Einde inhoudsopgave
Cessie (O&R nr. 70) 2012/VII.6.1.1
VII.6.1.1 Gevallen waarin de overdracht zeker in strijd is met art. 3:84 lid 3 BW; de “zuivere” zekerheidscessie
mr. M.H.E. Rongen, datum 01-10-2011
- Datum
01-10-2011
- Auteur
mr. M.H.E. Rongen
- JCDI
JCDI:ADS362484:1
- Vakgebied(en)
Financieel recht / Algemeen
Ondernemingsrecht / Algemeen
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Voetnoten
Voetnoten
Zie Verhagen & Rongen 2000, p. 74-75.
Zie nrs. 673 en 681.
Vgl. J.J. van Hees 1997, p. 76 en Kortmann & J.J. van Hees 1995a, p. 995. Wel kan worden betoogd dat er minder bezwaren bestaan tegen de erkenning van een zuivere zekerheidscessie als een “werkelijke overdracht” dan in geval van een zekerheidsoverdracht van roerende zaken. Zie nrs. 705 en 720 en Verhagen & Rongen 2000, p. 75.
Vgl. Reehuis 2010, nr. 82. Wellicht anders: Snijders/Rank-Berenschot 2007, nr. 211.
Zie echter ook art. 33 (d) Wck waarin is bepaald dat een beding in een consumentenkredietovereenkomst strekkende tot cessie of verpanding van loon- en pensioenvorderingen e.d. nietig is. Zie over de betekenis van deze bepaling voor de geldigheid van een looncessie: Rb. ’s-Gravenhage 11 augustus 2004, JOR 2004/312 (International Card Services/Bos & Van der Burg). Zie verder nog art. 7A:1576f BW waarin is bepaald dat cessie of verpanding van onder meer loon- en pensioenvorderingen ter zake van koop op afbetaling enkel mogelijk is voor opeisbare verplichtingen en voor termijnbetalingen en kosten.
In gelijke zin: Moerman 2011, p. 11 e.v. Ook Pitlo/Croes 1995, p. 36 wijst wat betreft een looncessie in het kader van koop op afbetaling op de mogelijkheid dat de cessie ongeldig is vanwege het bepaalde in art. 3:84 lid 3 BW.Anders: Dirkzwager-Hofmann 2010.
Zie Rb. ’s-Gravenhage 11 augustus 2004, JOR 2004/312 (International Card Services/Bos & Van der Burg).
Zie Hof Amsterdam 11 juli 2002, te kennen uit NIPR 2004/21, in verband met de cessie van pensioenvorderingen. Daarentegen wordt geen “84 lid 3”-risico gezien door Hof Leeuwarden 1 juni 2010, LJN: BM6828, met betrekking tot de cessie van een vordering door een veilinghuis ter uitvoering van een betalingsregeling met een van zijn schuldeisers.
Zie HR 26 september 2003, NIPR 2004, 21.
In een van de cassatiemiddelen werd geklaagd dat het hof de maatstaf van het Sogelease-arrest had miskend. Volgens de A-G mistte deze klacht feitelijke grondslag. Het hof zou de maatstaf van het Sogelease-arrest wel hebben toegepast. Of de Hoge Raad het inhoudelijk eens is met het oordeel van het hof is echter niet geheel duidelijk, aangezien in het cassatiemiddel niet (duidelijk) werd gesteld – en ook niet onderbouwd – dat het hof de maatstaf onjuist zou hebben toegepast. Er werd volgens de A-G enkel geklaagd over het feit dat het hof de maatstaf van Sogelease zou hebben miskend. De A-G lijkt er in ieder geval van uit te gaan dat de maatstaf door het hof ook juist is toegepast.
Zie nader voor deze laatste vorm van partiële cessie: HR 19 december 1997, NJ 1998, 690, m.nt. WMK (Zuidgeest/Furness), alsmede hiervoor: nr. 347.
707. Kenmerken van een “zuivere” zekerheidscessie. De vraag rijst of naar huidig recht een “zuivere” zekerheidscessie nog steeds mogelijk is, dat wil zeggen een overdracht ten titel van zekerheidverschaffing bijvoorbeeld ter zake van de aflossing van een geldlening. Na het Sogelease-arrest is in ieder geval duidelijk dat een overdracht van vorderingen in strijd is met art. 3:84 lid 3, indien de bevoegdheden van de cessionaris langs contractuele weg zijn beperkt tot de bevoegdheden die een pandhouder heeft.1 De overdracht is derhalve ongeldig, indien de cessionaris gehouden is om in geval van verzuim van de cedent de vordering te innen of te vervreemden teneinde zich uit de opbrengst daarvan te voldoen met de verplichting een eventueel overschot aan de cedent af te dragen. De overdracht zal ook door art. 3:84 lid 3 worden getroffen, indien is overeengekomen dat de cessionaris hetgeen hij van de schuldenaar int op een aparte rekening dient aan te houden en hij het geïnde pas “tot zich mag nemen” indien bepaalde vorderingen op de cedent opeisbaar zijn. Dergelijke afspraken beperken de bevoegdheden van de cessionaris tot de typische bevoegdheden en verplichtingen die een pandhouder op vorderingen heeft op grond van de artikelen 3:235, 246, 253 en 255 BW. In deze gevallen is het duidelijk dat de cessionaris niet meer recht wordt verschaft dan een recht dat hem in zijn schuldeisersbelangen beschermt.
De vraag rijst of tot een ander antwoord gekomen kan worden, indien de bevoegdheden van de cessionaris niet in de hier bedoelde zin zijn beperkt. Zoals ik in § 3.4.2 heb betoogd, is dat bij toetsing aan een objectieve maatstaf niet het geval. Ook indien de bevoegdheden van de cessionaris niet op de hier bedoelde wijze zijn beperkt, is de overdracht naar mijn mening ongeldig, indien met de overdracht uitsluitend wordt beoogd de cessionaris een fiduciair recht te verschaffen dat hem in zijn schuldeisersbelangen beschermt.2 Dat zal in de regel zo zijn, indien met de cessie uitsluitend wordt beoogd de verkrijger bescherming te bieden tegen het risico van schade in geval van een tekortkoming van zijn schuldenaar. In geval van een overdracht van vorderingen die enkel en alleen plaatsvindt ten titel van zekerheidverschaffing, is het moeilijk voorstelbaar dat de cessionaris met betrekking tot de vorderingen nog andere belangen heeft dan het belang om zich door middel van inning of verkoop uit de opbrengst te voldoen.3 De conclusie is dat een “zuivere” zekerheidscessie in strijd is met art. 3:84 lid 3 BW.4
708. Art. 3:84 lid 3 en looncessie; inbetalinggeving. In de praktijk komt het met enige regelmaat voor dat een schuldenaar in het kader van een afbetalingsregeling zijn periodiek jegens zijn werkgever te verkrijgen loonvorderingen overdraagt aan zijn schuldeiser of een door zijn schuldeiser ingeschakeld incassobureau. De cessie strekt niet alleen tot zekerheid van hetgeen de schuldeiser (bv. een bank) te vorderen heeft, maar dient ook als wijze van betaling van de openstaande vordering. De werkgever betaalt op grond van de cessie het loon rechtstreeks aan de schuldeiser die het ontvangen bedrag in mindering brengt op de schuld. Een cessie of verpanding van de loonvordering is op zichzelf mogelijk, voor zover de cessie of verpanding betrekking heeft op het loon boven de beslagvrije voet (zie art. 7:633 lid 1 BW).5
Hoewel afhankelijk van zijn precieze vormgeving moet ook een looncessie in beginsel worden aangemerkt als een “zuivere” zekerheidscessie die ongeldig is vanwege strijd met art. 3:84 lid 3 BW. De cessie verschaft de schuldeiser slechts een fiduciair recht dat hem enkel in zijn schuldeisersbelang beschermt.6 Het feit dat met de cessie tevens uitvoering wordt gegeven aan een afbetalingsregeling – het loon wordt immers door de schuldeiser in mindering gebracht op de schuld – doet daaraan niet af. De schuldeiser heeft geen ander belang dan het belang zich door inning van de loonvordering uit de opbrengst daarvan te voldoen. Een eventueel overschot komt ten goede aan de schuldenaar. Zeker indien de schuldenaar ten tijde van de looncessie al in verzuim verkeert, ligt het niet voor de hand de cessie als iets anders te zien dan een zekerheidverschaffing waarna de schuldeiser onmiddellijk overgaat tot het nemen van verhaal. De schuldeiser dient een pandrecht te bedingen.
In de lagere rechtspraak is verschillend over de geldigheid van een looncessie geoordeeld. De rechtbank ’s-Gravenhage is van mening dat er geen sprake is van strijd met art. 3:84 lid 3 BW en acht de cessie in beginsel rechtsgeldig.7 Het hof Amsterdam heeft daarentegen geoordeeld dat een dergelijke cessie nietig is, omdat er sprake is van een cessie “ten titel van verhaal”.8 Het cassatieberoep dat tegen het arrest van het hof werd ingesteld, werd door de Hoge Raad onder verwijzing naar art. 81 RO verworpen.9 Hoewel niet geheel zeker, lijkt de Hoge Raad de zienswijze van het hof te delen.10
Een (loon)cessie hoeft overigens niet in strijd te komen met het fiduciaverbod, indien zij wordt vormgegeven als een onvoorwaardelijke inbetalinggeving (art. 6:45 BW). In dat geval voldoet de schuldenaar zijn schuld door cessie van (een aantal) loonvorderingen. Het is dan niet het loon dat in mindering wordt gebracht op de openstaande vordering, maar de cessie zelf die door partijen wordt aangemerkt als een gehele of gedeeltelijke voldoening van de schuld. De omvang van de schulddelging die de cessie met zich brengt kan door schuldenaar en schuldeiser worden gesteld op het bedrag van het door de werkgever ter zake van de gecedeerde vorderingen verschuldigde loon. Ook is mogelijk een cessie ten titel van inbetalinggeving van (i) alle loonvorderingen (boven de beslagvrije voet) onder de ontbindende voorwaarde dat de schuldeiser een bedrag aan loon heeft geïnd gelijk aan de openstaande schuld of (ii) van alle loonvorderingen (boven de beslagvrije voet) tot het totaalbedrag van de openstaande schuld.11 Mijns inziens blijven dergelijke constructies buiten de reikwijdte van art. 3:84 lid 3 BW, mits de schuldeiser/cessionaris het risico van wanbetaling door de werkgever voor zijn rekening neemt.12 Mocht daarentegen zijn overeengekomen dat de schuldenaar instaat voor de inbaarheid van de loonbetalingen of mocht de omvang van de schulddelging waartoe de inbetalinggeving leidt worden gesteld op het bedrag dat de schuldeiser werkelijk aan loon ontvangt, dan bestaat er een reëel risico dat er sprake is van een als een inbetalinggeving vermomde cessie ten titel van verhaal. In deze gevallen kan worden betoogd dat de voldoening van de schuld niet reeds door de inbetalinggeving (de cessie) zelf wordt gerealiseerd, maar eerst doordat de ontvangen loonbetalingen op de schuld in mindering worden gebracht. Dan is er in feite sprake van een verhaalsoverdracht of een figuur die daarmee op een lijn gesteld moet worden.