Einde inhoudsopgave
Achtergestelde vorderingen (O&R nr. 114) 2019/4.2.3.2
4.2.3.2 Grenzen
mr. drs. N.B. Pannevis, datum 01-04-2019
- Datum
01-04-2019
- Auteur
mr. drs. N.B. Pannevis
- JCDI
JCDI:ADS186577:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Algemeen
Ondernemingsrecht / Algemeen
Vermogensrecht / Rechtsvorderingen
Verbintenissenrecht / Algemeen
Verbintenissenrecht / Overeenkomst
Voetnoten
Voetnoten
HR 14 juni 2013, JOR 2013/213 (Aegon/Stichting Koersplandewegkwijt), r.o. 3.4.2 e.v., Tjittes 2013, p. 391, Tjittes 2018, p. 402 en 407, Schelhaas 2017, p. 46 en Asser/Sieburgh 6-III 2018/366, 380 en 403. Zie verder par. 6.3.4.2 en Fransis 2017, p. 381, voetnoot 1228.
Vgl. ook HR 9 december 2016, JOR 2017/55, (Flexabram/Iprem), r.o. 4.1.1.
Zo ook Fransis 2017, p. 381, Wessels 2013, p. 69 en Kliebisch 2002, p. 454. Vgl. HR 18 oktober 2002, NJ 2003/503, JOR 2002/234 (Curatoren Habo/Besix), r.o. 3.4.1 en 3.4.2.
Zie ook Vranken 1989 en Fransis 2017, p. 380.
HR 21 januari 2014, JOR 2014/119 (Immun’Âge /Neo-River) en HR 7 november 1929, NJ 1930, p. 5 (Schaap/Salm q.q. cs.).
Zie Verstijlen 2011.
Zo ook Fransis 2017, p. 381.
Zie par. 3.2.2, 3.3, 3.5.2.3 en 3.5.3.
Zie echter ook par. 4.2.3.3, par. 9.4.2, Hof Amsterdam 24 januari 2012, ECLI:NL:GHAMS:2012:BV1361 (X/FC Den Bosch), Rb. Dordrecht 28 maart 2012, JOR 2013/85 (Rabobank Hulst/C.V. Move Handel & Scheepvaart), r.o. 4.10, Wessels 2013, p. 69 en Faber 2005, p. 512.
Zie HR 18 oktober 2002, NJ 2003/503, JOR 2002/234 (Curatoren Habo/Besix), r.o.3.4.1 en 3.4.2.
118. Uitleg met het oog op het doel van de achterstelling kent echter grenzen. Een overeenkomst van achterstelling beperkt de bevoegdheden van de junior. Die beperkingen worden gedragen door de instemming van de junior.
Hierbij laat ik de aanvulling van de overeenkomst in de zin van artikel 6:248 BW buiten beschouwing. Aanvulling speelt immers geen rol bij de uitleg van de overeenkomst, maar komt pas aan bod wanneer na uitleg blijkt dat de overeenkomst een leemte bevat.1
119. De overeenkomst van achterstelling beperkt de bevoegdheden van de junior alleen voor zover die daarmee heeft ingestemd.2 Uitleg met het oog op het doel van de achterstelling dreigt die grondslag te vervangen door de wens van de senior. Dat is mijns inziens onvoldoende grondslag om rechtsgevolgen aan de achterstelling te verbinden, zoals een uitsluiting van verrekening.3 Een achterstelling functioneert weliswaar in veel gevallen als een zekerheidsrecht voor de senior, maar dat betekent niet dat in de overeenkomst steeds moet worden gelezen wat de senior daarin wenst te lezen.4
Wettelijk geregelde zekerheidsrechten hebben enkel de inhoud die de wet daaraan geeft.5 A fortiori hebben contractuele zekerheidsrechten alleen de inhoud die partijen daaraan in hun overeenkomsten hebben gegeven.6 Het is aan de partijen die de achterstelling overeenkomen om de gevolgen daarvan te regelen. Als zij de opeisbaarheid of verrekenbaarheid van de juniorvordering willen beperken verdient het aanbeveling dat expliciet te regelen.7 Dat gebeurt in veel overeenkomsten van achterstelling.8
Als partijen de opeisbaarheid en verrekening niet expliciet hebben geregeld mag niet al te gemakkelijk worden aangenomen dat de juniorschuldeiser met die overeenkomst zijn bevoegdheden heeft willen beperken, bijvoorbeeld door verrekening uit te sluiten. De aard of het doel van een overeenkomst van achterstelling is onvoldoende om in die overeenkomst steeds een beperking van de opeisbaarheid of verrekenbaarheid te lezen.9 Dit sluit aan bij het arrest Curatoren Habo/Besix waarin de Hoge Raad besliste dat een overeenkomst van achterstelling niet zonder meer betekent dat de junior zijn bevoegdheden tot verrekening heeft prijsgegeven.10 Er moet dus steeds zorgvuldig worden onderzocht of de overeenkomst van achterstelling voldoende aanknopingspunten biedt om te concluderen dat de junior zijn schuldeisersbevoegdheden heeft ingeperkt.