Einde inhoudsopgave
Lokale democratische innovatie (R&P nr. DR2) 2021/3.2
3.2 Het gebiedsgericht werken in de gemeente Groningen
mr. drs. J. Westerweel , datum 01-03-2020
- Datum
01-03-2020
- Auteur
mr. drs. J. Westerweel
- JCDI
JCDI:ADS248582:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen / Algemeen
Staatsrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Coalitieakkoord D66, PvdA, GroenLinks en VVD 2014-2018, p. 23.
Coalitieakkoord D66, PvdA, GroenLinks en VVD 2014-2018, p. 5 en 24.
Coalitieakkoord 2019-2022 GroenLinks, PvdA, D66 en ChristenUnie, Gezond, Groen, Gelukkig Groningen, p. 38.
Agenda van de openbare vergadering van de gemeenteraad Groningen van 23 maart 2016 (bijlage bij punt 2, Gebiedsgericht werken en de rol van de Gemeenteraad).
Agenda van de openbare vergadering van de gemeenteraad Groningen van 23 maart 2016 (bijlage bij punt 2, Gebiedsgericht werken en de rol van de Gemeenteraad), p. 3.
Agenda van de openbare vergadering van de gemeenteraad Groningen van 23 maart 2016 (bijlage bij punt 2, Gebiedsgericht werken en de rol van de Gemeenteraad), p. 2-5.
Agenda van de openbare vergadering van de gemeenteraad Groningen van 23 maart 2016 (bijlage bij punt 2, Gebiedsgericht werken en de rol van de Gemeenteraad), p. 2.
Agenda van de openbare vergadering van de gemeenteraad Groningen van 23 maart 2016 (bijlage bij punt 2, Gebiedsgericht werken en de rol van de Gemeenteraad), p. 8; Agenda van de openbare vergadering van de gemeenteraad Groningen van 25 januari 2017 (bijlage bij punt 9, Experimenteren in het gebiedsgericht werken, raadsvoorstel 12 januari 2017, nr. 6132960), p. 2.
Vgl. Van Ostaaijen 2013, p. 97.
Agenda van de openbare vergadering van de gemeenteraad Groningen van 25 januari 2017 (bijlage bij punt 9, Experimenteren in het gebiedsgericht werken, raadsvoorstel 12 januari 2017, nr. 6132960), p. 1-3.
De CWR is een onderdeel van wat in Groningen het gebiedsgericht werken heet. De coalitie uit de periode 2014-2018 noemde dit een van de pijlers van het coalitieakkoord. Het is bedacht als een methode om vanuit het gemeentebestuur maatwerk te leveren voor specifieke wensen in de wijken van de stad, waarbij zo veel mogelijk samengewerkt wordt met lokale belanghebbenden.1 Onder die laatsten moeten bijvoorbeeld marktpartijen, corporaties, buurtverenigingen en bewoners worden begrepen. Het college uit de periode 2014-2018 heeft het gebiedsgericht werken een stimulans gegeven door elke wethouder naast een inhoudelijke portefeuille ook een specifiek stadsdeel en bijbehorende wijken in beheer te geven. Door het creëren van deze ‘wijkwethouders’ werd onder andere beoogd de aanspreekbaarheid van het bestuur op wijkniveau te vergroten en verkokering van beleid tegen te gaan.2 De praktijk van wijkwethouders is door het college uit de periode 2019-2022 voortgezet.3
Op initiatief van het college zijn er vanaf 2015 nieuwe accenten binnen het gebiedsgericht werken aangebracht. Dit lijkt te maken te hebben met de democratische vernieuwingsgolf die over de Nederlandse gemeenten trok en die ook Groningen niet onberoerd liet. Uit notities uit die periode blijkt dat er sterker de nadruk werd gelegd op het participatieve element in het gebiedsgericht werken. Beleid moest meer in samenspraak met bewoners ontwikkeld worden en er moest meer ruimte komen voor initiatieven uit de wijk. In maart 2016 werd hierover een notitie voor de raad geschreven als aanzet voor een gesprek over de rolverdeling en verhoudingen tussen de raad, het college, ambtenaren van de gemeente en inwoners.4 In de notitie werd de mening van de raad gevraagd over het voornemen om in vijf gebieden te gaan experimenteren met een grotere betrokkenheid van bewoners bij het opstellen van een gebiedsagenda voor hun wijk.5 De gebiedsagenda werd omschreven als een sturingsinstrument, vergelijkbaar met de begroting. Het was de bedoeling dat elk gebiedsteam, verantwoordelijk voor een wijk en bestaande uit de wijkwethouder en ambtenaren, een democratisch proces op poten zou zetten om tot de gebiedsagenda te komen. Volgens de notitie moest de agenda de zaken omvatten die voor de wijk het meest relevant waren en zou er antwoord in worden gegeven op drie vragen, namelijk:
Wat is er nodig en wenselijk in de wijk?
Hoe en met wie wordt het gesprek in de wijk gevoerd?
Hoeveel budget en inzet is er nodig om de doelstellingen te verwezenlijken?
Deze vragen vertonen veel overeenkomsten met de drie w-vragen die centraal staan bij het opstellen van de programmabegroting voor de gehele gemeente. De gebiedsagenda moest ook, net als de programmabegroting, worden vertaald naar concrete inzet in de wijken. Deze concrete vertaling zou in de gemeentebegroting worden opgenomen en zou daarmee jaarlijks worden vastgesteld door de raad.6
Aan de raad werden in de notitie van maart 2016 een flink aantal vragen voorgelegd over hoe hij zijn rol zag ten aanzien van de gebiedsagenda en wat de verhouding van dit instrument zou zijn ten opzichte van bijvoorbeeld het budgetrecht van de raad. Drie vragen werden daarbij als hoofdvraag geïdentificeerd:
Welke rol ziet de Raad in het proces van totstandkoming van de gebiedsagenda? Een inhoudelijke, procesmatige of een controlerende rol?
Hoe ver wil de Raad gaan met gebiedsgericht werken? Is de Raad bereid om zeggenschap over onderdelen van de gemeentebegroting naar de wijk te brengen? Welke kaders geeft de Raad daarbij mee?
Hoe gaat de Raad om met bottom-up (wijk- en stedelijke) initiatieven in relatie tot zijn kader stellende, controlerende en volksvertegenwoordigende rol? (Kaders vooraf met betrekking tot inhoud, budget, legitimiteit? Of goedkeuring achteraf?).’7
Over deze en andere vragen werd op 23 maart 2016 door de gemeenteraad vergaderd. Uiteindelijk werden geen concrete antwoorden geformuleerd, maar werden wel vier punten overgenomen die als richtlijnen moesten dienen bij de verdere uitwerking van het gebiedsgericht werken. Het betrof de volgende punten:
De gemeenteraad zet de beweging in gang dat het gesprek, de afweging en de prioriteitsstelling van de gebiedsagenda steeds meer in de wijken plaatsvindt.
De gemeenteraad wil zeggenschap naar de buurten brengen. Met buurtbegrotingen brengt de Raad (in een groeimodel) de budgetten voor vraagstukken die niet direct wijk overstijgend zijn, naar de wijken. De gemeenteraad geeft kaders (programmadoelen) mee waarbinnen de budgetten moeten worden besteed.
Bij de totstandkoming en realisatie van de gebiedsagenda’s is de gemeenteraad betrokken bij het proces in de wijken, als borger van het democratisch proces.
De gemeenteraad wenst te experimenteren met vormen van loting, right to challenge en andere instrumenten, om de betrokkenheid, deelname, zeggenschap en het eigenaarschap van bewoners en samenwerkingspartners te vergroten.’8
Uit deze vier uitgangspunten blijkt dat het college en de raad het gebiedsgericht werken zo wilden uitwerken dat er in feite sprake was van binnengemeentelijke decentralisatie.9 Anders dan het geval was bij de voorheen wettelijk vastgelegde binnengemeentelijke decentralisaties in de vorm van deelgemeenten, wilde het college de precieze manier waarop er gedecentraliseerd zou worden juist laten afhangen van de wensen van en omstandigheden in de verschillende wijken. Het college wilde daarom vijf verschillende experimenten aangaan, waaronder de CWR, in vijf verschillende wijken, die al in de notitie van maart 2016 werden genoemd. In een voorstel aan de raad van januari 2017 werden de experimenten uitgebreider toegelicht en werd tevens aangegeven waarom er geëxperimenteerd moest worden. Onder verwijzing naar de doelstellingen in het coalitieakkoord en landelijke rapporten over de stand van de lokale democratie, werd gesteld dat er experimenten nodig waren om te leren hoe de representatieve democratie en participatieve democratie beter konden functioneren en beter met elkaar verbonden konden worden. Omdat het tegelijkertijd het streven was zo veel mogelijk zeggenschap bij de wijk te beleggen, benadrukte het college wel dat het democratisch proces in de wijk goed geborgd moest zijn en dat er duidelijkheid moest zijn over de rol van de raad.10 Het voorstel aan de raad werd uiteindelijk na enige discussie en met een kleine wijziging aangenomen, waarop hierna dieper wordt ingegaan.