Einde inhoudsopgave
Individuele straftoemeting in het fiscale bestuurlijke boeterecht (FM nr. 151) 2018/2.9.2.2
2.9.2.2 De verhogingen van 100 procent
mr. I.J. Krukkert, datum 01-02-2018
- Datum
01-02-2018
- Auteur
mr. I.J. Krukkert
- JCDI
JCDI:ADS462067:1
- Vakgebied(en)
Bijzonder strafrecht / Fiscaal strafrecht
Fiscaal bestuursrecht / Boete
Voetnoten
Voetnoten
Zie bijvoorbeeld TK, vergaderjaar 1985-1986, nr. 37, Vel 33, p. 122, 1e kolom.
Zie bijvoorbeeld Verslag van het Mondeling Overleg, tevens Eindverslag (TK, vergaderjaar 1957-1958, 4080, nr. 7, p. 10) en de Memorie van Antwoord n.a.v.dit eindverslag (EK, vergaderjaar 1957-1958, nr. 7a, p. 6). Zie bijvoorbeeld ook De Jonge, WFR 1955/1019 en Feteris, M.W.C., 1993, p. 51.
Dit standpunt is ook terug te vinden in de onderdelen 2 en 13 van de Resolutie van 27 oktober 1954, no. 160 (V-N 1954, blz. 663 en 665).
Zie Memorie van Toelichting (TK, vergaderjaar 1954-1955, 4080, nr. 3, p. 16).
De AWR kent tevens zwaardere boeten, de verhogingen van 100 procent in geval van navordering (artikel 18 AWR) of naheffing (artikel 21 AWR). Deze verhogingen zijn geënt op onder andere de bestaande verhoging bij navordering volgens artikel 4 van de Zevende Uitvoeringsbeschikking bij het Besluit op de inkomstenbelasting 1941 (zie onderdeel 2.7.2) en de verhoging van artikel 37, lid 2 van de Wet OB 1954. De AWR-verhogingen van 100 procent sluiten grotendeels aan bij de reeds bestaande verhogingsregelingen, met uitzondering van het feit dat de AWR-verhogingen allen imperatief zijn en dus rechtstreeks uit de wet voortvloeien (zie hiervoor).
De verhogingen van artikel 18 en 21 AWR worden opgelegd wanneer sprake was van opzet of grove schuld (voorheen ‘grove onachtzaamheid’ genoemd). Daarbij lag het nog steeds op de weg van belastingplichtige om aannemelijk te maken dat geen sprake was van opzet of grove schuld. Ook hier werd door de regering dus afgeweken van het ook toen al geldende strafrechtelijke principe van onschuldpresumptie (iemand is onschuldig totdat het tegendeel wordt bewezen).1
De verhoging vormt geen afzonderlijke beschikking maar maakt onderdeel uit van de belastingaanslag. Het is dus niet mogelijk om los van een navorderingsaanslag een verhoging op te leggen.
Karakter van de verhogingen: straf in de vorm van administratieve boeten
Over het karakter van de verhogingen is de regering duidelijk; zowel de lichte verhogingen, als de zwaardere verhogingen zijn administratieve boeten en dus strafsancties.2 Dit wordt nog eens onderstreept door het feit dat anti-cumulatiebepalingen worden opgenomen ter voorkoming van een dubbele, zowel bestuurlijke als strafrechtelijke, bestraffing.
Met betrekking tot de lichte verhogingen geeft de minister aan dat deze niet zien op vergoeding van renteverlies. Daarnaast neemt de minister ten aanzien van de zwaardere verhogingen nu ook duidelijk afstand van de vroegere schadevergoedingsgedachte:3
“De in dit artikel [18, IK] bedoelde verhoging heeft het karakter van een administratieve boete; zij vormt dus niet, zoals met de verhoging van artikel 85 van de Wet op de Inkomstenbelasting 1914 het geval was, een vergoeding voor gepraesumeerd nadeel dat de belastingplichtige de fiscus heeft berokkend.”4
Hiermee lijkt het bestraffende, leedtoevoegende karakter van zowel de lichte als de zware verhogingen een gegeven. Dat betekent echter niet dat ze allen hetzelfde doel dienden.