Het hoger beroep en het cassatieberoep in burgerlijke zaken in de Nederlandse Antillen en Aruba
Einde inhoudsopgave
Het hoger beroep en het cassatieberoep in burgerlijke zaken in de Nederlandse Antillen en Aruba (BPP nr. VII) 2010/4.2.1:4.2.1 Eenheid binnen het Koninkrijk-autonomie van de landen
Het hoger beroep en het cassatieberoep in burgerlijke zaken in de Nederlandse Antillen en Aruba (BPP nr. VII) 2010/4.2.1
4.2.1 Eenheid binnen het Koninkrijk-autonomie van de landen
Documentgegevens:
Mr. G.C.C. Lewin, datum 08-01-2010
- Datum
08-01-2010
- Auteur
Mr. G.C.C. Lewin
- JCDI
JCDI:ADS447533:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De eerste fundamentele dimensie betreft de vraag in hoeverre men de eenheid binnen het Koninkrijk wil bevorderen of juist de autonomie van de landen waaruit het Koninkrijk is samengesteld.
Het ene uiterste is dat het procesrecht in de Nederlandse Antillen en Aruba in beginsel geheel gelijk moet zijn aan het Nederlandse procesrecht. Afwijkingen zijn alleen toegestaan als de omstandigheden daartoe dwingen.
Voordelen van deze benadering zijn dat bij overneming van het Nederlandse procesrecht optimaal gebruik wordt gemaakt van de daaraan verbonden rechtsbronnen, zoals parlementaire geschiedenis, wetenschappelijk debat, rechtspraak en handboeken. Dat vergemakkelijkt ook de opleiding van juristen in de Nederlandse Antillen en Aruba en de inzet van in Nederland opgeleide juristen. Zo is deze benadering ook kostenbesparend.
Nadeel van deze benadering is dat bij de ontwikkeling van Nederlandse regels wordt uitgegaan van de situatie in Nederland, zodat de regels vaak niet goed aansluiten op de omstandigheden in de Nederlandse Antillen en Aruba. Zo lossen de Nederlandse regels soms problemen op die in de Nederlandse Antillen en Aruba niet of niet op dezelfde wijze bestaan.
De benadering kan worden teruggevonden in het concordantiebeginsel zoals dat gold tot de invoering van het Statuut. In de Nederlandse koloniën werd aanvankelijk het Nederlandse procesrecht ingevoerd, met uitsluitend afwijkingen voor zover dadelijk voorzienbaar was dat het Nederlandse systeem onmogelijk kon werken, bijvoorbeeld bij gebrek aan transport- en communicatiemiddelen, deurwaarders en advocaten.
Het andere uiterste is dat het procesrecht in de Nederlandse Antillen en Aruba geheel moet zijn afgestemd op de opvattingen en omstandigheden van die landen. Overneming van Nederlandse regels is alleen toegestaan voor zover kan worden aangetoond dat de regels goed zullen werken in overeenstemming met die opvattingen en omstandigheden. Overneming van regels uit andere rechtsstelsels komt evenzeer of zelfs eerder in aanmerking als/dan overneming van Nederlandse regels. Achtergrond van deze benadering is dat veel mensen in de Nederlandse Antillen en Aruba wensen dat de samenlevingen hun eigen identiteit verder ontwikkelen en zich losmaken van een moeilijk verleden met Nederland. Daarbij behoort niet alleen een eigen taal, vlag en volkslied, maar ook een eigen rechtssysteem, waaronder een eigen procesrecht. Ook het procesrecht wordt zo dienstbaar gemaakt aan de verdere ontwikkeling van zelfstandige en zelfbewuste samenlevingen.
Voordeel van deze benadering is dat de regels op maat kunnen worden gemaakt en kunnen worden toegesneden op de situatie. Zo kunnen problemen optimaal worden bestreden. Verder zullen niet alleen veel professionele procesdeelnemers in de Nederlandse Antillen en Aruba, maar ook veel justitiabelen zich herkennen in het procesrecht.
Beide benaderingen kunnen worden ingepast in het concordantiebeginsel, zoals dat thans wordt opgevat. Het gaat thans immers om een vorm van vrijwillige samenwerking. De landen zijn vrij van geval tot geval te bezien of zij concordantie wenselijk achten. Voor zover men in de tweede benadering ook wettelijke verschillen tussen de zes eilanden onderling wil introduceren, stuit dat af op art. 5, aanhef en sub 3 Samenwerkingsregeling, waarin is bepaald dat het burgerlijk procesrecht moet worden geregeld bij eenvormige landsverordening. Niettemin bestaan er verschillen tussen de eilanden ten aanzien van de comparitie na antwoord en de wijze waarop sommige verzoeken aan de rolrechter in eerste aanleg worden gedaan (schriftelijk vooraf of mondeling op de rolzitting). De tweede benadering kan ertoe leiden dat men niet alleen geen eenvormig procesrecht meer wenst, maar evenmin een gedeelde appelrechter, of dat men wenst dat de appelrechter op het eigen eiland zetelt. Dergelijke wensen heeft Aruba in 2008 geuit.
Voorbeelden die getuigen van de eerste benadering:
a. Soms worden Nederlandse regels overgenomen in de Antilliaanse en Arubaanse rechtsorden, terwijl die regels in Nederland uitsluitend zijn opgenomen wegens EU-verplichtingen of uit loyaliteit met andere EUlidstaten, en de regels niet voorzien in een in de Nederlandse Antillen en Aruba bestaande behoefte.1
b. Soms worden Nederlandse praktijken overgenomen zonder wetswijziging: Monte en Bondam beschrijven hoe in de jaren vijftig de mondelinge behandeling in eerste aanleg zich naar Nederlands voorbeeld had ontwikkeld tot een schriftelijke procedure met twee conclusieronden.2 Monte vermeldt daarnaast dat van de rechterlijke bevoegdheid van art. 118 weinig werd gemerkt vanwege de afwijking van het in Nederland geldende beginsel van lijdelijkheid.3 In 2005 is naar Nederlands voorbeeld in de praktijk de comparitie na antwoord ingevoerd zonder wetswijziging.
Voorbeelden van wetsartikelen die getuigen van de tweede benadering:
art. 263a over tussentijds appel, gebaseerd op Angelsaksisch recht;
art. 1020 over arbitrage, gebaseerd op een door de Verenigde Naties opgesteld model.