Einde inhoudsopgave
Cessie (O&R nr. 70) 2012/VII.6.2
VII.6.2 Fiducia cum amico: de cessie ten titel van beheer
mr. M.H.E. Rongen, datum 01-10-2011
- Datum
01-10-2011
- Auteur
mr. M.H.E. Rongen
- JCDI
JCDI:ADS359903:1
- Vakgebied(en)
Financieel recht / Algemeen
Ondernemingsrecht / Algemeen
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Voetnoten
Voetnoten
Zie MvA II, Parl. Gesch. Boek 3, p. 318-319 en HR 19 mei 1995, NJ 1996, 119, m.nt. WMK (Keereweer q.q./Sogelease), r.o. 3.6.
Zo ook: Uniken Venema 1967, p. 46-47; Uniken Venema 1985, p. 144; Uniken Venema 1990, p. 211; Eisma 1990, p. 326-327; Eisma 1992, p. 1062 en Faber 1996, p. 230. Anders: Beuving 1996, p. 108; Van der Grinten 1991, p. 97; Van der Grinten 1964, p. 17-18 en p. 21-22; Hartkamp 1974, p. 379-380 en G.J. Scholten, noot onder HR 19 december 1969, NJ 1970, 200 (Eckmann/De Auto Onderlinge). Vgl. S.E. Bartels 2004a, p. 69 e.v.
De voorwaarde mag echter niet zo worden geformuleerd dat zij neerkomt op een uitsluiting van de overdraagbaarheid van de vordering(en) of als een middel om de vordering(en) te onttrekken aan verhaal door schuldeisers van de cessionaris. Zie MvA II Inv., Parl. Gesch. Boek 3 (Inv. 3, 5 en 6), p. 1202; Reehuis 2010, nr. 13 en Pitlo/Reehuis, Heisterkamp 2006, nrs. 105 en 123.
Zie HR 21 oktober 1983, NJ 1984, 254, m.nt. Ma (Zomerdijk/Goudsblom); HR 28 oktober 1988, NJ 1989, 83, m.nt. JBMV (Bakridi/HBN) en HR 3 mei 1991, NJ 1992, 229, m.nt. PAS (De Rooy/Van der Vloodt). Vgl. ook: HR 8 december 1989, NJ 1990, 498, m.nt. JBMV (Engels/De Bever) en HR 16 januari 1998, NJ 1999, 284 (Handelsveem/ Annico).
Zie bijvoorbeeld: Asser/Mijnssen & De Haan 3-I 1992, nr. 353 en Maeijer in zijn noot onder het arrest Zomerdijk/Goudsblom (NJ 1984, 254).
In deze zin: Verhagen & Rongen 2000, p. 78-79; Beuving 1996, p. 97-100 en Tjittes 1990, p. 112-113. Vgl. Hof ’s-Hertogenbosch 29 maart 2011, LJN: BP9630 en Hof Leeuwarden 1 februari 2011, RI 2011/54. Dat een ‘cessie ter incasso’ tot een overdracht van de vordering kan leiden, wordt tegenwoordig algemeen aangenomen, zie o.a.: Sector kanton Rb. Middelburg 7 december 2009, LJN: BL1939 (Sociale Verzekeringsbank/De Schelde); Verhagen & Rongen 2000, p. 80; Faber 1996, p. 229; Beuving 1996, p. 94; Asser/Kortmann, De Leede & Thunissen 5-III 1994, nr. 168; Stein 1992, p. 20-21; Tjittes 1990, p. 110 e.v.; Maeijer 1991, p. 52; Uniken Venema 1990, p. 194 e.v. en p. 209 e.v.; Schoordijk 1987, p. 64; Uniken Venema, 1985, p. 143-144; Stein 1972, p. 60 en Schut 1970, p. 410. Anders: VC II Inv. en LvVr II Inv., Parl. Gesch. Boek 3 (Inv. 3, 5 en 6), p. 1202-1203; Nota II Voortgang, Parl. Gesch. Boek 3 (Inv. 3, 5 en 6), p. 1273; MvA I, Parl. Gesch. Boek 7 (Inv. 3, 5 en 6), p. 316; MvA, TK 1991-1992, 17 779, nr. 8, p. 7; Beekhoven van den Boezem & Bergervoet 2011, p. 51; Van der Lely 1999, p. 373; Groefsema 1993, p. 1-2 en p. 111 e.v.; Asser/Mijnssen & De Haan 3-I 1992, nrs. 353 en 543; Mijnssen 1992, p. 52-53 en Mijnssen 1971, p. 925 e.v. Sommige auteurs wijzen erop dat met een ‘cessie ter incasso’ meestal geen overdracht wordt beoogd, maar dat van een andere bedoeling kan blijken, zie: Reehuis 2010, nr. 85; Snijders/Rank-Berenschot 2007, nr. 353; Asser/Mijnssen& De Haan 3-I 2006, nrs. 291 en 474 en Pitlo/Reehuis, Heisterkamp 2006, nr. 286.
Zie J.J. van Hees 1997, p. 84 e.v.; Van Mierlo 1988, p. 117 e.v.; Brahn 1988, p. 88 e.v. en Reehuis 1987, nrs. 9, 10, 256 en 259.
726. Cessie ten titel van beheer niet in strijd met art. 3:84 lid 3 BW; geen maatschappelijke rechtvaardiging vereist. Ten aanzien van de betekenis van art. 3:84 lid 3 voor de cessie ten titel van beheer kan ik kort zijn. De tweede zinsnede van art. 3:84 lid 3 zal in de praktijk nauwelijks tot problemen leiden. Uit de parlementaire geschiedenis en het Sogelease-arrest volgt dat een cessie ten titel van beheer geldig is, mits zij leidt tot een werkelijke en volledige overgang van de vordering in het vermogen van de cessionaris, dat wil zeggen zonder (niet in het wettelijk systeem passende) goederenrechtelijke beperkingen. Volgens de Hoge Raad beoogt het tweede gedeelte van artikel 3:84 lid 3 enkel tot uitdrukking te brengen dat het eigendomsrecht niet op een andere manier kan worden opgesplitst dan op de door (het stelsel van) de wet voorziene wijzen. De bepaling verzet zich niet tegen een regeling waarbij de ene partij de volledige eigendom heeft en de andere partij louter persoonlijke rechten en verplichtingen.1
Voor de geldigheid van een cessie ten titel van beheer – en meer in het algemeen een overdracht ten titel van beheer – is voorts niet vereist dat daarvoor een maatschappelijke rechtvaardiging bestaat die verder reikt dan dat de overdracht door partijen moet zijn beoogd.2 Het stellen van een dergelijk vereiste zou tot te veel rechtsonzekerheid aanleiding kunnen geven (wanneer is er een voldoende maatschappelijke rechtvaardiging?) en zou belemmerend kunnen werken voor ontwikkelingen in de rechtspraktijk. Het enige waar het op aankomt, is dat de cessie er naar de bedoeling van partijen toe strekt de vordering volledig (zonder beperkingen) te laten overgaan in het vermogen van de cessionaris, zodat de cedent in beginsel slechts persoonlijke rechten en verplichtingen ten aanzien van de vordering blijft behouden. De titel voor de cessie kan bijvoorbeeld gelegen zijn in een lastgeving ter incasso.
Overigens is niet vereist dat de cessionaris met betrekking tot de vorderingen beheerstaken worden opgedragen. Ook een cessie die uitsluitend plaatsvindt ten titel van bewaring is rechtsgeldig.3
Tot slot merk ik op dat art. 3:84 lid 3 er niet aan in de weg staat dat de belangen van de beneficiaris worden beschermd door de toepassing van wettelijk erkende constructies, zoals de overdracht onder ontbindende of opschortende voorwaarde,4 de vestiging of het voorbehouden van een pandrecht en de opening van een kwaliteitsrekening.5 Voor zover hier goederenrechtelijke beperkingen uit voortvloeien, gaat het om door de wet toegelaten beperkingen, die de overdracht niet ongeldig doen zijn vanwege strijd met art. 3:84 lid 3 BW.
727. Jurisprudentie van de Hoge Raad. In een aantal arresten heeft de Hoge Raad geoordeeld dat hoewel partijen in hun overeenkomst spraken van een ‘cessie ter incasso’, er niettemin sprake was van een lastgeving ter incasso zonder overdracht.6 Ten onrechte leiden sommige auteurs uit deze arresten af dat een overdracht ter incasso naar Nederlands recht niet mogelijk is.7 Uit de arresten kan slechts worden geconcludeerd dat het feit dat partijen de term “cessie ter incasso” gebruiken nog niet zonder meer impliceert dat er dus sprake is van een cessie in juridische zin. Het is mogelijk dat partijen geen werkelijke overdracht van de vordering beogen, maar slechts een lastgeving om de vordering op eigen naam te innen. Het komt dus aan op de uitleg van de partijbedoeling.8
Een interessante vraag is nog – die hier verder onbesproken blijft – of een cessie ten titel van beheer (of bewaring) wel onder alle omstandigheden volledig rechtsgevolg toekomt. Onder het oude recht heeft de Hoge Raad de zekerheidsoverdracht van roerende zaken met levering c.p. ten opzichte van bepaalde derden gerelativeerd.9 In de literatuur is gesuggereerd dat ook de rechtsgevolgen van een fiduciaire cessie voor relativering in aanmerking zouden kunnen komen, in het bijzonder indien de cessie niet naar buiten toe blijkt, omdat zij niet aan de schuldenaar is medegedeeld (stille cessie).10 Het is mijns inziens echter zeer twijfelachtig of daar naar huidig recht, gelet op het splitsingsverbod van art. 3:84 lid 3 en de betekenis die daaraan blijkens de wetsgeschiedenis en de Hoge Raad moet worden toegekend (zie hiervoor), wel ruimte voor is.