Het juridische begrip van godsdienst
Einde inhoudsopgave
Het juridische begrip van godsdienst (SteR nr. 43) 2018/5.3.3:5.3.3 Legitimatie van de objectiverende kwalificatie
Het juridische begrip van godsdienst (SteR nr. 43) 2018/5.3.3
5.3.3 Legitimatie van de objectiverende kwalificatie
Documentgegevens:
mr. drs. A. Vleugel, datum 01-09-2018
- Datum
01-09-2018
- Auteur
mr. drs. A. Vleugel
- JCDI
JCDI:ADS455193:1
- Vakgebied(en)
Staatsrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie Butter 2017.
Vermeulen brengt de bescherming van de innerlijke moraliteit onder het forum internum, het gebied van de godsdienstvrijheid dat traditioneel wordt gezien als recht op gewetensvrijheid in de vorm van een inquisitieverbod. Hij wijst daarbij erop dat het recht een uiterlijke ordening is, het is externe legaliteit. Hij refereert voor de herkomst van dit idee aan Grotius, Pufendorf, Thomasius en (ook) Kant. Zie Vermeulen 1989, p. 63.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De objectiverende kwalificatiewijze van de oprechtheid van de asielzoeker is te begrijpen vanuit de angst dat men bij de hantering van een subjectiverende kwalificatiewijze de deuren wijd openzet voor misbruik. Het is niet ondenkbaar dat vreemdelingen zich, om hier ter lande als vluchtelingen te worden opgenomen, zullen bedienen van een ‘leugentje om eigen bestwil’. Het zou naïef zijn om te veronderstellen dat vreemdelingen godsdienst niet zouden misbruiken om zodoende een verblijfsvergunning te krijgen.1 Men wil vermoedelijk voorkomen dat asielzoekers dan in grote getallen gaan claimen dat ze worden vervolgd vanwege hun godsdienstige overtuiging, om op die manier gemakkelijk een verblijfsvergunning te krijgen.
Bij de beoordeling van de oprechtheid van het relaas van de asielzoeker is het van belang dat zijn innerlijke vrijheid wordt gerespecteerd, dat wil zeggen, zijn recht op bescherming van het forum internum: dat is de persoonlijke vrijheid om (godsdienstige) opvattingen en een geweten te hebben. Die innerlijke vrijheid kan geschonden worden wanneer hij wordt gedwongen om een verklaring af te leggen over zijn geloof (en diepste gevoelens) of wanneer de overheid over religieuze of morele waarheidsclaims een waardering uitspreekt.2 Dit gebeurt echter niet in de asielpraktijk. Er is geen sprake van dwang. Een asielzoeker hoeft geen verklaring af te leggen over zijn geloofsbeleving. De kans is dan echter wel groot dat zijn aanvraag als ongeloofwaardig wordt beschouwd. Ook richten de bestuursorganen en de rechter zich bij het bepalen van de geloofwaardigheid van het relaas van een asielzoeker op (uitwendige) feiten over de geloofsleer en de geloofsbeleving en onthouden ze zich van een waardering van de diepste (godsdienstige) gevoelens van de asielzoeker.
Zoals gezegd wordt in de asielprocedure de kwalificatie van de oprechtheid van de asielzoeker en de kwalificatie van diens godsdienst niet geheel gescheiden. Toch zou dit wel mogelijk moeten zijn. Men zou de oprechtheid van asielzoeker kunnen toetsen zonder daarbij gebruik te maken van een geobjectiveerd beeld van godsdienst. Dus bijvoorbeeld zonder vragen te stellen over Pinksteren en Pasen. Men moet dan enkel vragen stellen over de beleving en ervaring van de asielzoeker. Waarom men in sommige gevallen vasthoudt aan een objectief beeld van een specifieke godsdienst is niet duidelijk. Misschien dat dit gemakshalve gebeurt of omdat men enkel ervarings- en belevingsvragen te onbetrouwbaar acht. Een dergelijke benaderingswijze staat echter niet open voor excentrieke, eigenzinnige geloofsopvattingen. Daarmee kunnen we het ideaaltype van het liberaal gezindtepluralisme associëren. Teneinde grip te houden op het verlenen van verblijfsvergunningen is het referentiekader beperkt tot de bekende en traditionele godsdiensten. Vanuit een accommodationistisch perspectief zou men kunnen beargumenteren dat met deze kwalificatiewijze traditionele en bekende godsdiensten worden bevoordeeld.