type: 1881
Rb. Den Haag, 27-07-2016, nr. C/09/369921 / HA ZA 10-2306
ECLI:NL:RBDHA:2016:9510
- Instantie
Rechtbank Den Haag
- Datum
27-07-2016
- Zaaknummer
C/09/369921 / HA ZA 10-2306
- Vakgebied(en)
Civiel recht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:RBDHA:2016:9510, Uitspraak, Rechtbank Den Haag, 27‑07‑2016; (Bodemzaak)
ECLI:NL:RBDHA:2016:9531, Uitspraak, Rechtbank Den Haag, 24‑02‑2016; (Bodemzaak)
ECLI:NL:RBDHA:2015:16179, Uitspraak, Rechtbank Den Haag, 22‑04‑2015; (Bodemzaak)
ECLI:NL:RBDHA:2014:16818, Uitspraak, Rechtbank Den Haag, 17‑12‑2014; (Bodemzaak, Eerste aanleg - enkelvoudig)
Uitspraak 27‑07‑2016
Inhoudsindicatie
Schadestaatprocedure. Eindvonnis. Beoordeling van onder meer de naast de herstelkosten gevorderde overige schadeposten, de vraag of over de herstelkosten omzetbelasting dient te worden vergoed en opheffing van gelegd beslag.
Partij(en)
vonnis
RECHTBANK DEN HAAG
Team handel
zaaknummer / rolnummer: C/09/369921 / HA ZA 10-2306
Vonnis van 27 juli 2016
in de zaak van
1. [A] ,
2. [B] ,
3. [C] ,
4. [D] ,
5. [E] ,
6. [F] ,
allen wonende te [woonplaats] ,
eisers in conventie,
verweerders in reconventie,
verweerders in de voorwaardelijke incidenten,
advocaat mr. drs. I.M.C.A. Reinders Folmer te Amsterdam,
tegen
1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheidDE RAAD BOUWONTWIKKELING B.V.,
2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
DE RAAD BOUW B.V.,
beide gevestigd te Noordwijk en kantoorhoudende te Katwijk,
gedaagden in conventie,
eiseressen in reconventie,
eiseressen in de voorwaardelijke incidenten,
advocaat mr. P.A. Arisz-Versteeg te Rotterdam.
Partijen worden hierna opnieuw [A] c.s. (in mannelijk enkelvoud) en De Raad c.s. (in vrouwelijk enkelvoud) genoemd. Eisers in conventie, tevens verweerders in reconventie en verweerders in de voorwaardelijke incidenten, worden, voor zover nodig, ieder afzonderlijk met hun achternaam aangeduid. Gedaagden in conventie, tevens eiseressen in reconventie en eiseressen in de voorwaardelijke incidenten, worden, voor zover nodig, afzonderlijk De Raad Bouwontwikkeling respectievelijk De Raad Bouw genoemd.
1. De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 24 februari 2016;
- de akte houdende wijziging eis tevens akte overlegging producties van de zijde van [A] c.s.;
- de akte wijziging incidentele conclusie ex 843a en 21 Rv tevens wijziging eis in reconventie tevens akte overlegging producties van de zijde van De Raad c.s.;
- het proces-verbaal van comparitie van 12 april 2016;
- het proces-verbaal van de voortzetting van de comparitie op 2 mei 2016;
- de akte na comparitie van de zijde van [A] c.s.;
- de akte na comparitie van de zijde van De Raad c.s.
1.2.
Ten slotte is een (nadere) datum voor vonnis bepaald.
2. De verdere beoordeling
in conventie en in reconventie
2.1.
De rechtbank stelt voorop dat zij in randnummer 2.36 van het tussenvonnis van 24 februari 2016 per abuis het aanvankelijk door de bindend adviseur begrote bedrag van € 925.750 (exclusief btw) heeft genoemd, zonder daarbij op te tellen het in randnummer 2.11 van dat tussenvonnis genoemde bedrag van € 9.920,- waarmee het bindend advies na de nadere motivering door de bindend adviseur is verhoogd. In randnummer 2.36 van het tussenvonnis dient derhalve in plaats van € 925.750 te worden gelezen € 935.670. In zoverre komt de rechtbank ambtshalve terug van haar in het tussenvonnis van 24 februari 2016 gegeven oordelen. De rechtbank blijft voor het overige bij hetgeen zij heeft overwogen in het tussenvonnis van 24 februari 2016, tenzij zij hierna uitdrukkelijk anders vermeldt.
2.2.
Voor zover [A] c.s. met zijn uiteenzetting in de randnummers 4-12 van de akte na comparitie van 18 mei 2016 mocht hebben beoogd enig zonder voorbehoud gegeven eindoordeel van de rechtbank in het tussenvonnis van 24 februari 2016 opnieuw ter discussie te stellen, gaat de rechtbank daaraan voorbij. Het staat haar niet vrij van dergelijke eindoordelen terug te komen. Geen van de mogelijke uitzonderingen op de regels betreffende de bindende eindbeslissing doet zich hier voor. En als dat al anders zou zijn geweest, zou de rechtbank – zo voegt zij hieraan toe – geen reden zien voor een ander oordeel. Hetzelfde geldt voor het door [A] c.s. in de randnummers 24-29 van de akte van 18 mei 2016 ter discussie gestelde eindoordeel van de rechtbank ten aanzien van de door [A] c.s. gevorderde wettelijke rente.
2.3.
In het zojuist genoemde tussenvonnis is de rechtbank tot de slotsom gekomen dat het bindend advies in stand blijft en dat beide partijen daaraan zijn gebonden. De kosten van herstel van de schade aan de woningen van [A] c.s. als gevolg van de werkzaamheden van De Raad c.s. zijn begroot op het totaal van de bedragen van € 935.670,- (exclusief btw), € 5.638,60 (inclusief btw), € 2.000 (stelpost) en € 16.339,-.
Vervolgens heeft de rechtbank de overige gevorderde schadeposten besproken, te weten:
- a.
expertisekosten € 34.930,18
- b.
kosten van vervangende huisvesting € 107.917,94
- c.
kosten van verhuizing en opslag van de inboedel € 24.450,00
- d.
kosten van tuinaanleg € 45.637,80.
Ten aanzien van de expertisekosten heeft de rechtbank overwogen dat uitgangspunt is dat De Raad c.s. de – haar toerekenbare – schade wegens expertisekosten dient te vergoeden. De gevorderde expertisekosten van Rijnja Repro (€ 91,14) en van [B] (€ 624,75) zijn volgens de rechtbank toewijsbaar, nu De Raad c.s. zich hiertegen niet heeft verzet. Ten aanzien van de overige gevorderde expertisekosten heeft de rechtbank nog geen eindbeslissing gegeven. Hetzelfde geldt voor de gevorderde kosten van vervangende huisvesting, de gevorderde kosten van verhuizing en opslag van de inboedel en de gevorderde kosten van tuinaanleg. De rechtbank heeft iedere verdere beslissing ten aanzien van deze posten aangehouden, evenals ten aanzien van de vordering van De Raad c.s. tot terugbetaling van het voorschot, de vordering van De Raad c.s. tot nakoming van de vaststellingsovereenkomst in deze zin dat – kort gezegd – de herstelwerkzaamheden aan de villa binnen negen maanden na dit vonnis dienen te zijn uitgevoerd en de aanleg van de paalfundering binnen drie maanden dient te zijn uitgevoerd, en de door [A] c.s. gevorderde omzetbelasting over de herstelkosten.
De rechtbank heeft partijen in de gelegenheid gesteld om eventuele nadere stukken in het geding te brengen en de rechtbank heeft een zitting bevolen teneinde onder meer nadere inlichtingen van partijen te verkrijgen over de in het tussenvonnis genoemde thema’s.
Vermeerdering/wijziging eis in conventie, in reconventie en in de incidenten
2.4.
[A] c.s. heeft vervolgens zijn eis ten aanzien van de expertisekosten vermeerderd tot een bedrag van € 71.161,99 en inzake de kosten van vervangende huisvesting tot een bedrag van € 207.167,94. [A] c.s. heeft zijn vordering voor het overige gehandhaafd, zodat hij thans ten aanzien van de overige schadeposten in totaal een bedrag van € 348.417,73 van De Raad c.s. vordert.
2.5.
De Raad c.s. heeft haar vordering in reconventie vermeerderd in deze zin dat zij onder haar vordering [A] c.s. te veroordelen om de vaststellingsovereenkomst na te komen mede begrijpt dat [A] c.s. de facturen die hij van [X] ontvangt binnen een week na ontvangst van die facturen aan De Raad c.s. dient toe te zenden. De Raad c.s. heeft haar vordering in reconventie voor het overige gehandhaafd.
2.6.
De Raad c.s. heeft de aan de incidentele vorderingen verbonden voorwaarde laten vallen en deze vorderingen gewijzigd. De Raad c.s. vordert thans (onvoorwaardelijk) de veroordeling:
- 1.
van [A] c.s. om ten aanzien van de reeds ontvangen facturen voor uitgevoerde (herstel)werkzaamheden aan het [adres] 6, 7 en/of 7A te [plaats 1] binnen een week na dit vonnis afschrift over te leggen van of inzage te geven in de offerte en de facturen van [X] , alsmede rekeningafschriften van [A] c.s. over te leggen waaruit blijkt dat de op de facturen vermelde bedragen daadwerkelijk aan [X] zijn betaald;
- 2.
van [A] c.s. om ten aanzien van de na dit vonnis te ontvangen facturen voor (herstel)werkzaamheden aan het [adres] 6, 7 en/of 7A te [plaats 1] binnen een week na dit vonnis afschrift over te leggen van of inzage te geven in de offerte en de facturen van [X] , alsmede de rekeningafschriften van eisers waaruit blijkt dat de op de facturen vermelde factuurbedragen daadwerkelijk aan [X] zijn betaald;
- 3.
de veroordeling van [C] en [D] om binnen een week na dit vonnis afschrift over te leggen of inzage te geven in de facturen voor opslag van de inboedel, verhuiskosten en vervangende huisvesting in het kader van de uitgevoerde herstelwerkzaamheden aan hun woning,
alles met uitvoerbaarverklaring bij voorraad en met veroordeling van [A] c.s. in de proceskosten.
2.7.
Partijen hebben zich over en weer niet verzet tegen de eiswijzigingen en eisvermeerderingen in conventie, in reconventie en in de incidenten. Nu de rechtbank ook ambtshalve geen reden ziet om deze veranderingen buiten beschouwing te laten, zal zij beslissen op de respectieve vorderingen zoals deze thans luiden.
Expertisekosten
2.8.
[A] c.s. vordert in dit opzicht een bedrag van € 71.161,99, dat hij als volgt specificeert:
- a.
Duyts Bouwconstructies BV € 7.116,20
- b.
Geo-Supporting BV € 4.685,63
- c.
Rijnja Repro € 91,14
- d.
[Y] € 1.071,00
- e.
[X] € 3.979,36
- f.
WBM € 4.462,50
- g.
[B] € 624,75
- h.
[Z] € 12.899,60
- i.
Geo Supporting € 6.015,45
- j.
[X] € 30.216,36
Totaal € 71.161,99.
2.9.
Tijdens de zitting van 12 april 2016 heeft De Raad c.s. bevestigd dat zij zich kan vinden in de posten a en b, zodat deze posten toewijsbaar zijn. Zoals in het tussenvonnis van 24 februari 2016 reeds was overwogen, heeft De Raad c.s. zich niet verzet tegen de posten c en g, zodat deze posten eveneens toewijsbaar zijn.
2.10.
Ten aanzien van de posten d, e, f en h heeft de rechtbank in het tussenvonnis van 24 februari 2016, in onderdeel 2.21, per vergissing vermeld dat De Raad c.s. op zichzelf niet heeft betwist dat [A] c.s. de door [Y] , [X] , WBM en [Z] gefactureerde offertekosten heeft betaald. Zoals De Raad c.s. terecht stelt, heeft mr. Esseling namens De Raad c.s. tijdens de comparitie van 26 januari 2011 opgemerkt dat zij zich ten aanzien van alle gevorderde calculatiekosten afvraagt of deze al dan niet betaald zijn (randnummer 16 van de verklaring van mr. Esseling in het proces-verbaal van de comparitie van 26 januari 2011). Gelet hierop, en gegeven het feit dat [A] c.s. op dit punt geen betalingsbewijzen heeft overgelegd, is niet komen vast te staan dat [A] c.s. de hier genoemde bedragen heeft betaald. Zoals in het vonnis van 24 februari 2016 is overwogen, staat tussen partijen echter wel vast dat [Y] en de drie aannemers de hier bedoelde kosten in rekening hebben gebracht. Daarmee staat ook vast dat de genoemde bedragen door [A] c.s. dienen te worden betaald.
De rechtbank gaat voorbij aan de stelling van De Raad c.s. dat het in rekening brengen van offertekosten ongebruikelijk is. Gegeven het feit (i) dat partijen voordat deze offertes waren uitgebracht al jarenlang in een juridische procedure waren verwikkeld, (ii) dat in die procedures allerlei uitgangspunten waren vastgelegd en deskundigenrapporten waren uitgebracht over de wijze van herstel van de woningen en (iii) dat partijen ook op het moment van het uitbrengen van de offertes zich nog steeds in een juridische procedure bevonden, kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden gesproken van een ‘normaal’ project waarvoor een offerte werd uitgebracht. Voor zover het bij ‘normale’ projecten met een zekere omvang al niet gebruikelijk zou zijn om offertekosten in rekening te brengen, acht de rechtbank het in ieder geval onder de genoemde omstandigheden redelijk dat de aannemers offertekosten in rekening hebben gebracht. Dit geldt temeer nu de bindend adviseur de in de offerte van [X] opgenomen calculatiekosten ook in stand heeft gelaten. Nu de rechtbank – zoals overwogen in het tussenvonnis van 24 februari 2016 – geen reden ziet voor de conclusie dat de hoogte van de facturen niet redelijk was in verhouding tot de daarvoor verrichte (offerte)werkzaamheden, zijn ook de posten d, e, f en h in beginsel toewijsbaar. Nu echter in de door de bindend adviseur begrote herstelkosten al de door [X] begrote en in rekening gebrachte calculatiekosten zijn opgenomen, is er geen grond voor afzonderlijke toewijzing van post e. Deze post wordt dus afgewezen.
2.11.
Post i betreft volgens [A] c.s. en blijkens de door [A] c.s. overgelegde factuur de kosten van geotechnisch bodemonderzoek en grondradaronderzoek bij het slaan van de proefpaal voor de paalfundering. Ook De Raad c.s. gaat hiervan uit. Naar het oordeel van de rechtbank dienen deze kosten door De Raad c.s. aan [A] c.s. worden vergoed. Daartoe is het volgende redengevend.
De rechtbank volgt De Raad c.s. niet in haar stelling dat (een deel van) deze kosten ten onrechte (is of) zijn gemaakt. De Raad c.s. gaat blijkens haar stellingen ervan uit dat in ieder geval een deel van de op de factuur vermelde werkzaamheden is verricht ter uitvoering van de werkzaamheden ten behoeve van het herstel van de fundering van de villa die zijn vermeld in artikel 3 (na het eerste liggende streepje) van de vaststellingsovereenkomst van partijen. Nu de werkzaamheden zijn verricht onder supervisie van de bindend adviseur, is voldoende komen vast te staan dat de op de factuur vermelde werkzaamheden noodzakelijk waren.
Anders dan De Raad c.s. stelt, kan uit het feit dat in de vaststellingsovereenkomst is bepaald dat als de proefpaal niet in de grond kan worden gebracht de tot dan toe gemaakte kosten voor rekening en risico van De Raad c.s. komen, niet worden afgeleid dat de kosten nu voor rekening van [A] c.s. moeten komen aangezien de proefpaal wel in de grond is gebracht. Uitgangspunt is immers dat De Raad c.s. de schade wegens expertisekosten dient te vergoeden en uit de hiervoor genoemde afspraak kan niet worden afgeleid dat ten aanzien van de proefpaal iets anders is overeengekomen. Daarbij verdient opmerking dat partijen er bij het slagen van de proefpaal ook van uitgingen dat een paalfundering zou worden aangebracht onder de villa. De kosten daarvan dienen dan ook voor rekening van De Raad c.s. te komen. Ook daarom ligt het niet voor de hand – en zou het onredelijk zijn – om de kosten van een geslaagde proefpaal voor rekening van [A] c.s. te laten. Het slaan van de proefpaal was in de ogen van partijen immers nodig om te bezien of een paalfundering feitelijk tot de mogelijkheden behoort. Post i is dus toewijsbaar.
2.12.
Post j betreft volgens [A] c.s. twee facturen van [X] inzake de kosten voor het nadere onderzoek ten behoeve van het schadeherstel van de villa. Het gaat om de facturen van 26 oktober 2012 (ten bedrage van € 19.443,73) en van 25 januari 2013 (ten bedrage van € 10.772,63).
De bindend adviseur heeft de factuur van 26 oktober 2012 al in de begroting van de herstelkosten betrokken. Dit betreft het in het tussenvonnis van 24 februari 2016 in 2.36 al genoemde bedrag van € 16.339,-. Dit bedrag is het hierop betrekking hebbende factuurbedrag exclusief BTW. Gelet hierop zullen de hier gevorderde expertisekosten ten aanzien van de factuur van 26 oktober 2012 worden afgewezen.
Ook de factuur van 25 januari 2013 komt niet voor vergoeding in aanmerking. [A] c.s. verwijst voor zijn vordering inzake deze factuur immers naar de offerte van [X] . Niet is duidelijk op welk onderdeel van de offerte van [X] deze factuur betrekking heeft. In zoverre is de vordering van [A] c.s. dus onvoldoende toegelicht. Daarbij komt dat de bindend adviseur de offerte van [X] tot uitgangspunt heeft genomen voor het berekenen van de herstelkosten van de villa. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, dient er derhalve van te worden uitgegaan dat de in de offerte vermelde kosten zijn begrepen in de herstelkosten, dan wel niet voor vergoeding in aanmerking komen op basis van het advies van de bindend adviseur.
2.13.
Gelet op het voorgaande dient De Raad c.s. aan [A] c.s. ter zake van de expertisekosten een bedrag van in totaal € 36.966,27 te vergoeden.
Kosten van vervangende huisvesting
2.14.
[A] c.s. vordert in dit opzicht een bedrag van € 207.167,94, dat hij als volgt specificeert:
- a.
huisnummer 6 € 24.000,00
- b.
huisnummer 7 € 21.600,00
- c.
huisnummer 7A € 19.200,00
- d.
aanvullende kosten voor huisnummer 6 € 142.367,94
Totaal € 207.167,94.
2.15.
De posten a-c betreffen vervangende woonruimte tijdens het herstel van de schade aan de woningen. Zoals is overwogen in het tussenvonnis van 24 februari 2016, is [A] c.s. uitgegaan van een gemiddelde bouwtijd van 40 weken voor het herstel van de woningen en stelt hij dat de bewoners voor een periode van twaalf maanden dienen te beschikken over vervangende woonruimte. De Raad c.s. heeft (onder meer) tegen de door [A] c.s. genoemde duur van het gebruik van de vervangende woonruimte verweer gevoerd.
Nu de bindend adviseur is uitgegaan van een bouwtijd van 32 weken, zal de rechtbank zich daarbij aansluiten. De rechtbank acht het redelijk dat de bewoners vóór de herstelwerkzaamheden al de gelegenheid hebben om de vervangende woonruimte te betrekken en om na het afronden van deze werkzaamheden enige tijd te hebben om weer te verhuizen naar de woningen aan het [adres] . Gelet hierop dient De Raad c.s. de kosten van de vervangende huisvesting voor een periode van tien maanden aan de bewoners te vergoeden. Hierbij is de rechtbank – met verwijzing naar hetgeen hierna wordt overwogen ten aanzien van de nakoming van de vaststellingsovereenkomst – ervan uitgegaan dat bij het herstel van de woning de paalfundering zal worden aangebracht.
2.16.
[A] c.s. heeft zich voor de hoogte van de maandelijkse kosten van vervangende huisvesting aangesloten bij door Van der Meer Makelaars & Taxateurs bepaalde huurwaarde van hun woningen, te weten een bedrag van € 2.000,- per maand voor de woning op nummer 6, een bedrag van € 1.850,- per maand voor de woning op nummer 7 en een bedrag van € 1.600 per maand voor de woning op nummer 7A. De rechtbank gaat voorbij aan het hiertegen door De Raad c.s. gevoerde verweer. De zojuist genoemde bedragen komen de rechtbank niet onredelijk voor, mede gelet op het feit dat [A] c.s. is aangewezen op de markt voor tijdelijke verhuur. Daarbij merkt de rechtbank op dat van de bewoners niet hoeft te worden verwacht dat zij tijdens het herstel van de woningen verblijven in woonruimte die niet vergelijkbaar is met hun respectieve woningen aan het [adres] voorafgaand aan het intreden van de schade. Dat [A] en [B] thans al in een andere woning verblijven, maakt het voorgaande niet anders. Immers, zij hebben gesteld dat deze woning mede gefinancierd is uit het door De Raad c.s. betaalde voorschot op de schadevergoeding en dat de woning verkocht zal worden teneinde de herstelkosten te kunnen betalen. Deze stellingen zijn door De Raad c.s. onvoldoende betwist en komen de rechtbank ook op zichzelf plausibel voor, zodat de rechtbank daarvan uitgaat. Dit betekent dat ook [A] en [B] vervangende woonruimte zullen moeten betrekken.
2.17.
Post d heeft – na de wijziging van eis – betrekking op de kosten van vervangende huisvesting van [A] en [B] over de periode van 1 december 2008 tot heden, verminderd met de door hen in die periode ontvangen huuropbrengsten voor de woning aan het [adres] 6. [A] en [B] stellen daartoe dat zij op 1 december 2008 dienden te verhuizen door vocht- en wateroverlast en problemen met koolmonoxide in de woning aan het [adres] 6.
2.18.
De rechtbank gaat voorbij aan het verweer van De Raad c.s. dat inhoudt dat er in december 2008 geen noodzaak was voor [A] en [B] om te verhuizen. In voldoende mate staat vast dat de woning van [A] en [B] , evenals overigens ook de andere woningen in kwestie, ernstig beschadigd was door toedoen van De Raad c.s. en dat de woning zich in zeer slechte staat bevond. Voorts staat vast dat [A] en [B] in december 2008 nog geen (voorschot op de) schadevergoeding van De Raad c.s. hadden ontvangen en dat zij daardoor nog geen aanvang konden maken met het verrichten van noodzakelijke herstelwerkzaamheden. Daargelaten het antwoord op de vraag of de woning aan het [adres] 6 objectief gezien onbewoonbaar was geworden in december 2008, is de rechtbank van oordeel dat het [A] en [B] onder de genoemde omstandigheden in alle redelijkheid vrijstond om vervangende woonruimte te betrekken op grond van hun oordeel en vrees dat hun woonsituatie onhoudbaar of zelfs onveilig was geworden. De kosten van die vervangende woonruimte dienen in beginsel door De Raad c.s. te worden vergoed.
2.19.
De rechtbank volgt [A] en [B] niet in hun stelling dat deze kosten tot op heden dienen te worden vergoed. Daartoe is het volgende redengevend. Op 2 augustus 2010 heeft De Raad c.s. op grond van het kortgedingvonnis van 26 juli 2010 een voorschot op de schadevergoeding betaald van € 2.000.000,-. Van [A] en [B] had mogen worden verwacht dat zij van het gedeelte van dit voorschot dat in redelijkheid aan hen toekwam, in elk geval de meest noodzakelijke herstelwerkzaamheden hadden laten verrichten om de woning naar hun inzicht weer veilig en bewoonbaar te maken. Het feit dat partijen het er nog niet over eens waren op welke wijze de woningen van [A] c.s. hersteld moesten worden en of alle door de aannemers begrote kosten als door De Raad c.s. veroorzaakte schade konden worden aangemerkt, maakt dit niet anders. Immers, het voorschot op de schadevergoeding is – naar de rechtbank ook uit de overwegingen van de voorzieningenrechter over het spoedeisend belang begrijpt – juist toegekend om de bewoners, die al sinds 2000 ernstig werden geschaad in hun woongenot, in de gelegenheid te stellen de schade te herstellen, althans daarmee een begin te maken. Indien dit anders zou zijn, zou er ook geen grond zijn geweest om vooruitlopend op de uitkomst van deze bodemprocedure aan [A] c.s. al een zeer substantieel voorschot op de schadevergoeding toe te kennen. Gelet hierop had het op de weg van [A] en [B] gelegen om kort na 2 augustus 2010 in elk geval reeds werkzaamheden aan hun woning te laten verrichten van zodanige aard dat de woning daardoor voor hen weer veilig en bewoonbaar zou worden. Zij hebben niet gesteld dat hun aandeel in het voorschot hiervoor niet toereikend zou zijn. Ook overigens is dat niet gebleken. Hierbij verdient aantekening dat zij, als zij meteen en nauwgezet met een passend herstel zouden zijn begonnen en op enig moment daarna hadden moeten ervaren dat het voorschot onvoldoende was voor een zodanig herstel, een aanvullend voorschot hadden kunnen vragen, zo nodig ook weer in kort geding. Afgezien hiervan geldt dat van [A] en [B] , gegeven hun schadebeperkingsplicht, mocht worden verwacht dat zij na voltooiing van de hier bedoelde herstelwerkzaamheden weer in de woning aan het [adres] 6 zouden zijn gaan wonen. Dit brengt mee dat zij in elk geval van dat moment af de kosten van de vervangende woonruimte – met uitzondering van de hiervoor genoemde post a – niet langer voor rekening van De Raad c.s. kunnen brengen. De rechtbank acht het redelijk om ervan uit te gaan dat de werkzaamheden op 1 december 2010 hadden kunnen zijn voltooid. Hieruit volgt dat De Raad c.s. de kosten van vervangende huisvesting van [A] en [B] gedurende twee jaren dient te vergoeden. Het gegeven dat [A] en [B] ervoor hebben gekozen de vervangende woning niet te huren maar te kopen en de mogelijkheid dat zij deze woning wellicht niet op of heel kort na 1 december 2010 weer zouden hebben kunnen verkopen, zijn omstandigheden die zij niet aan De Raad c.s. kunnen tegenwerpen.
2.20.
De rechtbank is van oordeel dat als kosten van vervangende huisvesting kunnen worden aangemerkt de door [A] en [B] betaalde rente voor de hypothecaire geldlening ten aanzien van de vervangende woning en de door de gemeente in rekening gebrachte onroerendezaaksbelasting (hierna: OZB) over de periode van 1 december 2008 tot 1 december 2010 ten aanzien van die woning. De door [A] en [B] betaalde kosten voor de woning aan het [adres] 6 over de hier genoemde periode komen niet voor vergoeding in aanmerking. Ditzelfde geldt voor de kosten van gas, elektriciteit en water. Gedurende bijna deze gehele periode is de woning aan het [adres] 6 verhuurd geweest, zodat de rechtbank ervan uitgaat dat de energiekosten van het [adres] door de huurders werden betaald (al dan niet in de huursom), zodat er geen sprake is van dubbele lasten die door De Raad c.s. gedragen zouden moeten worden. Nu in het door [A] c.s. als productie 53 overgelegde overzicht geen onderscheid is gemaakt tussen de kosten van de vervangende woning en de kosten van de woning aan het [adres] 6, kan de rechtbank de door [A] en [B] gemaakte kosten van de vervangende huisvesting niet kwantificeren. De rechtbank zal dan ook bepalen dat De Raad c.s. de door [A] en [B] gemaakte rentelasten en kosten van OZB ter zake van de vervangende woning over de periode 1 december 2008 tot 1 december 2010 aan hen dient te vergoeden nadat [A] en [B] betalingsbewijzen van deze kosten aan De Raad c.s. heeft verstrekt, met dien verstande dat op dit bedrag in mindering dient te worden gebracht het bedrag van de door [A] en [B] ontvangen huur over dezelfde periode. Blijkens het door [A] en [B] als productie 53 overgelegde overzicht bedraagt de in genoemde periode ontvangen huur een bedrag van € 31.350,-. Voor zover de betaalde kosten van de vervangende woning minder bedragen dan € 31.350,-, leidt dit niet tot een betalingsverplichting van [A] en [B] aan De Raad c.s.
2.21.
Gelet op het voorgaande dient De Raad c.s. aan [A] c.s. het volgende te betalen ter zake van de kosten van vervangende huisvesting:
a. huisnummer 6 € 20.000,00
b. huisnummer 7 € 18.500,00
c. huisnummer 7A € 16.000,00
d. aanvullende kosten PM
Totaal € 54.500,00 + PM.
Kosten van verhuizing en opslag van de inboedel
2.22.
[A] c.s. vordert in dit opzicht een bedrag van € 24.450,-, dat hij als volgt specificeert:
- a.
huisnummer 6 verhuizing € 4.250,00
- b.
huisnummer 6 opslag 12 maanden € 3.900,00
- c.
huisnummer 7 verhuizing € 4.250,00
- d.
huisnummer 7 opslag 12 maanden € 3.900,00
- e.
huisnummer 7A verhuizing € 4.250,00
- f.
huisnummer 7A opslag 12 maanden € 3.900,00
Totaal € 24.450,00.
2.23.
De rechtbank zal de gevorderde kosten voor verhuizing toewijzen. Van [A] c.s. kan niet worden verwacht dat zij tijdens het herstel van de schade in de woningen verblijven, nog daargelaten of dit feitelijk mogelijk is. Dit wordt voor [A] en [B] niet anders door het gegeven dat zij al eerder zijn verhuisd en thans dus niet in de woning verblijven. Zij zijn immers op enig moment ook naar die vervangende woning verhuisd en zullen ook weer terugverhuizen. Bovendien zullen zij, zoals overwogen, ook van hun huidige woning naar de vervangende woning moeten verhuizen indien hun huidige woning aan derden is verkocht en geleverd. Aan het voorgaande doet ook niet af dat de andere bewoners mogelijk tijdens het reeds (gedeeltelijk) uitgevoerde herstel van de bovenbouw in hun woningen zijn blijven wonen. Dat is een keuze van die bewoners geweest, terwijl in elk geval, naar de rechtbank begrijpt, nog ingrijpende werkzaamheden ten aanzien van de paalfundering moeten worden uitgevoerd. De rechtbank acht de hoogte van de gevorderde verhuiskosten niet onredelijk, zodat deze zullen worden toegewezen.
2.24.
De rechtbank acht het niet onaannemelijk dat [A] c.s. niet de volledige inboedel kan plaatsen in de te betrekken vervangende woonruimten omdat deze mogelijk kleiner zijn dan de woningen aan het [adres] dan wel omdat de vervangende woonruimten gemeubileerd zijn, zodat (een gedeelte van) de inboedel moet worden opgeslagen. De hoogte van de gevorderde kosten van opslag acht de rechtbank niet onredelijk, met dien verstande dat op dezelfde gronden als hiervoor is overwogen ten aanzien van de vervangende woonruimte, wordt uitgegaan van een periode van opslag gedurende tien maanden. De door De Raad c.s. aan [A] c.s. te betalen kosten van opslag bedragen dan driemaal € 3.250,-.
2.25.
Ter zake van de kosten van verhuizing en opslag dient De Raad c.s. een bedrag van € 22.500,- aan [A] c.s. te betalen.
Kosten van tuinaanleg
2.26.
[A] c.s. vordert in dit opzicht een bedrag van € 45.637,80, dat hij als volgt specificeert:
- a.
huisnummer 6 € 20.412.60
- b.
huisnummer 7 € 10.062,60
- c.
huisnummer 7A € 15.162,60
Totaal € 45.637,80.
2.27.
De rechtbank verwerpt de door De Raad c.s. gevoerde verweren tegen de offertes van [Y] voor de kosten van tuinaanleg. Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende komen vast te staan dat de tuinen door de zettingen van het zandpakket onder de villa zijn beschadigd (er zijn kuilen in de tuinen ontstaan), terwijl de rechtbank het voorts voldoende aannemelijk acht dat de tuinen door de omvangrijke herstelwerkzaamheden aan de villa zullen worden beschadigd. Deze schade is aan De Raad c.s. toe te rekenen en dient door haar aan [A] c.s. te worden vergoed. De rechtbank volgt De Raad c.s. ook niet in haar stellingen over de afzonderlijke posten op de offerte ten aanzien van de tuinaanleg. Op dit moment is niet exact vast te stellen welke delen van de tuinen door de werkzaamheden beschadigd zullen raken. De door [A] c.s. gevorderde bedragen acht de rechtbank gelet op alle omstandigheden redelijk. Dit rechtvaardigt toewijzing daarvan.
2.28.
Nu [A] c.s. in zijn akte wijziging van eis van 26 januari 2011 heeft gesteld dat [X] ten onrechte een bedrag van € 21.420,- (inclusief btw) heeft geoffreerd voor tuinaanleg en vaststaat dat de bindend adviseur in zijn begroting van de herstelkosten dit bedrag wel heeft opgenomen, zal de rechtbank het bedrag van € 21.420,- in mindering brengen op het door [A] c.s. gevorderde bedrag voor de kosten van tuinaanleg. Dit betekent dat ten aanzien van de kosten van tuinaanleg € 24.217,80 zal worden toegewezen naast het door de bindend adviseur begrote bedrag van € 21.420,-.
Omzetbelasting
2.29.
In geschil is of de door [A] c.s. over de herstelkosten verschuldigde omzetbelasting een schadepost is. Uitgangspunt is hierbij dat de door [A] c.s. te betalen omzetbelasting door De Raad c.s. aan [A] c.s. dient te worden vergoed. Dit is slechts anders indien komt vast te staan (i) dat – zoals De Raad c.s. stelt en [A] c.s. betwist – er mogelijkheden zijn of waren om de omzetbelasting door De Raad c.s. te laten verrekenen en tevens (ii) dat De Raad c.s. van deze mogelijkheden door toedoen van [A] c.s. geen gebruik kan maken. De rechtbank heeft niet kunnen vaststellen dat er mogelijkheden zijn of waren om de omzetbelasting te verrekenen. Zij heeft hiertoe het volgende overwogen.
2.30.
De rechtbank gaat voorbij aan de door De Raad c.s. genoemde mogelijkheid tot verrekening van de omzetbelasting door de facturen van [X] op naam van De Raad c.s. te zetten in plaats van op naam van [A] c.s. [A] c.s. is de opdrachtgever van [X] en van [A] c.s. en [X] kan niet worden verlangd dat zij meewerken aan een andere tenaamstelling, die niet overeenstemt met de feitelijke situatie. Voor zover De Raad c.s. heeft bedoeld te stellen dat niet [A] c.s. maar De Raad c.s. opdrachtgever aan [X] zou worden, is de rechtbank van oordeel dat een dergelijke constellatie – mede gelet op de jarenlange procedures waarin partijen verwikkeld zijn – ook niet van [A] c.s. kan worden verlangd.
2.31.
Aldus resteert de door De Raad c.s. genoemde mogelijkheid dat zij na ontvangst van de op naam van [A] c.s. gestelde facturen van [X] met de belastinginspecteur had kunnen of zal kunnen overleggen over verrekening van de omzetbelasting. Voor zover De Raad c.s. stelt dat zij niet gehouden is gedocumenteerd toe te lichten dat het door haar bedoelde overleg met de belastingdienst tot een positief resultaat zou leiden, volgt de rechtbank De Raad c.s. niet. Zelfs als [A] c.s. gesteld zou hebben niet te willen meewerken aan een mogelijke verrekening van de omzetbelasting, ligt het op de weg van De Raad c.s. om gemotiveerd en voor zover mogelijk gedocumenteerd te stellen dat [A] c.s. hiermee handelt in strijd met diens schadebeperkingsplicht. In dit verband moet dan onder meer komen vast te staan dat de schade inderdaad beperkt had kunnen worden door een dergelijke medewerking. Nu [A] c.s. heeft betwist (i) dat hij in strijd met de schadebeperkingsplicht handelt en (ii) dat het mogelijk is om in overeenstemming met de belastingdienst de omzetbelasting te verrekenen, had het op de weg van De Raad c.s. gelegen om haar standpunt nader toe te lichten en te documenteren. Dit heeft De Raad c.s. nagelaten. Dat het overleg met de belastingdienst tot een mogelijke verrekening van de omzetbelasting had geleid, kan in ieder geval niet worden afgeleid uit de door De Raad c.s. geciteerde paragraaf 6.3.2. van het besluit “Omzetbelasting. Aftrek van Omzetbelasting” van 25 november 2011, nr. BLKB 2011/641M (Stcrt. Nr. 21834), van de staatssecretaris van Financiën. In deze paragraaf wordt ervan uitgegaan dat het herstel door de schadeveroorzaker zelf wordt verricht. Deze situatie is hier nu juist niet aan de orde. De enkele stelling dat de belastinginspecteur volgens De Raad c.s. openstond voor overleg, is onvoldoende om aan te nemen dat het overleg tot een positief resultaat zou leiden. De rechtbank gaat voorbij aan de stelling van De Raad c.s. dat het aan [A] c.s. te wijten is dat dit overleg niet is gevoerd omdat [A] c.s. niet de tot nu ontvangen facturen van [X] aan De Raad c.s. heeft verstrekt. Dat overleg met de belastinginspecteur voorafgaand aan de ontvangst van de facturen niet mogelijk zou zijn, is immers niet gebleken.
2.32.
De Raad c.s. heeft nog gesteld dat zij alleen gehouden is de omzetbelasting aan [A] c.s. te vergoeden over de werkelijke herstelkosten. Mede gelet op hetgeen de rechtbank hierna vermeldt over de nakoming van de vaststellingsovereenkomst, heeft in dit opzicht te gelden dat de omzetbelasting over het schadebedrag door De Raad c.s. dient te worden vergoed indien en voor zover [A] c.s. werkzaamheden aan de villa heeft laten verrichten ten bedrage van het door de bindend adviseur begrote bedrag voor herstel van de villa en ook een paalfundering heeft laten uitvoeren. Dat dit mogelijk andere werkzaamheden betreft dan de door de bindend adviseur genoemde werkzaamheden, maakt dit niet anders.
Terugbetaling voorschot minus door De Raad c.s. te betalen schadevergoeding
2.33.
De slotsom is dat De Raad c.s. op grond van het bindend advies en ter zake van de overige schadeposten (inclusief omzetbelasting) aan [A] c.s. dient te betalen:
- a.
herstelkosten villa € 1.132.160,70 (€ 935.670 + 21% btw)
- b.
asbestinventarisatie € 2.000,00
- c.
kosten proefpaal € 19.443,73
- d.
expertisekosten € 36.966,27
- e.
vervangende huisvesting € 54.500,00 + PM
- f.
verhuizing en opslag € 22.500,00
- g.
tuinaanleg € 24.217,80
Totaal € 1.291.788,50 + PM
2.34.
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank de vordering van De Raad c.s. om [A] c.s. hoofdelijk te veroordelen tot terugbetaling binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis van de door De Raad c.s. betaalde voorschotten van in totaal € 2.050.000,- dan ook toewijzen tot een bedrag van € 758.211,50, te verminderen met het bedrag dat De Raad c.s. mogelijk aan [A] c.s. dient te betalen op grond van de PM-post wegens de vervangende huisvesting. De door De Raad c.s. gevorderde wettelijke rente over dit bedrag wordt toegewezen met ingang van het verstrijken van genoemde betalingstermijn, nu [A] c.s. pas van dat moment af in verzuim is.
Vordering [A] c.s. tot betaling schadevergoeding
2.35.
De vordering van [A] c.s. om De Raad c.s. te veroordelen tot betaling van de schadevergoeding zal worden afgewezen, nu de schadeposten volledig uit het reeds door [A] c.s. ontvangen voorschot kunnen worden voldaan. De rechtbank ziet aanleiding om wel afzonderlijk te bepalen hoeveel de schadeloosstelling uit hoofde van het bindend advies en ter zake van de overige schadeposten bedraagt.
2.36.
Nu de schadeloosstelling minder bedraagt dan het door De Raad c.s. aan [A] c.s. betaalde voorschot, handhaaft de rechtbank haar in de onderdelen 5.30-33 van het tussenvonnis van 17 december 2014 gegeven beslissing dat De Raad c.s. over de schadeloosstelling geen wettelijke rente verschuldigd is. De vordering van [A] c.s. zal in zoverre worden afgewezen.
Nakoming vaststellingsovereenkomst
2.37.
De vordering van De Raad c.s. om [A] c.s. te veroordelen tot nakoming van de vaststellingsovereenkomst in deze zin dat de facturen die [A] c.s. van [X] ontvangt binnen een week na de ontvangstdatum in kopie aan De Raad c.s. worden toegezonden, zal worden toegewezen. In de vaststellingsovereenkomst zijn partijen dit immers overeengekomen. De stelling van [A] c.s. dat partijen hieraan de voorwaarde hebben verbonden dat De Raad c.s. door een schriftelijke verklaring van de Belastingdienst zou kunnen aantonen dat De Raad c.s. de door [A] c.s. aan [X] te betalen omzetbelasting zou kunnen terugkrijgen van de Belastingdienst, volgt niet uit de vaststellingsovereenkomst en is door [A] c.s. niet geadstrueerd. De rechtbank gaat hieraan dan ook voorbij.
2.38.
De Raad c.s. vordert voorts [A] c.s. te veroordelen tot nakoming van de vaststellingsovereenkomst in deze zin (i) dat de herstelwerkzaamheden zoals genoemd en begroot in het bindend advies binnen een periode van negen maanden na de betekening van dit vonnis dienen te zijn uitgevoerd en (ii) dat de aanleg van een paalfundering binnen een periode van drie maanden na de betekening van dit vonnis dient te zijn uitgevoerd. [A] c.s. heeft hiertegen verweer gevoerd.
2.39.
De rechtbank stelt dienaangaande voorop dat partijen blijkens de vaststellingsovereenkomst zijn overeengekomen dat [A] c.s. dan wel zijn rechtsopvolger onder algemene of bijzondere titel zal overgaan tot herstel van de villa conform hetgeen in de vaststellingsovereenkomst is overeengekomen. Uit de vaststellingsovereenkomst blijkt niet dat partijen hieraan een termijn hebben verbonden. Voor zover partijen al niet impliciet zijn overeengekomen dat de werkzaamheden binnen een redelijke termijn moeten zijn uitgevoerd, is de rechtbank van oordeel dat op grond van de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid aan de verplichting tot herstel van de villa conform de vaststellingsovereenkomst een termijn dient te worden verbonden. De Raad c.s. heeft immers van meet af aan betoogd dat zij betwijfelt of [A] c.s. de villa metterdaad gaat herstellen en ook werkelijk een paalfundering zal laten aanbrengen. Partijen zijn – naar de rechtbank aanneemt – in verband daarmee in de vaststellingsovereenkomst juist overeengekomen dat [A] c.s. zal overgaan tot herstel van de villa. Deze verplichting van [A] c.s. heeft alleen waarde voor De Raad c.s. indien hieraan binnen een redelijke termijn zal worden voldaan. Gelet op de door de bindend adviseur genoemde bouwtijd van 32 weken alsmede gelet op het feit dat aannemelijk is dat de werkzaamheden niet direct kunnen aanvangen in verband met reeds gemaakte planningen van [X] , acht de rechtbank een termijn van twee jaren na de betekening van dit vonnis voor het verrichten van de herstelwerkzaamheden en een termijn van één jaar na de betekening van dit vonnis voor de aanleg van de paalfundering redelijk. Ten aanzien van de paalfundering verdient opmerking dat in de vaststellingsovereenkomst rekening is gehouden met de situatie dat de paalfundering niet of niet geheel volgens plan kan worden uitgevoerd. Gelet hierop gaat de rechtbank ervan uit dat op [A] c.s. in zoverre een zogenoemde inspanningsverbintenis rust en niet een resultaatsverbintenis. De rechtbank zal dan ook bepalen dat [A] c.s. binnen een jaar na de betekening van dit vonnis opdracht moet hebben gegeven tot het aanleggen van de paalfundering en dat binnen die termijn van een jaar ook een aanvang moet zijn gemaakt met die aanleg. Ten aanzien van de te verrichten herstelwerkzaamheden (dus niet ten aanzien van de paalfundering) heeft te gelden dat – anders dan De Raad c.s. lijkt te stellen – van [A] c.s. niet kan worden verwacht dat hij alle door de bindend adviseur genoemde werkzaamheden op de door deze genoemde wijze laat uitvoeren. Immers, door de toegepaste aftrek wegens ‘nieuw voor oud’ is het voor de herstelwerkzaamheden uit de schadeloosstelling beschikbare bedrag onvoldoende om alle werkzaamheden te laten uitvoeren. Voor zover partijen al waren overeengekomen dat het bindend advies volledig zou moeten worden uitgevoerd, is het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar om [A] c.s. hieraan te houden.
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank bepalen dat [A] c.s. of zijn rechtsopvolger onder algemene of bijzondere titel binnen één jaar na de betekening van dit vonnis opdracht moet hebben gegeven tot het aanleggen van de paalfundering. Binnen deze termijn van een jaar moet ook een begin zijn gemaakt met het laten aanbrengen van die aanlegpaalfundering. Binnen een termijn van twee jaren na de betekening van dit vonnis moeten werkzaamheden aan de villa zijn verrichten, voor in totaal voor het door de bindend adviseur begrote bedrag van € 1.132.160,70 (inclusief btw).
2.40.
De Raad c.s. vordert voorts [A] c.s. hoofdelijk te veroordelen om bij het niet nakomen van de vaststellingsovereenkomst binnen de genoemde termijnen over te gaan tot betaling aan De Raad c.s. binnen veertien dagen na het einde van de termijnen van (i) de toegewezen bedragen die niet worden besteed aan in het bindend advies opgenomen herstelwerkzaamheden, alsmede – in het geval dat geen paalfundering wordt aangelegd – (ii) de in dat kader toegewezen bedragen wegens kosten en vergoedingen. De rechtbank zal deze vordering toewijzen, en wel aldus dat (i) als [A] c.s. niet binnen een jaar na de betekening van dit vonnis opdracht heeft gegeven tot het aanleggen van de paalfundering en binnen die termijn van een jaar geen aanvang is gemaakt met die aanleg, [A] c.s. gehouden is een bedrag van € 587.739,35 (inclusief btw) aan De Raad c.s. te betalen en (ii) als [A] c.s. niet binnen twee jaren na de betekening van dit vonnis voor € 1.132.160,70 (inclusief btw) aan (herstel)werkzaamheden inclusief paalfundering heeft uitgegeven, [A] c.s. gehouden is het verschil tussen het genoemde bedrag en het uitgegeven bedrag aan De Raad c.s. te betalen. De gevorderde wettelijke rente over dit bedrag wordt toegewezen met ingang van het verstrijken van genoemde betalingstermijn, nu [A] c.s. pas van dat moment af in verzuim is.
2.41.
Voor zover deze vordering van De Raad c.s. ook betrekking heeft op de termijn voor het in kopie verstrekken van de facturen van [X] aan haar, De Raad c.s., zal de rechtbank de vordering wegens strijd met de redelijkheid en billijkheid afwijzen.
Opheffing beslag
2.42.
De Raad c.s. vordert de opheffing van het beslag dat [A] c.s. heeft gelegd op het [hotel]. [A] c.s. voert hiertegen verweer.
2.43.
Ingevolge artikel 705 lid 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) wordt een conservatoir beslag onder meer opgeheven – voor zover hier van belang – indien summierlijk van de ondeugdelijkheid van het door de beslaglegger ingeroepen recht of van het onnodige van het beslag blijkt, of, zo het beslag is gelegd voor een geldvordering, indien voor deze vordering voldoende zekerheid wordt gesteld.
2.44.
Nu de door De Raad c.s. veroorzaakte schade van [A] c.s. volledig uit het door De Raad c.s. aan [A] c.s. betaalde voorschot kan worden voldaan, bestaat er geen grond meer voor het door [A] c.s. gelegde beslag. Dit wordt niet anders door het gegeven dat [A] c.s. tegen dit vonnis hoger beroep kan instellen. Naar het oordeel van de rechtbank weegt het belang van De Raad c.s. bij opheffing van het beslag thans zwaarder dan het belang van [A] c.s. bij handhaving daarvan.
Proceskosten
2.45.
Partijen worden materieel gezien over en weer op onderdelen in het ongelijk gesteld. Daarom zullen de kosten tussen hen worden gecompenseerd op de hierna te vermelden wijze.
Uitvoerbaarheid bij voorraad
2.46.
De Raad c.s. heeft verzocht het vonnis ten aanzien van haar vorderingen uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. [A] c.s. heeft zich daartegen verzet voor zover het de vordering tot terugbetaling van het teveel betaalde voorschot betreft.
2.47.
Op grond van artikel 233 Rv kan de rechter, indien dit wordt gevorderd, verklaren dat zijn vonnis uitvoerbaar bij voorraad wordt verklaard, tenzij uit de wet of uit de aard van de zaak anders voortvloeit. Noch de wet, noch de aard van de zaak verzet zich tegen de gevorderde uitvoerbaarverklaring bij voorraad. Naar het oordeel van de rechtbank weegt het belang van De Raad c.s. om na verloop van zes jaren het door haar teveel betaalde terug te ontvangen zwaarder dan het belang van [A] c.s. om in afwachting van de uitkomst van een eventueel hoger beroep dit bedrag onder zich te houden. De rechtbank ziet daarbij geen aanleiding in deze zaak af te wijken van de regel dat bij de beoordeling van een vordering als de onderhavige de kans van slagen van een aan te wenden rechtsmiddel buiten beschouwing behoort te blijven. De gevorderde uitvoerbaarverklaring bij voorraad zal daarom worden toegewezen.
in de incidenten
2.48.
De Raad c.s. heeft geen belang meer bij inzage in de door haar gevraagde bescheiden op grond van de artikelen 21 en 22 Rv alsmede artikel 843a Rv, nu inmiddels een beslissing is gegeven op de vordering in de hoofdzaak. De incidentele vorderingen zullen dus worden afgewezen.
2.49.
De rechtbank ziet in het gegeven dat in de hoofdzaak wordt beslist dat in ieder geval een gedeelte van de bij de incidenten opgevraagde stukken door [A] c.s. aan De Raad c.s. moet worden verstrekt, aanleiding om de proceskosten in de incidenten tussen partijen te compenseren op de hierna te vermelden wijze.
3. De beslissing
De rechtbank:
in de incidenten
3.1.
wijst de vorderingen af;
3.2.
compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;
in conventie en in reconventie
3.3.
stelt de schadeloosstelling die De Raad c.s. moet betalen aan [A] c.s. uit hoofde van het bindend advies en uit hoofde van de overige schadeposten vast op de som van € 1.291.788,50 (inclusief btw) en te vermeerderen – overeenkomstig hetgeen dienaangaande in onderdeel 2.20 van dit vonnis is vermeld – met de door [A] en [B] gedragen rentelasten en kosten van de OZB ter zake van de vervangende woning over de periode van 1 december 2008 tot 1 december 2010 (met een minimum van € 31.350,-), te verminderen met de som van € 31.350,-;
3.4.
veroordeelt [A] c.s. hoofdelijk om binnen veertien dagen na de betekening van dit vonnis aan De Raad c.s. te betalen de som van € 758.211,50, te verminderen met het bedrag dat De Raad c.s. – ingevolge hetgeen dienaangaande in onderdeel 2.20 van dit vonnis is bepaald – mogelijk aan [A] c.s. dient te betalen op grond van de PM-post wegens de vervangende huisvesting, en te vermeerderen met de wettelijke rente over de aldus berekende som, berekend over het tijdvak van de veertiende dag na de dag van de betekening van dit vonnis tot het tijdstip van betaling;
3.5.
veroordeelt [A] c.s. tot nakoming van de door hem, [A] c.s., op 31 oktober 2011 en door De Raad c.s. op 17 november 2011 ondertekende vaststellingsovereenkomst, in deze zin dat:
- a.
[A] c.s. van de facturen die hij van [X] ontvangt, binnen een week na ontvangst een kopie aan De Raad c.s. zal toezenden;
- b.
[A] c.s. dan wel zijn rechtsopvolger onder algemene of bijzondere titel gehouden is:(i) binnen één jaar na de betekening van dit vonnis opdracht te geven tot het aanleggen van de paalfundering onder de villa, waarbij binnen genoemde termijn van een jaar ook een aanvang moet zijn gemaakt met die aanleg; en(ii) binnen twee jaren na de betekening van dit vonnis (herstel)werkzaamheden aan de villa te laten verrichten;tezamen in totaal voor een bedrag van € 1.132.160,70 (inclusief btw);
3.6.
veroordeelt [A] c.s. om binnen veertien dagen na het einde van de in 3.5 onder b sub (i) bepaalde termijn aan De Raad c.s. te betalen een bedrag van € 587.739,35 (inclusief btw) indien de opdracht tot het aanleggen van de paalfundering onder de villa niet binnen één jaar na de betekening van dit vonnis is verstrekt en/of indien niet binnen genoemde termijn van een jaar een aanvang is gemaakt met die aanleg, welk bedrag dient te worden vermeerderd met de wettelijke rente daarover, berekend over het tijdvak van de veertiende dag na het verstrijken van de termijn van een jaar na de betekening van het vonnis tot het tijdstip van betaling;
3.7.
veroordeelt [A] c.s. om binnen veertien dagen na het einde van de in 3.5 onder b sub (ii) bepaalde termijn aan De Raad c.s. te betalen het verschil tussen het bedrag van € 1.132.160,70 (inclusief btw) en het bedrag dat hij, [A] c.s., aan (herstel)werkzaamheden van de villa inclusief de opdracht tot het aanleggen van de paalfundering heeft uitgegeven, welk verschil dient te worden vermeerderd met de wettelijke rente over het desbetreffende bedrag, berekend over het tijdvak van de veertiende dag na het verstrijken van de termijn van een jaar na de betekening van dit vonnis tot het tijdstip van betaling;
3.8.
heft het namens [A] c.s. ten laste van De Raad c.s. gelegde conservatoire beslag op het [hotel] te [plaats 2] op;
3.9.
verklaart de onderdelen 3.3-8 van dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
3.10.
compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;
3.11.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. H.F.M. Hofhuis en in het openbaar uitgesproken op
27 juli 2016.1.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 27‑07‑2016
Uitspraak 24‑02‑2016
Inhoudsindicatie
Schadestaatprocedure. Derde tussenvonnis. Beoordeling nadere motivering bindend advies. Geen grond voor vernietiging bindend advies. Bespreking overige schadeposten.
Partij(en)
vonnis
RECHTBANK DEN HAAG
Team handel
zaaknummer / rolnummer: C/09/369921 / HA ZA 10-2306
Vonnis van 24 februari 2016
in de zaak van
1. [A] ,
2. [B] ,
3. [C] ,
4. [D] ,
5. [E] ,
6. [F] ,
allen wonende te [woonplaats] ,
eisers in conventie,
verweerders in reconventie,
verweerders in de voorwaardelijke incidenten,
advocaat mr. drs. I.M.C.A. Reinders Folmer te Amsterdam,
tegen
1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheidDE RAAD BOUWONTWIKKELING B.V.,
2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
DE RAAD BOUW B.V.,
beide gevestigd te Noordwijk en kantoorhoudende te Katwijk,
gedaagden in conventie,
eiseressen in reconventie,
eiseressen in de voorwaardelijke incidenten,
advocaten mr. P.A. Arisz-Versteeg te Rotterdam.
Partijen worden hierna opnieuw [A] c.s. (in mannelijk enkelvoud) en De Raad c.s. (in vrouwelijk enkelvoud) genoemd. Eisers in conventie, tevens verweerders in reconventie en verweerders in de voorwaardelijke incidenten, worden, voor zover nodig, ieder afzonderlijk met hun achternaam aangeduid. Gedaagden in conventie, tevens eiseressen in reconventie en eiseressen in de voorwaardelijke incidenten, worden, voor zover nodig, afzonderlijk De Raad Bouwontwikkeling respectievelijk De Raad Bouw genoemd.
1. De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het in deze zaak gewezen tussenvonnis van 22 april 2015, met – onder meer – het verzoek aan de bindend adviseur ir. P.S. de Zwart om een rapport (in de vorm van een nader bindend advies) uit te brengen;
- het op 2 juli 2015 ter griffie ontvangen conceptrapport van de bindend adviseur, dat met een brief van 15 juli 2015 van de griffier aan de advocaten is gezonden;
- “ akte uitlating conceptrapport” (met de producties 45-48) van 2 september 2015 van [A] c.s.;
- de “akte uitlating concept deskundigenbericht”, eveneens van 2 september 2015, van De Raad c.s.;
- het aan de rechtbank toegezonden en op 7 oktober 2015 ter griffie gedeponeerde rapport van 23 september 2015 van de bindend adviseur, met daaraan gehecht de beide akten van 2 september 2015;
- de brief van 12 oktober 2016 van de griffier van de rechtbank aan de advocaten, met als bijlage het rapport van 23 september 2015 van de bindend adviseur;
- de conclusie na deskundigenbericht, van 2 december 2015, van [A] c.s.;
- de antwoordconclusie na deskundigenbericht, van 13 januari 2016, van De Raad c.s.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald. Het wordt heden bij vervroeging uitgesproken.
2. De nadere beoordeling
in conventie en in reconventie
Overneming van het tussenvonnis
2.1.
De rechtbank neemt hetgeen zij in het tussenvonnis van 22 april 2015 heeft overwogen en beslist, hier over. Zij volhardt daarbij, met dien verstande dat:
- onderdeel 2.16 van dat vonnis de hierna, in 2.15, te vermelden rectificatie behoeft;
- in onderdeel 2.14 (“De overige schadeposten”), evenals in onderdeel 5.28 van het daaraan voorafgegane tussenvonnis, per vergissing melding is gemaakt van de daar genoemde post a (blijvende waardevermindering van de villa).
2.2.
De overneming van het genoemde tussenvonnis brengt mee dat de rechtbank niet zal ingaan op de stellingen die [A] c.s. na dat tussenvonnis nog heeft gewijd aan de door de bindend adviseur toegepaste aftrek wegens ‘nieuw voor oud’ en de volgens [A] c.s. aanwezige afwijkingen in het bindend advies ten opzichte van het TNO-rapport. Over deze kwesties heeft de rechtbank in het tussenvonnis van 17 december 2014 immers al zonder voorbehoud een eindoordeel gegeven. Het staat haar niet vrij daarvan terug te komen, en voor zover dit al anders zou zijn, ziet zij daarvoor ook geen grond. Om dezelfde reden gaat de rechtbank niet in op de opmerkingen van [A] c.s. (in de onderdelen 27 en 28 van diens conclusie van 2 december 2015) over het grote verschil tussen enerzijds de begrotingen volgens de drie offertes die in het tussenvonnis van
17 december 2014 zijn vermeld in onderdeel 2.12 en anderzijds de begroting(en) van de bindend adviseur. In dat tussenvonnis is de rechtbank ook ten aanzien van dit aspect immers tot een bindend eindoordeel gekomen.
2.3.
Kort samengevat is de stand van deze procedure thans als volgt. Deze reeds zeer lang lopende zaak is aangevangen als een schadestaatprocedure nadat in de hoofdprocedure op grond van het in kracht van gewijsde gegane arrest van 10 maart 2009 van het gerechtshof ’s-Gravenhage definitief was komen vast te staan dat De Raad c.s. aansprakelijk zijn voor de schade die zij hebben toegebracht aan de woningen van [A] c.s. als gevolg van bouwwerkzaamheden in de nabijheid van die woningen. Tijdens deze procedure hebben partijen op 31 oktober 2011 respectievelijk 17 november 2011 een vaststellingsovereenkomst ondertekend waarbij zij een groot deel van hun geschilpunten hebben voorgelegd aan de externe deskundige ir. De Zwart, die daarover een bindend advies zou uitbrengen. Nadat dat bindend advies op 18 juli 2013 was uitgebracht, heeft [A] c.s., na een eiswijziging in het geding in conventie, allereerst en in de kern de vernietiging van het bindend advies gevorderd. Daarmee had deze procedure in conventie niet langer het karakter van een schadestaatprocedure. In het tussenvonnis van 17 december 2014 heeft de rechtbank, op die gewijzigde eis beslissende, het bindend advies vooralsnog in stand gelaten. Daarbij heeft zij de mogelijkheid opengelaten dat de bindend adviseur ten aanzien van een aantal geschilpunten een (nadere) toelichting verschaft. In het tussenvonnis van
22 april 2015 heeft de rechtbank de bindend adviseur, in deze hoedanigheid, om een zodanige (nadere) toelichting op de voet van de genoemde vaststellingsovereenkomst verzocht.
2.4.
Dit verzoek aan de bindend adviseur omvatte drie aspecten, te weten:
a. ade aftrek die hij, in vergelijking met de offertes van [X] , heeft toegepast in zijn bindend advies ten aanzien van de in het tussenvonnis van 22 april 2015 opgesomde posten 2-6, 8, 14, 15, 17, 21 en 23, zoals vermeld in de akte van 28 januari 2015 van [A] c.s.;
b.de inmeting van de vloeren op de begane grond (zie onderdeel 2.12 van het vonnis van 22 april 2015);
c. de toepassing van de NPR 3670 (zie onderdeel 2.13 van het vonnis van 22 april 2015).
Het nadere bindend advies
2.5.
De bindend adviseur heeft hierover – samengevat – als volgt gerapporteerd. Zijn bindend advies van 18 juli 2013 wordt hierbij aangeduid als “het eerste bindend advies”.
- Ten aanzien van de in 2.5 onder a bedoelde aftrek
huisnummers 6, 7 en 7a
Post 2 (verbruik bouwstroom/water)
Doordat de bindend adviseur de herstelkosten aanzienlijk lager heeft begroot dan [X] in haar begroting, is de omvang van de werkzaamheden geringer en kan de post voor bouwstroom en water ook lager worden vastgesteld; in dit geval op € 6.000, zoals in het eerste bindend advies was vermeld.
Post 3 (ontgraven van grond, afvoeren, egaliseren)
De nadere begroting van het bedrag voor het afvoeren van uiteindelijk 195 m² (naar wordt aangenomen: niet vervuilde) grond komt uit op € 22.602, en dus op een bedrag dat € 6.940 hoger ligt dan in het eerste bindend advies het geval was.
Post 4 (injecteren grond enz.)
Het injecteren is een mogelijkheid om kelders te realiseren. De hoeveelheid te injecteren m³ waarvan [X] is uitgegaan, is niet bovenmatig. Wel is, mede blijkens een controle in de markt, de door [X] aangenomen prijs (van € 300 per m³) te hoog. Een nadere calculatie heeft geleid tot het in het eerste bindend advies genoemde bedrag van € 28.500.
Post 5 (wapeningsstaal alle vloeren enz.)
Nodig is wapeningsstaal dat voor 100% uit losse staven bestaat. Bij een gemiddelde prijs van € 1,40 per kg, waarbij wordt uitgegaan van staven met verschillende diameters, komt deze post uit op € 19.600, dat wil zeggen € 2.350 méér dan in het eerste bindend advies was begroot.
Post 6 (kelder buitengrens tot en met ontkisten/opruimen/afvoeren)
De rechtbank heeft geconstateerd dat de bindend adviseur deze post niet heeft vermeld in zijn nadere bindend advies.
huisnummer 6
Post 8 (sloopwerk: V en A plafonds t/m boeidelen en goten)
Het sloopwerk aan de plafonds kan door twee man in twee dagen worden uitgevoerd. Op basis van een uurloon van € 40 leidt dit tot een post van € 1.280, dat wil zeggen € 70 minder dan het hiervoor berekende bedrag in het eerste bindend advies.
Het sloopwerk aan de steenachtige vloer (43 m²) kan door drie man in één dag (te vermeerderen met een halve mandag voor het afvoeren van materialen) worden uitgevoerd. In totaal is dus 28 uur nodig. Dit leidt tot de eerder al opgenomen post van € 1.120.
Het sloopwerk voor het stucwerk aan de binnenwanden omvat niet alle stucwerk, maar ten hoogste 50% daarvan. Met inachtneming van een reductie van 40% wegens ‘nieuw voor oud’ komt deze post uit op € 2.120, en dus op het bedrag dat in het eerste bindend advies was vermeld.
Post 14 (dakbedekkingen t/m goten incl. geprofileerde beschietingen
De vermindering die eerder is toegepast ten opzichte van de begroting van [X] is het gevolg van de reductie volgens het principe ‘nieuw voor oud’.
Post 15 (vermindering materiaal vloertegels)
Ook deze vermindering vloeit voort uit de toepassing van het principe ‘nieuw voor oud’.
huisnummer 7
Post 17 (sloopwerk V en A-plafonds tot en met V en A-wandjes op dragende BG-vloer)
De begroting van [X] komt te hoog uit doordat zij ten onrechte is uitgegaan van een post materiaal. De werkzaamheden van de onderaannemer kunnen door twee man in 1,5 dag worden uitgevoerd, hetgeen met toepassing van het eerder vermelde uurtarief leidt tot een bedrag van € 960, dat vrijwel gelijk is aan het in het eerste bindend advies begrote bedrag.
Post 21 (dakbedekking, platte daken, dakgoten en HWA)
Het sloopwerk aan de steenachtige vloer van 29,5 m² kan door drie man in één dag worden uitgevoerd. Dit leidt tot een post van € 960, en dus tot € 190 méér dan in het eerdere advies was begroot.
Het sloopwerk voor het stucwerk van de binnenwanden omvat niet alle stucwerk, maar ten hoogste 50% daarvan. Met inachtneming van een reductie “nieuw voor oud” van 40% komt deze post uit op € 1.544, zijnde het bedrag dat in het eerste bindend advies was vermeld.
Post 23 (stukadoorswerk)
Het door [X] begrote herstel, met het extra vastzetten van het bestaande plafond op de begane grond over het volledige oppervlak, is bovenmatig. De desbetreffende werkzaamheden zijn daarom onnodig. Alleen het herstel van de scheuren, in het eerste bindend advies begroot op € 4.000, is nodig. Er is geen reden voor aanpassing van dit bedrag.
- Ten aanzien van de in 2.5 onder b bedoelde inmeting
[X] heeft per woning een post opgenomen voor het leveren en aanbrengen van een PS-isolatievloer ter vervanging van de houten vloer. De kosten van een houten vloer liggen in dezelfde orde van grootte als die van een betonnen vloer. Een correctie was dus niet nodig. Als gevolg van vervanging van de vloeren was het inmeten van de vloeren niet nodig. Voor de toegepaste vlakheidseis is een juiste classificatie aangehouden. TNO heeft in haar rapportage daarvoor geen afwijkende richtlijn gegeven.
- Ten aanzien van de in 2.5 onder c bedoelde toepassing van de NPR 3670
Artikel 8.3 van de NPR 3670 betreft de hier niet toepasselijke breedte-hoogtemaatvoering. Artikel 8.4 heeft betrekking op afwijkingen uit het verticale vlak van een kozijn met een afwijking van 5 mm/m. In het eerdere bindend advies is een juiste toepassing gegeven aan dit laatst vermelde artikel. Overigens zijn alle partijen aanwezig geweest bij de inmeting van de kozijnen en hebben zij direct invloed gehad op de wijze van inmeten.
2.6.
[A] c.s. heeft in zijn conclusie na deskundigenbericht (bedoeld is kennelijk: conclusie na het bericht van de bindend adviseur), samengevat, het volgende aangevoerd.
De bindend adviseur heeft ten aanzien van een veelvoud van posten die hij van een nadere motivering moest voorzien, geen nadere motivering gegeven. Ook heeft hij ten aanzien van een veelvoud van (andere) posten een veel te summiere of nietszeggende motivering gegeven. De bezwaren tegen het nadere bindend advies zijn de volgende.
Post 2
De door de deskundige toegepaste verlaging ten opzichte van de begroting van [X]
vindt haar grond voornamelijk in lagere kosten, niet in minder werk. De motivering blijft
dus wezenlijk beneden de maat.
Post 3
De bindend adviseur heeft geen nadere onderbouwing gegeven voor (i) de verlaging met de
kosten voor het ontgraven en (ii) het geheel doorhalen van de kosten voor het afvoeren van
de grond. Ook hier voldoet de nadere motivering dus niet. In totaal gaat het hierbij om een
bedrag van € 24.835.
Post 4
[X] was uitgegaan van een door haar opgevraagde offerte, en dus van een
marktconforme prijs. Gelet daarop voldoet de niet nader toegelichte bevinding van de
bindend adviseur niet.
Post 8
In het nadere bindend advies ontbreekt een onderbouwing. Daarvoor was temeer reden na de
gemotiveerde bezwaren van [A] c.s. in diens akte van 2 september 2015. De bindend
adviseur heeft voorts ten onrechte geen rekening gehouden met de melding van een
“veelvoud aan scheuring” door TNO in haar rapportage. De motivering van de bindend
adviseur voldoet al evenmin ten aanzien van de wand in de voorkamer van de woning op
nummer 6. Zoals op een aan de bindend adviseur overgelegde foto blijkt, staat deze wand
minimaal 3,5 cm uit het lood. Dit was vóór de bouwwerkzaamheden nog niet het geval.
Post 17
Ten onrechte is de bindend adviseur niet ingegaan op de uitgebreide en gedocumenteerde
uitzeenzettingen van [A] c.s. in diens akte van 2 september 2015. De nadere
motivering van de bindend adviseur voldoet niet.
Post 23
De vaststellingsovereenkomst van partijen biedt de bindend adviseur geen basis voor een
heroverweging van het causale verband tussen de onrechtmatige daad van De Raad en de
schade van [A] c.s. Niettemin is de bindend adviseur wel tot een dergelijke
heroverweging overgegaan. Dit doet vermoeden dat hij de gehele offerte van [X]
op deze manier heeft beoordeeld. Dusdoende heeft hij zich niet aan zijn opdracht gehouden.
Het bindend advies zal daarom vernietigd moeten worden.
Inmeting beganegrondvloeren
In zijn nadere bindend advies is de bindend adviseur ten onrechte niet ingegaan op de bezwaren van [A] c.s., die inhielden dat hij, de bindend adviseur, (i) zich niet aan de (dwingend) voorgeschreven herstelmethode van TNO heeft gehouden, en (ii) bij de inmeting een verkeerde norm heeft toegepast. Ook in dit opzicht voldoet zijn nadere bindend advies niet.
Toetsing NPR 3670
Ook hier voldoet het nadere bindend advies niet. De bindend adviseur heeft niet gereageerd op de gedocumenteerde bezwaren van [A] c.s. in diens akte van 2 september 2015. Hij heeft ook ten onrechte geen diagonaalmetingen uitgevoerd. Hij moest inmeten volgens het TNO-rapport, maar heeft dit niet gedaan.
Samengevat handhaaft [A] c.s. zijn conclusie, die strekt tot vernietiging van het bindend advies.
2.7.
De Raad c.s. heeft, voor zover thans van belang en samengevat, in haar antwoordconclusie na deskundigenbericht (ook hier is kennelijk bedoeld: het bericht van de bindend adviseur) nog het volgende betoogd. De bindend adviseur heeft ten aanzien van de kwesties waarover hij nader diende te rapporteren, een nadere uitleg gegeven die voldoende is om tot het oordeel te leiden dat het bindend advies aan de (minimale) motiveringseisen voldoet. Op diverse punten komt de raming van de bindend adviseur overigens (veel) hoger uit dan – gegeven ook de eigen praktijkervaring van De Raad c.s. – gerechtvaardigd is. Dit betreft bijvoorbeeld ook het uurloon. De bindend adviseur rekent met een uurloon van
€ 40, terwijl slopers in de praktijk een uurloon van € 25 in rekening brengen. Ten aanzien van enkele posten baseert [A] c.s. zich op een verkeerde lezing van het TNO-rapport, de offerte van [X] en/of de rapporten van de bindend adviseur. Ten onrechte neemt [A] c.s. voorts aan dat het (eenzijdig door of namens hem opgestelde) renovatiebestek als uitgangspunt heeft te dienen voor de schadebegroting van de bindend adviseur. Inmeting van de vloeren op de begane grond was niet nodig, nu er is ingemeten met het oog op de posten “waterpas maken verdiepingsvloeren conform deel calculatie”. Los daarvan is het (inmeten ten behoeve van) het waterpas maken van een (beganegrond)vloer die – anders dan in de situatie die in het TNO-rapport is beschreven – zal worden verwijderd, uiteraard zinloos.
2.8.
De Raad c.s. wijst er voorts op dat is gebleken dat [A] c.s. in de praktijk op een andere manier herstelt dan volgens de offerte van [X] . Inmiddels zijn twee van de drie woningen hersteld op een geheel andere manier dan in die offerte is omschreven. Zo heeft [A] c.s. op de desbetreffende plaatsen gekozen voor het plaatsen van nieuwe kozijnen en dus niet voor de (veel arbeidsintensievere) methode van herstel van de oude kozijnen. Volgens De Raad c.s. heeft [A] c.s. ook nog steeds niet voldaan aan de verplichting (op grond van de vaststellingsovereenkomst en zijn toezegging zoals vermeld in punt 11 van de verklaring van [C] volgens het proces-verbaal van de comparitie op
4 november 2014) om facturen van het intussen uitgevoerde herstel aan De Raad c.s. te doen toekomen. In het verlengde daarvan geeft De Raad c.s. de rechtbank in overweging om “in het kader van goede rechtsvinding en conform de bedoeling van de Vaststellingsovereen-komst, de vordering van [ [A] c.s.] om het Bindend Advies te vernietigen toe te wijzen, [ [A] c.s.] te veroordelen tot overlegging van de facturen van [X] en de schade (al dan niet met behulp van een deskundige) vast te stellen aan de hand van deze facturen.”
2.9.
De rechtbank kan deze laatste suggestie van De Raad c.s. niet plaatsen. Nadat
ir. De Zwart het eerste bindend advies had uitgebracht, heeft [A] c.s. zijn eis (in conventie) gewijzigd in deze zin dat hij in de kern vernietiging van het bindend advies vorderde. De Raad c.s. heeft daarop in conventie bij wijze van verweer betoogd dat het bindend advies weliswaar veel hoger uitkomt dan haar eigen begroting, maar dat zij zich bij het bindend advies neerlegt. Dit standpunt is verwoord zowel in haar antwoordakte tevens houdende akte uitlating wijziging eis, van 11 december 2013, p. 8, als in haar akte uitlating aanvulling eiswijziging enz. van 4 november 2014, p. 11, en in de namens haar afgelegde verklaring van mr. Arisz tijdens de comparitie van 4 november 2014, zoals opgenomen in punt 2 van de desbetreffende samenvatting in het proces-verbaal van die zitting. De Raad c.s. heeft de vordering van [A] c.s. ook steeds bestreden op de primaire grond dat beide partijen, en dus ook [A] c.s., zijn gebonden aan het bindend advies. Evenzo gaat de reconventionele vordering van De Raad c.s. uit van de bindende kracht van het bindend advies van 18 juli 2013. Het petitum van haar antwoordconclusie van 13 januari 2016 strekt, kennelijk zowel in conventie als in reconventie, “tot persistit”. De rechtbank begrijpt deze tekst aldus dat De Raad c.s., in de lijn van haar eerdere conclusies, de instandhouding van het bindend advies bepleit. Gelet op dit alles, in samenhang bezien, leest de rechtbank de in 2.8, slot, aangehaalde suggestie van De Raad c.s. niet in deze zin dat De Raad c.s. (i) zich in zoverre (alsnog) neerlegt bij de het eerste onderdeel van de vordering van [A] c.s., dan wel (ii) in reconventie, bij wege van vermeerdering of wijziging van eis, ook harerzijds de vernietiging van het bindend advies vordert.
2.10.
De rechtbank is van oordeel dat de bindend adviseur met zijn nadere toelichting in toereikende mate heeft voldaan aan zijn motiveringsverplichting. De motivering had uitgebreider kunnen zijn, maar valt alles bijeengenomen zonder twijfel binnen het in onderdeel 5.6 van het tussenvonnis van 17 december 2014 uitgezette kader. Het gaat steeds in belangrijke mate om bouwkundig-technische kwesties, waarin bovendien door de aard van het onderwerp oordelen moeten worden gegeven die op intuïtief inzicht (zullen moeten, en op zijn minst genomen: zullen kunnen) berusten. Dit geldt voor alle onderdelen waarop de rechtbank behoefte had aan een nadere motivering. Dit betekent dat de rechtbank met dit generieke oordeel kan volstaan. Zij tekent hierbij nog aan dat geen van partijen aandacht heeft besteed aan het gegeven dat de bindend adviseur geen nadere motivering heeft verschaft ten aanzien van zijn schatting inzake post 6 van de in 2.5 onder a bedoelde aftrek voor de woningen op de nummers 6, 7 en 7a. Reeds hierom verbindt de rechtbank geen gevolgen aan het ontbreken van een nadere toelichting van de bindend adviseur op dit ene punt.
2.11.
De rechtbank komt daarom tot de slotsom dat er geen grond is voor vernietiging van het bindend advies wegens een (ernstig) motiveringsgebrek. Hierbij verdient wel opmerking dat het totale bedrag waartoe de bindend adviseur is gekomen, uiteindelijk
€ 9.920 hoger uitvalt dan het eindbedrag volgens het bindend advies dat op 18 juli 2013 aan partijen is gepresenteerd en in onderdeel 2.24, slot, van het tussenvonnis van 17 december 2014 is vermeld. Aan dit hogere bedrag zijn partijen dus gebonden.
2.12.
Uit het voorgaande volgt dat de onderdelen a-c, alsmede het eerste deel (na het eerste liggende streepje) van onderdeel d, van de vordering van [A] c.s. dienen te worden afgewezen.
Kosten van de nadere rapportage van de bindend adviseur
2.13.
In het tussenvonnis heeft de rechtbank bepaald dat het voorschot voor de bindend adviseur ten behoeve van diens nadere rapportage dient te worden voldaan door De Raad c.s. Dit betekent dat de rechtbank thans een definitief antwoord moet geven op de vraag ten laste van welke partij de kosten van deze nadere advisering dienen te komen. De rechtbank ziet geen grond om op dit punt af te wijken van haar voorlopige oordeel. In de vaststellingsovereenkomst is zonder voorbehoud bepaald dat de kosten van de bindende advisering voor rekening van De Raad c.s. komen. Deze regel geldt ook voor het geval dat zich hier heeft voorgedaan, namelijk dat het eerste bindend advies op enkele onderdelen een nadere toelichting behoeft. Er zijn geen bijzondere omstandigheden die tot een andere kostentoerekening moeten leiden. Het inmiddels bekende gegeven dat [A] c.s. geen gelijk hebben in hun kritiek op de nadere motivering levert niet een dergelijke omstandigheid op. Dit kan zijn weerslag hebben op de beslissing over de proceskosten, maar doet niet af aan het oordeel van de rechtbank dat [A] c.s. op zichzelf terecht hebben geklaagd over een deels onvolkomen motivering van het eerste bindend advies.
2.14.
De nadere kosten van de bindend adviseur hebben volgens diens (aan partijen bekende) factuur € 5.638,60 (inclusief btw) bedragen. Dit bedrag dient dus ten laste van De Raad c.s. te blijven.
De overige schadeposten
2.15.
[A] c.s. vordert wegens de thans te bespreken “overige schadeposten” een bedrag van € 162.935,92. In de tot dusver gewezen tussenvonnissen heeft de rechtbank nog geen inhoudelijke overwegingen gewijd aan deze vorderingen, die betrekking hebben op schadeposten buiten het bindend advies. Het gaat hier om de volgende posten:
a. expertisekosten € 34.930,18
b kosten van vervangende huisvesting € 107.917,94
c kosten van verhuizing en opslag van de inboedel € 24,450,00
d. kosten van tuinaanleg € 45.637,80
totaal € 162.935,92.
In het tussenvonnis van 22 april 2015 heeft de rechtbank, in 2.16, per vergissing vermeld dat partijen na het daaraan voorafgegane tussenvonnis eensluidend te kennen hadden gegeven zich over deze posten te willen uitspreken na kennisneming van de nadere rapportage van de bindend adviseur. Deze waarneming klopte ten opzichte van [A] c.s., maar berustte ten aanzien van De Raad c.s. op verkeerde lezing van haar (op 28 januari 2015 genomen) akte uitlating na tussenvonnis. Hoe dit ook zij, de rechtbank zal nu op deze posten ingaan.
Expertisekosten
2.16.
[A] c.s. vordert in dit opzicht een bedrag van € 34.930,18, dat hij als volgt specificeert:
a.Duyts Bouwconstructies BV € 7.116,20
bGeo-Supporting BV € 4.685,63
c.Rijnja Repro € 91,14
d [Y] € 1.071,00
e. [X] € 3.979,36
fWBM ` € 4.462,50
g [B] € 624,75
h [Z] € 12.899,60
Totaal € 34.930,18.
2.17.
Ten aanzien van de expertisekosten heeft de rechtbank in haar in de hoofdprocedure gewezen eindvonnis van 27 juni 2007 in algemene zin geoordeeld dat De Raad c.s. de – haar toerekenbare – schade (ook) wegens expertisekosten dient te vergoeden. Dit oordeel is in het daarop gevolgde hoger beroep in stand gebleven, zodat dit uitgangspunt thans voor de rechtbank een gegeven is. Hiermee is uiteraard geen oordeel gegeven over de (toen ook nog niet bekende) hoogte van deze kosten.
2.18.
De posten a en b betreffen volgens [A] c.s. advieskosten c.a. respectievelijk kosten van geotechnisch onderzoek en funderingsadvies. [A] c.s. heeft de desbetreffende facturen van Duyts en Geo-Supporting in het geding gebracht bij de dagvaarding. Aan het verzoek van De Raad c.s. om de verdere (onderliggende) stukken van deze adviseurs heeft [A] c.s. gevolg gegeven bij zijn akte houdende wijziging van eis tevens akte overlegging producties, van 26 januari 2011. De Raad c.s. heeft daarop niet meer gereageerd, maar dat was, gelet op de hoofdpunten van het debat daarna, ook niet nodig. Bij deze stand van zaken krijgt De Raad c.s. de gelegenheid alsnog een inhoudelijke reactie te geven op deze posten.
2.19.
Tegen post c heeft De Raad c.s. zich niet verzet. Deze post is toewijsbaar.
2.20.
Post d betreft facturen van een hoveniersbedrijf voor het uitbrengen van offertes voor het herstel van de tuinen. De posten e, f en h hebben betrekking op de offertes van de drie aannemers die – zoals vermeld in onderdeel 2.12 van het tussenvonnis van 17 december 2014 – na het arrest van het gerechtshof een dergelijke offerte zouden uitbrengen. Volgens De Raad c.s. is het ongebruikelijk dat een aannemer (of tuinbedrijf) offertekosten in rekening brengt en voldoen deze posten mede daardoor niet aan de zogeheten dubbele redelijkheidstoets van artikel 6:96 lid 2 BW. Volgens haar had [A] c.s. niet moeten goedvinden dat de desbetreffende kosten aan hem, [A] c.s., in rekening werden gebracht. Daar komt bij dat de calculatiekosten van [X] al in de begroting van deze aannemer zijn verdisconteerd. De Raad c.s. vermoedt dat dit ook bij de (haar niet bekende) begroting van WBM het geval zal zijn.
2.21.
De Raad c.s. heeft op zichzelf niet betwist dat [Y] en de drie aannemers de hier bedoelde kosten in rekening hebben gebracht en dat [A] c.s. de gefactureerde bedragen heeft betaald. Dit een en ander staat dus tussen partijen vast. De rechtbank ziet op zichzelf geen reden voor de conclusie dat de hoogte van de facturen niet redelijk was in verhouding tot de daarvoor verrichte (offerte)werkzaamheden; met deze werkzaamheden zullen stellig veel uren zijn gemoeid. Voorts blijkt uit het arrest van 10 maart 2009 van het gerechtshof dat partijen destijds overeenstemming hadden bereikt over de inschakeling van drie aannemers aan wie de hier bedoelde offertes zouden worden gevraagd. Dit is ook vermeld in onderdeel 2.12 van het in deze zaak gewezen tussenvonnis van 17 december 2014. De rechtbank heeft niettemin behoefte aan nadere inlichtingen van [A] c.s. Gegeven de stelling van De Raad c.s. dat het in rekening brengen van dergelijke offertekosten ongebruikelijk is, rijst de vraag waarom [A] c.s. heeft ingestemd met betaling voor het uitbrengen van offertes.
2.22.
Tegen post g heeft De Raad c.s. zich niet verzet. Deze post is toewijsbaar.
Kosten van vervangende huisvesting
2.23.
[A] c.s. vordert in dit opzicht een bedrag van € 107.917,94, dat hij als volgt specificeert:
- huisnummer 6 € 24.000,00
- huisnummer 7 € 21.600,00
- huisnummer 7A € 19.200,00
- aanvullende kosten € 43.117,94
Totaal € 107.917,94.
2.24.
[A] c.s. heeft deze posten als volgt toegelicht. Uitgaande van een gemiddelde bouwtijd van 40 weken voor het herstel van de woningen, dienen de bewoners voor een periode van in totaal twaalf maanden te beschikken over vervangende huisvesting. Voor de berekening van de schade die zij op dit punt lijden dient aansluiting te worden gezocht bij de huurwaarde van hun woningen. Deze is voor de woning op nummer 6 te stellen op € 2.000 per maand, voor de woning op nummer 7 op € 1.850 per maand en voor de woning op nummer 7A op € 1.600 per maand. De post ten bedrage van € 43.117,94 betreft het saldo van uitgaven en inkomsten die samenhingen met de verhuizing van [A] en [B] naar een andere woning. Deze verhuizing was nodig door vocht- en wateroverlast en problemen met koolmonoxide in de woning op nummer 6. De kosten van de vervangende woning over de periode van 1 december 2008 tot eind december 2010 hebben € 74.467,94 bedragen (met onder meer extra hypotheeklasten ten bedrage van ongeveer € 2.300 per maand). Daartegenover staan inkomsten uit de verhuur van de woning op nummer 6 aan een derde gedurende de periode van 1 januari 2009 tot en met 1 oktober 2010, met een beloop van in totaal € 31.350.
2.25.
De Raad c.s. heeft deze schadeposten betwist. Nu in haar visie paalfundering niet nodig was en is, bestrijdt zij de noodzaak van verhuizing, die overigens niet 40 maar 24 weken zou behoeven te duren. De Raad c.s. is niet inhoudelijk ingegaan op de post van
€ 43.117,94 van de zijde van [A] en [B] .
2.26.
De rechtbank heeft behoefte aan nadere inlichtingen van partijen over deze posten, mede op basis van de actuele situatie.
Kosten van verhuizing en opslag van de inboedel
2.27.
[A] c.s. vordert in dit opzicht een bedrag van € 24.450, dat hij als volgt specificeert:
- huisnummer 6 verhuizing € 4.250,00
- huisnummer 6 opslag 12 mnd. € 3.900,00
- huisnummer 7 verhuizing € 4.250,00
- huisnummer 7 opslag 12 mnd. € 3.900,00
- huisnummer 7A verhuizing € 4.250,00
- huisnummer 7A opslag 12 mnd. € 3.900,00
Totaal € 24.450,00.
2.28.
De Raad c.s. heeft ook deze posten betwist. Volgens haar heeft [A] c.s. de noodzaak van verhuizing en opslag niet aangetoond. Opslag is niet nodig als de inboedel naar de vervangende woning wordt meegenomen. Bovendien is zij, De Raad c.s., bereid te zorgen voor opslag als deze nodig mocht zijn.
2.29.
Ook met betrekking tot deze posten heeft de rechtbank behoefte aan nadere inlichtingen van partijen, mede op basis van de actuele situatie.
Kosten van tuinaanleg
2.30.
Met verwijzing naar offertes van het al genoemde bedrijf van [Y] vordert [A] c.s. in dit opzicht een bedrag van € 45.637,80, dat hij als volgt specificeert:
- huisnummer 6 € 20.412,60
- huisnummer 7 € 10.062,60
- huisnummer 7A € 15.162,60
Totaal € 45.637,80.
2.31.
De Raad c.s. stelt dat het blijkens de bedoelde offertes grotendeels om werkzaamheden gaat die niet in causaal verband staan met de schade als gevolg van werkzaamheden van haar, De Raad c.s. De offertes maken melding van zaken als een blokhut, nieuwe hekwerken en nieuwe bestratingen en beplantingen. Dergelijke kosten kunnen, zo stelt zij, niet voor haar rekening komen.
2.32.
Ook hierover wil de rechtbank met partijen spreken. En ook daarbij zal de huidige situatie mede aan de orde komen.
Terugbetaling voorschot minus door De Raad c.s. te betalen schadevergoeding
2.33.
De vordering tot terugbetaling van te veel betaalde bedragen is, gegeven het oordeel van de rechtbank over de bindende kracht van het bindend advies van ir. De Zwart, in elk geval voor een substantieel gedeelte toewijsbaar. De precieze hoogte hangt af van de eindbeslissing van de rechtbank over de zojuist besproken “overige schadeposten”. In afwachting van die beslissing kan de rechtbank nog geen concreet terug te betalen bedrag vaststellen.
Nakoming vaststellingsovereenkomst
2.34.
De rechtbank wenst met partijen te spreken over de vordering van De Raad c.s. die strekt tot nakoming van de vaststellingsovereenkomst in deze zin dat – kort gezegd – de herstelwerkzaamheden aan de villa binnen negen maanden na dit vonnis dienen te zijn uitgevoerd en de aanleg van de paalfundering binnen drie maanden dient te zijn uitgevoerd. Ook hierbij komt de actuele situatie aan bod.
2.35.
Ook kan worden gesproken over het onderdeel van de vordering van De Raad c.s. dat betrekking heeft op het ten laste van haar gelegde beslag.
De voorlopige slotsom
2.36.
Het bindend advies blijft in stand. Beide partijen zijn daaraan gebonden. Dit betekent dat de kosten van herstel van de schade die door de werkzaamheden van De Raad c.s. is veroorzaakt, wordt begroot op het totaal van de bedragen van € 925.750 (exclusief btw), € 5.638,60 (inclusief btw), € 2.000 (stelpost) en € 16.339. Een punt van geschil betreft nog de vraag of de omzetbelasting een schadepost is. De rechtbank zal ook hierover nader met partijen spreken.
2.37.
Op diverse punten die betrekking hebben op de “overige schadeposten” van [A] c.s. heeft de rechtbank behoefte aan nadere inlichtingen van partijen. Zij verwijst hiervoor naar hetgeen zij in 2.18, 2.21, 2.26, 2.29, 2.32, 2.34 en 2.35 heeft overwogen. De rechtbank zal daarvoor opnieuw een comparitie van partijen bevelen. Elk van partijen krijgt de gelegenheid om uiterlijk veertien dagen voor de comparitiedatum eventuele nadere stukken over te leggen met betrekking tot de posten die hierbij aan de orde zijn. Daarbij dient [A] c.s. in elk geval in te gaan op hetgeen in de onderdelen 2.21, 2.29 en 2.32 is vermeld, en dient De Raad c.s. aandacht te geven aan het in 2.18 en 2.25 vermelde.
2.38.
De zitting kan mede dienen om te onderzoeken of in dit stadium een minnelijke regeling mogelijk is.
2.39.
Als een van partijen volstrekt verhinderd is de comparitie op het hierna te vermelden tijdstip bij te wonen en daarin ook niet op andere wijze kan worden voorzien, dient de partij bij wie deze omstandigheid zich voordoet, hiervan uiterlijk op 1 april 2016 melding te maken aan de rechtbank en aan de wederpartij, met gelijktijdige opgave van de verhinderdata aan beide zijden in de periode van 15 april tot eind mei 2016.
3. De beoordeling in de incidenten
3.1.
Het komt de rechtbank voor dat de voorwaarde waaronder de incidentele vorderingen zijn ingesteld – te weten: dat het bindend advies niet in stand blijft – niet is vervuld. Dan zou een inhoudelijke beoordeling van die vorderingen achterwege kunnen blijven.
3.2.
Tijdens de komende comparitie kan ook besproken worden of deze uitleg van de vorderingen van De Raad c.s. juist is.
4. De beslissing
De rechtbank:
in de hoofdzaak in conventie en in reconventie
4.1.
beveelt een persoonlijke verschijning van partijen (De Raad c.s. deugdelijk vertegenwoordigd) en hun advocaten ten overstaan van mr. H.F.M. Hofhuis, die hiertoe zitting zal houden op dinsdag 12 april 2016 om 14.00 uur in het gebouw van de rechtbank, Prins Clauslaan 60 te Den Haag;
4.2.
bepaalt dat deze zitting is bedoeld voor het verkrijgen van nadere inlichtingen van partijen over de in 2.36, 2.37 en 3.2 bedoelde thema’s en voor het beproeven van een minnelijke regeling;
4.3.
stelt partijen in de gelegenheid om eventuele nadere stukken uiterlijk veertien dagen voor de zitting aan de wederpartij en aan de rechtbank toe te sturen;
4.4.
bepaalt dat partijen in geval van een verhindering op het in 4.1 vermelde tijdstip dienen te handelen zoals in 2.39 is vermeld;
4.5.
houdt iedere verdere beslissing aan;
in de voorwaardelijke incidenten
4.6.
houdt iedere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. H.F.M. Hofhuis en in het openbaar uitgesproken op
24 februari 2016.1.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 24‑02‑2016
type: 1099
Uitspraak 22‑04‑2015
Inhoudsindicatie
Schadestaatprocedure. Tweede tussenvonnis. Verzoek aan bindend adviseur om nadere motivering bindend advies op een aantal punten.
Partij(en)
vonnis
RECHTBANK DEN HAAG
Team handel
zaaknummer / rolnummer: C/09/369921 / HA ZA 10-2306
Vonnis van 22 april 2015
in de zaak van
1. [A] ,
2. [B] ,
3. [C] ,
4. [D] ,
5. [E] ,
6. [F] ,
allen wonende te [woonplaats] ,
eisers in conventie,
verweerders in reconventie,
verweerders in de voorwaardelijke incidenten,
advocaat mr. drs. I.M.C.A. Reinders Folmer te Amsterdam,
tegen
1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheidDE RAAD BOUWONTWIKKELING B.V.,
2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
DE RAAD BOUW B.V.,
beide gevestigd te Noordwijk en kantoorhoudende te Katwijk,
gedaagden in conventie,
eiseressen in reconventie,
eiseressen in de voorwaardelijke incidenten,
advocaten mr. P.A. Arisz-Versteeg te Rotterdam en mr. J. Weermeijer te Hoofddorp.
Partijen worden hierna opnieuw [A] c.s. (in mannelijk enkelvoud) en De Raad c.s. (in vrouwelijk enkelvoud) genoemd. Eisers in conventie, tevens verweerders in reconventie en verweerders in de voorwaardelijke incidenten, worden, voor zover nodig, ieder afzonderlijk met hun achternaam aangeduid. Gedaagden in conventie, tevens eiseressen in reconventie en eiseressen in de voorwaardelijke incidenten, worden, voor zover nodig, afzonderlijk De Raad Bouwontwikkeling respectievelijk De Raad Bouw genoemd.
1. De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het in deze zaak gewezen tussenvonnis van 17 december 2014 (hierna: het tussenvonnis), waarin de zaak is verwezen naar de rol voor akten na tussenvonnis aan beide zijden;
- de akte (van 28 januari 2015) van [A] c.s., met productie 44;
- de akte uitlating na tussenvonnis (eveneens van 28 januari 2015) van De Raad c.s.;
- de akte (van 25 februari 2015) van [A] c.s.;
- de antwoordakte (van 25 februari 2015) van De Raad c.s.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De nadere beoordeling
Overneming van het tussenvonnis
2.1.
De rechtbank neemt hetgeen zij in het tussenvonnis heeft overwogen en beslist, hier over. Zij volhardt daarbij.
2.2.
[A] c.s. heeft in zijn akte van 28 januari 2015 nadere opmerkingen gemaakt over de wijze waarop de bindend adviseur, ir. F.S de Zwart (‘De Zwart’), in het bindend advies ten aanzien van een groot aantal schadeposten een aftrek wegens ‘nieuw voor oud’ heeft toegepast. [A] c.s. stelt dat hij uit een nadere bestudering van het bindend advies de conclusie trekt dat de bindend adviseur in dit opzicht vermoedelijk van een verkeerde peildatum (namelijk 2013 in plaats van 2000) is uitgegaan. Ook in andere opzichten betwist [A] c.s. de juistheid van deze aftrek in het bindend advies. Hij stelt dat de bindend adviseur ook over deze handelwijzen een nadere motivering zal moeten verschaffen.
2.3.
De Raad c.s. heeft zich tegen inwilliging van deze wens van [A] c.s. verzet.
2.4.
De rechtbank heeft in het tussenvonnis geoordeeld dat, voor zover het de aftrek wegens ‘nieuw voor oud’ betreft, aan het bindend advies geen – in deze vernietigingsprocedure relevante – (motiverings)gebreken kleven. Dit oordeel is een bindende eindbeslissing, waarvan de rechtbank niet kan terugkomen. Hierop zou een uitzondering kunnen worden gemaakt indien op dit punt sprake is geweest van een beslissing op een onjuiste juridische of feitelijke grondslag. Een zodanig geval doet zich hier echter niet voor. Voor het alsnog in beschouwing nemen van nieuwe stellingen van [A] c.s. over deze kwestie is dus geen plaats.
2.5.
Gelet op het voorgaande dient de rechtbank thans tot uitgangspunt te nemen dat het bindend advies voldoende is gemotiveerd ten aanzien van de geschilpunten die betrekking hebben op de aftrek wegens ‘nieuw voor oud’ en op de kozijnen (met uitzondering van het in 2.6 te bespreken aspect van de NPR 3670) en de verdiepingsvloeren. Ook staat in dit stadium vast dat de bindend adviseur niet buiten zijn opdracht is getreden en in voldoende mate recht heeft gedaan aan het tussen partijen gewezen, onherroepelijke, arrest van
10 maart 2009 van het gerechtshof ’s-Gravenhage.
De gewenste nadere motivering van de bindend adviseur
2.6.
In het tussenvonnis heeft de rechtbank overwogen dat zij behoefte heeft aan nadere gegevens over twee kwesties, te weten (i) de in onderdeel 5.10 van dat vonnis bedoelde “overige posten” en (ii) de vraag of de bindend adviseur bij de beoordeling van de kozijnen en bij zijn daarop betrekking hebbende begroting de hier toepasselijke richtlijn, de NPR 3670, in acht heeft genomen. Ten aanzien van het in (i) bedoelde aspect heeft de rechtbank in het tussenvonnis geoordeeld dat van de bindend adviseur mag worden verwacht dat hij, waar hij uitgaat van minder materialen of van minder uren dan begroot, op zijn minst genomen een korte motivering geeft indien hij, in vergelijking met de begrotingen van [X] , bedragen van meer dan € 5.000 in aftrek brengt.
2.7.
Ten aanzien van deze beide nog te onderzoeken kwesties heeft de rechtbank partijen in de gelegenheid gesteld kenbaar te maken of zij behoefte hebben aan een (nadere) motivering van de bindend adviseur. Partijen hebben daarbij de gelegenheid gekregen zich uit te spreken over (i) de kosten van de nadere inschakeling van de bindend adviseur en (ii) de vraag door wie de bindend adviseur kan worden benaderd. [A] c.s. heeft hierop te kennen gegeven dat hij een nadere motivering van de bindend adviseur wenst. De Raad c.s. heeft meegedeeld zelf geen behoefte te hebben aan een dergelijke nadere motivering. Geen van partijen heeft gevolg gegeven aan de uitnodiging om zich uit te spreken over de twee aspecten die zojuist onder (i) en (ii) zijn bedoeld.
2.8.
Gelet op het in 2.7 vermelde zal de rechtbank De Zwart verzoeken een (nadere) motivering te geven van de bevindingen en de daarop betrekking hebbende conclusies in het door hem uitgebrachte bindend advies van 18 juli 2013, voor het zover het de hierna, in de onderdelen 2.9 en volgende van dit vonnis, beschreven kwesties betreft. De Zwart wordt niet benoemd als deskundige in de zin van artikel 194 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). Hij blijft, op grond van de tussen partijen tot stand gekomen vaststellingsovereenkomst van 31 oktober 2011/17 november 2011, de hoedanigheid van bindend adviseur behouden. Nu partijen er kennelijk niet voor hebben gekozen in dit stadium gezamenlijk de bindend adviseur te benaderen, heeft de rechtbank contact met hem gezocht. Zij heeft zich ervan vergewist dat de bindend adviseur bekend is met zijn status als bindend adviseur en niet als een door de rechter op de voet van artikel 194 Rv te benoemen deskundige. Zij heeft van hem vernomen dat hij beschikbaar is voor deze aanvullende taak. De bindend adviseur heeft desgevraagd meegedeeld de kosten van zijn nadere inschakeling te begroten op het hierna, in 4.6, te vermelden bedrag. De rechtbank zal, naar analogie van de regeling inzake de rechterlijke benoeming van een deskundige, bepalen dat een voorschot ter grootte van dit bedrag, en eventueel een aanvullend voorschot, dienen te worden overgemaakt aan het Landelijk Dienstencentrum voor de Rechtspraak. In de lijn van de voorziening die partijen zelf in de vaststellingsovereenkomst hebben getroffen voor de vergoeding van de werkzaamheden van de bindend adviseur, zal de rechtbank voorts bepalen dat het voorschot dient te worden betaald door De Raad c.s. Zij laat thans in het midden of er grond kan zijn om in het eindvonnis een voorziening op te nemen over de definitieve kosten van deze nadere inschakeling van de bindend adviseur. Partijen kunnen zich te zijner tijd, tegelijk met hun reacties op de nadere rapportage van de bindend adviseur, ook over dit aspect uitspreken.
2.9.
Aan de orde is thans de inhoud van het verzoek aan de bindend adviseur. [A] c.s. heeft in zijn (eerste) akte na het tussenvonnis 25 punten (behorend tot de categorie ‘overige posten’) vermeld ten aanzien waarvan volgens hem de bindend adviseur een nadere motivering zal moeten geven. De rechtbank stelt vast dat een ruim aantal van deze punten betrekking heeft op (i) posten waarbij bij de door de bindend adviseur gerapporteerde aftrek wegens minder materiaal of minder uren is vermeld van welke aantallen hij is uitgegaan of waarbij de aftrek overigens minder dan het in 2.6 vermelde bedrag van € 5.000 bedraagt, dan wel op (ii) een aftrek wegens ‘nieuw voor oud’ of op (iii) de verdiepingsvloer dan wel de kozijnen (wat dit betreft met uitzondering van de kwestie met betrekking tot de toepassing van de NPR 3670). Uit het voorgaande volgt dat in al deze opzichten geen nadere motivering nodig is. Dit betreft dan de posten die door [A] c.s. zijn aangeduid met de volgnummers 1, 7, 9-13, 15 (voor zover het gaat om de aftrek wegens ‘nieuw voor oud’), 16, 18-20, 22, 24 en 25. In het verzoek aan de bindend adviseur zal de rechtbank deze posten dus niet opnemen. Ten aanzien van enkele andere posten stelt de rechtbank vast dat niet gezegd kan worden dat elke motivering – of elke toelichting die in redelijkheid als motivering kan gelden – ontbreekt. De rechtbank zal deze posten niettemin in het aan de bindend adviseur voor te leggen verzoek opnemen en laat in deze fase aan hem over of hij, in het licht van de bezwaren van [A] c.s. tegen de hier in aftrek gebrachte bedragen, reden ziet om zijn bindend advies nader te motiveren.
2.10.
Met inachtneming hiervan zal de rechtbank de bindend adviseur dus verzoeken om een nadere motivering – tegen de achtergrond van de bezwaren van [A] c.s. – ten aanzien van de volgende posten:
huisnummers 6, 7 en 7a
a. post 2: verbruik bouwstroom/water;
b. post 3: ontgraven van grond, afvoeren, egaliseren;
c. post 4: injecteren grond enz.;
d. post 5: wapeningsstaal alle vloeren enz.;
e. post 6: kelder buitengrens t/m ontkisten/opruimen/afvoeren;
huisnummer 6
f. post 8: sloopwerk: V en A plafonds t/m boeidelen en goten;
g. post 14: dakbedekkingen t/m goten incl. geprofileerde beschietingen;
h. post 15: vermindering materiaal vloertegels;
huisnummer 7
i. post 17: sloopwerk V en A plafonds t/m V en A wandjes op dragende BG-vloer;
j. post 21: dakbedekking, platte daken, dakgoten en HWA;
k. post 23: stukadoorswerk.
2.11.
Voor de volledigheid – en ter vermijding van een eventueel misverstand – vermeldt de rechtbank dat de gevraagde ‘nadere motivering’ er ook toe kan leiden dat de bindend adviseur enig bezwaar van de zijde van [A] c.s. honoreert en op een hoger bedrag wegens de kosten van herstel uitkomt.
2.12.
In zijn akte na het tussenvonnis heeft [A] c.s. te kennen gegeven dat hij ook een nadere motivering van de bindend adviseur wenst ten aanzien van het niet inmeten van de vloeren op de begane grond. Volgens [A] c.s. blijkt niet dat de bindend adviseur de beganegrondvloeren heeft ingemeten. In dit verband verwijst [A] c.s. naar de norm NEN 2747:2001. De rechtbank zal de bindend adviseur verzoeken ook hierop te reageren door een nadere motivering van zijn bindend advies. Ook hiervoor geldt hetgeen in 2.11 is vermeld.
2.13.
Ten aanzien van de richtlijn NPR 3670 dient de bindend adviseur een zo mogelijk gedocumenteerd antwoord te geven op de vraag of hij een juiste toepassing aan deze richtlijn heeft gegeven. Verwezen wordt naar de onderdelen 5.24-26 van het tussenvonnis. Als de beantwoording van deze vraag de bindend adviseur reden geeft voor een nadere begroting van de kosten van het herstel van de kozijnen, dient hij deze begroting te vermelden. Voor dat geval en in zoverre wordt hij uitgenodigd ook de begrotingen met betrekking tot de kozijnen opnieuw en nader te motiveren, in het licht van de bezwaren van [A] c.s. tegen zijn eerdere begroting terzake.
De overige schadeposten
2.14.
In het tussenvonnis zijn nog geen overwegingen gewijd aan de vorderingen van [A] c.s. inzake schadeposten die buiten het bindend advies liggen. Dit betreft de volgende posten:
a. blijvende waardevermindering van de villa;
b. expertisekosten;
c. kosten van vervangende huisvesting;
d. kosten van opslag van de inboedel;
e. kosten van tuinaanleg.
2.15.
In het tussenvonnis heeft de rechtbank partijen in overweging gegeven zich nader met elkaar te verstaan over deze schadeposten, met inachtneming van de door de bindend adviseur geschatte bouwtijd van 32 weken. Partijen hebben de gelegenheid gekregen om, voor zover zij over deze posten niet tot overeenstemming komen, zich uit te spreken over de gewenste voortgang van de procedure ten aanzien van deze schadeposten.
2.16.
Elk van partijen heeft in de na het tussenvonnis gewisselde stukken te kennen gegeven zich over de hier bedoelde nadere posten te willen uitspreken na kennisneming van de nadere rapportage van de bindend adviseur. De rechtbank volgt partijen in deze eensluidende wens en zal zich in dit stadium onthouden van een eigen oordeel over deze geschilpunten.
Terugbetaling voorschot minus door De Raad c.s. te betalen schadevergoeding
2.17.
Ook de beslissing op deze vordering van De Raad c.s. zal in dit stadium opnieuw worden aangehouden.
Nakoming vaststellingsovereenkomst
2.18.
Ditzelfde geldt, op gelijke grond, voor de beslissing op de vordering van De Raad c.s. [A] c.s. die strekt tot nakoming van de vaststellingsovereenkomst in deze zin dat – kort gezegd – de herstelwerkzaamheden aan de villa binnen negen maanden na dit vonnis dienen te zijn uitgevoerd en de aanleg van de paalfundering binnen drie maanden dient te zijn uitgevoerd.
De voorlopige slotsom
2.19.
Samengevat komt het voorgaande hierop neer dat de rechtbank de bindend adviseur verzoekt om een nadere motivering van (i) zijn begroting ten aanzien van de in onderdeel 2.10 vermelde elf posten van zijn bindend advies van 18 juli 2013, (ii) de inmeting van de beganegrondvloeren (zie onderdeel 2.12 van dit vonnis) en (iii) de toepassing van de NPR 3670 (zie onderdeel 2.13 van dit vonnis). Voor het overige ziet de rechtbank, binnen het voor haar geldende kader, geen grond voor twijfel aan de motivering van het bindend advies. De Raad c.s. dient – in elk geval voorlopig – de kosten van deze nadere advisering door de bindend adviseur te dragen.
2.20.
Voorlopig lijkt het de rechtbank voldoende dat de bindend adviseur kennisneemt van alle processtukken – naast de beide daarna gewezen vonnissen – die na zijn bindend advies zijn gewisseld. Aan de advocaat van De Raad c.s. zal worden verzocht deze stukken in te zenden aan de griffie van de rechtbank, die ingevolge de hierna te vermelden instructie zal zorgen voor doorzending aan de bindend adviseur.
2.21.
De door de bindend adviseur en partijen in acht te nemen termijnen zijn hierna vermeld.
3. De beoordeling in de incidenten
Op gelijke grond als dienaangaande in het tussenvonnis is vermeld, zal thans, in afwachting van de nadere motivering door de bindend adviseur, de beslissing in de incidenten worden aangehouden.
4. De beslissing
De rechtbank:
in de hoofdzaak in conventie en in reconventie
4.1.
verzoekt mr. Arisz-Versteeg, als advocaat van De Raad c.s., om binnen vier weken na de dagtekening van dit vonnis de in 2.20 vermelde processtukken toe te zenden aan de civiele griffie van de rechtbank, met vermelding van het zaak- en rolnummer van deze zaak;
4.2.
verzoekt de griffier van de rechtbank om vervolgens een afschrift van het tussenvonnis van 17 december 2014 en van dit vonnis alsmede de in 2.20 vermelde stukken toe te zenden aan de heer ir. P.S. de Zwart, verbonden aan Royal Haskoning DHV Nederland BV, Postbus 8520, 3009 AM Rotterdam (e-mailadres: frans.de.zwart@rhdhv.com);
4.3.
verzoekt ir. De Zwart om als bindend adviseur, op de voet van de vaststellings-overeenkomst van 31 oktober/17 november 2011 van partijen, uiterlijk zes weken na de ontvangst van de in 4.2 bedoelde stukken aan de civiele griffie van de rechtbank (met vermelding van het zaak- en rolnummer van deze zaak) een conceptrapport in te zenden met een (nadere) motivering van
a. ade aftrek die hij, in vergelijking met de begrotingen van [X] , heeft toegepast in zijn bindend advies van 18 juli 2013 ten aanzien van de in 2.10 opgesomde posten 2-6, 8, 14, 15, 17, 21 en 23, zoals bedoeld in de akte van 28 januari 2015 van [A] c.s.;
b.de inmeting van de vloeren op de begane grond (zie onderdeel 2.12 van dit vonnis);
c. de toepassing van de NPR 3670 (zie onderdeel 2.13 van dit vonnis);
4.4.
bepaalt dat de griffier dit conceptrapport zal toezenden aan partijen en dat partijen uiterlijk drie weken na de ontvangst van het conceptrapport bij akte kunnen reageren op dit concept;
4.5.
bepaalt dat de griffier de in 4.4 bedoelde akten van partijen zal toezenden aan de bindend adviseur en dat de bindend adviseur uiterlijk drie weken na de ontvangst van deze akten zijn schriftelijke, gemotiveerde en ondertekende eindrapport, met een gespecificeerde declaratie, zal doen toekomen aan de civiele griffie van deze rechtbank, Prins Clauslaan 60 (postbus 20302, 2500 EH Den Haag), met vermelding van het zaak- en rolnummer van deze zaak;
4.6.
bepaalt dat De Raad c.s. als voorschot op de kosten van de bindend adviseur een bedrag van € 5.808 (inclusief btw) dient te deponeren na ontvangst van een hierop betrekking hebbende factuur van het Landelijk Dienstencentrum voor de Rechtspraak (LDCR);
4.7.
bepaalt dat de bindend adviseur de rechtbank dient te verzoeken om een nader voorschot indien en zodra hem in de loop van zijn onderzoek blijkt dat dit meer gaat kosten dan oorspronkelijk begroot;
4.8.
bepaalt dat het voorschot en het eventuele nadere voorschot binnen drie weken na de ontvangst van de desbetreffende nota dienen te worden voldaan;
4.9.
bepaalt dat de bindend adviseur zijn werkzaamheden pas behoeft aan te vangen nadat de griffier van de rechtbank hem zal hebben bevestigd dat het voormelde voorschot door het LDCR is ontvangen;
4.10.
houdt iedere verdere beslissing aan;
in de voorwaardelijke incidenten
4.11.
houdt iedere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. H.F.M. Hofhuis en in het openbaar uitgesproken op
22 april 2015.1.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 22‑04‑2015
type: 1099
Uitspraak 17‑12‑2014
Inhoudsindicatie
Schadestaatprocedure. Tussenvonnis. In eerder stadium van de procedure zijn partijen bindend advies overeengekomen. In geschil is of het bindend advies voldoet aan de daaraan te stellen maatstaven.
Partij(en)
vonnis
RECHTBANK DEN HAAG
Team handel
zaaknummer / rolnummer: C/09/369921 / HA ZA 10-2306
Vonnis van 17 december 2014
in de zaak van
1 [A],
2. [B],
3. [C],
4. [D],
5. [E],
6. [F],
allen wonende te [woonplaats],
eisers in conventie,
verweerders in reconventie,
verweerders in de voorwaardelijke incidenten,
advocaat mr. drs. I.M.C.A. Reinders Folmer te Amsterdam,
tegen
1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheidDE RAAD BOUWONTWIKKELING B.V.,
2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
DE RAAD BOUW B.V.,
beide gevestigd te Noordwijk en kantoorhoudende te Katwijk,
gedaagden in conventie,
eiseressen in reconventie,
eiseressen in de voorwaardelijke incidenten,
advocaat mr. P.A. Arisz-Versteeg te Rotterdam en mr. J. Weermeijer te Hoofddorp.
Partijen worden hierna [A] c.s. (mannelijk enkelvoud) en De Raad c.s. (vrouwelijk enkelvoud) genoemd. Eisers in conventie, tevens verweerders in reconventie en verweerders in de voorwaardelijke incidenten, zullen ieder afzonderlijk bij hun achternaam genoemd worden. Gedaagden in conventie, tevens eiseressen in reconventie en eiseressen in de voorwaardelijke incidenten, worden ieder afzonderlijk De Raad Bouwontwikkeling respectievelijk De Raad Bouw genoemd.
1. De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- -
de dagvaarding van 18 juni 2010 met producties;
- -
het productieoverzicht bij inleidende dagvaarding met producties;
- -
de conclusie van antwoord in conventie en van eis in reconventie met producties;
- -
het tussenvonnis van 8 september 2010, waarbij de rechtbank een comparitie van partijen heeft bevolen;
- -
het proces-verbaal van comparitie van 26 januari 2011 en de daarin vermelde stukken;
- -
de beschikking van 23 februari 2011, waarbij de rechtbank een plaatsopneming heeft bevolen;
- -
het tussenvonnis van 27 april 2011, waarbij is bepaald dat de plaatsopneming voorshands geen doorgang zal vinden en waarbij een comparitie van partijen is bevolen;
- -
het proces-verbaal van comparitie van 27 mei 2011, waarin melding is gemaakt van een mondeling tussenvonnis waarbij een plaatsopneming is bevolen;
- -
het proces-verbaal van plaatsopneming van 1 juli 2011, waarin onder meer is vermeld dat de plaatsopneming zal worden voortgezet;
- -
het proces-verbaal van voortzetting plaatsopneming van 30 september 2011 en de daarin genoemde stukken, blijkens welk proces-verbaal de rechtbank heeft bepaald dat de ter gelegenheid van de plaatsopneming geopende comparitie van partijen zal worden voortgezet;
- -
het proces-verbaal van comparitie buiten aanwezigheid van partijen van 21 december 2011 en de daarin genoemde stukken;
- -
de akte van 13 november 2013 houdende wijziging van eis tevens akte overlegging producties van de zijde van [A] c.s., met producties;
- -
de antwoordakte van 11 december 2013 tevens houdende akte uitlating wijziging eis van de zijde van De Raad c.s.;
- -
de akte van 8 januari 2014 houdende aanvulling eiswijziging van de zijde van [A] c.s., met producties;
- -
de beschikking van 3 februari 2014, waarbij een comparitie van partijen is bevolen;
- -
het proces-verbaal van comparitie van partijen van 31 maart 2014 en de daarin vermelde stukken;
- -
de beschikking van 6 augustus 2014, waarin de rechtbank een voortzetting van de comparitie van partijen heeft bepaald;
- -
het proces-verbaal van voortzetting van de comparitie van partijen van 4 november 2014 en de daarin genoemde stukken;- de brief van 25 november 2014 van de advocaat van [A] c.s., met een bijlage;
- -
de op 26 november 2014 ter griffie van deze rechtbank ontvangen brief (die naar de rechtbank aanneemt per abuis is gedateerd op 15 oktober 2014) van een van de advocaten van De Raad c.s.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald op heden. Bij de voorbereiding van dit vonnis heeft de rechtbank het proces-verbaal van de comparitie van 4 november 2014 gelezen met inachtneming van de opmerkingen die partijen daarover hebben gemaakt.
2. De feiten
2.1.
[A] en [B], [C] en [D], [E] en [F] zijn de respectieve eigenaars van de woningen gelegen aan het [adres 1], [adres 2] en [adres 3] te [woonplaats]. Deze woningen vormen tezamen een in drieën gesplitste monumentale villa, genaamd ‘[de villa]’, die in 1906 op een duinheuvel is gebouwd en op staal is gefundeerd. Op een perceel grond naast deze villa heeft De Raad c.s. de nieuwbouw tot stand gebracht van een hotel (het [Hotel]) met bijbehorende voorzieningen. De Raad Bouwontwikkeling is de opdrachtgever tot de bouw van het hotel en De Raad Bouw was de uitvoerend aannemer.
2.2.
Een extern bureau, Risk Consultants, heeft op 23 november 1999 een vooropname van elk van de drie woningen in de villa uitgevoerd. De drie rapporten van Risk Consultants van 26 november 1999 (met de kenmerken K2114, K2114-K2250 en K2114-K2251), met als bijlagen de foto’s waarnaar in deze rapporten wordt verwezen, zijn op 9 december1999 gedeponeerd bij een notaris. In de rapporten is ten aanzien van de drie woningen opgenomen dat de staat van onderhoud redelijk tot goed is. Voorts is ten aanzien van de drie woningen vermeld dat er geen deformatiemeting is uitgevoerd en dat het pand, voor zover zichtbaar, niet aan deformatie onderhevig is. Ten aanzien van de woning van [A] en [B] ([adres 1]) is voorts vermeld dat de fundering bij de erker gescheurd is, dat reparaties door middel van injecteren en opvijzelen hebben plaatsgevonden en dat het geheel na reparatie scheurloos is doch nog niet afgewerkt. Vervolgens is ten aanzien van de drie woningen een opsomming van de gebreken van de woning gegeven, telkens met verwijzing naar de bij het rapport gevoegde foto’s.
2.3.
Bij de aanvang van de bouwwerkzaamheden, in het begin van 2000, is op ongeveer twee meter afstand van de linkerzijgevel van de woning [adres 3] in opdracht van De Raad Bouw een uit palen bestaande betonnen damwand aangebracht.
2.4.
Tijdens het ontgraven van het zandpakket en het aanbrengen van de verankering van de damwand is de damwand in de richting van de bouwput gaan wijken, waardoor zettingen ontstonden in het zandpakket onder de villa. Als gevolg daarvan is de villa verzakt, waardoor de constructie van de villa is beschadigd. De Raad c.s. is voor deze schade aansprakelijk jegens [A] c.s.
2.5.
Eind 2001 heeft [A] c.s. bij deze rechtbank een bodemprocedure (hierna ook te noemen de hoofdprocedure) aangespannen tegen De Raad c.s. tot vergoeding van de schade aan de villa. Deze procedure heeft het zaak- en rolnummer 172081 / HA 01-3841 gekregen. Deze procedure heeft het zaak- en rolnummer 172081 / HA 01-3841 gekregen.
2.6.
In het voorjaar van 2002 heeft [A] c.s. bij de voorzieningenrechter van deze rechtbank een kort geding aangespannen tegen De Raad c.s. In het proces-verbaal van de behandeling van dit kort geding op 12 maart 2002 is het volgende opgenomen:
‘(…)
Partijen zijn ter zitting overeengekomen hetgeen is vermeld in aangehechte akte. Deze luidt als volgt:
“Vraagstelling aan Geotechniek Delft.
1. Is gezien de toestand van het duin en de schade aan de bovenbouw, herstel van de fundering en de bovenbouw mogelijk.
2. Is het duin(zand) nadat destabilistaie tijdens de bouw van de keerwand is opgetreden, weer volledig gestabiliseerd.
3. Indien het duin niet is gestabiliseerd, wilt u dan suggesties doen om zulks te bewerkstelligen.
4. Indien Geotechniek Delft vaststelt dat het duin(zand) is gestabiliseerd, op welke wijze dient dan herstel van de fundering plaats te vinden. Partijen zullen door middel van hun wederzijdse experts suggesties doen.
5. Hoe en op welke wijze kan herstel van de bovenbouw plaatsvinden opdat het pand zoveel mogelijk wordt gebracht in de toestand van voor de bouwwerkzaamheden aan het [Hotel].
(…)
7. Na verkregen offerte zal zo spoedig mogelijk opdracht worden verstrekt aan TNO-Bouw en Geotechniek
8. Indien herstel substantieel duurder is dan afbraak en herbouw, schadetechnisch uitsluitend de laatste situatie in aanmerking komt. Hierbij spelen aspecten van nieuw voor oud en waardevermindering een rol.
(…)
10. Redelijke kosten voor vergelijkbare woonruimte en noodmaatregelen en de daarvoor noodzakelijke verhuizingen en eventuele opslag van goederen, zullen door De Raad worden vergoed. Onder aftrek van bespaarde kosten.
(…)’
2.7.
In de genoemde hoofdprocedure heeft de rechtbank op 23 april 2003 een tussenvonnis uitgesproken. In dit tussenvonnis heeft zij, met het oog op de vaststelling van de omvang van de door De Raad c.s. aan [A] c.s. te vergoeden schade, ir. F.B.J. Gijsbers van TNO Bouw Civiele Infrastructuur te Delft en ing. H.J. Everts van Geodelft te Delft benoemd tot deskundigen teneinde een onderzoek in te stellen en een schriftelijk en met redenen omkleed antwoord te geven op zes in dat vonnis opgenomen vragen. Na deponering ter griffie van het gezamenlijke hoofdrapport (met vijf deelrapporten) door de deskundigen op 24 augustus 2006 heeft [A] c.s. zijn eis gewijzigd. [A] c.s. vorderde – na eiswijziging en voor zover hier van belang – in de hoofdprocedure:
I. primair:
De Raad c.s. hoofdelijk te veroordelen tot betaling aan [A] en [B] € 580.158,-, aan [C] en [D] € 557.128,66 en aan [E] en [F] € 436.196,23, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 3 maart 2000 tot de dag der algehele voldoening; subsidiair (indien en voor zover sloop en herbouw van de woningen niet als schadegrondslag zullen worden toegewezen): De Raad c.s. hoofdelijk te veroordelen om binnen veertien dagen na betekening van het te wijzen vonnis aan hen te betalen de volledige schade, vast te stellen op basis van de door de deskundigen uitgebrachte rapportage(s), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 3 maart 2000 tot de dag der algehele voldoening;
II. De Raad c.s. hoofdelijk te veroordelen om aan hem te vergoeden de volledige schade die hij heeft geleden of nog zal lijden, als gevolg van vervangende huisvesting, opslag van inboedel, gemaakte expertisekosten en kosten van tuinaanleg e.d., nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf een door de rechtbank te bepalen datum tot de dag der algehele voldoening.
2.8.
In het deskundigenrapport van TNO Bouw en Ondergrond van 4 augustus 2006, kenmerk 2004-CI-R0055 (hierna ook te noemen: het TNO-rapport), is het volgende opgenomen:
‘(…)
1 Inleiding
(…)
De eigenaren [A] c.s. van de woningen in de villa enerzijds en de bouwer De Raad c.s. van het [Hotel] anderzijds zijn het erover eens dat door het maken van de bouwput schade is ontstaan aan de villa. De twee partijen verschillen echter van mening over de wijze van herstel van de schade en daarom is deze zaak voorgelegd aan de Rechtbank te Den Haag. De Rechtbank te Den Haag heeft vervolgens een zestal vragen voorgelegd aan TNO Bouw en Ondergrond (…).
Om de gestelde vragen op een gefundeerde wijze te kunnen beantwoorden, is een opname gemaakt van de schade aan de villa. Deze opname heeft plaatsgevonden op 30 en 31 maart 2004 (…). In vervolg hierop hebben de heren (…) op 14 december 2005 een herhalingsinspectie uitgevoerd, teneinde na te gaan of de schade in de tijd is toegenomen.
In de onderhavige rapportage wordt (…) in hoofdstuk 3 een beschrijving gegeven van scheurvlakken die over een relatief groot deel van de villa doorlopen. Daarna wordt in de hoofdstukken 4 – 6, per woning en per ruimte, een omschrijving gegeven van de overige schade die is waargenomen. In hoofdstuk 7 worden de resultaten gegeven van de herhalingsinspectie. Ten slotte wordt in hoofdstuk 8 aangegeven op welke wijze de waargenomen schade hersteld kan worden.
(…)
7 Herhalingsinspectie
(…)
Uit de herhalingsinspectie is naar voren gekomen dat de schade in de periode van maart 2004 tot december 2005 niet is toegenomen. Er is geen nieuwe scheurvorming waargenomen en ook geen toename van de wijdte van de scheuren.
8 Herstelmogelijkheden
(…)
Langs een aantal deur- en raamkozijnen in de buitengevel is een naad zichtbaar. Deze naad kan hersteld worden door in de betreffende aansluitingen een kitvoeg aan te brengen. Deze wijze van herstel is echter niet mogelijk als de ruimte wijder is dan 3 mm. In dat geval zijn de vervormingen dusdanig groot dat een duurzaam en esthetisch verantwoord herstel alleen mogelijk is als het metselwerk plaatselijk wordt verwijderd en opnieuw, in verband, wordt ingemetseld.
Langs een aantal deur- en raamkozijnen in de binnenmuren is eveneens een naad zichtbaar. Deze naden kunnen hersteld worden door de betreffende naden op te vullen met een cementgebonden materiaal, eventueel aangevuld met het verbreden dan wel verplaatsen van de randlijsten.
Voor de deur- en raamkozijnen in zowel de binnen- als de buitenmuren geldt dat de kozijnen die scheef, scheluw en/of gescheurd zijn, hersteld kunnen worden door de kozijnen uit te halen, te herstellen en op een juiste wijze terug te plaatsen. Na het uithalen van de kozijnen zal uit een visuele beoordeling van de kozijnen moeten blijken of herstel nog mogelijk is, of dat de kozijnen geheel vervangen moeten worden door nieuwe. Bij herstel of vervanging van kozijnen zullen ook de betreffende deuren aangepast of vervangen moeten worden.
(…)’
2.9.
Bij eindvonnis van 27 juni 2007 in de genoemde hoofdprocedure heeft de rechtbank, voor zover thans van belang, De Raad c.s. hoofdelijk veroordeeld om aan [A] c.s. te vergoeden de schade zoals vastgesteld in de onderdelen 2.16 en 2.17 van dat vonnis, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet. Hiertoe heeft de rechtbank het volgende overwogen (met herstel van een kennelijke verschrijving in de naam van [A] c.s.):
‘(…)
2.1.
De rechtbank blijft bij hetgeen zij heeft overwogen en beslist in het tussenvonnis van 23 april 2003. Daarin zijn, met het oog op de vaststelling van de omvang van de door De Raad cs aan [A] cs te vergoeden schade, ir. F.B.J. Gijsbers van TNO Bouw Civiele Infrastructuur te Delft en ing. H.J. Everts van Geodelft te Delft benoemd tot deskundigen teneinde een onderzoek in te stellen en een schriftelijk en met redenen omkleed antwoord te geven op een zestal vragen.
(…)
2.4. (…)
Op basis van het deskundigenrapport moet worden geconcludeerd dat zowel de fundering als de bovenbouw van de villa kunnen worden hersteld. (…) Bezien in het licht van het voorgaande hebben [A] cs hun stelling dat de villa moet worden gesloopt en (volledig) herbouwd onvoldoende onderbouwd, zodat daaraan zal worden voorbij gegaan.
(…)
2.14.
Al het bovenstaande betekent dat de rechtbank ervan uitgaat dat herstel van zowel de fundering als de bovenbouw mogelijk is. In aanmerking nemend de nog steeds voortdurende instabiliteit van het duin, leest de rechtbank voor wat betreft de herstelmogelijkheden drie opties in het deskundigenbericht, te weten:
a. het uitvoeren van een (nader) “meetplan”, gedurende 5 tot 10 jaar; gedurende de loop daarvan wordt niet tot herstel overgegaan (…);
b. het uitvoeren van voormeld “meetplan”; zonder de resultaten daarvan af te wachten worden stabilisatiewerkzaamheden aan het duin verricht, waarna direct de restauratiewerkzaamheden worden uitgevoerd (…);
c. door middel van sonderingen het niveau vaststellen waaronder het duin voldoende stabiel is; vervolgens onder de villa een paalfundering realiseren, waarin – in de lengterichting van de villa – een trekvast frame wordt aangebracht; daarna worden de herstelwerkzaamheden aan de bovenbouw uitgevoerd; stabilisatiewerkzaamheden aan het duin behoeven daarbij niet te worden verricht (…).
2.15.
Met [A] cs is de rechtbank van oordeel dat – gelet op het (zeer) lange tijdsverloop sedert het ontstaan van de eerste schade (3 maart 2000) – [A] cs thans redelijkerwijs mogen verlangen dat alle mogelijke risico’s ten aanzien van verdere schade in de toekomst worden vermeden en dat zij nu aanspraak kunnen maken op een deugdelijke en definitieve herstelmethode. Hieraan komt in feite alleen de hiervoor onder c. genoemde optie tegemoet. Optie a. betekent dat er nog eens vele jaren niets zal gebeuren, met alle risico’s op verderoplopende schade (als gevolg van de instabiliteit van het duin) vandien. Bovendien kan niet worden uitgesloten dat na afronding van het “meetplan” wordt vastgesteld dat het duin nog steeds niet stabiel is. Met betrekking tot optie b. geldt – zoals de deskundigen bij de antwoording van vraag 6 aangeven – dat het risico bestaat dat na de restauratie van de villa zal blijken dat het duin nog enige vervorming ondergaat, waarna nader onderzoek naar (i) de oorzaak daarvan en de noodzaak tot het treffen van aanvullende maatregelen, alsmede (ii) verdere herstelwerkzaamheden zullen moeten plaatsvinden. Dat risico moet thans worden uitgesloten.
2.16.
Zoals reeds in het tussenvonnis van 23 april 2003 overwogen (r.o. 3.1.) is tussen partijen slechts in geschil de omvang van de door De Raad cs aan [A] cs te vergoeden schade. Dat [A] cs schade hebben geleden en de aansprakelijkheid daarvoor van De Raad cs staan vast.
De omvang van die schade dient allereerst te worden bepaald aan de hand van de beantwoording door de deskundigen van de vragen 4, 5 en 6, in die zin dat De Raad cs aansprakelijk zijn voor de kosten verbonden aan (i) de sonderingen die nodig zijn voor de bepaling van het niveau waaronder het duin voldoende stabiel is, (ii) de realisatie van een paalfundering, waarin – in de lengterichting van de villa – een trekvast frame is aangebracht, (iii) de herstelwerkzaamheden aan de bovenbouw van de villa, zoals omschreven in het door TNO uitgebrachte deelrapport met nummer 2004-CI-R0055 en (iv) de herstelkosten verbonden aan vier verzakkingen zoals in februari 2006 hebben plaatsgevonden. Met het oog op de begroting van de omvang van voormelde kosten (i t/m iv) dienen – overeenkomstig de tussen partijen op 12 maart 2002 in het kader van het kort geding gemaakte afspraken (sub 7.) – bij een drietal aannemers een offerte te worden gevraagd. Nu partijen daaromtrent geen afspraken hebben gemaakt en teneinde verdere discussies te voorkomen, wordt hierbij beslist dat de keuze van die aannemers geheel bij [A] cs. ligt, alsmede dat [A] cs uiteindelijk bepalen op basis van welke offerte de herstelwerkzaamheden zullen worden uitgevoerd, mits daarbij de maatstaven van redelijkheid en billijkheid in acht worden genomen. Nu de reeds aanwezige verschilzakkingen in de villa niet teniet worden gedaan, betreft een volgende schadepost (v) de blijvende waardevermindering van de villa, zoals door de deskundigen aangegeven bij de beantwoording van vraag 6. De grootte daarvan kan naar het oordeel van de rechtbank het best worden vastgesteld door een ter plaatse bekende – en door [A] cs aan te wijzen – onafhankelijke makelaar.
Ten slotte is in dit verband van belang dat [A] cs voldoende aannemelijk hebben gemaakt dat zij mogelijkerwijs schade hebben geleden en nog zullen lijden als gevolg van expertisekosten (vi), vervangende huisvesting (vii), opslag van inboedel (viii) en tuinaanleg (ix). De Raad cs dienen ook deze – hen toerekenbare – schade te vergoeden. De Raad cs lijken voormelde posten overigens grotendeels te erkennen, gelet op hetgeen partijen dienaangaande (onder 10.) afspraken op 12 maart 2002 in het kader van het kort geding. In dit verband zij nog opgemerkt op dat op bedoelde schadeposten in mindering dienen te strekken de eventuele besparingen aan de zijde van [A] cs.
2.17. (…)
Verder komt het de rechtbank thans redelijk voor om te zijner tijd te bepalen dat het uiteindelijk vast te stellen schadebedrag dient te worden voldaan uiterlijk vier weken vóór de aanvang van de te verrichten herstelwerkzaamheden. Gelet hierop is er geen reden om de wettelijke rente in te laten gaan op een vóór dat tijdstip gelegen moment.
(…)’
2.10.
Beide partijen hebben hoger beroep ingesteld tegen het eindvonnis van 27 juni 2007 van de rechtbank in de hoofdprocedure. Bij arrest van 10 maart 2009 heeft het gerechtshof ’s-Gravenhage (hierna: het hof), voor zover hier van belang, het principale hoger beroep van De Raad c.s. tegen het rechtbankvonnis verworpen en in het door [A] c.s. ingestelde incidentele hoger beroep dat vonnis vernietigd en – opnieuw rechtdoende – De Raad c.s. hoofdelijk veroordeeld om aan [A] c.s. te vergoeden de schade zoals vastgesteld in de onderdelen 2.16 en 2.17 van het vonnis van de rechtbank, met uitzondering van de laatste twee zinnen van onderdeel 2.17, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 3 maart 2000 voor zover de schade bestaat in waardevermindering van de villa en te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag dat de schade is geleden ten aanzien van de overige schadeposten.
Hiertoe heeft het hof het volgende overwogen:
‘(…)
3.24 (…)
Het hof is het met de rechtbank eens dat er voor wat betreft de herstelmogelijkheden in het deskundigenrapport slechts drie reële opties te lezen zijn.
(…)
3.26
Voorzover het door De Raad c.s. ter toelichting op de grief gestelde ervan uitgaat dat het duin stabiel is, gaat het hof aan deze stellingen voorbij, aangezien dit uitgangspunt onjuist is.
(…)
3.28 (…)
Toen de rechtbank uitspraak deed, leefde [A] c.s. reeds meer dan zeven jaar in ellendige woonomstandigheden, zonder dat De Raad c.s. ook maar een begin had gemaakt met herstel van de door hem veroorzaakte schade. Het is dan ook begrijpelijk dat de rechtbank in haar vonnis aanwijzingen gaf hoe het verder zou moeten, zeker nu een verzoek daartoe uit de conclusie na deskundigenbericht van [A] c.s. valt af te leiden. Ook acht het hof het begrijpelijk dat de rechtbank De Raad c.s. instrumenten die tot verdere vertraging van herstel van de schade zouden kunnen leiden, uit handen heeft willen slaan en daarom heeft beslist dat de keuze van de aannemers geheel bij [A] c.s. ligt en dat [A] c.s. uiteindelijk bepaalt op basis van welke offerte de herstelmogelijkheden zullen worden uitgevoerd, mits daarbij de maatstaven van redelijkheid en billijkheid in acht worden genomen. Ook acht het hof het begrijpelijk dat de rechtbank daarom heeft bepaald dat [A] c.s. de makelaar aanwijst die de blijvende waardevermindering van de villa vast stelt.
3.29
Op het moment dat het hof arrest wijst, leeft [A] c.s. bijna negen jaar in ellendige woonomstandigheden en heeft De Raad c.s. nog steeds geen begin gemaakt met het herstel van de door hem aangerichte schade. Naar het oordeel van het hof heeft De Raad c.s. daarmee het recht verwerkt om sommige vormen van inspraak uit te oefenen die tot verdere vertraging zouden kunnen leiden. De Raad c.s. heeft onbetwist gesteld, dat partijen inmiddels overeenstemming hebben bereikt over de drie aannemers aan wie een offerte zal worden gevraagd. Om verdere vertraging te voorkomen lijkt het het hof juist dat [A] c.s. uiteindelijk bepaalt op basis van welke offerte de herstelwerkzaamheden zullen worden uitgevoerd mits daarbij de maatstaven van redelijkheid en billijkheid in acht worden genomen. Om dezelfde reden acht het hof het ook juist dat [A] c.s. de makelaar aanwijst die de blijvende waardevermindering van de villa vaststelt.
(…)
3.33
De grief in het incidenteel hoger beroep is gericht tegen de afwijzing in het eindvonnis van de rechtbank van de gevorderde wettelijke rente over het vast te stellen schadebedrag vanaf 3 maart 2000. De grief is in die zin gegrond dat voorzover de schade bestaat in waardevermindering van de villa, wettelijke rente verschuldigd is vanaf 3 maart 2000, ten aanzien van de overige schadeposten wettelijke rente verschuldigd is vanaf de dag dat de schade is geleden en dat de vordering terzake wettelijke rente voor het overige moet worden afgewezen.
(…)’
2.11.
Op 18 mei 2009 heeft De Raad c.s. aan [A] c.s. een voorschot op de schadevergoeding van € 50.000,- betaald.
2.12.
Partijen hebben overeenstemming bereikt over de drie aannemers die een offerte zouden uitbrengen voor de herstelwerkzaamheden aan de villa. [A] c.s. heeft na ontvangst van de drie offertes vervolgens bepaald dat de herstelwerkzaamheden zullen worden uitgevoerd door een van de drie aanbieders, [H] Bouwbedrijf B.V. (hierna: [H]). In de offerte van [H] van 25 maart 2010 is het volgende opgenomen:
‘(…)
De offerte is gebaseerd op de volgende stukken:
Tekening [I] bouwconstructies nr 2090231 -01- dd 25-09-2009 getiteld Fundaties
Tekening [I] bouwconstructies nr 2090231 -02- dd 25-09-2009 getiteld Betonvorm funderingsherstel
Tekening [I] bouwconstructies nr 2090231 -03- dd 25-09-2009 getiteld Stutconstructie funderingsherstel bestaande kelders
CD-rom met informatie
Document: Overzicht van activiteiten – met calculatiegegevens en hoeveelheden.
Diverse bezoeken ter plaatse met onderaannemers en gesprekken met dhr Vos.
De offerte is opgezet volgens ons eigen offreringssysteem en verdeeld in een deel Algemeen en per woning een deel. Tevens is onze begroting aangevuld met kosten die wij voorzien om de doelstelling te behalen. Daarnaast zijn er in een aantal gevallen op verzoek van onderaannemers alternatieven aangeboden, omdat men voorziet dat de bedachte oplossing niet uitvoerbaar is.
Onze aanbieding ziet er als volgt uit:
Onderdeel Calculatie Stelposten Totaal
Algemeen € 550.624,28 € - € 550.624,28
[adres 1] € 419.282,48 € 30.400,90 € 449.683,38
[adres 2] € 316.891,60 € 27.886,82 € 344.778,42
[adres 3] € 374.294,44 € 21.114,00 € 395.408,44
Totaal excl. BTW € 1.740.494,52
BTW á 19% € 330.693,96
Eindtotaal incl. BTW € 2.071.188,47
Een stelpostenoverzicht is als bijlage bijgevoegd.
De volgende opmerkingen zijn van toepassing:
1. Wij zijn ervan uitgegaan dat alle herstelwerkzaamheden uitgevoerd worden, zodanig dat de woningen bewoonbaar zijn in dezelfde staat als voor de verzakking intrad. Wij hebben dus het bouwbesluit niet aangehouden in de calculatiekosten. Het bouwbesluit stelt regels omtrent isolatie, deze zijn buiten beschouwing gelaten.
2. Voor alle installaties (binnenriolering, water-, gas-, verwarmings- en elektrotechnische installatie) wordt als uitgangspunt genomen, dat de huidige installaties (zoals aangetroffen) voldoen aan de eisen, en NEN-normen. De genoemde kosten zijn alleen van toepassing op de huidige installatie. Vervanging, uitbreiding of aanpassing aan hedendaagse eisen van de installaties is niet in deze begroting opgenomen. Indien installaties niet voldoen aan de gestelde eisen worden de extra kosten daarvan beschouwd als meerwerk en op basis van nacalculatie verrekend.
3. De huidige (zoals aangetroffen) radiatoren inclusief armaturen, CV-ketels / boilers worden schoongemaakt en herplaatst.
4. Voor deze begroting zijn we ervan uitgegaan dat de woningen gedurende de periode van renovatie onbewoond zijn en leeg van huisraad en goederen.
(…)’
De twee andere offertes sluiten op € 1.802.670,39 inclusief BTW en op € 1.986.110,- inclusief BTW.
2.13.
Op 18 juni 2010 is [A] c.s. de onderhavige procedure begonnen als schadestaatprocedure na de hoofdprocedure bij de rechtbank en het hof.
2.14.
Bij vonnis in kort geding van 26 juli 2010 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank op vordering van [A] c.s. De Raad c.s. hoofdelijk veroordeeld om binnen zeven dagen na betekening van dat vonnis aan [A] c.s. een voorschot op de schadevergoeding te betalen. Dit voorschot is bepaald op de som van € 2.000.000,-. De Raad c.s. heeft dit bedrag op 2 augustus 2010 aan [A] c.s. betaald.
2.15.
Bij beschikking van 23 februari 2011 in de onderhavige procedure heeft de rechtbank – nadat partijen overeenstemming hadden bereikt over de verdere gang van zaken en over de persoon van de deskundige – een plaatsopneming bevolen in en om de woningen van [A] c.s. in aanwezigheid van partijen, hun advocaten, de door partijen aangewezen deskundige ir. [bindend adviseur] (hierna: [bindend adviseur]) en een of meer medewerkers van [H].
2.16.
Tijdens deze procedure hebben partijen overeenstemming bereikt over de wijze waarop zij een deel van het geschil tot een oplossing kunnen brengen. De overeenstemming is vastgelegd in een vaststellingsovereenkomst die [A] c.s. op 31 oktober 2011 heeft ondertekend en De Raad c.s. op 17 november 2011. Bij deze overeenkomst hebben zij [bindend adviseur] aangewezen als bindend adviseur. In de overeenkomst is onder meer het volgende opgenomen:
‘(…)
IN AANMERKING NEMENDE DAT:
a. [A] c.s. de respectievelijke eigenaars zijn van de woningen gelegen aan het [adres 1], [adres 2] en [adres 3] te [woonplaats]. De woningen bevinden zich in een (in drieën gesplitste) monumentale villa, genaamd “[de villa]”;
b. De Raad c.s. een hotel ([Hotel]) met bijbehorende voorzieningen heeft gerealiseerd, op een perceel grond gelegen tussen [straat 1] en [straat 2] te [woonplaats], welk perceel is gelegen direct naast de villa “[de villa]” van [A] c.s.;
c. als gevolg van de bouwwerkzaamheden van De Raad c.s. ten behoeve van het hotel schade is ontstaan aan de voornoemde woningen van [A] c.s.;
d. naar aanleiding van deze schade [A] c.s. een procedure zijn gestart tegen De Raad c.s. Deze (hoofd)procedure heeft geleid tot het arrest van het Hof ’s-Gravenhage van 10 maart 2009, zaak-/rolnummer: 172081/HA ZA 01-3814;
e. in aansluiting op bovengenoemd arrest [A] c.s. bij de Rechtbank ’s-Gravenhage een schadestaatprocedure zijn gestart tegen De Raad c.s., zaak-rolnummer 369921 / HA ZA 10-2306;
f. partijen een minnelijke regeling hebben getroffen, welke minnelijke regeling is vastgelegd in de fax van de advocaat van [A] c.s. van 11 oktober 2011 aan de Rechtbank ’s-Gravenhage en de heer [bindend adviseur]. De minnelijke regeling zoals deze is verwoord in deze fax van 11 oktober 2011, heeft de advocaat van De Raad c.s. bevestigd bij de fax van 12 oktober 2011 aan de Rechtbank ’s-Gravenhage;
g. teneinde de opname van deze minnelijke regeling door de Rechtbank ’s-Gravenhage in een proces-verbaal op zo kort mogelijke termijn te bewerkstelligen, een door alle partijen ondertekende (vaststellings)overeenkomst, waarin deze minnelijke regeling is bevestigd, is vereist. Daartoe bevestigen partijen hierbij dat de door hen getroffen minnelijke regeling luidt alsvolgt.
ZIJN OVEREENGEKOMEN ALS VOLGT:
1. [A] c.s. dan wel zijn rechtsopvolger onder algemene of bijzondere titel zal overgaan tot herstel van de villa conform hetgeen hierna is overeengekomen.
2. Het rapport van TNO van 4 augustus 2006 (kenmerk: 2004-CI-R0055) inclusief de aan TNO verstrekte vooropnames is leidend bij dit herstel.
3. Ten behoeve van het herstel van de fundering van de villa zal nog het volgende worden gedaan dan wel onderzocht:- er zullen vier nieuwe sonderingen tot tien meter min NAP worden gemaakt waarvan de plaats wordt bepaald door de heer [bindend adviseur] na overleg met [I] en ir. [J], werkzaam bij [O];- er zullen controleberekeningen door [I] gemaakt worden van de secan palenwand waarbij rekening wordt gehouden met de werkelijk aanwezige bovenbelasting uit de villa, één keer inclusief de aanwezigheid van de twee bovenste rijen trekankers en één maal ter controle indien de bovenste twee rijen trekankers niet meer functioneren. Deze controleberekeningen worden getoetst door de heren [J] en [bindend adviseur];- [I] zal in samenspraak met [H] een alternatieve uitvoeringsmethode onderzoeken waarbij de nieuwe palen binnen de kelder gemaakt worden. De uitkomsten hiervan staan ter beoordeling van de heren [J] en [bindend adviseur];- de locatie en de functionaliteit van de schoorbokken zullen nader worden vastgesteld, indien en voor zover dit niet reeds door TNO definitief is gedaan. Een en ander zal gebeuren door de heren [J] en [bindend adviseur] na overleg met [I];- er zal een proefpaal in de grond worden gebracht waarvan de specificaties worden aangeleverd door [I], met inachtneming van het rapport van Geodelft van 2 februari 2005 (kenmerk: CO405550/20), een en ander na overleg met de heren [J] en [bindend adviseur]. Wanneer de proefpaal niet in de grond kan worden gebracht, komen de tot dan toe gemaakte kosten voor rekening en risico van De Raad c.s. In dat geval zal de heer [bindend adviseur] na overleg met [I] en de heer [J] een advies geven over een alternatief.
4. Ten behoeve van de onder 3. genoemde punten zal de heer [bindend adviseur] samen met zijn assistent en de heer [J] en desgewenst [I] een bezoek brengen aan de villa, buiten aanwezigheid van partijen. Er wordt naar gestreefd dit te laten plaatsvinden op 19 en 20 oktober 2011.
5. Over de offerte van [H] zal de heer [bindend adviseur] zich verstaan met [H]. Ten behoeve hiervan zal de heer [bindend adviseur] samen met zijn assistent, de heer [K], de heer [C] en de heer [L] een bezoek brengen aan de villa. Er wordt naar gestreefd dit te laten plaatsvinden op 19 en 20 oktober 2011.
6. [I] streeft ernaar binnen vier tot zes weken na het onder 4. en 5. genoemde bezoek te rapporteren aan de heer [bindend adviseur]. De heer [bindend adviseur] streeft ernaar binnen één week hierna zijn bevindingen in concept op schrift te stellen. Dit concept zal de heer [bindend adviseur] voorleggen aan partijen, waarna deze hierover binnen een week na ontvangst van dat concept kunnen reageren. De heer [bindend adviseur] zal vervolgens zijn bevindingen binnen twee weken definitief vastleggen.
7. Op basis van alle bevindingen zal [H] de begroting van de herstelkosten waar nodig aanpassen. Indien tot aanpassing van de begroting wordt overgegaan, zal de aangepaste begroting vervolgens worden voorgelegd aan de heer [bindend adviseur]. De bevindingen over de aangepaste begroting van de heer [bindend adviseur] zullen in concept aan partijen worden voorgelegd, waarna deze hierop waar nodig binnen één week na ontvangst kunnen reageren. [bindend adviseur] zal vervolgens zijn bevindingen binnen twee weken definitief vastleggen.
8. Over een eventuele aftrek nieuw voor oud zal de heer [bindend adviseur] eveneens adviseren. De bevindingen hierover zullen in concept aan partijen worden voorgelegd, waarna deze hierop waar nodig binnen één week na ontvangst kunnen reageren. [bindend adviseur] zal vervolgens zijn bevindingen binnen twee weken definitief vaststellen.
9. Alle bevindingen van de heer [bindend adviseur] zijn bindend voor partijen.
10. De heer [J] is reeds benaderd door de heer [bindend adviseur] en verdere contacten met de heer [J] zullen door de heer [bindend adviseur] worden gelegd. Ook [I] zal door de heer [bindend adviseur] worden benaderd.
11. Mocht tijdens de uitvoering van het funderingsherstel blijken dat dit in het geheel niet volgens plan kan worden uitgevoerd, dan komt deze omstandigheid voor rekening en risico van [A] c.s.
12. Mocht tijdens de uitvoering van het funderingsherstel blijken dat het op onderdelen niet volgens plan kan worden uitgevoerd, dan zijn de extra kosten die daaruit voortvloeien voor rekening van [H].
13. Indien de (eventueel aangepaste, door de heer [bindend adviseur] goedgekeurde) begroting het door De Raad c.s. reeds betaalde voorschot van € 2.050.000,- inclusief rente te boven gaat, zal dit verschil inclusief BTW door De Raad c.s. binnen 14 dagen aan [A] c.s. worden betaald.
14. De facturen die [A] c.s. van [H] zal ontvangen, zal hij binnen één week na ontvangst van die facturen in afschrift toezenden aan De Raad c.s.
15. De kosten van de deskundigen de heer [bindend adviseur] en zijn assistent, de heer [J], en [I], voor zover deze niet reeds in de vordering zijn opgenomen of in de offerte van [H] worden begroot, komen voor rekening van De Raad c.s. De heer [bindend adviseur] en de heer [J] zullen hun kosten rechtstreeks aan De Raad c.s. factureren. [A] c.s. zullen kopieën van de facturen van [I] aan De Raad c.s. verstrekken, die daarna de door [I] bij [A] c.s. in rekening gebrachte kosten direct aan [A] c.s. zullen vergoeden.
16. Partijen verklaren dat, nadat voornoemde punten zijn uitgevoerd, zij over en weer niets meer van elkaar te vorderen zullen hebben ter zake van de in het geding zijnde kwesties met uitzondering van de onder 17. genoemde punten en zijn verlenen elkaar reeds nu voor alsdan ter zake over en weer finale kwijting.
17. Na ontvangst van de (eventueel aangepaste) begroting als bedoeld onder 13. zullen partijen binnen vier weken in overleg treden over de punten die hen nog verdeeld houden, zijnde de verhuis- en opslagkosten, de kosten van tuinaanleg, de expertisekosten zoals gevorderd, de kosten van vervangende huisvesting en de (ingangsdatum van de) wettelijke rente.
18. Partijen dragen ieder de eigen proceskosten.
(…)’
2.17.
Hierna heeft [bindend adviseur] werkzaamheden als bindend adviseur verricht. Op of omstreeks 12 juli 2012 heeft hij een eerste concept van het bindend advies aan partijen gezonden.
2.18.
Met een brief van 24 augustus 2012 heeft mr. Otten namens [A] c.s. aan de bindend adviseur het volgende bericht:
‘(…)
Cliënten hebben uw concept-rapportage van 12 juli jl. inmiddels kunnen bekijken. (…)
Allereerst vragen cliënten uw aandacht voor de in de vaststellingsovereenkomst vastgelegde, door u in het kader van de uitvoering van uw opdracht te volgen procedure. (…)
Cliënten zijn op basis van uw concept-rapport tot de conclusie gekomen dat u deze procedure niet heeft gevolgd.
(…)
Dit dient u in het kader van de aan u door partijen gegeven opdracht alsnog te doen.
(…)
Zo hebben cliënten geconstateerd dat u zich over de offerte van [H] niet heeft verstaan met [H].
Cliënten achten het in het licht van het bovenstaande dan ook niet opportuun om op dit moment inhoudelijk te reageren op uw concept-rapport. (…)
Wel wijs ik op dit moment u nog op het bepaalde onder 2. van de vaststellingsovereenkomst. Ook hier is vastgelegd dat het rapport van TNO van 4 augustus 2006, inclusief de aan TNO verstrekte voorafnames, leidend is bij het herstel en derhalve ook bij uw bindende advisering.
(…)
Juist op basis van het TNO-rapport heeft [H] haar offerte opgesteld.
(…)
Tenslotte wijzen cliënten erop dat er rekening moet worden gehouden met de omstandigheid dat cliënten in de onmogelijkheid verkeerden om onderhoud aan de villa te verrichten, teneinde niet in een ongunstige(r) bewijsrechtelijke positie te komen verkeren. Deze omstandigheid kan uiteraard in de gegeven omstandigheden niet voor rekening en risico van cliënten komen.
(…)
Uit de – evenzeer leidende – opnamerapporten blijkt overigens dat in 2005 nog geen sprake was van achterstallig onderhoud.
(…)
Kort gezegd is de strekking van de aan u verleende opdracht – naast het beoordelen van de (on-) mogelijkheid van het paalfunderingsplan – te beoordelen of [H] daadwerkelijk volledig en juist haar offerte heeft gebaseerd op het rapport van TNO, inclusief de opnamerapporten.
De tuinaanleg valt ook buiten uw opdracht.
Verder wijs ik erop dat het van belang is dat u uw calculaties en prijzen objectief verifieerbaar onderbouwt en specificeert, in het bijzonder door aan te geven welke werkzaamheden (op welke wijze) uitgevoerd dienen te worden. Zonder deze specificatie c.q. onderbouwing is het immers voor partijen niet mogelijk om uw rapport goed en volledig te beoordelen en eventueel van commentaar te voorzien.
Cliënten betreuren het dat door u niet de overeengekomen procedure is gevolgd en verzoeken u met klem om een planning aan partijen te presenteren die voorziet in de overeengekomen, door u alsnog te nemen procedurele stappen op zo kort mogelijke termijn.
Cliënten stellen voor dat zij (en uiteraard De Raad) in de gelegenheid worden gesteld om op het door u vervolgens nieuw op te stellen concept-rapport te reageren. (…)’
2.19.
Op of omstreeks 1 mei 2013 heeft de bindend adviseur een tweede concept van het bindend advies aan partijen verzonden.
2.20.
Met een brief van 21 mei 2013 heeft mr. Otten namens [A] c.s. aan de bindend adviseur het volgende bericht:
‘(…)
Daarom bericht ik u slechts bij wijze van eerste reactie als volgt.
In het door u toegestuurde conceptrapport heeft u de aftrek “nieuw voor oud” reeds verwerkt in de beoordeling van de begroting van [H]. (…) U dient uw bevindingen over een eventuele aftrek “nieuw voor oud” aldus gescheiden van c.q. ná uw algemene bevindingen over de begroting aan partijen toe te sturen. U bent hiermee opnieuw van de (door u aanvaarde) opdracht afgeweken.
Daarnaast is bij eerste lezing opgevallen dat u (opnieuw) niet volledig het TNO-rapport tot uitgangspunt heeft genomen. Als voorbeeld noem ik uw inspectie van de buitenkozijnen om te oordelen of kan worden hersteld, dan wel vervanging noodzakelijk is. TNO heeft in haar rapport reeds vastgesteld dat de kozijnen die scheef, scheluw of gescheurd zijn, compleet dienen te worden uitgehaald, waarna beoordeeld dient te worden of vervanging noodzakelijk is. Een beoordeling uwerzijds is ter zake overbodig en in strijd met het TNO-rapport.
Nog los van het voorgaande, heeft u uw conceptrapport niet c.q. slechts zeer summier gemotiveerd. Dit maakt uw conceptrapport in de huidige constellatie (objectief verifieerbaar) vernietigbaar, ook op grond van de wet.
(…)’
2.21.
Met een e-mail van 12 juni 2013 heeft ir. F.B.J. Gijsbers van TNO aan [C] het volgende bericht:
‘(…)
In antwoord op uw email van 06-06-2013 bericht ik u als volgt.
De van u ontvangen informatie betreft een voorstel voor het herstel van ramen, deuren en kozijnen. In het TNO-rapport zijn hierover in paragraaf 8.1 algemene richtlijnen gegeven. Omdat het TNO-rapport geen informatie per onderdeel bevat kan ik niet nagaan of het voorstel per onderdeel juist is. Het voorstel ziet er echter op zichzelf goed uit en geeft mij geen aanleiding tot het maken van opmerkingen. Ik adviseer u wel om zelf per onderdeel te controleren of het voorgestelde redelijk is, maar misschien hebt u dat al wel gedaan. Verder wijs ik u erop dat na demontage van kozijnen zou kunnen blijven dat beoogd herstel niet mogelijk is, maar dat vervanging nodig is (zie ook paragraaf 8.1 van het TNO-rapport).
(…)’
Dit e-mailbericht is als bijlage gevoegd bij het hierna te noemen rapport van de bindend adviseur van 18 juli 2013, met daarop handgeschreven aantekeningen van de bindend adviseur. Bij de zinsnede ‘Omdat het TNO-rapport geen informatie per onderdeel bevat’ heeft de bindend adviseur de volgende aantekening geplaatst:
‘Conclusie:
- TNO rapport niet volledig en te algemeen.
- Waarom geen verwijzing naar NEN-normen.
- TNO baseert haar mening mede op basis van rapportage van [H] → rapport niet onafhankelijk en zonder overleg met wederpartij en deskundige opgesteld. Inmetingen kozijnen wijkt significant af van gezamenlijke inmeting.’
2.22.
Met een brief van 14 juni 2013 heeft mr. Otten namens [A] c.s. aan de bindend adviseur het volgende bericht:
‘(…)
In mijn mail aan u van 21 mei jl. berichtte ik u reeds de voorlopige analyse van cliënten dat u opnieuw bent afgeweken van de aan u verleende, en door u aanvaarde opdracht, onder meer vanwege de omstandigheid dat u het rapport van TNO (met nummer 2004-CI-R0055) niet volledig als uitgangspunt heeft aangehouden.
(…)
Omdat de beoordeling van e.e.a. tot op zekere hoogte ook een deskundigenbeoordeling betreft, hebben cliënten zich uit overwegingen van zorgvuldigheid terzake tot ir. F.B.J. Gijsbers van TNO, de opsteller van het rapport, gewend.
In zijn mail aan (…) cliënten van 12 juni jl. geeft Gijsbers aan dat het door hem beoordeelde voorstel geheel akkoord is. Dit door Gijsbers beoordeelde voorstel betreft het bestek dat Bouwbedrijf [H] heeft opgesteld op basis van het rapport van TNO. Dit bestek bevat zoals bekend de werkomschrijving aan de hand waarvan [H] haar door u te controleren offerte heeft gebaseerd. Een onderdeel van dit bestek/werkomschrijving heeft betrekking op het herstel van ramen, deuren en kozijnen van de villa. In het TNO-rapport zijn hierover (in par. 8) richtlijnen gegeven. Het bestek/werkomschrijving van [H] hebben cliënten u reeds in een beginstadium toegezonden.
(…)
In haar bestek/werkomschrijving heeft [H] geheel conform het rapport van TNO aangegeven welke kozijnen gedemonteerd, beoordeeld, en vervangen dan wel gerepareerd dienen te worden. In uw concept-rapport geeft u echter zelfstandig een beoordeling van deze kozijnen, welke beoordeling bovendien afwijkt van die van TNO.
Omdat cliënten (met De Raad) reeds eerder hebben vastgesteld dat u zich niet aan uw opdracht had gehouden (hetgeen heeft geleid tot intrekking van uw eerste concept), hebben cliënten thans geen vertrouwen meer in u. E.e.a. klemt te meer, gelet op het feit dat u ook in uw laatste concept afwijkt van de afgesproken procedure, er inmiddels sprake is van een enorm tijdsverloop, en vanwege het feit dat u ondanks verzoeken van beide partijen opnieuw heeft verzuimd uw bevindingen gemotiveerd en objectief verifieerbaar te onderbouwen.
Op grond hiervan zijn cliënten thans genoodzaakt om de opdracht aan u in te trekken. U dient uw werkzaamheden dan ook met onmiddellijke ingang te staken.
(…)’
Deze brief is als bijlage gevoegd bij het hierna te noemen rapport van de bindend adviseur van 18 juli 2013, met daarop handgeschreven aantekeningen van de bindend adviseur.Ten aanzien van het bestek merkt de bindend adviseur het volgende op:
‘Volgens info is het bestek niet door [H] opgesteld maar door de bewoners ingeschakelde architect (mondelinge info tijdens descente met bewoners), dan wel door Bouwbedrijf [R] BV (zie blad 2 van begroting) en betreft het hier slechts een hoeveelhedenstaat tbv opstellen van een bouwkostenbegroting.’
alsmede:
‘niet correct aangeleverde hoeveelheden staat was niet gebaseerd op hersteladvies van TNO.’
Bij de alinea ‘In haar bestek…die van TNO’ heeft de bindend adviseur de volgende aantekening geplaatst:
‘Niet correct. [H] interpreteert e.e.a. naar eigen inzichten en op basis van eigen inmetingen welke zijn uitgevoerd zonder overleg met wederpartij en deskundige.
alsmede:
‘in mijn rapport ga ik uit van de meetgegevens welke gezamenlijk met partijen is uitgevoerd.’
2.23.
Op 18 juli 2013 heeft de bindend adviseur zijn bindend advies uitgebracht. In het desbetreffende rapport, met nummer 9W6557 WE-R901, is het volgende opgenomen:
‘(…)
1. Inleiding
(…)
Bij beschikking van 23 februari 2011 heeft de rechtbank ’s-Gravenhage beslist dat de door de partijen gezamenlijk voorgedragen deskundige om een bindend advies wordt gevraagd met betrekking tot het vaststellen van de hoogte van het bedrag van de door aannemer [H] Bouwbedrijf B.V. uit te voeren herstelwerkzaamheden aan de villa.
Uitgangspunten voor de beoordeling van de kosten zijn:
- De realisatie van een paalfundering, waarin – in de lengterichting van de villa – een trekvast frame is aangebracht;
- De herstelwerkzaamheden aan de bovenbouw van de villa, zoals omschreven in het door TNO uitgebrachte deelrapport met nummer 2004-CI-R0055;
- De herstelkosten aan de vier verzakkingen zoals in februari 2006 hebben plaatsgevonden;
Op 10 en 11 oktober 2011 hebben partijen laten weten, dat zij een minnelijke regeling zijn overeengekomen. De overeenkomst is verwoord in een document met kenmerk zaak-/rolnummer 369921/ HA ZA 10-2306 en bevat 19 punten.
(…)
3. Bevindingen
(…)
Daarna heeft ondergetekende de stukken zorgvuldig bestudeerd om zich hieruit éérst een eigen beeld te vormen.
Op 1 juli 2011 heeft een descente plaatsgevonden te [woonplaats]. In vervolg hierop heeft op 30 september 2011 wederom een descente plaatsgevonden te [woonplaats]. Daarop volgend is door ondergetekende in aanwezigheid van zijn collega de heer [N], de heer [K] van Bouwbedrijf [H] en de heer [L] van De Raad Bouw B.V. op 19 en 20 oktober 2011 de villa geïnspecteerd.
Op 10 oktober 2012 heeft de heer [N] in aanwezigheid van de heer [K] de vloeren ingemeten en de plafonds geïnspecteerd.
3.1
Inspectie van de villa [de villa]
Op 19 oktober 2011 is een inspectie uitgevoerd naar de staat waarin de buiten kozijnen, - ramen en-deuren van Villa [de villa] zich bevinden. De inspectie van alle kozijnen, ramen en deuren is uitgevoerd met als doel om per kozijn, raam of deur te bepalen of vervanging noodzakelijk is, dan wel herstel mogelijk is en tegen welke kosten. Daarnaast is de staat waarin het buiten metselwerk zich bevindt opgenomen en is geprobeerd een beeld te krijgen van de staat waarin de goten zich bevinden.
Ter plaatse van [adres 1] is ook gekeken naar de aanwezige scheuren ter plaatse van de schoorsteen.(…)
Op 20 oktober 2011 is een inspectie uitgevoerd naar de inwendige staat van de Villa [de villa]. Voor alle binnen kozijnen, ramen en deuren is gekeken naar de scheefstand (in- en uit het vlak) en de mate van scheluw zijn. Bij alle woningen is ter plaatse van de kelder gekeken naar de staat van de vloerbalken, ter plaatse van [adres 2] is dit ook gedaan ter plaatse van de achterkamer, in verband met de aanwezige verzakking van de vloer daar.
Ter plaatse van [adres 1] is ook gekeken naar de aanwezige scheuren ter plaatse van de schoorsteen, locatie eerste verdieping trap naar tweede verdieping.
(…)
Ter plaatse van [adres 1] is ook gekeken naar de oplegging van de vloerbalken in de aanwezige stalen balken in de woonkamer. Hiervoor is de aanwezige sparing in het plafond vergroot en heeft inspectie plaatsgevonden van de oplegging van de houten vloerbalken in de stalen liggers op het metselwerk.
(…)
Aansluitend aan de bezichtiging heeft op 20 oktober 2011 een bespreking plaatsgevonden in de villa, waarbij aanwezig de heer ir. [J], directeur bij [O] Raadgevende Ingenieurs, de heer [M], constructeur bij [I] Bouwconstructies BV en ondergetekende. Doel van dit gesprek was om de heer [J] te informeren over het herstelplan van [I] Bouwconstructies BV, de situatie ter plekke te aanschouwen, de omvang van de door [O] uit te voeren controlewerkzaamheden te bespreken en daarnaast een planning af te spreken van de door [I] Bouwconstructies BV en [O] uit te voeren werkzaamheden.
Op 10 oktober 2012 heeft de heer [N] in aanwezigheid van de heer [K] de vloeren ingemeten en de plafonds geïnspecteerd. Tevens is globaal de kapconstructie bekeken.
Op basis van de 4 bezoeken aan de Villa [de villa], in samenhang met alle stukken die zijn ontvangen en bestudeert, het herstelplan van [I] Bouwconstructies BV met de opmerkingen van [O] Raadgevende Ingenieurs, komt ondergetekende toe aan het beoordelen van de door [H] Bouwbedrijf BV opgestelde begroting.
4. Opmerkingen
Alvorens de begroting te beoordelen zullen eerst een aantal opmerkingen gemaakt worden op basis van de bezoeken die aan de Villa [de villa] zijn gebracht.
- Er is geen schade geconstateerd welke rechtvaardigt dat de bestaande kolenbunker in de achtertuin [adres 2] vervangen moet worden.
- Het volledig slopen van de rietplafonds ter plaatse van de begane grond is bovenmatig. De aanwezige kieren langs de wanden kunnen opgevuld worden. Het voorstel van [H] Bouwbedrijf BV om de twee stucplafonds ter plaatse van de woonkamer [adres 2] middels schotels extra te verstevigen/te bevestigen aan de balklaag is gezien het feit dat voornoemd plafond al meer dan 10 jaar na het ontstaan van de schade nog steeds geen tekenen vertoond van verdere schade, c.q. het loskomen van het plafond van de balklaag, niet noodzakelijk.
- Alle stelposten, behoudens voor het uitvoeren van het asbestonderzoek type B, zijn uit de begroting gehaald en ingevuld.
- Ten aanzien van het binnen schilderwerk is er een matiging opgelegd in verband met “nieuw voor oud”.
- Het herstel van de bestaande dakbedekking slechts voor een deel valt onder de schade.
- Het herstel van de dakgoten valt voor 50% onder de schade:
- Naast het aanbrengen van een trekvast frame in de fundering zullen er in de bovenbouw van de woningen koppelingen aangebracht moeten worden tussen de bouwmuren en de vloerbalken middels stalen strippen. Dit om de samenhang van de woningen te vergroten. Ook hiervoor is in de begroting een post opgenomen.
4.2
Aanvullende opmerking
Aan de hand van de uitgevoerde inspecties is gekeken naar de reële kosten om de schade aan de Villa [de villa] te herstellen. Hiervoor is onder andere op 19 en 20 oktober 2011 een opname uitgevoerd van alle buiten en binnen kozijnen, deuren en ramen. Conclusie van deze opname is dat:
- Voor bouwnummer [nummer 1] alle gevelkozijnen deuren en ramen in het werk hersteld kunnen worden en dus niet conform voorstel [H] uitgenomen, hersteld en teruggeplaatst moeten worden;
- Voor bouwnummer [nummer 2] dit ook geldt, met uitzondering van het kozijn aan de achterzijde, eerste etage, kleine slaapkamer. Dit kozijn moet vervangen worden door een nieuw kozijn.De aanwezige deur in de achtergevel begane grond, keuken is gekraakt en dient vervangen te worden. Dit heeft echter geen enkele relatie met de schade ontstaan door de bouw van het [Hotel].Door [H] Bouwbedrijf is op of rondom 1 november 2012 op eigen initiatief een opname gemaakt van de buitenkozijnen, deuren en ramen. Hierbij is ondergetekende niet aanwezig geweest. De resultaten van deze inmeting zijn voor de beoordeling van het herstel van de buitenkozijnen, deuren en ramen buiten beschouwing gelaten. Deze resultaten wijken af van de eerder uitgevoerde gezamenlijke meting.In het TNO rapport 2004-CI-R0055 wordt in algemene zin iets beschreven ten aanzien van deur- en raamkozijnen in de binnen- en buitenmuren. TNO geeft niet aan op basis van welke criteria dit dient te geschieden. Bij gebrek hieraan is door ondergetekende de gemeten scheefstand c.q. scheluwte afgezet tegen de in de NPR 3670 aangegeven grenswaarden (blz. 33, artikel 8.4). Dit geldt ook voor de gemeten waarden van de vlakheid van de verdiepingsvloeren. Hier wordt in het TNO rapport enkel vermeld dat is waargenomen dat een deel van de vloeren niet horizontaal en/of vlak is (blz. 6). Er wordt geen richting gegeven met betrekking tot het aan te houden toetsingscriterium, de mate waarin vloeren mogen afwijken ten opzichte van het horizontale vlak. Bij gebrek hieraan is door ondergetekende de gemeten hoogteverschillen afgezet tegen de in de NEN 2747:2001 aangegeven grenswaarden (blz.6, tabel 1).
5. Conclusies
Tussen partijen is een minnelijke regeling overeengekomen. Onderdeel van de minnelijke regeling is dat er ten behoeve van het herstel van de fundering een aantal onderzoeken uitgevoerd moeten worden dan wel dat het volgende moet worden gedaan, zoals vermeld onder punt 3 van de regeling.
Door ondergetekende is geconstateerd dat al deze voorbereidende werkzaamheden naar behoren zijn uitgevoerd, c.q. dat de opmerkingen van [O], vermeld in haar schrijven met datum 18 april 2012 door [I] Bouw-constructies BV op een juiste wijze zijn verwerkt in haar stukken.
Het onder punt 4 van de minnelijke regeling genoemde bezoek heeft plaatsgevonden.
Het onder punt 5 van de minnelijke regeling genoemde overleg met [H] en de daarvoor benodigde bezoeken aan de villa hebben plaatsgevonden.
Het onder punt 7 van de minnelijke regeling genoemde overleg met [H] heeft plaatsgevonden.
Ondergetekende heeft, conform het gestelde onder punt 8, eveneens geadviseerd over een aftrek nieuw voor oud.
Voor alle punten geldt dat ondergetekende goede notie heeft genomen van de door TNO in haar rapport 2004-CI-R0055 genoemde gebreken (inventarisatie van de schade) en de mogelijkheden voor het herstellen van de waargenomen schade. Voornoemd rapport is als uitgangspunt aangehouden door Bouwbedrijf [H] BV bij het opstellen van de begrotingen en is door ondergetekende in haar afweging bij de beoordeling van de begrotingen meegenomen.
De 4 deelbegrotingen met datum 21 januari 2013 van [H] Bouwbedrijf zijn doorgenomen en van commentaar voorzien. Dit commentaar is op 13 en 19 maart 2013 besproken met de heer [K]. Op basis van deze besprekingen zijn de begrotingen aangepast en op 9 april 2013 wederom ter beoordeling ingediend bij ondergetekende. Deze definitieve begrotingen zijn daarna doorgelopen en definitief beoordeeld en aangepast. Tevens heeft ondergetekende daar waar door hem nodig geacht bij een aantal posten een reductie toegepast i.v.m. de aftrek nieuw voor oud.
Uiteindelijk resulteren al deze werkzaamheden in de navolgende kostenopstelling van de herstelkosten van de villa:
Funderingsherstel villa, algemeen deel € 494.215,00
Woning nr. [nummer 1] € 142.826,00
Woning nr. [nummer 2] € 147.058,00
Woning nr. [nummer 3] € 150.131,00
Totaal excl. BTW € 934.230,00
Stelpost uitvoeren asbestinventarisatie type B € 2.000,00
Kosten proefpaal, geaccordeerd door ondergetekende € 16.339,00
6. De gelegenheid voor partijen om opmerkingen te maken en verzoeken te doen
Het 2e concept van dit rapport is naar partijen verstuurd op 1 mei 2013 met het verzoek om voor dinsdag 21 mei 2013 te reageren.
De volgende reacties zijn ontvangen:
brief Houthoff Buruma (…) met datum 17 mei 2013;
brief AKD (…) met datum 21 mei 2013;
brief Houthoff Buruma (…) met datum 23 mei 2013.
Op basis van de ontvangen reacties is besloten partij [A] cs enig uitstel te verlenen om haar reactie aan te leveren. Per mail is gecommuniceerd naar partijen dat als uiterste datum 15 juni geldt.
brief AKD (…) met datum 14 juni 2013;
brief Houthoff Buruma (…) met datum 17 juni 2013.
De ontvangen reacties zijn gebundeld en als bijlage 7 bij het definitieve rapport gevoegd.
Daar, waar ondergetekende het relevant acht, zijn de opmerkingen en verzoeken in het definitieve rapport verwerkt.
(…)
Met betrekking tot de notitie van de heer Prof. Ir. [P]. Er ligt een uitspraak van de rechtbank met betrekking tot de wijze waarop het funderingsherstel dient plaats te vinden. Dat is voor nu het uitgangspunt. In overleg met [I] is besloten om in het gebied waar zich groutankers bevinden geen schoorpalen toe te passen. Dit punt is dus niet aan de orde in het voorliggende geval.
Met betrekking tot de begroting het volgende.
Uitgangspunt is de kostenopstelling van [H] Bouwbedrijf, het bedrijf wat uiteindelijk de herstelwerkzaamheden gaat uitvoeren. De kosten die [H] opvoert in haar begroting zijn door ondergetekende beoordeeld met als basis het rapport van TNO 2004-CI-R0055. De inschatting van ondergetekende is dat de bouwtijd rond de 32 weken zal bedragen. Daar is in de beoordeling van de begroting rekening mee gehouden.
Uiteindelijk is door ondergetekende naar aanleiding van de door partijen geleverde opmerkingen de begrotingen op een aantal posten aangepast.
Dit betreft de volgende onderdelen:
- legeskosten en CAR polis dienen onderaan de begroting geplaatst te worden;
- retourkosten betonplaten conform eerste begroting als minderkosten opnemen.
(…)
Na correctie resulteren al deze werkzaamheden in de navolgende kostenopstelling van de herstelkosten van de villa:
Funderingsherstel villa, algemeen deel € 485.735,00
Woning nr. [nummer 1] € 142.826,00
Woning nr. [nummer 2] € 147.058,00
Woning nr. [nummer 3] € 150.131,00
Totaal excl. BTW € 925.750,00
Stelpost uitvoeren asbestinventarisatie type B € 2.000,00
Kosten proefpaal, geaccordeerd door ondergetekende € 16.339,00
(…)’
Als bijlage 1 bij het bindend advies zijn gevoegd de individuele begrotingen d.d. 9 april 2013 van de schade aan de villa opgesteld door [H], waarop de bindend adviseur handgeschreven correcties heeft aangebracht. Een deel van de correcties is voorzien van een handgeschreven toelichting.
2.24.
In een door [A] c.s. overgelegd e-mailbericht van [Q] Architectenbureau, extern adviseur aan de zijde van [A] c.s., van 13 maart 2014 is het volgende opgenomen:
‘(…)
Het rapport en het bindend advies heb ik bestudeerd. (…)
TNO geeft aan in hoofdstuk 8 Herstelmogelijkheden, onder 8.1 dat kozijnen die scheef, scheluw en/of gescheurd zijn hersteld kunnen worden door ze eerst uit te nemen en dan te bezien of herstel mogelijk is, of dat vernieuwing noodzakelijk is.
De vraag is dan wanneer je kunt spreken van een scheef, scheluw en/of gescheurd kozijn. Daar heeft TNO niet direct een maatstaf voor omschreven. Wel is het rapport helder over de scheurvormingen. Waar die zijn opgetreden, en met welke afmetingen. Op die plekken kun je beoordelen of de aansluitende kozijnen zijn mee-vervormd. Als dat zo is kun je, los van de mate van vervorming, vaststellen dat die vervorming dan ook het gevolg is van de opgetreden scheuren.
Dhr [bindend adviseur] geeft in zijn rapport aan dat hij, bij gebrek aan een criterium van TNO de NPR 3670 heeft gehanteerd, en daar een kopie van bijgevoegd. Daarin staat onder 8.3, o.a. dat een gevelelement (zoals een kozijn) een max afwijking mag hebben van 1,5 mm vermeerderd met 0,5 mm/m1.
Maar in de inmeetstaat van Corsmit (bijlage 3) wordt als maatafwijking >5mm/m1 gehanteerd. Dit is niet in overeenstemming met de NPR, en een foutfactor 10.
Verder valt mij op dat dhr [bindend adviseur] in zijn aanvullende opmerkingen onder 4.2 stelt dat in woning [nummer 1] alle gevelkozijnen in het werk hersteld kunnen worden, in woning [nummer 2] slechts 1 kozijn moet worden vernieuwd en in [nummer 3] ook 1.
Echter in de inmeetstaat is 4 keer aangegeven dat een kozijn moet worden vervangen (zie 7)).
Tot slot komen de aantekeningen van dhr [bindend adviseur] in de begroting van [H] niet overeen met zijn eigen aanvullende opmerkingen (4.2), noch met de inmeetstaat van Corsmit.
(…)’
3. Het geschil in de hoofdzaak
in conventie
3.1.
[A] c.s. vordert, samengevat en na wijziging van eis:
- a.
het bindend advies van 18 juli 2013 op grond van artikel 7:904 lid 1 BW te vernietigen;
- b.
de schade van [A] c.s. te begroten op grond van artikel 7:904 lid 2 BW, met als uitgangspunt de offerte van [H] van 25 maart 2010 en het TNO-rapport van 4 augustus 2006, al dan niet na inwinning van deskundigenbericht;
- c.
te verklaren voor recht dat het oordeel van de rechtbank in de plaats treedt van het bindend advies, zoals door [bindend adviseur] opgesteld aan de hand van zijn opdracht in de vaststellingsovereenkomst tussen [A] c.s. en De Raad c.s. van 31 oktober 2011;
- d.
De Raad c.s. hoofdelijk te veroordelen om binnen acht dagen na betekening van het te wijzen vonnis tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [A] c.s. bij wege van schadevergoeding te betalen:
- het hierboven sub b bedoelde, door de rechtbank te begroten schadebedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 3 maart 2000, althans vanaf een door de rechtbank te bepalen datum tot de dag der algehele voldoening;
- een bedrag van € 162.935,92 inclusief BTW, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van de dagvaarding althans vanaf een door de rechtbank te bepalen datum tot de dag der algehele voldoening;
een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad en met veroordeling van De Raad c.s. in de kosten van deze procedure.
3.2.
[A] c.s. voert daartoe – samengevat – het volgende aan. Het is naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar om [A] c.s. aan het bindend advies gebonden te achten, aangezien de bindend adviseur (i) zijn bevindingen onvoldoende heeft gemotiveerd, (ii) buiten zijn opdracht is getreden door af te wijken van de afgesproken procedure en door het TNO-rapport niet als uitgangspunt te nemen en (iii) geen recht heeft gedaan aan het arrest van het hof van 10 maart 2009 en (iv) zich bij de beoordeling van de kozijnen niet heeft gehouden aan de Nederlandse Praktijkrichtlijn (NPR) 3670 door in de inmeetstaat uit te gaan van een acceptabele maatafwijking tot 5 mm/m1. Het bindend advies dient dan ook te worden vernietigd en de rechtbank dient de schade van [A] c.s. zoals begroot in de offerte van [H] te toetsen aan de redelijkheid en billijkheid en de kosten van herstel van het pand te begroten. Daarnaast vordert [A] c.s. een bedrag van € 162.935,92 wegens overige schadeposten, te weten expertisekosten en kosten van vervangende huisvesting tijdens herstel van het pand, opslag van inboedel en tuinaanleg.
3.3.
De Raad c.s. voert verweer.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
in reconventie
3.5.
De Raad c.s. vordert, samengevat en na wijziging van eis:
- a.
[A] c.s. hoofdelijk te veroordelen tot betaling aan De Raad c.s. binnen veertien dagen na betekening van het te wijzen vonnis van een bedrag gelijk aan de door [A] c.s. ontvangen voorschotten van € 50.000,- en € 2.000.000,- verhoogd met de wettelijke rente vanaf de dag van betaling daarvan (18 mei 2009 respectievelijk 2 augustus 2010), althans vanaf het instellen van de voorwaardelijke eis in reconventie (25 augustus 2010) of een door de rechtbank te bepalen datum tot aan de dag van betaling, verminderd met het in conventie vastgestelde door De Raad c.s. aan [A] c.s. te betalen bedrag;
- b.
[A] c.s. te veroordelen tot nakoming van de vaststellingsovereenkomst in die zin dat:
- i.
de herstelwerkzaamheden zoals genoemd en begroot in het bindend advies van [bindend adviseur] binnen een periode van negen maanden na betekening van het te wijzen vonnis dienen te zijn uitgevoerd, en
- ii.
de aanleg van een paalfundering – zo De Raad c.s. dient op te komen voor de kosten daarvan – binnen een periode van drie maanden na betekening van het te wijzen vonnis dient te zijn uitgevoerd,
en [A] c.s. hoofdelijk te veroordelen om bij gebreke daarvan over te gaan tot betaling aan De Raad c.s. binnen veertien dagen na het einde van de door de rechtbank bepaalde termijnen van:
iii. de toegewezen bedragen die niet worden besteed aan herstelwerkzaamheden, alsmede
iv. in het geval geen paalfundering wordt aangelegd: de in dat kader toegewezen kosten en vergoedingen,
verhoogd met de wettelijke rente vanaf 2 augustus 2010, althans vanaf de datum van het instellen van de voorwaardelijke eis in reconventie (25 augustus 2010) of een door de rechtbank te bepalen datum tot aan de dag van betaling;
te bepalen dat het beslag dat eisers hebben gelegd op het [Hotel] is opgeheven;
een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad en met veroordeling van [A] c.s. in de kosten van het geding te vermeerderen met de nakosten en te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van het vonnis en – voor het geval voldoening van de (na)kosten niet binnen die termijn plaatsvindt – te vermeerderen met de wettelijke rente over de (na)kosten te rekenen vanaf veertien dagen na dagtekening van het vonnis.
3.6.
De Raad c.s. voert daartoe – samengevat – het volgende aan. [A] c.s. is blijkens de vaststellingsovereenkomst gehouden over te gaan tot herstel van de villa. Voor zover hij dit niet doet en meer in het bijzonder voor zover hij geen paalfundering zal laten aanbrengen – inmiddels is de bovenbouw van één van de woningen al gerenoveerd zonder het aanbrenen van een dergelijke paalfundering – kunnen de daarvoor geraamde kosten niet voor rekening van De Raad c.s. komen. Voor zover de door De Raad c.s. aan [A] c.s. betaalde voorschotten meer bedragen dan de herstelkosten, dient [A] c.s. het teveel betaalde aan De Raad c.s. als onverschuldigd betaald terug te betalen. Voor de hoogte van de herstelkosten dient primair te worden uitgegaan van het in het bindend advies genoemde bedrag. Er is geen grond voor vernietiging van het bindend advies. Het rapport is deugdelijk gemotiveerd en gespecificeerd. Partijen zijn voldoende in de gelegenheid gesteld te reageren op het concept rapport en de bindend adviseur heeft gereageerd op het commentaar dat door partijen is gegeven. Voor zover er sprake zou zijn van een motiveringsgebrek van het bindend advies dan wel het niet aansluiten van het bindend advies op het TNO-rapport, dient de bindend adviseur in de gelegenheid te worden gesteld om deze gebreken te helen. Subsidiair stelt De Raad c.s. dat de rechtbank de schade op grond van artikel 7:904 lid 2 BW dient te begroten, waarbij niet moet worden uitgegaan van de eerste offerte van [H], maar moet worden aangesloten bij de daadwerkelijke herstelkosten van de inmiddels gerenoveerde bovenbouw van één van de woningen. Voor zover [A] c.s. de in het voorwaardelijke incident genoemde stukken niet in het geding brengt, dient de rechtbank uit te gaan van de juistheid van de standpunten van De Raad c.s. en de door De Raad c.s. overgelegde stukken en aan te sluiten bij de berekeningen van calculatiebureau [S ] en de calculator van De Raad c.s. (herstel schade voor maximaal € 140.000,-) vermeerderd met – indien paalfundering volgens de rechtbank nodig is – de kosten voor het aanleggen van paalfundering zoals begroot door de bindend adviseur met inachtneming van de daarbij door De Raad c.s. gemaakte opmerkingen. Indien de rechtbank ook overigens bij de begroting van de schade uitgaat van het rapport van de bindend adviseur dient zij hierbij ook de van de zijde van De Raad c.s. gemaakte opmerkingen ten aanzien van het bindend advies te betrekken en de schade vast te stellen op een lager bedrag dan door de bindend adviseur is begroot. Wanneer de rechtbank voor de begroting van de schade uitgaat van de offerte van [H], dient de rechtbank aan te sluiten bij de laatste offerte van [H] van 9 april 2013 in plaats van bij de offerte van 25 maart 2010 en dienen de door De Raad c.s. gemaakte opmerkingen naar aanleiding van die offerte in de beoordeling te worden betrokken.
3.7.
[A] c.s. voert verweer.
3.8.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
4. Het geschil in de (voorwaardelijke) incidenten
4.1.
Voor het geval dat het bindend advies niet in stand blijft en de rechtbank zou komen tot een nieuwe begroting van de herstelkosten, vordert De Raad c.s. de veroordeling van [A] c.s. dan wel [C] en [D] om binnen een week na het te wijzen vonnis:
- a.
afschrift over te leggen van of inzage te geven in (i) de offerte en de facturen van [H] voor de uitgevoerde werkzaamheden aan [adres 2] te [woonplaats] , alsmede de rekeningafschriften van [C] en [D] waaruit blijkt dat de op de facturen vermelde factuurbedragen daadwerkelijk aan [H] zijn betaald;
- b.
afschrift over te leggen van of inzage te geven in de facturen van [C] en [D] voor de opslag van de inboedel;
- c.
afschrift over te leggen van of inzage te geven in de bankbescheiden van [A] c.s. waaruit blijkt over welk bedrag ieder van [A] c.s . beschikt en hoeveel rente ieder van hen heeft genoten over het ontvangen voorschot;
met veroordeling van [A] c.s. in de kosten.
4.2.
De Raad c.s. voert daartoe, kort samengevat , aan dat [A] c.s. uit hoofde van artikel 14 van de vaststellingsovereenkomst, de artikelen 21 en 22 Rv alsmede artikel 843a Rv stukken dienen over te leggen waaruit (betaling van) de werkelijke herstelkosten van de bovenbouw van de woning van [C] en [D] blijken.
4.3.
[A] c.s. voert verweer.
5. De beoordeling in de hoofdzaak
in conventie en in reconventie
Eiswijziging
5.1.
Partijen hebben zich over en weer niet verzet tegen de eiswijzigingen in conventie en in reconventie. Nu de rechtbank ook ambtshalve geen reden ziet om de eiswijzigingen buiten beschouwing te laten, zal zij beslissen op de vorderingen in conventie en in reconventie zoals deze na de wijzigingen luiden.
Bindend advies
5.2.
[A] c.s. vordert vernietiging van het bindend advies op grond van artikel 7:904 lid 1 BW. Volgens [A] c.s. geven zowel de inhoud als de wijze van totstandkoming van het advies daartoe aanleiding. De Raad c.s. voert verweer. Zij stelt dat er weliswaar kanttekeningen zijn te plaatsen bij onderdelen van het advies, maar dat deze niet zodanig ernstig zijn dat het bindend advies niet in stand kan blijven.
5.3.
Op grond van artikel 7:904 lid 1 BW kan een beslissing van een derde (in dit geval: het bindend advies) worden vernietigd indien gebondenheid aan die beslissing in verband met inhoud of wijze van totstandkoming daarvan in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn. De toetsing op grond van dit artikel is marginaal van aard. Dit betekent dat de bindende kracht van het advies daarbij uitgangspunt is. Slechts ernstige gebreken kunnen leiden tot vernietiging van een bindend advies. Een advies kan naar zijn inhoud de redelijkheidstoets niet doorstaan wanneer geen redelijk handelend bindend adviseur tot een dergelijk advies had kunnen komen. De wijze van totstandkoming kan ertoe leiden dat gebondenheid aan het advies naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is in geval van schending van hoor en wederhoor, schending van het beginsel van onafhankelijkheid en onpartijdigheid en/of schending van het motiveringsbeginsel. Niet iedere procedurefout leidt echter tot vernietiging van een bindend advies. In dat kader kan van belang zijn of door de procedurefout nadeel is toegebracht.
5.4.
De rechtbank gaat voorbij aan de stelling van [A] c.s. dat [H] niet bereid dan wel in staat is voor het door de bindend adviseur begrote bedrag het herstel van de villa te verrichten. Immers, in het door de bindend adviseur begrote bedrag is al de aftrek ‘nieuw voor oud’ verwerkt. Dit betekent dat de aan [H] dan wel een andere aannemer te betalen aanneemsom in elk geval meer zal bedragen dan het uiteindelijk begrote bedrag van € 925.750,-.
5.5.
Voor de uitleg van de vaststellingsovereenkomst die aan het bindend advies ten grondslag ligt is van belang dat partijen de opdracht tot bindende advisering hebben gegeven aan één persoon, die geen jurist is. [A] c.s. heeft ter zitting van 4 november 2014 verklaard dat hiertoe is besloten omdat de opdracht afgebakend was, immers bestond in het beoordelen van de offerte van [H]. Ook De Raad c.s. heeft op die zitting verklaard dat bij de totstandkoming van de vaststellingsovereenkomst niet de mogelijkheid van het benoemen van meerdere bindend adviseurs is besproken, omdat van de bindend adviseur alleen een bouwkundig oordeel werd gevraagd. Gelet hierop is voldoende komen vast te staan dat partijen ervan uitgingen dat het bindend advies in de kern om bouwkundige (en niet om juridische) vragen gaat. De rechtbank beschouwt dit als een gegeven.
Motiveringsgebrek?
5.6.
De eerste door [A] c.s. aangevoerde grond voor vernietiging van het bindend advies is dat het advies onvoldoende is gemotiveerd. In algemene zin heeft te gelden dat de motiveringseisen voor een bindend adviseur zwaarder zijn naarmate het advies meer het karakter van rechtspraak draagt. Omgekeerd zijn deze eisen minder streng naarmate in de advisering het vaktechnische deskundige oordeel zwaarder weegt. In het onderhavige geval gaat het – zoals hiervoor al is overwogen – in het bindend advies op zijn minst genomen voor een groot deel om bouwkundig-technische kwesties, zodat aan de motivering van het bindend advies minder zware eisen zullen worden gesteld. Dit is te sterker het geval waar het oordelen betreft die op intuïtief inzicht van de bindend adviseur berusten. De rechtbank volgt [A] c.s. niet in diens stelling dat het bindend advies onvoldoende gemotiveerd is omdat de motivering (deels) bestaat uit handgeschreven aantekeningen op de als bijlage 1 bij het bindend advies gevoegde begrotingen van [H] van 9 april 2013. Op zichzelf kan (een deel van) de motivering op een dergelijke manier worden gegeven.
5.7.
Bij de beoordeling van de vraag of het bindend advies voldoende is gemotiveerd, maakt de rechtbank onderscheid tussen vier verschillende soorten posten, te weten de door de bindend adviseur op de aanneemsom in mindering gebrachte aftrek wegens ‘nieuw voor oud’, de kozijnen, de verdiepingsvloeren en de overige posten.
5.8.
Het vaststellen van een aftrek wegens ‘nieuw voor oud’ betreft bij uitstek een intuïtief oordeel. De motiveringseisen voor een dergelijk intuïtief oordeel zijn laag. Mede gelet op de veelheid aan posten waarop een dergelijke aftrek volgens de bindend adviseur van toepassing is, behoefde hij naar het oordeel van de rechtbank niet post voor post te motiveren waarom hij tot deze aftrek is gekomen. Dit zou anders zijn indien (een van) partijen in reactie op het concept-rapport expliciet het door de bindend adviseur in mindering gebrachte bedrag had(den) betwist of indien (een van) partijen in reactie op het concept-rapport had(den) gesteld dat het ten aanzien van (een) bepaalde post(en) in het geheel niet redelijk is dat een bedrag in mindering wordt gebracht als aftrek ‘nieuw voor oud’. Niet is echter gebleken dat partijen dergelijke stellingen hebben ingenomen. Naar het oordeel van de rechtbank is er dan ook geen motiveringsgebrek ten aanzien van de aftrekposten wegens ‘nieuw voor oud’.
5.9.
Ook ten aanzien van de kozijnen en de verdiepingsvloeren heeft de bindend adviseur naar het oordeel van de rechtbank het bindend advies voldoende gemotiveerd. In paragraaf 4.2 van het bindend advies heeft hij immers ten aanzien van de kozijnen expliciet toegelicht waarom hij is afgeweken van de door [H] begrote aantallen: [H] was afgeweken van de gezamenlijk met de bindend adviseur verrichte inmeting. Ook is de door de bindend adviseur gebruikte inmeetstaat van de buitenkozijnen als bijlage 3 bij het bindend advies gevoegd. Voorts heeft de bindend adviseur in genoemde paragraaf 4.2 toegelicht waarom het TNO -rapport 2004-CI-R0055 volgens hem onvoldoende informatie bevat voor de begroting van de herstelkosten van de kozijnen en de verdiepingsvloeren.
5.10.
Ten aanzien van de overige posten is de rechtbank van oordeel dat van de bindend adviseur – mede gelet op de grote hoeveelheid aan posten – niet kan worden geëist dat hij iedere post afzonderlijk motiveert. Wel mag worden verwacht dat hij, waar hij uitgaat van minder materiaal dan begroot dan wel van minder uren dan begroot, expliciet vermeldt van welke aantallen is uitgegaan. Ten aanzien van andere overige posten (dus niet: die wegens aftrek ‘nieuw voor oud’, kozijnen, verdiepingsvloeren en overige posten die wegens hoeveelheid materiaal of aantal uren zijn verminderd) mag van de bindend adviseur worden verwacht dat hij in aftrek gebrachte bedragen van meer dan € 5.000,- kort motiveert.
De rechtbank acht het bindend advies ten aanzien van de overige posten onvoldoende gemotiveerd, nu niet ten aanzien van al die posten de gehanteerde aantallen zijn weergegeven dan wel bij anderszins in aftrek gebrachte bedragen van meer dan € 5.000,- een korte motivering is gegeven.
5.11.
Het voorgaande leidt echter niet zonder meer tot vernietiging van het bindend advies. Het motiveringsgebrek is niet van zodanige aard dat de grondslag onder het hele advies komt te vervallen, terwijl bovendien het gebrek kan worden hersteld door de bindend adviseur te vragen zijn bindend advies ten aanzien van de overige posten nader te motiveren. Mede gelet op de daarmee gemoeide tijd en kosten alsmede gelet op het feit dat de overige posten mogelijk niet het grootste geschilpunt tussen partijen vormen, zal de rechtbank partijen eerst in de gelegenheid stellen om zich bij akte erover uit te spreken of zij behoefte hebben aan een motivering van de bindend adviseur over de hiervoor omschreven overige posten. Partijen kunnen daarbij tevens berichten welke voorziening zij wensen voor de kosten van de bindend adviseur indien deze extra kosten in rekening brengt voor zijn aanvullende werkzaamheden. Indien een nadere motivering door de bindend adviseurs volgens (één van) partijen gewenst is, rijst de vraag hoe de bindend adviseur hierover dient te worden benaderd. Het ligt voor de hand dat partijen dat gezamenlijk doen, maar als zij daarover geen overeenstemming kunnen bereiken, zal de rechtbank dit rechtstreeks doen. Uiteraard krijgen partijen in beide gevallen de mogelijkheid te reageren op de (nadere) motivering van de bindend adviseur.
Buiten de opdracht getreden?
5.12.
De tweede door [A] c.s. aangevoerde grond voor vernietiging van het bindend advies is dat de bindend adviseur buiten zijn opdracht is getreden door af te wijken van de afgesproken procedure en door het TNO-rapport niet als uitgangspunt te nemen.
5.13.
De rechtbank neemt als uitgangspunt dat de in de vaststellingsovereenkomst vastgelegde procedure voorziet in twee fasen. De eerste fase moet leiden tot een herziene begroting van [H] en de tweede fase moet leiden tot een definitieve opgave van de kosten van herstel, telkens na overleg met [H] (en dus niet: in overeenstemming met [H]) en gehoord partijen.
5.14.
Deze eerste fase van de procedure is beschreven in de punten 3 tot en met 7, eersten volzin, van de vaststellingsovereenkomst. [A] c.s. heeft erkend dat de bindend adviseur uitvoering heeft gegeven aan de punten 3 -5 van de vaststellingsovereenkomst. Ten aanzien van punt 6 van de vaststellingsovereenkomst stelt [A] c.s. dat de bindend adviseur zijn bevindingen niet in concept aan [A] c.s . heeft voorgelegd, althans dat dit niet rechtstreeks aan de eigenaren van de villa is voorgelegd. De rechtbank volgt [A] c.s. hierin niet. Uit de brief van mr. Otten van 24 augustus 2012 blijkt, zoals De Raad c.s. ook heeft gesteld – dat de bindend adviseur op 12 juli 2012 een eerste conceptrapportage aan [A] c.s. heeft voorgelegd en dat hij, mr. Otten, hierop heeft kunnen reageren. Dat dit concept niet onder de ogen van de eigenaren van de villa zou zijn gekomen, is niet komen vast te staan, nu in de genoemde brief van mr. Otten is vermeld dat zijn cliënten het concept hebben kunnen bekijken. Dit zou bovendien een omstandigheid zijn die niet aan de bindend adviseur kan worden tegengeworpen. Tussen partijen is niet in geschil dat [H] vervolgens haar begroting van de herstelkosten heeft aangepast, zodat ook aan de eerste volzin van punt 7 van de vaststellingsovereenkomst gevolg is gegeven.
5.15.
De bedoelde tweede fase van de van de procedure is beschreven in de punten 7, vanaf de tweede volzin, en 8 van de vaststellingsovereenkomst. [A] c. s. stelt dat de bindend adviseur is afgeweken van de overeengekomen procedure door na aanpassing van de begroting door [H] wijzigingen in deze begroting aan te brengen zonder zich hierover met [H] te hebben verstaan. De rechtbank volgt [A] c.s. hierin niet. In punt 7 van de vaststellingsovereenkomst is juist met zoveel woorden bepaald dat de door [H] aangepaste begroting aan de bindend adviseur wordt voorgelegd en dat de bindend adviseur zijn bevindingen hierover in concept aan partijen zal voorleggen. Partijen zijn dus niet overeengekomen dat de bindend adviseur zijn bevindingen eerst met [H] diende te bespreken. Niet in geschil is dat de bindend adviseur zijn bevindingen op 1 mei 2013 aan partijen heeft verzonden en hen daarbij in de gelegenheid heeft gesteld hierop te reageren. Na ontvangst van de reacties van partijen, waarbij het [A] c.s. uiteraard vrijstond om het concept van de bindend adviseur te bespreken met [H], heeft de bindend adviseur zijn bevindingen definitief vastgelegd. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de bindend adviseur daarmee voldaan aan het hier besproken punt 7. Ook aan punt 8 van de vaststellingsovereenkomst heeft de bindend adviseur uitvoering gegeven. In het genoemde tweede concept van 1 mei 2013 had de bindend adviseur ook zijn bevindingen over een aftrek ‘nieuw voor oud’ opgenomen, zodat partijen ook hierop konden reageren. Ook deze bevindingen heeft de bindend adviseur vervolgens definitief vastgelegd. Voor de stelling van [A] c.s. dat de bindend adviseur pas over een aftrek ‘nieuw voor oud’ mocht adviseren nadat partijen hadden gereageerd op de bevindingen van de bindend adviseur ten aanzien van de begroting van [H], ziet de rechtbank geen grondslag in de vaststellingsovereenkomst. De rechtbank gaat daarom aan deze stelling voorbij. Het enkele feit dat de aftrek ‘nieuw voor oud ’ is opgenomen in een afzonderlijk punt van de vaststellingsovereenkomst leidt in elk geval niet tot die conclusie, terwijl ook niet is gesteld welk belang [A] c.s. erbij zou hebben dat de advisering op dit punt op een later tijdstip zou hebben plaatsgevonden.
5.16.
Naar het oordeel van de rechtbank kan dan ook niet worden vastgesteld dat de bindend adviseur niet de stappen heeft gezet die partijen in de vaststellingsovereenkomst hadden vastgelegd. Dat deze stappen niet zijn gezet binnen de daarvoor bepaalde termijn doet daaraan niet af, nog daargelaten de vraag of overschrijding van de termijn in alle gevallen te wijten is aan de bindend adviseur.
5.17.
De rechtbank volgt [A] c.s. evenmin in diens stelling dat de bindend adviseur buiten zijn opdracht is getreden door het TNO-rapport ten aanzien van het herstel van de bovenbouw van de villa niet als uitgangspunt te nemen. Het staat vast dat partijen zijn overeengekomen dat het rapport van TNO, met inbegrip van de aan TNO verstrekte vooropnamen, leidend is bij het herstel. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de bindend adviseur heeft gemotiveerd – hetgeen door partijen niet is betwist en ook wordt bevestigd door de door [A] c.s. ingeschakelde adviseur [Q] Architectenbureau – dat het TNO-rapport zelf onvoldoende informatie geeft om exact te kunnen vaststellen welke werkzaamheden op welke wijze moeten worden verricht. Dit moest de bindend adviseur dus zelf doen. En in elk moest hij beoordelen of de door [H] begrote werkzaamheden binnen de in het TNO-rapport gegeven maatstaf vallen.
5.18.
[A] c.s. verwijt de bindend adviseur dat hij de kozijnen – in afwijking van het in het TNO-rapport bepaalde – niet heeft uitgehaald alvorens deze te beoordelen. De rechtbank volgt [A] c.s. niet in dit verwijt. Immers in het TNO-rapport staat slechts dat de kozijnen die scheef, scheluw en of gescheurd zijn, hersteld kunnen worden door – samengevat – de kozijnen uit te halen, visueel te beoordelen, te herstellen en terug te plaatsen dan wel te vervangen door nieuwe kozijnen. TNO heeft dus niet geoordeeld dat alle kozijnen eerst uitgehaald dienen te worden om te kunnen beoordelen of deze hersteld kunnen worden of vervangen dienen te worden. Niet is gesteld of gebleken dat zonder kozijnen uit te halen niet kan worden beoordeeld of deze scheef, scheluw of gescheurd zijn. In zoverre heeft de bindend adviseur naar het oordeel van de rechtbank dan ook gehandeld in overeenstemming met het TNO-rapport. Nu de bindend adviseur in aanwezigheid van onder meer [H] de kozijnen heeft ingemeten en niet is gesteld of gebleken dat er op dat moment is geprotesteerd tegen de wijze van inmeting dan wel dat de bindend adviseur vervolgens van die inmeting is afgeweken, dient van de resultaten van de betreffende inmeting te worden uitgegaan. Dat [H] vervolgens eenzijdig nog een inmeting met een ander resultaat heeft gedaan, doet niet af aan het bindende karakter van de rapportage van de bindend adviseur op dit punt.
Geen recht gedaan aan het arrest van het hof ?
5.19.
[A] c.s. stelt dat de bindend adviseur geen recht heeft gedaan aan het arrest van 10 maart 2009 van het hof in de hoofdprocedure.
5.20.
De Raad c.s. heeft hiertegen verweer gevoerd.
5.21.
De rechtbank gaat voorbij aan de stelling van [A] c.s. dat de bindend adviseur geen recht heeft gedaan aan het arrest van het hof door het TNO-rapport niet als uitgangspunt te nemen. In het voorgaande heeft de rechtbank immers al overwogen dat de bindend adviseur heeft gehandeld in overeenstemming met het TNO-rapport.
5.22.
Voor zover [A] c.s. nog stelt dat de bindend adviseur geen recht heeft gedaan aan (de strekking van) het arrest van het hof, slaagt de stelling evenmin. Anders dan [A] c.s. kennelijk veronderstelt, hebben partijen in de vaststellingsovereenkomst niet vastgelegd dat de bindend adviseur diende te handelen in overeenstemming met het arrest van het hof, of woorden van gelijke strekking. Partijen zijn – voor zover in dit verband relevant – overeengekomen dat de bindend adviseur de begroting van de herstelkosten door [H] zal beoordelen alsmede zal adviseren over een aftrek nieuw voor oud en dat het TNO-rapport inclusief de aan TNO verstrekte vooropnames leidend is bij het herstel . Dit bepaalde de speelruimte van de bindend adviseur en zoals in het voorgaande is overwogen heeft de bindend adviseur in overeenstemming hiermee gehandeld.
5.23.
Ten overvloede merkt de rechtbank op dat de bindend adviseur naar haar oordeel ook niet heeft gehandeld in strijd met (de strekking van) het arrest van het hof. Blijkens het arrest van het hof mocht [A] c.s. bepalen op basis van welke offerte de herstelwerkzaamheden zullen worden uitgevoerd mits daarbij de maatstaven van redelijkheid en billijkheid in acht worden genomen. [A] c .s. heeft de offerte van [H] gekozen en de bindend adviseur heeft die offerte ook als uitgangspunt genomen bij zijn beoordeling.
Niet gehouden aan NPR 3670?
5.24.
[A] c.s. verwijt de bindend adviseur voorts dat hij zich bij de beoordeling van de kozijnen niet heeft gehouden aan de Nederlandse Praktijkrichtlijn (NPR) 3670 door in de inmeetstaat uit te gaan van een acceptabele maatafwijking tot 5 mm/m1. Volgens [A] c.s. bepaalt de NPR 3670 dat een kozijn een maximale afwijking mag hebben van 1,5 mm (vermeerderd met 1,5 mm/ m1). Dit uitgangspunt zou [H] in haar offerte hebben toegepast.
5.25.
De Raad c.s. heeft deze stelling van [A] c . s. betwist. Zij stelt dat [A] c.s. uitgaat van artikel 8.3 van NPR 3670, terwijl artikel 8.4 van NPR 3670 van toepassing is. De bindend adviseur heeft het laatstgenoemde artikel op een juiste wijze toegepast.
5.26.
De rechtbank kan op basis van de overgelegde stukken niet beoordelen of de bindend adviseur al dan niet van een verkeerde maatstaf is uitgegaan. Zij stelt partijen in de gelegenheid om binnen vier weken na de datum van dit vonnis de rechtbank te berichten of zij behoefte hebben aan een nadere toelichting hierop door de bindend adviseur. Hierbij geldt overigens hetzelfde als in onderdeel 5.11 van dit vonnis is vermeld .
Slotsom
5.27.
Op grond van het voorgaande blijft het bindend advies vooralsnog in stand, met dien verstande dat partijen de gelegenheid krijgen gesteld zich uit te spreken over (i) de vraag of zij van de bindend adviseur een motivering willen krijgen van de overige posten (dus niet: die wegens de aftrek ‘nieuw voor oud’, kozijnen, verdiepingsvloeren) voor zover die posten zijn verminderd in verband met de hoeveelheid materiaal of het aantal uren dan wel voor zover daarop om andere redenen een bedrag van € 5.000,- of meer in mindering is gebracht en (ii) de vraag of zij een nadere toelichting van de bindend adviseur wensen over de toegepaste acceptabele maatafwijking in de inmeetstaat.
Overige schadeposten
5.28.
[A] c.s. vordert naast de schadeposten waarop het bindend advies betrekking heeft, nog vergoeding van de volgende schade:
- a.
blijvende waardevermindering van de villa;
- b.
expertisekosten;
- c.
kosten van vervangende huisvesting;
- d.
kosten van opslag van de inboedel;
- e.
kosten van tuinaanleg.
5.29.
Bij de huidige stand van de zal de rechtbank nog geen beslissingen nemen ten aanzien van de overige schadeposten. De rechtbank geeft partijen in overweging zich nader met elkaar te verstaan over deze schadeposten, met inachtneming van de door de bindend adviseur geschatte bouwtijd van 32 weken. Voor zover partijen niet tot overeenstemming komen ten aanzien van deze posten stelt de rechtbank partijen in de gelegenheid zich uit te spreken over de gewenste voortgang van de procedure ten aanzien van deze schadeposten.
Wettelijke rente
5.30.
[A] c.s. vordert wettelijke rente over de herstelkosten vanaf 3 maart 2000 en over de overige kosten vanaf de dag van dagvaarding.
5.31.
De Raad c.s. heeft hiertegen verweer gevoerd. Zij heeft gesteld dat – samengevat – over de herstelkosten en de overige kosten geen wettelijke rente verschuldigd is zolang de kosten nog niet zijn gemaakt. Voor zover de kosten thans al wel zijn gemaakt, is hierover volgens haar evenmin wettelijke rente verschuldigd, aangezien de gemaakte kosten niet uitstijgen boven het door De Raad c.s. verstrekte voorschot op de te betalen schadevergoeding van € 2.050.000,-.
5.32.
De rechtbank stelt op dit punt voorop dat het hof in het arrest van 10 maart 2009 al een beslissing heeft genomen over de wettelijke rente, te weten (i) dat voor zover de schade bestaat uit waardevermindering van de villa, de wettelijke rente verschuldigd is vanaf 3 maart 2000, (ii) dat ten aanzien van de overige schadeposten wettelijke rente verschuldigd is vanaf de dag dat de schade is geleden en (iii) dat de vordering ter zake van de wettelijke rente voor het overige moet worden afgewezen.
5.33.
Partijen geven een verschillend antwoord op de vraag wanneer de overige schade geleden is. De rechtbank is met De Raad c.s. van oordeel dat de schade in juridische zin pas wordt geleden op het moment dat de herstelkosten en de overige kosten verschuldigd zijn en dus niet op het moment dat de schade aan het pand is ontstaan. Voorafgaand aan het verschuldigd zijn van de kosten lijdt [A] c.s. immers in financiële zin geen schade. Ook het hof lijkt hiervan te zijn uitgegaan, nu het hof een onderscheid heeft gemaakt tussen enerzijds de waardevermindering van de villa waarover de wettelijke rente wel vanaf 3 maart 2000 verschuldigd is en anderzijds de overige schadeposten.
Niet is gesteld of gebleken dat [A] c.s. al voor de ontvangst van het voorschot op de schadevergoeding kosten verschuldigd was dan wel dat de thans door [A] c.s. verschuldigde kosten meer bedragen dan het van De Raad c.s. ontvangen voorschot. Dit leidt tot de conclusie dat (thans) nog geen wettelijke rente verschuldigd is over de schadevergoeding die ziet op de herstelkosten en de overige kosten.
5.34.
Nu nog geen eindvonnis zal worden gewezen, zal iedere verdere beslissing ten aanzien van de wettelijke rente worden aangehouden .
Terugbetaling voorschot minus door De Raad c.s. te betalen schadevergoeding
5.35.
Nu nog niet vaststaat welk bedrag De Raad c.s. aan [A] c.s. verschuldigd is, kan de rechtbank nog niet beslissen op de vordering tot terugbetaling van het door De Raad c.s. aan [A] c.s. betaalde voorschot voor zover dit voorschot meer bedraagt dan de te betalen schadevergoeding. De beslissing op deze vordering van De Raad c.s. zal dan ook worden aangehouden.
Nakoming vaststellingsovereenkomst
5.36.
De beslissing op de vordering van De Raad c . s. [A] c.s. te veroordelen tot nakoming van de vaststellingsovereenkomst in die zin dat – kort gezegd – de herstelwerkzaamheden aan de villa binnen negen maanden na dit vonnis dienen te zijn uitgevoerd en de aanleg van de paalfundering binnen drie maanden dient te zijn uitgevoerd, zal gelet op het voorgaande eveneens worden aangehouden.
Proceskosten
5.37.
Ten aanzien van de proceskosten constateert de rechtbank dat partijen in de vaststellingsovereenkomst zijn overeengekomen dat iedere partij de eigen proceskosten draagt. De beslissing over de na de totstandkoming van de vaststellingsovereenkomst gemaakte proceskosten zal worden aangehouden, nu de rechtbank thans nog geen eindvonnis wijst.
6. De beoordeling in de incidenten
Nu het bindend advies vooralsnog – in afwachting van de nadere motivering door de bindend adviseur – in stand blijft, is thans nog niet voldaan aan de voorwaarde waaronder de incidenten zijn ingesteld, te weten dat het bindend advies niet in stand blijft en de rechtbank zou komen tot een nieuwe begroting van de herstelkosten. Gelet hierop zal de rechtbank iedere beslissing in de incidenten aanhouden.
7. De beslissing
De rechtbank:
in de hoofdzaak in conventie en in reconventie
7.1.
verwijst de zaak naar de rol van 14 januari 2015 voor akten na tussenvonnis aan elk van beide zijden, betreffende de onderwerpen die zijn vermeld in de onderdelen 5.27 en 5.29 van dit vonnis;
7.2.
houdt iedere verdere beslissing aan;
in de voorwaardelijke incidenten
7.3.
houdt iedere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. H.F.M. Hofhuis en in het openbaar uitgesproken op 17 december 2014.1.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 17‑12‑2014
type: 1881