Einde inhoudsopgave
Ontwikkelingen in het civielrechtelijk conservatoir beslag in Nederland (BPP nr. XV) 2013/9.3.2.4
9.3.2.4 Verhouding met de wetgever en de Hoge Raad
mr. M. Meijsen, datum 27-05-2013
- Datum
27-05-2013
- Auteur
mr. M. Meijsen
- JCDI
JCDI:ADS495817:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Dijksterhuis 2008, p. 27-55. Hoopgevend in dit verband is het feit dat de Kring van Kantonrechters, gezien de plannen van het beoogde nieuwe kabinet voor het ontslagrecht, tijdens zijn vergadering van 1 november 2012 besloot geen aanbeveling vast te stellen voor vergoedingen wegens kennelijk onredelijk ontslag na afgifte van een ontslagvergunning door UWV Werkbedrijf. ‘Met de vaststelling en publicatie van die aanbevelingen zou verwarring kunnen worden gewekt en zou het wetgevingsproces mogelijk kunnen worden verstoord’, aldus berichtgeving op rechtspraak.nl. (Datum raadpleging: 2 november 2012).
Dijksterhuis 2008a, p. 37.
Zie ook: paragraaf 4.6.1.
Paragraaf 4.7.2.2.2.
Dijksterhuis 2008, p. 80-87. Het gaat hierbij om de prioriteit van kinderalimentatie boven partneralimentatie (HR 6 maart 1992, LJN ZC 0537, NJ 1992, 358), de invloed van de nieuwe partner op de omvang van de kinderalimentatie (HR 2 december 1994, LJN ZC1568, NJ 1995, 287 m.nt. JdB), en de behoeftebepaling van de ex-partner (HR 19 december 2003, LJN AM2379, NJ 2004, 140).
Bovend'eert 2010, p. 24.
Tussen de werkwijze van de werkgroep alimentatienormen en de werkgroep Beslagrecht bestaat een opvallend verschil, dat wordt veroorzaakt door de autonome wijze waarop de eerste werkgroep zich manifesteert. Een en ander blijkt onder meer uit hetgeen Dijksterhuis vaststelt over de doorkruising door de werkgroep van een initiatief van de wetgever om tot een AMvB te komen inzake de hoogte van alimentatie.1 Een uitspraak van Ten Kate, voorzitter van de eerste werkgroep alimentatienormen, spreekt boekdelen:
‘Ik had ook gezegd: Denk eraan dat wij (de NVvR: MM) de race moeten winnen (van het Ministerie van Justitie dat ook werkte aan een rapport: MM). Er moet snel iets liggen’.2
De werkgroep Beslagrecht heeft niet in een vergelijkbare positie verkeerd dat politieke initiatieven met betrekking tot de beoordeling van beslagrekesten aan de orde waren. Er is eerder sprake van een zekere politieke volgzaamheid. Toen in de Tweede Kamer interesse ontstond in het conservatoir beslag naar aanleiding van de zaak Storms (voorheen Brink)/Smit, was bij het Ministerie van Veiligheid en Justitie bekend dat er een onderzoek in opdracht van de Raad voor de rechtspraak naar dat onderwerp liep. Mr. P.M.M. van der Grinten, werkzaam bij Directie Wetgeving van het Ministerie, zegt hierover in het kader van een Expert-Interview het volgende:
‘Als de Raad voor de rechtspraak opdracht geeft tot een onderzoek, dan ligt het voortouw absoluut bij de Raad’. De resultaten daarvan wachten we dan af’.
Dit betekende in het geval van de kamervragen naar aanleiding van de zaak Storms (voorheen Brink)/Smit in 2011, dat door de regering werd verwezen naar de werkzaamheden van de werkgroep Beslagrecht van het LOVCK, waarvan de Minister de bevindingen eerst wilde afwachten, alvorens een standpunt in te nemen.3
In het voorgaande is reeds aan de orde gekomen dat uitspraken van de Hoge Raad leiden tot verticale precedentwerking. Een bepaling in een rechtersregeling is in die omstandigheden gebaseerd op de uitspraak van een hoger rechtscollege en volgt daarmee het hogere precedent, dan wel een hoger rechtscollege spreekt zich uit over een kwestie overeenkomstig een bepaling in een reeds bestaande rechtersregeling.4 Interessant is in dit verband de wijze waarop de werkgroep alimentatienormen blijkt te zijn omgegaan met uitspraken van de Hoge Raad. Dijksterhuis beschrijft drie situaties waarin de werkgroep uitspraken van de Hoge Raad zogezegd ‘aan haar laars lapt’.5 Op grond van de bijgewoonde discussies binnen de werkgroep blijkt dat gekozen werd voor ‘eigen beleid’ omdat dit in de praktijk als werkbaarder werd gezien. Het argument voor het naast zich neer leggen van uitspraken van de Hoge Raad is meestal dat zij een uitzonderlijke situatie zouden betreffen. Problematisch in dit verband is dat het voor de Rechtspraak zelf gecompliceerd is om in dergelijke omstandigheden corrigerend op te treden: de NVvR is immers een beroepsorganisatie die buiten de organisatorische invloedsfeer van de Rechtspraak valt. Uit een artikel van Bovend'Eert komt bovendien het beeld naar voren dat sectorvoorzitters en afdelingsvoorzitters in de rechtbanken rechters niet inhoudelijk dringend sturen op procedure- en inhoudelijke afspraken.6 Voor de werkgroep Beslagrecht geldt dat de binnen de werkgroep gevoerde discussies niet zijn geobserveerd, zodat het niet mogelijk is om uit eigen waarneming iets over de houding van de werkgroepleden ten opzichte van uitspraken van de Hoge Raad te zeggen. Op basis van de interne verslagen en de inhoud van de Beslagsyllabus zijn er echter geen aanwijzingen dat problemen zouden bestaan met het accepteren van verticale precedentwerking binnen de werkgroep Beslagrecht. Een dergelijke houding blijkt ook uit de Expert-Interviews. Een ervaren voorzieningenrechter verwoordt het als volgt:
‘In het geval van (beslag op: MM) kredietruimte heeft de Hoge Raad de knoop doorgehakt. En zo is het. Daarmee is de discussie op een goede manier geëindigd. Het gaat om een keuze die je direct in de Beslagsyllabus moet opnemen’.