdienst hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de Rechtbank. Dit hoger beroepschrift is in het dossier aanwezig.
Op 7 maart 2019 heeft belastingplichtige een verweerschrift ingediend. Dit verweerschrift is in het dossier aanwezig.
Hof 's‑Gravenhage heeft het ingestelde hoger beroep in de uitspraak d.d. 18 september 2019 met nummer BK-18/01097 gegrond verklaard. Deze uitspraak is reeds aan de Hoge Raad verzonden.
Geschil
In geschil is of belastingplichtige in 2014 de afwaardering en daarop gevolgde kwijtschelding van de berekende rente ad € 54.940 over de verstrekte geldlening aan [D] in mindering kan brengen op de belastbare winst. Belastingplichtige is van mening dat dit mogelijk is, terwijl de belastingdienst van mening is dat dit niet mogelijk is. De belastingdienst is van mening dat de kwijtschelding van de rentebate ad € 54.940 als een niet-aftrekbare winstuitdeling dient te worden aangemerkt, welk standpunt niet door belastingplichtige kan worden gevolgd, Rechtbank Den Haag heeft in haar uitspraak belastingplichtige in het gelijk gesteld. Het Gerechtshof 's‑Gravenhage heeft de uitspraak van Rechtbank Den Haag vernietigd.
In geschil is voorts of sprake is geweest van een onzakelijke lening, dan wel of met betrekking tot de verstrekte geldlening doordat deze oninbaar is, reeds voor het jaar 2014 een onttrekking ter grootte van de verstrekte geldlening heeft plaatsgevonden, zodat in 2014 geen sprake meer was van een vordering van belastingplichtige op [D], c.q. met betrekking tot een nader vast te stellen gedeelte van de verstrekte geldlening geen sprake meer was van een vordering. Voor zover in 2014 geen sprake meer was van een vordering, kan vervolgens ook geen rentebate worden berekend, zodat de kwijtschelding van de rentebate zal moeten worden verminderd.
Motivering
Feiten
[D] bezit 100 % van de aandelen in belastingplichtige. Belastingplichtige heeft in 2006 het 50 %-aandeel in [F] B.V. verkocht aan [G] B.V. De aandelen in laatstgenoemde vennootschap werden gehouden door [J] (de broer van [D]) en diens kinderen. [J] was via zijn persoonlijke houdstermaatschappij [K] B.V. in het bezit van het andere 50 %-aandeel in [F] B.V. De verkoopopbrengst bestond uit een bedrag van € 4.750.000 en een aandeel van 50 % in de netto verkoopwinst van de haven te [R] die in het bezit was van [H] B.V., een 100 %-dochtervennootschap van [F] B.V. Het (nog te ontvangen) aandeel van belastingplichtige in deze verkoopwinst werd ingeschat op een bedrag van circa € 4,5 miljoen. In verband met het aandeel in de toekomstige verkoopopbrengst is er aan belastingplichtige een tweede recht van hypotheek verleend. [F] B.V. was werkzaam in de scheepvaart (onder andere de exploitatie en handel in schepen). In 2008 en navolgende jaren zijn [F] B.V. en haar dochtervennootschappen zeer hard getroffen door de financiële en economische crisis, met als , gevolg dat de Rabobank de directie, bestaande uit [J] en zijn twee zonen, in de loop van 2010 op non-actief heeft gezet. In de loop van het jaar 2011 heeft de Rabobank besloten om [F] B.V. en haar dochtervennootschappen te ontmantelen en alle i bezittingen van deze vennootschappen te verkopen. Met dagtekening 8 augustus 2012 heeft belastingplichtige van de Rabobank een brief ontvangen waarin werd verzocht om de gevestigde tweede hypotheek prijs te geven, zodat de haven zonder executoriale verkoop kon worden verkocht (zie bijlage 7 bij het beroepschrift van belastingplichtige bij de Rechtbank tegen de uitspraak op het bezwaarschrift). Belastingplichtige heeft met het prijsgeven van de tweede hypotheek ingestemd, daartoe min of meer gedwongen door de Rabobank, en de verkoop van de haven heeft vervolgens spoedig daarna plaatsgevonden.
Nadat belastingplichtige in 2006 het belang van 50 % in [F] B.V. had verkocht, is een deel van de verkoopopbrengst aangewend om privé-schulden van [D] af te lossen, en een ander deel is door [D] aangewend om te beleggen in I effecten en schepen. Per 31 december 2008 had belastingplichtige een rekening-courant vordering op [D] van afgerond € 5.350.000. Deze geldlening was ten tijde van het verstrekken als zakelijk te kwalificeren: belastingplichtige had namelijk recht op een nabetaling bij de verkoop van de 50 %-deelneming in [F] B.V. van circa € 4,5 miljoen, waarvoor een tweede hypotheek was verleend op het vastgoed gelegen in [R], en bovendien was het geleende geld aangewend voor beleggingen in effecten en schepen. Zoals hiervoor reeds vermeld is door de financiële crisis en een gedwongen verkoop van de haven te [R] van deze nabetaling niets ontvangen. Door belastingplichtige is een procedure aanhangig gemaakt tegen de Rabobank in verband met het niet nakomen van de zorgplicht. Deze ; procedure heeft uiteindelijk geen resultaat gehad. Voorts hebben de hiervoor genoemde beleggingen in effecten en schepen van [D], eveneens door de financiële crisis, niet de rendementen opgeleverd die daarvan werden verwacht. In 2016 heeft [D] zijn eigen woning moeten verkopen, waarbij een restschuld overbleef van € 129.459,38. In verband met de zeer slechte financiële situatie van [D] (technisch gezien is hij failliet) heeft de Rabobank ingestemd met een finale kwijting tegen betaling van een bedrag van € 6.500.
In 2014 heeft belastingplichtige over de rekening-courant vordering op [D] een bedrag van € 54.940 aan rente berekend. In verband met de financiële problemen van [D] om zijn schulden terug te kunnen betalen, is, in navolging van de overeengekomen kwijtschelding door de ex-echtgenote, [M], en de kwijtschelding door de Rabobank, in 2016 besloten om bij het opstellen van de definitieve jaarrekening over 2014 de rekening-courant vordering op belastingplichtige voor een bedrag gelijk aan de in rekening gebrachte rente over het jaar 2014 af te waarderen en kwijt te schelden.
Deze kwijtschelding is naar de mening van belastingplichtige zakelijk geweest, hetgeen reeds blijkt uit de omstandigheid dat in 2014 overeenstemming werd bereikt met de ex-echtgenote van [D], [M], om de lening in hoofdsom groot €465.000,00 (te vermeerderen met een bedrag van € 81.700 aan achterstallige rente per 31 december 2013 en de over 2014 verschuldigde rente) tegen betaling van in totaal € 24.000,00 kwijt te schelden. Nadat hierover in september 2014 mondeling overeenstemming was bereikt en [M] per e-mail haar schriftelijke akkoordverklaring had gegeven, weigerde [M] de opgestelde overeenkomst met betrekking tot de 1 kwijtschelding tegen finale kwijting, te ondertekenen. Zij heeft dit op advies van haar advocaat gedaan, hoewel zij zowel mondeling als schriftelijk haar akkoord had gegeven aan de overeengekomen kwijtschelding. Voorts heeft de Rabobank in 2016 eveneens besloten om een geldlening verstrekt aan [D] gedeeltelijk kwijt te schelden: het betrof het restant van de hypothecaire geldlening die door de Rabobank aan [D] was verstrekt, waarvan de restschuld gelijk was aan een bedrag van € 129.459,38. Tegen betaling van een bedrag van € 6.500,00 is door de Rabobank finale kwijting verleend. De correspondentie met de Rabobank is als bijlage 8 bij het beroepschrift van belastingplichtige bij de Rechtbank tegen de uitspraak op het bezwaarschrift, bijgevoegd. Hieruit blijkt onder andere dat reeds in 2014 [D] onder druk van de Rabobank moest besluiten om zijn woning te verkopen.
Naar de mening van belastingplichtige is op grond van het vorenstaande sprake geweest van een zakelijke kwijtschelding, welke in mindering kan worden gebracht op de belastbare winst van; [X] B.V. en derhalve niet leidt tot een (verkapte) dividenduitkering aan [D] in het jaar 2014.
De belastingdienst heeft in de uitspraak op het bezwaarschrift verwezen naar een uitspraak van de Hoge Raad d.d. 3 februari 2017. In deze uitspraak was echter door de vennootschap aan de DGA geen rente in rekening gebracht, zodat dat arrest in casu niet van toepassing is. In de onderhavige zaak is wel rente in rekening gebracht, waarbij de rente ten laste van de winst is afgewaardeerd en kwijtgescholden.
Voorts heeft de belastingdienst verwezen naar een uitspraak van het Gerechtshof te 's‑ Gravenhage d.d. 10 maart 2009. Die uitspraak is evenmin vergelijkbaar. Belastingplichtige had I een zakelijk belang om de rentevordering over 2014 bij het opstellen van de jaarrekening in 2016 I af te waarderen en vervolgens kwijt te schelden. [D] heeft namelijk in 2014 alle autokosten die tot het vermogen van belastingplichtige behoorde, voor zijn rekening genomen (een bedrag van € 7.196,91), alsmede de advieskosten met betrekking tot de gevoerde procedures (een bedrag van in totaal € 6.662,36) en de in 2014 betaalde loonbelasting en dividendbelasting (een bedrag van in totaal € 16.307) voor zijn rekening genomen: in totaal een bedrag van €30.166,27. Belastingplichtige heeft er dus belang bij gehad om [D] tegemoet te komen, zodat voornoemde facturen tijdig zouden worden betaald. Voorts is de veronderstelling dat het niet zakelijk is om een rentevordering kwijt te schelden omdat die kan worden verrekend met een dividenduitkering, niet juist. Indien er dividend wordt uitgekeerd, dan is daarbij 15 % dividendbelasting verschuldigd. Gezien de omstandigheid dat belastingplichtige per 1 januari 2014 een banksaldo van negatief € 84,19 had en per 31 december 2014 van € 103,78 kon belastingplichtige onmogelijk voldoen aan de financiële verplichting om de alsdan verschuldigde dividendbelasting te betalen. Het was derhalve onmogelijk om de zogenoemde uitkeringstest die op grond van het Burgerlijk Wetboek is voorgeschreven, te doorstaan. Deze uitkeringstest bestond nog niet in het j aar waarop de procedure van Gerechtshof 's‑Gravenhage betrekking had. In 2014 was het niet meer mogelijk om zonder een uitkeringstest een dividenduitkering te doen.
Onderdeel 5 van de uitspraak van hof 's‑gravenhage: beoordeling van het hoger beroep
Rechtbank Den Haag heeft in haar uitspraak het volgende overwogen:
Voor een als uitdeling te beschouwen kwijtschelding is onder meer van belang dat [[X] BV] een vordering heeft prijsgegeven die feitelijk nog voor verwezenlijking vatbaar was. Daarvan acht de rechtbank gelet op de penibele financiële omstandigheden waarin de [belastingplichtige] verkeerde geen sprake. Daarbij heeft de 1 rechtbank in ogenschouw genomen dat ook derden hun vorderingen op hem hebben kwijtgescholden, of in ieder j geval afspraken daarover hebben gemaakt.
Het is voor belastingplichtige onbegrijpelijk dat deze sluitende en logische redenering van Rechtbank Den Haag terzijde wordt gesteld. De argumenten van Rechtbank Den Haag zijn immers door de belastingdienst niet ontzenuwd, de door belastingplichtige genoemde kwijtscheldingen hebben daadwerkelijk plaatsgevonden en ook heeft het Hof in haar uitspraak niet vermeld dat de argumenten die door Rechtbank Den Haag ten grondslag zijn gelegd aan diens uitspraak, niet juist zouden zijn geweest, zodat reeds om die reden de uitspraak van het Hof ! onjuist is, dan wel onvoldoende is gemotiveerd.
In onderdeel 5.2 verwijst Hof 's‑Gravenhage naar artikel 5 van de overeenkomst van geldlening tussen belastingplichtige en [D]. Het is voor belastingplichtige onbegrijpelijk waarop het Hof deze verwijzing baseert. Er is geen schriftelijke overeenkomst van geldlening tussen belastingplichtige en [D] tot stand gekomen, zodat de verwijzing naar artikel 5 van een niet bestaande overeenkomst, voor belastingplichtige onbegrijpelijk is. Ook met betrekking tot de verwijzing naar een positieve hypotheekverklaring tast belastingplichtige in het duister, omdat er geen positieve hypotheekverklaring is geweest. Het ! is voor belastingplichtige onbegrijpelijk dat het Hof haar uitspraak baseert op een niet bestaande j schriftelijke overeenkomst van geldlening, zodat reeds om die reden de uitspraak van het Hof ! dient te worden vernietigd.
Voorts heeft het Hof ten onrechte overwogen dat belastingplichtige geen maatregelen heeft getroffen om de betaling van de rente zoveel mogelijk veilig te stellen. Zoals in het verweerschrift door belastingplichtige is vermeld, heeft [D] in het j aar 2014 voor en namens belastingplichtige voor een bedrag van € 30.166,27 aan autokosten, advieskosten en loon- en dividendbelasting voor zijn rekening genomen. In 2014 is de vordering op [D] per saldo met €47.167 afgenomen, zodat reeds op grond daarvan de kwijtschelding van de rente over 2014 als zakelijk kan worden gekwalificeerd. Belastingplichtige had er financieel en economisch belang bij dat [D] namens haar voornoemde bedragen zou betalen. Ten onrechte heeft Hof 's‑Gravenhage deze onderbouwing van de zakelijkheid van de kwijtschelding niet in het wegen en beoordelen van het door belastingplichtige geleverde bewijs meegenomen.
Voorts heeft het Hof de stelling dat een derde nimmer zou hebben toegestaan dat de schuldenaar een bedrag van € 100.000 aan zijn toekomstige echtgenote schonk en de rentevordering van deze derde onbetaald liet, niet onderbouwd. Uit de weergeven feiten blijkt daarentegen dat een derde, in casu de Rabobank, wel een vordering op [D] heeft kwijtgescholden, terwijl er voordat deze kwijtschelding plaatsvond, sprake is geweest van een schenking van € 100.000 aan de (op dat moment) toekomstige echtgenote van [D]. De stelling dat de Rabobank niet op de hoogte is geweest, blijkt nergens uit de processtukken. De belastingdienst heeft dat ook nimmer bewezen. Het is voor belastingplichtige onbegrijpelijk, dat het Hof zonder enige onderbouwing heeft geoordeeld dat de Rabobank niet op de hoogte was van de door [D] gedane schenking. De bewijslast hiervoor ligt immers bij de belastingdienst, en niet bij belastingplichtige, omdat belastingplichtige onmogelijk kan aantonen of de Rabobank ten tijde van de kwijtschelding wel of niet op de hoogte was van de schenking. Wel is algemeen bekend dat bij het indienen van een verzoek om kwijtschelding de inkomens- en vermogenspositie van zowel [D] als zijn huidige echtgenote, alsmede hun inkomstenbelastingaangiften, aan de Rabobank ter inzage moesten worden verstrekt, inclusief de bankafschriften gedurende een periode van drie maanden. De Rabobank was ten tijde van de kwijtschelding op de hoogte van de bezittingen van de echtgenote van [D], zijnde de woning en de daarop rustende hypotheekschuld, of had daar in ieder geval op de hoogte van kunnen zijn door navraag bij het kadaster, zodat ook daaruit door de Rabobank de schenking had kunnen worden afgeleid. Voorts is voor het indienen van het verzoek om kwijtschelding van de restschuld bij de Rabobank niet van belang geweest welke bezittingen [D] in het verleden heeft gehad, maar welke bezittingen en schulden hij had ten tijde van het indienen van het verzoek om kwijtschelding. Ten tijde van het besluit over de kwijtschelding van de rente bij het vaststellen van de jaarrekening over het jaar 2014, was [D] niet meer in staat om aan de renteverplichtingen te voldoen. Door de schenking van € 100.000 in augustus 2014 had hij per 31 december 2014 dit bedrag immers niet meer in zijn bezit. Het Hof heeft derhalve een onjuiste maatstaf aangelegd bij het beoordelen of sprake is geweest van een zakelijke kwijtschelding. Deze maatstaf is door de Rabobank ook nimmer aangelegd. De Rabobank heeft in 2016 de restschuld van [D] kwijtgescholden, terwijl belastingplichtige eveneens in 2016 bij het vaststellen van de jaarrekening heeft besloten om de verschuldigde rente over 2014 kwijt te schelden. Naar de mening van belastingplichtige had de belastingdienst de bewijslast om aan te tonen dat de Rabobank niet op de hoogte was van de schenking en voorts dat de Rabobank de restschuld niet zou hebben kwijtgescholden als de Rabobank op de hoogte was geweest van de schenking. De belastingdienst heeft beide onderdelen niet bewezen. Bovendien is het zeer onaannemelijk dat de Rabobank in 2016 de restschuld niet zou hebben kwijtgescholden als de Rabobank op de hoogte was geweest van de schenking. Ten tijde van de kwijtschelding heeft de Rabobank de financiële positie van [D] van dat moment beoordeeld: daarbij is rekening gehouden met zijn bezittingen en schulden alsmede met zijn inkomsten. Geen enkele financiële instelling zal immers rekening houden met hetgeen iemand heeft gehad: het is immers niet mogelijk om in de toekomst schulden te betalen met bezittingen die men in het verleden heeft gehad.
Nogmaals wordt door belastingplichtige benadrukt dat belastingplichtige een zakelijk belang had om de rente over 2014 kwijt te schelden: [D] heeft in 2014 belastingplichtige financieel geholpen door de hiervoor genoemde bedragen te voldoen. De conclusie van het Hof dat belastingplichtige zich heeft laten leiden door het belang van haar aandeelhouder, is onbegrijpelijk. Belastingplichtige is op geen enkele wijze betrokken geweest bij de schenking van € 100.000 aan de (op dat moment) toekomstige echtgenote van [D], [E]. Nogmaals wordt door belastingplichtige benadrukt, dat i belastingplichtige op generlei wijze partij is geweest bij deze schenking, en evenmin heeft belastingplichtige [D] financieel in staat heeft gesteld om deze schenking te doen. Het tegendeel is waar: [D] heeft in 2014 nog voor ruim € 30.000 aan betalingen verricht in het belang van belastingplichtige en per saldo is de vordering van belastingplichtige op [D] (exclusief de rente over 2014) met €47.167 afgenomen (het verschil van € 30.000 en € 47.000 betreft het nettoloon van [D] dat in 2014 in de rekening-courant met belastingplichtige is verrekend). Het zakelijke belang van belastingplichtige is daardoor naar de mening van belastingplichtige overduidelijk aanwezig, maar het Hof heeft deze argumenten om onbegrijpelijke redenen niet, dan wel onvoldoende, meegenomen in haar oordeel.
Ten slotte heeft het Hof een conclusie getrokken die volstrekt onlogisch is. Belastingplichtige I heeft gesteld dat zij zich bij de kwijtschelding van de rente over 2014 niet heeft laten leiden door het belang van [D], zijnde de aandeelhouder, waarbij het Hof dit heeft onderbouwd door erop te wijzen dat de schenking van € 100.000 door de toekomstige echtgenote van [D] is aangewend om een woning te kopen. De logica hiervan ontgaat belastingplichtige volledig. Dat de schenking van € 100.000 door [E] is gebruikt om een woning te kopen, kan naar de mening van belastingplichtige nooit de stelling onderbouwen dat belastingplichtige zich bij de kwijtschelding van de door [D] aan belastingplichtige verschuldigde rente, door het belang van [D] heeft laten leiden. Er is immers geen enkele financiële relatie tussen de kwijtschelding van de rente over 2014 en de schenking van € 100.000 aan [E].
Uit het vorenstaande volgt dat naar de mening van belastingplichtige de conclusie van het Hof I zoals weergegeven in onderdeel 5.3 niet is gemotiveerd, respectievelijk onjuist is gemotiveerd, i omdat de weergegeven feiten deels niet juist zijn door verwijzingen naar een niet-bestaande schriftelijke overeenkomst van geldlening, stellingen van de belastingdienst zonder enig bewijs als juist worden verondersteld, terwijl de bewijslast bij de belastingdienst ligt, onlogische en onjuiste conclusies worden getrokken en ten slotte ten onrechte wordt verondersteld dat als de , Rabobank zou hebben geweten dat er in 2014 een schenking van € 100.000 had plaatsgevonden, de restschuld in 2016 niet zou hebben kwijtgescholden. Het is volstrekt onlogisch dat een financiële instelling bij de beoordeling of iemand in aanmerking komt voor een kwijtschelding, rekening houdt met hetgeen iemand heeft gehad: het is immers niet mogelijk om in het heden schulden te betalen met bezittingen die men in het verleden heeft gehad.
De door het Hof gegeven onderbouwing bij onderdeel 5.4 roept bij belastingplichtige eveneens grote vraagtekens op. Belastingplichtige heeft gesteld dat een winstuitdeling in strijd is met de liquiditeitstest van artikel 2:216 van het Burgerlijk Wetboek. Vervolgens verwijst het Hof in dit kader naar het arrest van uw Raad d.d. 1 november 1989 (BNB 1990/63). Deze verwijzing is volstrekt irrelevant met betrekking tot de stelling van belastingplichtige. Ten eerste kan dit arrest van uw Raad niet van toepassing zijn op de stelling van belastingplichtige, omdat de liquiditeitstest pas sinds 1 oktober 2012 in het Burgerlijk Wetboek is opgenomen, derhalve bijna 23 jaar na het door het Hof genoemde arrest van uw Raad. Ten tweede wordt verwezen naar de winstreserves van belastingplichtige, hetgeen uitsluitend van belang is voor de solvabiliteitstest van belastingplichtige. Op basis van voornoemd arrest van uw Raad zou kunnen worden bepleit dat wel werd voldaan aan de solvabiliteitstest, hoewel dat eveneens ter discussie kan worden gesteld gezien de slechte financiële positie van [D] en er daardoor grote vraagtekens konden en kunnen worden gezet bij de waarde van de vordering op [D]. Het is voor belastingplichtige onbegrijpelijk dat het Hof niet op een juiste wijze , heeft beoordeeld of tevens kon worden voldaan aan de liquiditeitstest. Belastingplichtige had per 1 januari 2014 een banksaldo van negatief € 84,19 had en per 31 december 2014 van € 103,78.
Hierdoor kon belastingplichtige onmogelijk voldoen aan de financiële verplichting om de verschuldigde dividendbelasting in geval van een dividenduitkering, te betalen. Het was derhalve onmogelijk om de zogenoemde uitkeringstest die op grond van het Burgerlijk Wetboek is voorgeschreven, te doorstaan. De belastingdienst heeft niet nader onderbouwd dat wel zou kunnen worden voldaan aan deze uitkeringstest zodat in 2014 geen sprake kan zijn geweest van een dividenduitkering.
Uit het vorenstaande kan worden geconcludeerd dat het Hof op onjuiste gronden heeft geoordeeld dat geen rekening behoefde te worden gehouden met de liquiditeitstest, c.q. dat per 31 december 2014 belastingplichtige de wettelijk voorgeschreven liquiditeitstest kon doorstaan, terwijl daarentegen de Rechtbank in r.o. 9 van haar uitspraak als volgt heeft overwogen: De belastingdienst heeft met zijn enkele stellingen niet aannemelijk gemaakt dat artikel 2:226, tweede lid, van het BW niet aan een dividenduitkering in de weg staat en dat de schuld bij liquidatie van belastingplichtige verrekend kan worden. Naar de mening van belastingplichtige staat het oordeel van de Rechtbank haaks op het oordeel van het Hof, zonder dat het Hof daarvoor een afdoende onderbouwing heeft gegeven.
Belastingplichtige mag tevens verwijzen naar de zeer penibele financiële situatie van [D]. Reeds in 2014 heeft de Rabobank [D] gedwongen om zijn woning te verkopen. Zie bijlage 8 bij het beroepschrift van belastingplichtige bij de Rechtbank tegen de uitspraak op het bezwaarschrift. Rechtbank Den Haag heeft haar uitspraak gebaseerd op de zeer penibele financiële situatie van [D]. Immers, de Rechtbank heeft in r.o. 9 geconcludeerd: Voor een als uitdeling te beschouwen kwijtschelding is onder meer van belang dat belastingplichtige een vordering heeft prijsgegeven die feitelijk nog voor verwezenlijking vatbaar was. Daarvan acht de rechtbank gelet op de penibele financiële omstandigheden waarin [D] verkeerde geen sprake. Het Hof is ten onrechte voorbijgegaan aan deze penibele financiële situatie, terwijl de uitspraak van de Rechtbank geheel werd gedragen door die conclusie. Het is voor belastingplichtige onbegrijpelijk dat het Hof op geen enkele wijze rekening heeft gehouden met de zeer penibele financiële situatie en omstandigheden van [D] en deze situatie niet heeft meegenomen in haar uitspraak.
Met betrekking tot de zeer penibele financiële omstandigheden van [D] verwijst belastingplichtige naar de procedure die [D] heeft gevoerd tegen zijn tweede ex-echtgenote, [N]. [N] eiste van [D] een maandelijkse alimentatie van € 5.000,00, maar uit het destijds ingediende verweerschrift (zie bijlage 15 bij het beroepschrift tegen de aanslag inkomstenbelasting 2014 ten name van [D]) blijkt dat reeds in 2012 [D] een negatief vermogen had en niet over middelen beschikte om aan deze alimentatieverplichting te kunnen voldoen. Uiteindelijk heeft [D] deze alimentatieverplichting in 2014 afgekocht door aan haar de onroerende zaak aan [a-straat 1] te [Q] over te dragen.
Resumerend volgen de zeer penibele financiële omstandigheden van [D] onder andere uit de processtukken met betrekking tot de gevorderde alimentatie door [N] in 2012, de overeengekomen finale kwijting met [M] in 2014 en de overeengekomen finale kwijting met de Rabobank begin 2016. Doordat ook onafhankelijke derden in de jaren 2012 en de daaropvolgende jaren bereid zijn geweest om [D] aanzienlijke bedragen, respectievelijk alimentatieverplichtingen kwijt te schelden, is in 2014 sprake geweest van een zakelijke afwaardering en kwijtschelding door belastingplichtige.
Onzakelijke lening
Het Hof heeft in haar uitspraak de vraag of sprake is geweest van een onzakelijke geldlening in het midden gelaten. Dit was echter wel van groot belang voor de procedure. Indien namelijk ten tijde van het verstrekken sprake is geweest van een onzakelijke transactie, omdat reeds op dat moment het gezamenlijke bedrag van de schulden de waarde van de bezittingen van [D] overtrof, is naar de mening van belastingplichtige op dat moment geen sprake geweest van een onzakelijke geldlening, maar van een uitdeling. De belastingdienst heeft immers zelf het navolgende gesteld: ‘Gelet op het bovenstaande concludeer ik dat belanghebbende het debiteurenrisico heeft aanvaard met de bedoeling het belang van [D] in diens hoedanigheid van aandeelhouder, te dienen waardoor de lening die belanghebbende aan [D] heeft verstrekt als onzakelijke lening in vorenbedoelde zin moet worden aangemerkt. ’ Laatstgenoemde conclusie is naar de mening van belastingplichtige niet juist: indien belastingplichtige de bedoeling heeft gehad het belang van [D] in diens hoedanigheid van aandeelhouder te dienen, én ten tijde van het uitlenen van gelden door belastingplichtige aan [D] aannemelijk was dat deze gelden niet door [D] konden of zouden worden terugbetaald, dan is geen sprake van een onzakelijke geldlening, maar dan is sprake van een onttrekking, die in het jaar van het verstrekken van de geldmiddelen reeds als een dividenduitkering dient te worden gekwalificeerd.
Het Hof heeft in haar uitspraak geoordeeld dat belsatingplichtige zich onzakelijk heeft opgesteld door de rentevordering, welke door [D] niet kon worden voldaan, bij het vaststellen van de jaarrekening over 2014 kwijt te schelden. Ten onrechte heeft het Hof geen aandacht besteed aan de stelling van belastingplichtige, dat de in de jaren 2006 tot en met 2008 door belastingplichtige aan [D] uitgeleende gelden, vanaf 2012 niet meer konden worden terugbetaald, respectievelijk door middel van dividenduitkeringen konden worden verrekend. In het jaar 2012 is namelijk de haven in [R] verkocht, waarbij definitief kwam vast te staan dat er geen recht was op een nabetaling. Zie bijlage 7 bij het beroepschrift van belastingplichtige bij de Rechtbank tegen de uitspraak op het bezwaarschrift. Vanaf 2012 was duidelijk dat — mede gezien de penibele financiële omstandigheden van [D] welke blijkt uit de in 2012 gevoerde echtscheidingsprocedure — de aan [D] in de jaren 2006 tot en met 2008 verstrekte geldmiddelen niet meer door hem konden worden terugbetaald, zodat deze leningen al vóór het jaar 2014 geheel of gedeeltelijk als een dividenduitkering kunnen worden gekwalificeerd. In dit kader mag ik uw Raad verwijzen naar de uitspraak van Rechtbank Den Haag d.d.
13
juni 2019 (RBDHA:2019:11862), welke door de belastingdienst als nader stuk is ingebracht in de hoger beroepsprocedure. In 2012 werd duidelijk dat de verrekening van de schuld van [D] aan belastingplichtige niet meer kon plaatsvinden door aanwending van de opbrengst van de haven te [R]. Belastingplichtige heeft immers altijd beoogd om deze vordering door middel van dividenduitkeringen af te laten lossen. De liquide middelen die benodigd waren om de verschuldigde dividendbelasting en aanmerkelijkbelangheffing over deze dividenduitkering te voldoen, zou belastingplichtige verkrijgen uit de verkoopopbrengst van de haven te [R]. Reeds in 2012 was de financiële situatie van [D] dermate penibel (ik mag uw Raad tevens verwijzen naar de in 2012 gevoerde procedure over alimentatie door de 2e ex-echtgenote van belastingplichtige), dat naar de mening van belastingplichtige in 2012 werd voldaan aan het door Rechtbank Den Haag aangelegde criterium: [D] heeft in de jaren 2006 tot en met 2008 onder andere gelden bij belastingplichtige geleend om effecten aan te kopen, en de verkoopopbrengst van deze effecten in de jaren daarna niet aangewend om deze effectenleningen terug te betalen. Voor zover de vordering van belastingplichtige op [D] bestond uit effectenleningen, dient op grond van voornoemde uitspraak van Rechtbank Den Haag naar de mening van belastingplichtige in ieder geval uiterlijk in het jaar 2012 een uitdeling te worden geconstateerd met betrekking tot deze effectenleningen, omdat per ultimo 2012 [D] vrijwel geen effecten meer in bezit had (per 31 december 2012 bedroeg de waarde van de effecten € 762) en door de verkoop van de haven te [R] belastingplichtige ook niet meer vanuit de verkoopopbrengst van de haven deze effectenleningen door middel van dividenduitkeringen kon laten aflossen.
Op grond van het vorenstaande is er naar de mening van belastingplichtige geen mogelijkheid meer om in het jaar 2014 een rentebate bij belastingplichtige en/of een dividenduitkering van € 54.940 te kunnen constateren, omdat er na 2012 geen sprake meer is geweest van een vordering op [D], respectievelijk dat er in 2014 sprake is geweest van een aanzienlijke lagere vordering op [D] waarover een aanzienlijke lagere rente is verschuldigd.
Conclusie
Op grond van hetgeen hiervoor is weergegeven, is belastingplichtige primair van mening dat de uitspraak van het Gerechtshof 's‑Gravenhage rechtens onjuist is, respectievelijk het Gerechtshof 's‑Gravenhage een onjuiste waardering en weging van het bewijs heeft gegeven, waardoor de uitspraak onjuist is gemotiveerd. Dit volgt onder andere uit het navolgende:
- —
ten onrechte heeft het Hof geconcludeerd dat geen sprake is geweest van een zakelijke kwijtschelding, gezien de zeer penibele financiële omstandigheden van [D] per 31 december 2014 en het feit dat onafhankelijke derden in 2012 en de daaropvolgende jaren tot kwijtscheldingen hebben besloten;
- —
het Hof heeft ten onrechte geen rekening gehouden met de zeer penibele financiële situatie van [D], op grond waarvan Rechtbank Den Haag, naar de mening van belastingplichtige terecht, heeft geconcludeerd dat geen sprake is van een uitdeling. Belastingplichtige heeft gemotiveerd aangetoond dat in ieder geval per 31 december 2014 sprake was van zeer penibele financiële omstandigheden bij [D], zodat reeds uit dien hoofde — gegeven de overweging van de Rechtbank — geen sprake is geweest van een uitdeling;
- —
zonder enige motivering heeft het Hof geconcludeerd dat de Rabobank de kwijtschelding niet zou hebben verleend, indien zij op de hoogte zou zijn geweest van de schenking van € 100.000 door [D] aan [E] in augustus 2014;
- —
ten onrechte heeft het Hof ongemotiveerd geconcludeerd dat de Rabobank niet op de hoogte is geweest van de schenking door [D], terwijl dit bij de Rabobank op grond van de bij haar bekende gegevens bekend is geweest, of in ieder geval bekend had kunnen zijn;
- —
ten onrechte is het Hof eraan voorbijgegaan dat belastingplichtige geen invloed heeft gehad op de schenking van € 100.000 aan [E];
- —
ten onrechte heeft het Hof in haar uitspraak verwezen naar artikel 5 van een niet-bestaande overeenkomst van geldlening, welk niet bestaande overeenkomst van geldlening mede als motivering heeft gediend in haar oordeel dat de kwijtschelding niet zakelijk is geweest;
- —
ten onrechte heeft het Hof geconcludeerd dat met betrekking tot (een deel van) de vordering van belastingplichtige op [D] niet reeds in 2012 een uitdeling heeft plaatsgevonden, in verband met de omstandigheid dat in 2012 de haven te [R] is verkocht en in dat j aar bleek dat er geen nabetaling zou volgen waardoor de lening door [D] niet (meer) (voor tenminste een aanzienlijk gedeelte) kon worden terugbetaald, respectievelijk dat na de verkoop van de effecten door [D] de niet terugbetaalde effectenlening uiterlijk in 2012 als een uitdeling had moeten worden gekwalificeerd;
- —
ten onrechte is het Hof eraan voorbijgegaan dat een dividenduitkering niet mogelijk was in verband met de verplichte liquiditeitstest en het per 31 december 2014 ontbreken van liquide middelen om de als gevolg van een dividenduitkering verschuldigde dividendbelasting te kunnen betalen.
Op grond van hetgeen hiervoor is weergegeven, is belastingplichtige van mening dat de uitspraak van het Gerechtshof 's‑Gravenhage rechtens onjuist is, respectievelijk het Gerechtshof 's‑Gravenhage een onjuiste waardering en weging van het bewijsmateriaal heeft gegeven, waardoor de uitspraak onjuist is gemotiveerd. Ik verzoek uw Raad derhalve de uitspraak van het Hof te vernietigen, en de zaak zelf af te doen en de aanslag vennootschapsbelasting 2014 vast te stellen op een belastbare winst van negatief € 37.006, waarover geen vennootschapsbelasting is verschuldigd, en voorts de in rekening gebrachte belastingrente dienovereenkomstig te verminderen tot nihil. Mocht uw Raad de zaak niet zelf af kunnen doen, dan verzoek ik u deze zaak te verwijzen naar een ander Hof om deze zaak met betrekking tot de hiervoor weergegeven punten opnieuw te beoordelen.
Kostenveroordeling
Ten slotte verzoek ik uw Raad de belastingdienst te 's‑Gravenhage te veroordelen in de proceskosten. Het betreft de door ondergetekende beroepsmatig verleende rechtsbijstand in de bezwaarfase, tijdens de beroepsprocedure, de procedure van het hoger beroep en de onderhavige procedure van het beroep in cassatie. Voorts verzoek ik uw Raad de belastingdienst te 's‑Gravenhage te veroordelen de door belastingplichtige betaalde griffierechten bij de procedure voor de Rechtbank Den Haag en het onderhavige beroep in cassatie, aan belastingplichtige te vergoeden.
Machtiging
De ondertekende machtiging van [X] B.V. is als bijlage bijgevoegd.
Uitspraak 18‑12‑2020
Inhoudsindicatie
Vennootschapsbelasting. Art. 10 Wet Vpb 1969. Uitdeling van winst. Vormde kwijtschelding van rentevordering op aandeelhouder een uitdeling van winst?
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer 19/05006
Datum 18 december 2020
ARREST
in de zaak van
[X] B.V. te [Z] (hierna: belanghebbende)
tegen
de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 18 september 2019, nr. BK-18/01097, op het hoger beroep van de Inspecteur tegen een uitspraak van de Rechtbank Den Haag (nr. SGR 18/4209) betreffende de aan belanghebbende voor het jaar 2014 opgelegde aanslag in de vennootschapsbelasting, de daarin besloten liggende beschikking als bedoeld in artikel 20b, lid 1, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969, en de daarbij gegeven beschikking inzake belastingrente. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
1. Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.
2. Uitgangspunten in cassatie
2.1
[D] is houder van alle certificaten van de aandelen in belanghebbende en tevens bestuurder van belanghebbende. Hij wordt hierna aangeduid als: de certificaathouder.
2.2
Op 31 december 2014 had belanghebbende een vordering op de certificaathouder van € 5.140.420. Over het jaar 2014 is over deze vordering € 54.940 rente berekend (hierna: de rente). De certificaathouder is de rente schuldig gebleven.
2.3
Belanghebbende heeft de rentevordering ultimo 2014 afgewaardeerd tot nihil. Zij heeft het bedrag van € 54.940 aan de certificaathouder kwijtgescholden.
2.4
De certificaathouder heeft in 2014 een schenking van € 100.000 gedaan aan [E], met wie hij in 2015 onder het maken van huwelijkse voorwaarden is gehuwd.
2.5
Bij het doen van de aangifte voor de vennootschapsbelasting voor het jaar 2014 heeft belanghebbende door de afwaardering van de rentevordering per saldo geen bate ter zake van rente begrepen in haar belastbare winst en daarom een verlies aangegeven. Bij het vaststellen van de aanslag heeft de Inspecteur de aangegeven belastbare winst verhoogd met het bedrag van € 54.940.
2.6
Voor het Hof was in geschil of de Inspecteur terecht het bedrag van € 54.940 tot de belastbare winst heeft gerekend.
2.7
Het Hof heeft geoordeeld dat de kwijtschelding van de rentevordering niet is ingegeven door zakelijke motieven en niet aan de certificaathouder is verleend in diens hoedanigheid van debiteur maar in diens hoedanigheid van houder van de certificaten van de aandelen in belanghebbende. Naar het oordeel van het Hof vormt de kwijtschelding daarom een uitdeling van winst en kan zij niet ten laste van de winst worden gebracht.
2.8
Aan zijn oordeel heeft het Hof in de eerste plaats ten grondslag gelegd dat een onafhankelijke derde al bij het negatief worden van het vermogen van de schuldenaar een vorm van zekerheid voor de voldoening van de lening zou hebben geëist, welk recht de schuldeiser blijkens artikel 5 van de overeenkomst van geldlening tussen belanghebbende en de certificaathouder toekwam (positieve hypotheekverklaring), aldus het Hof.
2.9
Het Hof heeft aan zijn oordeel voorts ten grondslag gelegd (i) dat een derde nimmer zou hebben toegestaan dat de schuldenaar een bedrag van € 100.000 aan zijn toekomstige echtgenoot schonk en de rentevordering van deze derde onbetaald liet, en (ii) dat uit de feiten blijkt dat belanghebbende zich bij de kwijtschelding heeft laten leiden door het belang van haar certificaathouder, aangezien de schenking is aangewend om te voldoen aan een primaire levensbehoefte van de certificaathouder, namelijk het verkrijgen van woonruimte. Hierbij heeft het Hof in aanmerking genomen dat weliswaar ook derden hun vorderingen op de certificaathouder hebben kwijtgescholden of daarover afspraken hebben gemaakt, maar dat die derden, anders dan belanghebbende, niet op de hoogte waren van de door de certificaathouder gedane schenking.
3. Beoordeling van de klachten
3.1
Voor zover de klachten de hiervoor in 2.8 weergegeven onderbouwing van het oordeel van het Hof bestrijden, slagen zij. Tussen partijen is niet in geschil dat belanghebbende en de certificaathouder niet een (schriftelijke) overeenkomst van geldlening hebben opgemaakt. Het oordeel van het Hof dat artikel 5 van de overeenkomst van geldlening tussen belanghebbende en de certificaathouder de schuldeiser het recht gaf een vorm van zekerheid (een positieve hypotheekverklaring) te eisen, is daarom onbegrijpelijk.
3.2
Voor zover de klachten opkomen tegen de hiervoor in 2.9 weergegeven oordelen, slagen zij eveneens. In die oordelen van het Hof ligt besloten het oordeel dat de door de certificaathouder gedane schenking ertoe leidt dat de kwijtschelding een – door onzakelijke motieven ingegeven – onttrekking aan het vermogen van belanghebbende oplevert. Belanghebbende heeft evenwel gemotiveerd gesteld dat de certificaathouder in het jaar 2014 een zodanig negatief vermogen had dat daardoor haar rentevordering op de certificaathouder geen waarde had, en dat dit zonder de schenking niet anders zou zijn geweest. Over deze stelling heeft het Hof geen oordeel gegeven, zodat in cassatie veronderstellenderwijs ervan moet worden uitgegaan dat zij juist is. In het licht van de hier bedoelde stelling van belanghebbende is zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet begrijpelijk dat de door de certificaathouder gedane schenking maakt dat de kwijtschelding een onttrekking aan het vermogen van belanghebbende oplevert. Evenmin is zonder nadere motivering, die ontbreekt, begrijpelijk dat het Hof aan de omstandigheid dat de schenking is aangewend om te voldoen aan een primaire levensbehoefte van de certificaathouder, de gevolgtrekking heeft verbonden dat belanghebbende zich bij de kwijtschelding heeft laten leiden door het belang van de certificaathouder.
3.3
Ten slotte wordt terecht erover geklaagd dat het Hof zich niet heeft uitgelaten over de stelling van belanghebbende dat zij bij de kwijtschelding zakelijk handelde omdat de certificaathouder in 2014 tot een bedrag van € 30.166,27 kosten van belanghebbende voor zijn rekening heeft genomen.
3.4
Op grond van hetgeen hiervoor in 3.1 tot en met 3.3 is overwogen, kan de uitspraak van het Hof niet in stand blijven. De klachten behoeven voor het overige geen behandeling. Verwijzing moet volgen voor een nieuwe behandeling van de zaak in volle omvang.
4. Proceskosten
De Staatssecretaris zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie. Door het verwijzingshof zal worden beoordeeld of aan belanghebbende voor de kosten van het geding voor het Hof, van het geding voor de Rechtbank en in verband met de behandeling van het bezwaar een vergoeding moet worden toegekend.
5. Beslissing
De Hoge Raad:
- verklaart het beroep in cassatie gegrond,
- vernietigt de uitspraak van het Hof,
- verwijst het geding naar het Gerechtshof Amsterdam ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest,
- draagt de Staatssecretaris van Financiën op aan belanghebbende te vergoeden het griffierecht dat belanghebbende voor de behandeling van het beroep in cassatie heeft betaald van € 519, en
- veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van belanghebbende voor het geding in cassatie, vastgesteld op € 1.050 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer P.M.F. van Loon als voorzitter, en de raadsheren L.F. van Kalmthout en E.F. Faase, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 18 december 2020.