Levering en verpanding van toekomstige goederen
Einde inhoudsopgave
Levering en verpanding (O&R nr. 90) 2016/5.3.3.1:5.3.3.1 Inleiding
Levering en verpanding (O&R nr. 90) 2016/5.3.3.1
5.3.3.1 Inleiding
Documentgegevens:
mr. B.A. Schuijling, datum 28-01-2016
- Datum
28-01-2016
- Auteur
mr. B.A. Schuijling
- JCDI
JCDI:ADS478054:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Algemeen
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
201. De levering van een toekomstige vordering op naam kan bij voorbaat – en zonder noodzaak van mededeling aan de schuldenaar – worden verricht door een authentieke akte of geregistreerde onderhandse akte, mits “deze rechten reeds bestaan of rechtstreeks zullen worden verkregen uit een dan reeds bestaande rechtsverhouding” (art. 3:97 lid 1 jo. 3:94 lid 3 BW). Voor de vestiging bij voorbaat van een stil pandrecht op een toekomstige vordering gelden dezelfde formaliteiten (art. 3:97 jo. 3:239 lid 1 BW). Ook hier geldt de beperking dat de te verpanden toekomstige vorderingen rechtstreeks dienen voort te vloeien uit een dan reeds bestaande rechtsverhouding. Zoals hiervoor reeds aan de orde kwam bij de stille verpanding van toekomstige roerende zaken, vormt de eis van een authentieke akte of een geregistreerde onderhandse akte als zodanig geen beperking voor de levering van toekomstige goederen.1 De beperking schuilt enkel in de uitdrukkelijke eis dat de toekomstige vordering rechtstreeks zal worden verkregen uit een ten tijde van de levering reeds bestaande rechtsverhouding. Deze eis wordt ook wel aangeduid als de eis van een bestaande grondslag (grondslagvereiste). Wat is nu de betekenis van de eis dat de toekomstige vordering rechtstreeks dient voort te vloeien uit een bestaande rechtsverhouding? Teneinde het grondslagvereiste nader in kaart te brengen, wordt eerst ingegaan op haar strekking en reikwijdte (§ 5.3.3.2). Vervolgens wordt afzonderlijk aandacht besteed aan de elementen “bestaande rechtsverhouding” (§ 5.3.3.3) en “rechtstreeks voortvloeien” (§ 5.3.3.4). Tot slot besteed ik aandacht aan de betekenis van een tussentijdse wijziging van de rechtsverhouding voor de vraag of aan het grondslagvereiste is voldaan (§ 5.3.3.5).
– Wettelijke uitzondering voor rechten uit sommenverzekering
202. Op deze plaats maak ik een opmerking over de levering en verpanding van de (toekomstige) rechten uit verzekeringsovereenkomsten, in het bijzonder het vorderingsrecht tot uitkering bij de verwezenlijking van het verzekerde risico. Wat betreft de stille verpanding van de toekomstige rechten uit een schadeverzekering gelden geen bijzonderheden. Dat ligt anders voor de toekomstige rechten uit een sommenverzekering, waaronder is begrepen een levensverzekering. De stille cessie of verpanding van rechten uit een sommenverzekering is in het geheel niet mogelijk. De aanwijzing van een begunstigde (ook als pandhouder, zie art. 7:966 lid 4 BW) vereist namelijk steeds een aanvaarding door de begunstigde door middel van een schriftelijke tot de verzekeraar gerichte verklaring op de voet van art. 7:969 lid 1 BW.2 Wat betreft de levering of bezwaring van de gezamenlijke rechten uit de sommenverzekering, dan wel de daaruit voortvloeiende vorderingsrechten, vereist art. (3:98 jo.) 7:970 lid 2 BW steeds een daartoe bestemde akte en schriftelijke mededeling daarvan aan de verzekeraar. Aldus is slechts een openbare levering of bezwaring mogelijk. Voor de vestiging van een pandrecht wordt dit bevestigd door de uitsluiting van art. 3:239 BW in art. 7:971 lid 1 BW.3 Wanneer in het vervolg van deze paragraaf wordt gesproken over verzekeringen, dan wordt daarmee uitsluitend gedoeld op schadeverzekeringen.