Einde inhoudsopgave
De geschillenregeling ten gronde (VDHI nr. 108) 2011/II.3.1
II.3.1 Inleiding
prof.mr. C.D.J. Bulten, datum 28-04-2011
- Datum
28-04-2011
- Auteur
prof.mr. C.D.J. Bulten
- JCDI
JCDI:ADS382170:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Deze paragraaf is gedeeltelijk een bewerking van mijn artikel uit 2004, zie Bulten (2004), p. 119-128.
Met art. 2:335 lid 2 is in wezen een definitie van de besloten NV gegeven, aldus Asser/Maeijer/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-11* (2009), nr. 14.
Voldoet een in SE met statutaire zetel in Nederland aan de in art. 2:335 lid 2 BW opgenomen eisen, dan is de geschillenregeling eveneens op haar van toepassing, zie art. 9 en 10 SE-Verordening. De uittredingsregeling in het BWNA geldt voor de houder van aandelen op naam in een NV of BV. Toonderaandeelhouders (enkel bij een NVNA) komt de vordering niet toe, omdat zij een 'lossere band' met de vennootschap hebben en verkoop van deze aandelen 'veelal eenvoudiger is'. Zie Frielink (2006), p. 159.
Kamerstukken 10 689 nr. 3 (MvT), p. 7 sub 2. Het voorontwerp van wet van de Commissie Vennootschapsrecht is bijlage 1 bij de MvT (nr. 4, Bijlagen van de MvT). De Commissie Vennootschapsrecht stelde voor de rechterlijke ontbinding alleen voor de nieuwe BV, en niet voor de (al bestaande) NV in te voeren. De BV-rechtsvorm zou zich hiermee dan meer onderscheiden. Zie verder § 11.2.1.a.
Rapport Cie Vennootschapsrecht (1975), p. 14. Reeds in 1972 beantwoordde Maeijer dezelfde vraag met dezelfde argumenten (ook) negatief. Zie Maeijer (1972), p. 107-108.
Advies RMK (1976), p. 12. De RMK nam dit advies over van Lubbers (1975), p. 127, die de uitsluiting van de structuurvennootschappen niet verder motiveerde.
Rapport Gecombineerde Cie (1978), opmerking 1.4. De Gecombineerde Commissie kon wegens `praktische gronden' instemmen met de beperking tot de BV. Het NGB had geen opmerkingen over het toepassingsbereik.
Westbroek (1985/1), p. 713; Slagter (1984), p. 24-25; en Lubbers (1975), p. 127. Opmerkelijk was nog het standpunt van Treurniet, die reeds in 1974 (NV 52, p. 91-92) meende dat aan uitbreiding 'der conflictenregeling' tot de NV geen dringende behoefte bestond. In zijn bespreking van een enquêtebeschikking, waarin twee (groepen van) aandeelhouders in een NV een 50/50-verhouding hadden en in conflict geraakten, erkende hij dat 'met het thans berechte geval' iets te zeggen viel voor uitbreiding van de (toen nog op handen zijnde) geschillenregeling. In 1976 was Slagter (1976), p. 116-117, nog een andere mening toegedaan. Volgens hem konden strijdende partijen bij een NV het conflict niet altijd beslechten door hun stemgedrag in de aandeelhoudersvergadering. Bij een BV gaf de verdeling van het aandelenkapitaal wel aanleiding hiertoe. Hoe Slagter dit precies zag, is mij niet duidelijk.
Zie onder anderen Van Steenbergen (1988), p. 171; en Emmerig (1988), p. 320. Westbroek (1985/1), p. 713, merkte op dat in de toekomst de groep besloten NV's mogelijk weer zou groeien. De commerciële status van een NV kon ertoe leiden dat voor een besloten NV in plaats van een BV zou worden gekozen.
Kamerstukken 18 905, nr. 3 (MvT), p. 11 onder 3a.
Het vereiste van de certificaten ontleende de wetgever aan het tweede advies van de Gecombineerde Commissie, uitgebracht naar aanleiding van het Voorontwerp uit 1981. In het Voorontwerp waren al wel de overige twee vereisten (gesuggereerd door de RMK) opgenomen. Zie Rapport Gecombineerde Cie (1982), p. 3.
Kamerstukken 18 905, nr. 3 (MvT), p. 15-16.
De geschillenregeling is niet van toepassing op alle kapitaalvennootschappen. In art. 2:335BW is het bereik beperkt.1 Ingevolge lid 1 kunnen aandeelhouders van alle soorten BV's de vorderingen instellen. Voor een NV gelden de drie vereisten van lid 2. Voldoet de NV aan deze drie vereisten, dan is zij aan te merken als een zogenoemde 'besloten NV'.2 De statuten dienen slechts aandelen op naam te kennen (sub a). Daarnaast is (sub b) een statutaire blokkeringsregeling verplicht. Tot slot (sub c) mogen de statuten niet toelaten dat met medewerking van de vennootschap certificaten aan toonder worden uitgegeven.3
Op de vraag op welke soorten vennootschappen de geschillenregeling van toepassing moet zijn, worden al sinds het eerste ontwerp voor een wettelijke regeling verschillende antwoorden gegeven. In 1969 had de Minister van Justitie het voornemen om alleen conflicten tussen aandeelhouders van een BV door middel van een bij wet voorziene oplossing tot een einde te brengen. Een regeling voor conflictueuze situaties was noodzakelijk, omdat in het wetsvoorstel ter invoering van een besloten kapitaalvennootschap de ontbinding niet voorkwam. De Commissie Vennootschapsrecht had destijds in haar ontwerp voor het BV-recht wel zo'n rechterlijke ontbindingsmogelijkheid opgenomen. De minister had de ontbinding op grond van gewichtige redenen echter niet laten terugkeren in het wetsvoorstel voor de BV. De geschillen tussen aandeelhouders behoorden volgens hem ook op een andere manier beslecht te kunnen worden. Ontbinding was het laatste redmiddel, een ultimum remedium. De Commissie Vennootschapsrecht onderzocht vervolgens of voor de BV wettelijke voorzieningen konden worden ingevoerd ter oplossing van geschillen tussen aandeelhouders."4
In 1975 stelde de Commissie Vennootschapsrecht in haar Rapport de vraag aan de orde of de geschillenregeling ook voor andere vennootschappen dan de BV zou moeten gelden. Gedacht werd aan een NV waarvan de aandelen alleen op naam konden luiden en de statuten een blokkeringsregeling bevatten.5 De Commissie Vennootschapsrecht constateerde dat in zo'n NV de aandeelhouder bij een conflict zijn aandelen niet vrij kon verhandelen. Een aandeelhouder van een 'open' NV met aandelen aan toonder, al dan niet aan de beurs genoteerd, kende dit probleem niet. Hij kon zijn aandelen direct verkopen indien een conflict dreigde. Ondanks de beperkte verhandelbaarheid van de aandelen bij de NV met een besloten karakter, koos de Commissie Vennootschapsrecht er voor de geschillenregeling exclusief op de BV van toepassing te laten zijn. Het eerste argument voor deze keuze was de populariteit van deze rechtsvorm. Familiebedrijven zouden eerder voor de betrekkelijk nieuwe BV kiezen, luidde de voorspelling. Een tweede reden zag op een te creëren verschil tussen de nieuwe BV en de oude NV. Het zou goed zijn dat de BV een (extra) onderscheidend kenmerk kreeg.
Het voorstel van de Commissie Vennootschapsrecht om een geschillenregeling exclusief voor de BV in te voeren, kreeg niet veel bijval. De RMK vond de argumentatie niet overtuigend. Hij stelde voor de regeling ook van toepassing te laten zijn voor een NV met 'statutaire blokkeringsbepalingen' en met aandelen op naam. De NV mocht geen structuurvennootschap zijn.6 De Gecombineerde Commissie was evenmin gecharmeerd van het voorstel. Haar suggestie was om de NV met aandelen op naam en een blokkeringsregeling de optie te geven in een statutaire bepaling de wettelijke geschillenregeling van overeenkomstige toepassing te verklaren.7 Tot slot waren veel schrijvers niet enthousiast over het voorgestelde beperkte toepassingsbereik.8 Hoewel men aannam dat er waarschijnlijk niet veel besloten NV's meer zouden bestaan na de invoering van de BV, mocht dit geen belemmering zijn.9 De geschillenregeling moest huns inziens eveneens van toepassing zijn op de NV met een besloten karakter.
Tien jaar na het rapport van de Commissie Vennootschapsrecht uit 1975 was het argument dat de BV een 'onderscheidend kenmerk' ten opzichte van de NV moest hebben, van ondergeschikt belang. De procedures van de geschillenregeling boden ook bij een besloten NV een uitweg voor de problemen tussen aandeelhouders. Zij konden in zo'n vennootschap dezelfde geschillen hebben als in de BV.10 De wetgever nam het voorstel van de RMK dus gedeeltelijk over. De NV moest een volledig besloten karakter hebben. Enkel een statutaire blokkeringsregeling en aandelen op naam waren niet genoeg. De statuten dienden medewerking aan uitgifte van certificaten aan toonder niet toe te laten. Had een NV deze wel, dan kreeg zij `een min of meer open karakter'.11 De wetgever dacht dat de geschillenregeling voor zulke vennootschappen niet geschikt was.
De structuurvennootschap werd niet uitgesloten van het toepassingsbereik van de geschillenregeling. De aandeelhoudersvergadering had weliswaar minder bevoegdheden bij een vennootschap die niet is onderworpen aan het structuurregime, maar tussen de aandeelhouders konden wel geschillen ontstaan. Het was volgens de minister minder goed denkbaar dat deze geschillen het belang van de vennootschap zouden schaden, maar ondenkbaar was het niet. Bij de vaststelling van de jaarrekening bijvoorbeeld, konden de geschillen ertoe leiden dat de aandeelhoudersvergadering niet tot vaststelling kwam. De toepassing van de geschillenregeling bood dan een uitweg.12Zowel de aandeelhouders van de structuur-BV als de besloten structuur-NV moesten gebruik kunnen maken van de vorderingen van de geschillenregeling.