Einde inhoudsopgave
Toepassing en rechtskarakter van de groepsvrijstelling van artikel 2:403 BW (VDHI nr. 171) 2022/9.3.6.2
9.3.6.2 De overdraagbaarheid van een wilsrecht
mr. dr. J. van der Kraan, datum 01-01-2022
- Datum
01-01-2022
- Auteur
mr. dr. J. van der Kraan
- JCDI
JCDI:ADS649011:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Jaarrekeningenrecht
Voetnoten
Voetnoten
In gelijke zin Bartman 2015, p. 809.
HR 20 maart 2015, JOR 2015/140; NJ 2015/361. Dit staat op gespannen voet met de opvatting dat een 403-vordering een zelfstandig vorderingsrecht is dat achterblijft bij de schuldeiser die alleen zijn hoofdvordering op de vrijgestelde rechtspersoon verliest. Zie echter ook HR 3 april 2015, JOR 2015/191; NJ 2015/25, waarin de Hoge Raad van mening was dat het niet is vereist dat een schuldeiser beschikt over de hoofdvordering om de 403-vordering uit te kunnen oefenen.
Zie paragraaf 9.3.4.4.
Blom 2005, p. 180.
HR 28 juni 2002, JOR 2002/136; NJ 2002, 447.
Dat zou wel betekenen dat wanneer de dochtervennootschap een schikking treft met de schuldeiser en de vordering op de dochtervennootschap daardoor tenietgaat, de schuldeiser geen aanspraak meer heeft op de consoliderende rechtspersoon wanneer de consoliderende rechtspersoon voordien nooit door de schuldeiser is aangesproken. Zie in dat verband HR 3 april 2015, NJ 2015/255, r.o. 3.6.2 en Van der Kraan 2015.
Bergervoet, artikel 83 Boek 3 BW, aant. 10.3.18.
Bergervoet, artikel 83 Boek 3 BW, aant. 51.
Zie voor een nadere onderbouwing van deze conclusie Toel. Meijers, Parl. Gesch. Boek 3, p. 314-316; Asser/Mijnssen, De Haan & Van Dam 3-I 2006, nr. 2; Pitlo/Reehuis & Heisterkamp 2012, nr. 102; Reehuis 2010, nr. 9; Schoordijk 1986, p. 252; Drielsma 1975, p. 491 e.v. en HR 19 juni 1964, NJ 1965/341.
Toel. Meijers, Parl. Gesch. Boek 3, p. 314.
Zie ook paragraaf 9.3.6.3.
Wibier heeft betoogd dat het wilsrecht dat voortvloeit uit een 403-verklaring niet voor afzonderlijke overdracht vatbaar is:
“Tevens is sprake van een wilsrecht dat als zodanig niet voor afzonderlijke overdracht vatbaar is.”
Wibier heeft betoogd dat slechts partijen die kwalificeren als schuldeiser van de vrijgestelde rechtspersoon een beroep kunnen doen op de 403-verklaring. Naar zijn aard is het wilsrecht jegens de consoliderende rechtspersoon daarom niet afzonderlijk overdraagbaar. Een schuldeiser van de vrijgestelde rechtspersoon kan de aanspraak op de consoliderende rechtspersoon niet cederen aan een partij die geen schuldeiser van de vrijgestelde rechtspersoon is omdat die partij geen aanspraak heeft jegens de consoliderende rechtspersoon. Een dergelijke cessie sorteert volgens Wibier geen effect. De consoliderende rechtspersoon aanvaardt immers op grond van de afgegeven 403-verklaring slechts aansprakelijkheid jegens schuldeisers uit rechtshandeling van de vrijgestelde rechtspersoon. Indien enkel de 403-aanspraak wordt gecedeerd, dan verkrijgt de cessionaris een vordering tot nakoming op een rechtspersoon die zijn contractant niet is.1 Een partij die geen vordering op de vrijgestelde rechtspersoon meer heeft, heeft ook geen aanspraak meer jegens de consoliderende rechtspersoon en kan die aanspraak dus ook niet overdragen. Voorts is het volgens Wibier ook niet nodig dat een cessionaris, die de vordering van de vrijgestelde rechtspersoon verkrijgt, tevens de aanspraak op de consoliderende rechtspersoon gecedeerd krijgt. De cessionaris kan zelfstandig een beroep doen op de 403-verklaring.
Met Wibier ben ik eens dat iedere schuldeiser van de vrijgestelde rechtspersoon met een uit een rechtshandeling voortvloeiende vordering zelfstandig een beroep kan doen op de 403-verklaring. Hoewel een cessionaris daarvoor geen recht gecedeerd hoeft te krijgen, is het voor de cessionaris nog wel relevant om er zeker van te zijn dat er geen aanspraak bij de cedent ‘achterblijft’. Dat het wilsrecht niet meer aan een partij toekomt die zijn vordering op de vrijgestelde rechtspersoon heeft gecedeerd, lijkt mij ook verdedigbaar. De Hoge Raad lijkt de gedachte, dat een schuldeiser die zijn vorderingsrecht op de vrijgestelde rechtspersoon verliest niet meer valt onder de reikwijdte van een 403-verklaring omdat hij niet langer kwalificeert als schuldeiser, te onderschrijven.2
Het idee dat een nieuwe schuldeiser die een bestaande vordering op een vrijgestelde rechtspersoon gecedeerd krijgt een zelfstandig recht heeft om de consoliderende rechtspersoon aan te spreken, is in lijn met de gedachte dat een 403-verklaring een aanbod van de consoliderende rechtspersoon inhoudt3 jegens (alle) schuldeisers van de vrijgestelde rechtspersoon die een uit een rechtshandeling voortvloeiende vordering op de vrijgestelde rechtspersoon hebben en is tevens in lijn met de gedachtegang die reeds eerder is geformuleerd en daarna ook wel de ‘ontspringingstheorie’ is genoemd.4 Zie voor deze gedachte Bartman, in zijn noot bij een uitspraak van de Hoge Raad:5
“Gaat de vordering op de dochter over, door cessie, contractsoverneming of onder algemene titel, dan verkrijgt de nieuwe crediteur ook een 403-aanspraak op de moeder. Of is hier geen sprake van “volgen” in de zin van art. 3:82 BW, maar van een hernieuwd “ontspringen” uit de eenmaal gedeponeerde, eenzijdige verklaring van hoofdelijke aansprakelijkheid ex art. 2:403 BW? Waarschijnlijk is dit laatste de visie van de Hoge Raad.”
Dat een voormalig schuldeiser van de vrijgestelde rechtspersoon, die geen vordering meer heeft op de vrijgestelde rechtspersoon en de consoliderende rechtspersoon ook nooit heeft aangesproken, geen mogelijkheid meer heeft om de consoliderende rechtspersoon aan te spreken, is goed verdedigbaar.6 Wibier gaat nog een stap verder. Hij stelt dat een schuldeiser die de consoliderende rechtspersoon reeds heeft aangesproken, zijn vorderingsrecht op de consoliderende rechtspersoon verliest wanneer deze schuldeiser zijn vordering op de vrijgestelde rechtspersoon cedeert. Dit staat op gespannen voet met de opvatting dat een 403-vordering een zelfstandig vorderingsrecht is welk vorderingsrecht ook met toepassing van de wilsrechttheorie tot stand komt wanneer de consoliderende rechtspersoon is aangesproken. In die situatie is er wel degelijk een vorderingsrecht ontstaan. In dat geval kan niet langer verdedigd worden dat het aan de schuldeiser aangeboden vorderingsrecht niet door de schuldeiser is geaccepteerd.
De vraag is of een wilsrecht dat voortvloeit uit een 403-verklaring vatbaar is voor overdracht. Dat zou ongewenst zijn. Goederen zijn naar hun aard overdraagbaar. Daarmee is de vraag of het wilsrecht, waarmee een vorderingsrecht op de consoliderende rechtspersoon in het leven kan worden geroepen, kwalificeert als een goed in de zin van artikel 3:83 BW. Hierover is in de literatuur onder meer het volgende opgemerkt:7
“Een ‘wilsrecht’ (recht op rechtsvorming) is de bevoegdheid om door een wilsverklaring, al dan niet gepaard gaande met een rechterlijke uitspraak, een nieuwe rechtstoestand te scheppen. Sommige wilsrechten kunnen als een (zelfstandig) vermogensrecht en daarmee als een goed worden beschouwd, andere niet. Zo worden in de literatuur o.a. een wilsrecht gericht op de vernietigingsmogelijkheid wegens wilsgebreken en de zuiver personen- en familierechtelijke wilsrechten (als bijvoorbeeld het recht een kind te erkennen) als voorbeelden genoemd van wilsrechten welke geen goederen in voornoemde zin zijn. Dergelijke wilsrechten zijn niet voor overdracht vatbaar.”
en:8
“Is het wilsrecht niet als goed te kwalificeren, dan is het uit dien aard ook niet overdraagbaar. Voor de wilsrechten die wel als goederen in de zin van voornoemd artikel kunnen worden beschouwd, dient de vraag te worden beantwoord of deze al of niet voor overdracht vatbaar zijn.
(...)
Geconcludeerd kan worden dat wilsrechten waarmee vorderingsrechten of rechten op goederen in het leven kunnen worden geroepen zoals optierechten wat de overdraagbaarheid betreft de aard van het aldus in het leven geroepen recht volgen.
(...)
Indien in de praktijk behoefte bestaat aan overdraagbaarheid van optie- en wilsrechten, zal de eventuele mogelijkheid daarvan derhalve worden bepaald door hetgeen is gesteld in de eerste twee leden van art. 3:83.”
Nu de uitoefening van een uit een 403-verklaring voortvloeiend wilsrecht een vorderingsrecht in het leven roept, kan uit vorenstaande9 worden afgeleid dat het wilsrecht om de consoliderende rechtspersoon aan te spreken in beginsel vatbaar is voor overdracht. De parlementaire geschiedenis van artikel 3:83 BW lijkt deze conclusie te steunen:10
“Wanneer de bevoegdheid tot het in leven roepen van vorderingsrechten of zakelijke rechten als een zelfstandig vermogensrecht kan worden beschouwd (optierechten; rechten van wederinkoop enz.) zal de overdraagbaarheid van een dergelijke bevoegdheid worden bepaald door het recht, dat in het leven kan worden geroepen; het eerste en het tweede lid van het artikel zijn dus ook op deze bevoegdheden van toepassing.”
Anders dan Wibier heeft betoogd, lijkt een wilsrecht dat voortvloeit uit een 403-verklaring wel vatbaar te zijn voor overdracht.11 De tweede stelling van Wibier, dat een eenmaal door een schuldeiser geaccepteerd hoofdelijk vorderingsrecht op de consoliderende rechtspersoon komt te vervallen wanneer de hoofdelijke vordering op de vrijgestelde rechtspersoon wordt overgedragen, is moeilijk te verenigen met de regels van hoofdelijkheid.