Einde inhoudsopgave
Acting in concert-regeling inzake verplicht bod op effecten (VDHI nr. 136) 2016/15.6.3.2
15.6.3.2 Ratio
mr. J.H.L. Beckers, datum 01-01-2016
- Datum
01-01-2016
- Auteur
mr. J.H.L. Beckers
- JCDI
JCDI:ADS370031:1
- Vakgebied(en)
Financieel recht / Bank- en effectenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Zie Doorman 2008-2, p. 538; Nieuwe Weme/Van Solinge 2008, p. 67-68 (+ aanbeveling 17); De Vlaam 2006, p. 603 en Nieuwe Weme 2004, p. 223 (met verwijzingen).
Zie Marccus/CEPS 2012 – Takeover Bids Directive Assessment Report, p. 140.
Zie voor de verschillende landen hoofdstuk 5.
Het richtlijnvoorstel uit 1997 gaf de bevoegde toezichthoudende autoriteit de bevoegdheid een oordeel te geven over de toepasselijkheid van de biedplicht op het tijdelijke bezit van effecten of op de verwerving van een meerderheid zonder de intentie zeggenschap uit te oefenen over de vennootschap (art 3 lid 2). Zie over dit voorstel Steins Bisschop 1998, p. 81.
Opmerkelijk genoeg is afgezien van een ruimere ontheffingsbevoegdheid voor de OK. Daarvoor is in de literatuur wel gepleit.1 Ook in de onderzochte landen bestaan ruimere ontheffingsmogelijkheden2 hetgeen in de praktijk een belangrijk instrument blijkt.3 De Overnamerichtlijn staat ontheffing ook toe, mits geen afbreuk wordt gedaan aan de beginselen van art. 3 (vgl. eerder § 3.3).4
Een ruimere ontheffingsbevoegdheid is hard nodig om de verplicht bod-regeling van haar rigiditeit te ontdoen. Dit wringt vooral bij de acting in concert-regels omdat die aan alle kanten onduidelijk zijn, zoals hiervoor al herhaaldelijk aan de orde kwam (vgl. § 1.2 en § 7.4.3.3 sub I). Partijen kunnen de OK langs deze weg verzoeken zich uit te spreken over bepaalde voorgenomen gedragingen. Met name bij grote transacties of herstructurering van een bestaand zeggenschapsbelang rijzen veel vragen, waarop de wettelijke regeling geen duidelijk antwoord geeft. Nu komt het geregeld voor dat partijen voor de “veiligste” weg kiezen, niet voor de meest optimale. In het buitenland is het gebruikelijk dat de toezichthouder om een ruling wordt gevraagd, maar die weg kan in Nederland niet bewandeld worden omdat bij ons geen toezichthouder is aangewezen (zie § 16.2.3 en § 16.3.5.3 sub I). Een andere rechtvaardiging voor een ruimere ontheffingsbevoegdheid is dat in concrete gevallen onbillijke resultaten kunnen worden voorkomen. Een voorbeeld van een acting in concert-geval waarin dat uitkomst kan bieden is de vernietiging van het door een coalitie van aandeelhouders afgedwongen ontslag van het bestuur wegens strijd met de redelijkheid en billijkheid; er heeft inmiddels wel controleverwerving plaatsgevonden (§ 7.5.6.3 sub I), maar een biedplicht, voorzover die niet reeds is vervallen door afbouw van het controlerende belang binnen de gratietermijn, is niet op zijn plaats.