Einde inhoudsopgave
Informatierechten van aandeelhouders (IVOR nr. 134) 2024/7.5.2.2
7.5.2.2 Gelijke behandeling
mr. P.L. Hezer, datum 27-05-2024
- Datum
27-05-2024
- Auteur
mr. P.L. Hezer
- JCDI
JCDI:ADS972056:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Begrijp ik hen goed, dan betreft dit onder meer Maeijer (zie Asser/Maeijer 2-III 1994, nr. 256), Dortmond (zie Handboek 2013, nr. 203.1) en Van Solinge & Nieuwe Weme (zie Asser/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-IIb 2019, nr. 6).
Vgl. Rb. Amsterdam (pres.) 27 juli 1999, JOR 1999/178 m.nt. M.P. Nieuwe Weme (Otra), r.o. 4.
In het Duitse recht lijkt voor een vergelijkbare benadering te zijn gekozen. Op grond van artikel §131(4) AktG kan iedere aandeelhouder van een AG verzoeken om de verstrekking van informatie die niet raakt aan een agendapunt, mits die informatie reeds buiten vergadering aan een andere aandeelhouder is verstrekt. Dit zal met name aan de orde zijn indien een aandeelhouder op grond van §132 AktG in rechte is opgekomen tegen de weigering van de vennootschapsleiding om een op grond van §131 AktG gestelde vraag te beantwoorden, en die vraag vervolgens buiten vergadering is beantwoord aan de procederende aandeelhouder. Vragen zij hier echter niet om, dan hoeft de informatie ook niet te worden verstrekt. Op deze wijze wordt het gelijkheidsbeginsel van §53 AktG te waarborgen. Deze waarborg ziet op gelijke toegang tot de betreffende informatie, maar niet noodzakelijkerwijs op gelijke – en zeker niet op gelijktijdige – verstrekking van die informatie.
Indien aandeelhouders zich inderdaad in gelijke omstandigheden bevinden, zullen zij in beginsel gelijk moeten worden behandeld. Maar wat houdt gelijke behandeling in als het gaat om informatierechten? De voornaamste vraag in dit verband lijkt te zijn of gelijke behandeling ziet op de daadwerkelijk verstrekte informatie, of op de mogelijkheid om toegang te krijgen tot bepaalde informatie.
In de literatuur1 en de rechtspraak2 is wel aangenomen dat aandeelhouders die zich in gelijke omstandigheden bevinden ook daadwerkelijk dezelfde informatie zouden moeten ontvangen. Ik zou echter willen betogen dat gelijke behandeling in het kader van informatierechten van aandeelhouders in beginsel ziet op gelijke toegang tot informatie, niet noodzakelijkerwijs op gelijke verstrekking van informatie.3 Hierbij moet worden bedacht dat informatieasymmetrieën tussen aandeelhouders nu eenmaal onvermijdbaar zijn. Dit laat zich eenvoudig illustreren aan de hand van het gegeven dat niet alle aandeelhouders altijd iedere aandeelhoudersvergadering zullen bijwonen. De afwezige aandeelhouders zullen daardoor mogelijk geen kennis kunnen nemen van antwoorden op vragen die ter vergadering worden gesteld. Het lijkt mij echter lastig te verdedigen dat in een dergelijke situatie sprake is van ongelijke behandeling. De afwezige aandeelhouders hadden toegang tot de relevante informatie, maar hebben ervoor gekozen die toegang niet te benutten.
Een ander voorbeeld: de situatie waarin twee minderheidsaandeelhouders zonder vertegenwoordiging in de vennootschapsleiding buiten vergadering worden geïnformeerd over een tegenstrijdig belang-transactie tussen de vennootschap en haar grootaandeelhouder. Ondanks ruimhartige informatieverstrekking door de vennootschap, stelt één van deze aandeelhouders vervolgvragen die worden beantwoord door de vennootschap. De andere aandeelhouder acht zich kennelijk voldoende geïnformeerd en vraagt niet door. Is hier sprake van ongelijke behandeling? Ik zou menen van niet. Kennelijk achtte de andere minderheidsaandeelhouder zich voldoende geïnformeerd om tot een informed judgment te kunnen komen. De vennootschap is dan niet zonder meer gehouden de informatie waarom de ene aandeelhouder verzocht, uit eigen beweging ook met de andere aandeelhouder te delen zonder een verzoek van die aandeelhouder. Wel dienen beide aandeelhouders gelijke mogelijkheden te krijgen om vervolgvragen te stellen en gelijke antwoorden te krijgen op gelijke vragen.
Wat nu indien de vennootschap in de hiervoor geschetste casus de ene minderheidsaandeelhouder wel uit eigen beweging zou hebben geïnformeerd, maar de andere niet? In dat geval is het informatierecht van de niet-geïnformeerde minderheidsaandeelhouder geschonden. Deze situatie dient te worden onderscheiden van een schending van het gelijkheidsbeginsel. Allicht zou deze aandeelhouder – in ieder geval in theorie – desgevraagd dezelfde informatie kunnen ontvangen, maar van hem kan bezwaarlijk worden verwacht dat hij vraagt naar een transactie waarvan hij geen weet heeft.
Een laatste voorbeeld: een quasi-VOF heeft drie aandeelhouders met een gelijk aandelenbelang. Slechts een van hen is vertegenwoordigd in de vennootschapsleiding. De overige twee aandeelhouders hebben echter een doorlopend informatierecht. Indien een van hen – zonder medeweten van de ander – informatie opvraagt over de financiële positie van de onderneming en de vennootschap dit verzoek inwilligt, moet die informatie dan ook worden gedeeld met beide aandeelhouders? Ik zou wederom menen van niet, althans niet zolang beide aandeelhouders desgevraagd dezelfde informatie zouden hebben ontvangen. Anders dan in de zojuist geschetste situatie, nopen de betrokken aandeelhoudersbelangen dan niet tot proactieve informatieverstrekking door de vennootschap.