Einde inhoudsopgave
Financiering en vermogensonttrekking door aandeelhouders (VDHI nr. 120) 2014/16.2.2
16.2.2 De (voorgenomen) herfinanciering van 1612
mr. J. Barneveld, datum 18-09-2013
- Datum
18-09-2013
- Auteur
mr. J. Barneveld
- JCDI
JCDI:ADS407982:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Den Heijer 2005, p. 12.
Gelderblom, De Jong en Jonker overwegen over deze manier van financieren: “This back-to-back financing shows that the company’s 6.4 million guilders’ capital was not considered as money set aside to finance the fixed assets needed, but as circulating capital, a revolving fund to be replenished from sales revenues.” (Gelderblom, De Jong & Jonker 2012, p. 6).
Art. VII Octrooi. Zie hierover Frentrop 2002, p. 63.
De Jongh 2009, p. 254 en Frentrop 2002, p. 63. Vanwege haar militaire doelstellingen diende de VOC een groot deel van haar vermogen aan te wenden voor investeringen in forten en ander oorlogstuig.
Het octrooi voorzag in een ‘kapitaalklem’, zij het met een tijdelijk karakter: het was de participanten verboden het door hen ter beschikking gestelde vermogen de eerste tien jaar na oprichting aan de VOC te onttrekken. Hierin onderscheidde de VOC zich van de voorcompagnieën waaruit zij was voortgekomen; die gelegenheidsondernemingen werden doorgaans na één reis of scheepsvaartseizoen ontbonden, waarbij het totale vermogen onder de participanten werd verdeeld.1 Bij de VOC zou na tien jaar een “generale slot van rekeninge” plaatsvinden, waarbij de bewindhebbers financiële verantwoording zouden afleggen aan de participanten. Op basis daarvan zouden de participanten mogen beslissen of ze het door hen geïnvesteerde vermogen aan de onderneming onttrokken of voor nog een periode van tien jaar inlegden.2
In het octrooi was bepaald: “Deze vereenighde Compagnie sal beginnen ende aenvanck nemen, met dezen jare XVIC ende twee, ende sal geduren den tyt van eenentwintich jaren, achtereenvolgende, mits dat men ’t eclken thien jaeren, een generale slot van rekeninghe sal maken, ende sal eclk een, ’t eynden de thien jaeren vry staen daaruyt te mogen scheyden, ende seyn gelt naer hem nemen (…).”3
De generale afrekening vond echter nimmer plaats. In strijd met het octrooi werd de participanten in 1612 niet de gelegenheid geboden hun investering in de VOC terug te trekken. De bewindvoerders konden de participanten ervan overtuigen dat de gedeeltelijke ontbinding die daarvan het gevolg zou zijn de belangen van de VOC te veel zou schaden.4 In de gehele geschiedenis van de VOC is uiteindelijk nimmer gebruik gemaakt van de mogelijkheid om na de tienjaarlijkse termijn het geïnvesteerde vermogen terug te vorderen.