Einde inhoudsopgave
De huwelijksgemeenschap en verkrijgingen krachtens erfrechtelijke titel en gift (R&P nr. PFR10) 2024/10.3.2.1
3.2.1 De bankrekening op naam van één echtgenoot
Mr. T.M. Subelack, datum 02-01-2024
- Datum
02-01-2024
- Auteur
Mr. T.M. Subelack
- JCDI
JCDI:ADS947989:1
- Vakgebied(en)
Personen- en familierecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie paragraaf 2.2.1 hiervóór.
Zie paragraaf 2.3 hiervóór.
Zie paragraaf 2.4.1 hiervóór, onder verwijzing naar HR 13 juni 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF3414, NJ 2004/196 (Procall). Vgl. HR 3 februari 1984, ECLI:NL:HR:1984:AG4750, NJ 1984, 752 (Slis-Stroom).
Zie paragraaf 2.4.2 hiervóór.
Zie reeds eerder T.M. Subelack, ‘Vergoedingsrechten en bankrekening’, in: A. Heida e.a. (red.), EB Klassiek 2018, p. 82-83 en T.M. Subelack, ‘Giraal goed, vergoeden moet?’, in: J. Tighelaar (red.), Actuele Ontwikkelingen in het familierecht (vijftiende UCERF symposium) 2021, p. 19-20. Vgl. R.E. Brinkman, ‘Uitsluitingsclausule op het scherpst van de snede’, WPNR 2019/7243, p. 466; B. Breederveld, ‘Vergoedingsrechten en de huwelijksgemeenschap: een nadere beschouwing’, REP 2019/6, p. 38-39 en C.M. Mellema & E.G. de Jong, De uitspraak van de Hoge Raad van 5 april 2019 in perspectief geplaatst: wat zijn de consequenties voor de rechtspraktijk?, REP 2019/6, p. 41-42. Zie anders de schrijvers waar in paragraaf 3.4, randnummer 638, naar wordt verwezen, en dan met name in voetnoot 167 hierna.
Zie T.M. Subelack, ‘Giraal goed, vergoeden moet?’, in: J. Tighelaar (red.), Actuele Ontwikkelingen in het familierecht (vijftiende UCERF symposium) 2021, p. 20.
Vgl. T.M. Subelack, ‘Vergoedingsrechten en bankrekening’, in: A. Heida e.a. (red.), EB Klassiek 2018, p. 87-88. Zie anders C.A. Kraan, Handboek huwelijksvermogensrecht 2022, p. 122-123.
616. In deze (sub)paragraaf zal worden ingegaan op de werking van boedelmenging in verhouding tot (de creditering van) een bankrekening die op naam van één echtgenoot is gesteld. In de volgende (sub)paragraaf komt de en/of-rekening aan de orde. In paragraaf 2 is uiteengezet dat de betaalrekening als een rekening-courant kwalificeert. Vindt voldoening van een vordering tot betaling van een geldsom middels een girale betaling plaats, dan verschaft de bank aan de rekeninghouder een vordering op zichzelf.1 Hebben er meerdere crediteringen plaatsgevonden, dan zijn er dus meerdere vorderingen van de rekeninghouder op de bank ontstaan. Deze vorderingen worden allemaal in rekening-courant geboekt, waarbij van rechtswege verrekening plaatsvindt. De vorderingen die in rekening-courant worden geboekt blijven als afzonderlijke vorderingen bestaan, indien en voor zover zij niet door verrekening tenietgaan. De vorderingen gaan dus niet reeds door boeking in de rekening-courant teniet. Wel is op grond van de raamovereenkomst die aan de betaalrekening ten grondslag ligt de inhoud van iedere vordering zo vormgegeven dat zij niet individueel ‘geïnd’ kan worden. Dat heeft tot gevolg dat de rekeninghouder niet kan bepalen dat een door hem verstrekte betaalopdracht ten laste wordt gebracht van één of meer specifieke vorderingen die in het saldo van die bankrekening besloten liggen of dat hij ten laste van een specifieke vordering contant geld kan opnemen.2 Is een betaalrekening op naam van één rekeninghouder gesteld, dan geldt als uitgangspunt dat het volledige saldo van die rekening tot zijn vermogen behoort. Dit uitgangspunt is gebaseerd op artikel 3:276 BW, welk artikel bepaalt dat, tenzij de wet of overeenkomst anders bepaalt, een schuldeiser zijn vordering op alle goederen van zijn schuldenaar kan verhalen.3 Is het creditsaldo van een bankrekening door girale betaling van een vordering tot betaling van een geldsom ontstaan en valt die vordering in een gemeenschap, dan hebben de deelgenoten op grond van artikel 6:15 lid 2 BW niet ieder een eigen vorderingsrecht op de bank, maar hebben zij één vorderingsrecht, dat aan de deelgenoten gemeenschappelijk toebehoort. In dat geval is de tenaamstelling van deze bankrekening dus niet doorslaggevend voor het antwoord op de vraag aan wie, en in welke verhouding, het saldo van de bankrekening in goederenrechtelijke zin toebehoort. Het antwoord op die vraag wordt in geval van een gemeenschap bepaald door de rechtsverhouding die aan die gemeenschap ten grondslag ligt (zie artikel 3:166 lid 2 BW). Bestaat het creditsaldo uit meerdere vorderingen die door verschillende crediteringen ten gunste van de rekeninghouder zijn ontstaan en die onder de reikwijdte van de betreffende gemeenschap vallen, dan hebben de deelgenoten gezamenlijk meerdere vorderingsrechten jegens de bank, waarbij als bijzonderheid geldt dat die afzonderlijke vorderingen op grond van de rekening-courantovereenkomst niet individueel geïnd kunnen worden. Ook hier wordt ieders gerechtigdheid tot het saldo dan bepaald door de rechtsverhouding die aan die gemeenschap ten grondslag ligt.4 Bij de huwelijksgemeenschap wordt die rechtsverhouding bepaald door artikel 1:100 lid 1 BW, op grond waarvan ieder van de echtgenoten gerechtigd is tot de helft van de waarde van alle vorderingen die in het saldo van de bankrekening besloten liggen en die krachtens boedelmenging tot de huwelijksgemeenschap zijn gaan behoren.
617. Past men dit alles toe op die gevallen waarin een rekeninghouder in de wettelijke gemeenschap van goederen is gehuwd, dan zal bij iedere vordering die door creditering van de bankrekening op de bank ontstaat beoordeeld moeten worden of deze krachtens boedelmenging aan de echtgenoten gemeenschappelijk gaat toebehoren of niet. Op het moment dat de bank de bankrekening crediteert, ontstaat immers een nieuwe vordering. Die vordering kwalificeert als een afzonderlijk goed, waarbij de vordering in het saldo van de rekening-courant als afzonderlijke vordering blijft voortbestaan tenzij deze door verrekening tenietgaat. Aldus verkrijgt de betreffende echtgenoot bij iedere creditering van zijn bankrekening een afzonderlijk goed waarvan afzonderlijk beoordeeld zal moeten worden of dit wel of niet in de huwelijksgemeenschap valt waarin hij is gehuwd. Is een echtgenoot in de wettelijke gemeenschap van goederen gehuwd, en heeft hij een bankrekening met een creditsaldo dat uit meerdere vorderingen is opgebouwd, dan zal dus ten aanzien van al die afzonderlijke vorderingen vastgesteld moeten worden of deze wel of niet tot de huwelijksgemeenschap zijn gaan behoren. Dit betekent dat voor het antwoord op de vraag of het creditsaldo van een bankrekening tot de huwelijksgemeenschap behoort dit creditsaldo niet als één ondeelbare vordering kan worden beschouwd.5 Aldus kan het zijn dat een deel van het saldo van de bankrekening wél en een deel van het saldo van de bankrekening níét in de huwelijksgemeenschap valt. Daarmee heeft de bankrekening vanuit het perspectief van het huwelijksgoederenrecht een ‘hybride’ karakter.6 Voor de vorderingen in het creditsaldo die krachtens boedelmenging in de huwelijksgemeenschap zijn gevallen geldt vervolgens dat de echtgenoten niet ieder een eigen vorderingsrecht voor een gelijk deel hebben, maar dat ieder afzonderlijk vorderingsrecht op grond van artikel 6:15 lid 2 BW als één geheel aan de echtgenoten gezamenlijk toebehoort. Aldus behoren tot de huwelijksgemeenschap meerdere(!) vorderingsrechten jegens de bank, waarbij dan wel als bijzonderheid geldt dat die afzonderlijke vorderingen op grond van de rekening-courantovereenkomst niet individueel ‘geïnd’ kunnen worden. Uit dit alles vloeit vervolgens ook voort dat wanneer de echtgenoten in de beperkte wettelijke gemeenschap van goederen zijn gehuwd en zij vóór het ontstaan van die gemeenschap één of meer bankrekeningen op eigen naam hadden, het saldo van die rekeningen zoals dat op dat moment bestond op grond van artikel 1:94 lid 2 BW buiten de huwelijksgemeenschap zal vallen, maar dat crediteringen die daarna ten gunste van die bankrekening plaatsvinden in beginsel in de huwelijksgemeenschap zullen vallen. Aldus geldt ook voor een bankrekening die een echtgenoot reeds vóór het huwelijk had dat het saldo daarvan in de loop van het bestaan van de huwelijksgemeenschap deels in en deels buiten die huwelijksgemeenschap zal kunnen vallen.7