Einde inhoudsopgave
Publicatieverplichtingen voor beursvennootschappen (IVOR nr. 74) 2010/21.3.3
21.3.3 Voldoet het biedingsbericht aan de doelstelling?
mr. J.B.S. Hijink, datum 16-09-2010
- Datum
16-09-2010
- Auteur
mr. J.B.S. Hijink
- JCDI
JCDI:ADS576680:1
- Vakgebied(en)
Financieel recht (V)
Voetnoten
Voetnoten
In deze zin Grundmann-van de Krol (2006a), p. 304, met een verwijzing naar M. Raaijmakers/Uniken Venema (1994), p. 22 e.v.
P. 28 van de NvT bij het Bob.
In dat opzicht lijkt de opvatting van M. Raaijmakers in M. Raaijmakers/Uniken Venema (1994), p. 93 te stellig.
Zie Hijmans van den Bergh/Van Solinge (2000), p. 10-11 en p. 128.
Op dit punt lijken de opvattingen van Hijmans van den Bergh/Van Solinge (2000), p.10-11 en M. Raaijmakers in M. Raaijmakers/Uniken Venema (1994), p. 93-94, niet ver uiteen te liggen.
P. 58 NvT bij het Bob.
In die zin: Hijmans van den Bergh/Van Solinge (2000), p. 128.
Bedacht dient te worden dat voor een beoordeling van de geboden prijs de omvang en kwaliteit van de in het verleden door de doelvennootschap verstrekte (financiële) informatie medebepalend is. Naarmate die groter en beter is geweest, zullen investeerders in de doelvennootschap eenvoudiger een oordeel over de geboden prijs kunnen vellen. Op macroniveau impliceert dit dat naarmate een rechtstelsel beursvennootschappen verplicht vaker en kwalitatief betere informatie te publiceren, de door een bieder in een biedingsbericht op te nemen informatie beperkter zou kunnen zijn.
Vgl. Van Solinge/Nieuwe Weme (1999), p. 153 e.v. Naar mijn mening zijn de aanpassingen die daarna zijn doorgevoerd te beschouwen als verbetering, waarmee de destijds geuite kritiek gedeeltelijk ondervangen is. Zo is de tijdige beschikbaarheid van het biedingsbericht verbeterd, aangezien ingevolge art. 4, lid 3, Bob de aanmeldtermijn ten minste vier weken dient te bedragen (ingevolge art. 14, lid 4, Bob, ten minste 2 weken bij een partieel bod of tenderbod). Ook moet in het Bob meer informatie omtrent 'faimess opinions' worden verschaft. Hierover Parijs (2008), p. 722. Hij merkt op dat er meer eisen gesteld hadden kunnen worden, maar beschouwt de op grond van het Bob te verschaffen grote openheid desalniettemin 'als een stap in de goede richting.'
Mijns inziens wordt met de huidige regeling in het Bob voor de inhoud van het biedingsbericht op effectieve wijze aan de doelstelling van deze publicatieverplichting voldaan. Van belang daarbij is dat de in art. 8, lid 1, Bob opgenomen voorschriften en de uiteenlopende informatievereisten in de bijlagen de ruimte bieden om de inhoud van het biedingsbericht nader toe te spitsen op het type openbaar bod dat voorligt. In het bijzonder bij het onderscheid tussen openbare biedingen waarbij de bieder als tegenprestatie (eigen) effecten aanbiedt — een ruilbod — en openbare biedingen waarbij de tegenprestatie uit contanten bestaat — een cashbod — speelt dit.
Zo wordt in de literatuur wel opgemerkt dat het openbaar bod "een marktverrichting [is] die naar haar aard gelijkt op de uitnodiging aan het publiek om in te schrijven op nieuw uit te geven effecten."1 En, toegespitst op het biedingsbericht, wordt in de NvT bij het Bob gesproken over "het vergelijkbare karakter van het biedingsbericht en het prospectus — beide zijn immers bedoeld als informatiedocument voor (potentiële) aandeelhouders (...)."2 Hoewel het prospectus (bij aanbiedingen en toelatingen van effecten) en het biedingsbericht (bij het openbare bod op effecten) zeker een bepaalde mate van vergelijkbaarheid kennen, moet niet uit het oog worden verloren dat de gelijkstelling tussen beide documenten niet volledig opgaat.3 Daar is in de literatuur ook op gewezen.4
De mate van vergelijkbaarheid van beide documenten zal gro(o)t(er) zijn, indien sprake is van een ruilbod.5 Ook in de NvT bij het Bob wordt geconstateerd dat sprake is van een "overeenkomstige functie van het biedingsbericht, zeker in het geval van een ruilbod, met het prospectus (...)".6 Wanneer een openbaar bod is vormgegeven als een ruilbod en het betrekking heeft op effecten van een beursvennootschap die zijn toegelaten tot de handel op een in Nederland gelegen of gereglementeerde markt, is zelfs sprake van een samenval. Art. 5:4, onderdeel c, Wft voorziet dat geval in een uitzondering op de verplichting om een prospectus op te stellen en te publiceren. Het biedingsbericht is in die situaties het document dat informatie "bevat die gelijkwaardig is aan de informatie die het prospectus bevat."7 Ik merk wel op dat de te verstrekken informatie in die situatie niet slechts ziet op gegevens omtrent de financiële positie van de bieder, maar ook — en juist — op gegevens die van belang zijn bij het terugdringen van "agency-problemen". Dat vormt immers, zoals in hoofdstuk 19 is besproken, de beoordelingsnorm voor beantwoording van de vraag of het prospectus voor investeerders de informatie bevat die "noodzakelijk of van belang is". Investeerders die door aanvaarding van een ruilbod aandeelhouder worden in de bieder bevinden zich in eenzelfde positie. De uitbreiding in Bijlage F bij het Bob, ten opzichte van het Bte 1995, dat alle gegevens dienen te worden opgenomen die gelet op aard van de vennootschap waarvan door hem uitgegeven effecten in ruil worden aangeboden en van de in ruil aangeboden effecten "noodzakelijk of van belang zijn", vind ik daarom een juiste.8 Het bij een cashbod te publiceren biedingsbericht is in veel mindere mate te vergelijken met een prospectus. In die situatie zou men inderdaad kunnen stellen, zoals in de literatuur wel gedaan is, dat het "biedingsbericht ziet op het beëindigen van een relatie, dat wil zeggen tussen een uitgevende instelling en haar aandeelhouders."9 De bieder dient in dat geval zodanige informatie over de prijs van het openbaar bod, en de voorwaarden waaronder het bod gestand wordt gedaan, in het biedingsbericht op te nemen dat de "maatman-investeerder" in de doelvennootschap over de relevante informatie beschikt voor het nemen van zijn (des)investeringsbeslissing. De norm van art. 8, lid 1, Bob krijgt hierdoor een enigszins andere invulling. De nadruk zal sterker liggen op gegevens over (de (on)zekerheden omtrent) de prijs en voorwaarden van het bod, en over de voornemens van de bieder met de doelvennootschap.10
Omdat het Bob hierdoor naar mijn mening, tot op zekere hoogte, voorziet in de mogelijkheid om met deze verschillen tussen ruilbiedingen en cashbiedingen rekening te houden, is mijn algemene oordeel over de effectiviteit en kostenefficiëntie van de in het Bob vormgegeven publicatieplicht van het biedingsbericht positief. Steun hiervoor vind ik bovendien in het in 1999 uitgevoerde praktijkonderzoek, waaruit blijkt dat destijds (reeds) de regeling inzake het biedingsbericht over het algemeen als neutraal of positief werd beoordeeld.11