Quasi-erfrecht
Einde inhoudsopgave
Quasi-erfrecht (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2006/IV.1.15:IV.1.15. Quasi-legaten en overgangsrecht
Quasi-erfrecht (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2006/IV.1.15
IV.1.15. Quasi-legaten en overgangsrecht
Documentgegevens:
prof. mr. F.W.J.M. Schols, datum 24-03-2006
- Datum
24-03-2006
- Auteur
prof. mr. F.W.J.M. Schols
- JCDI
JCDI:ADS580334:1
- Vakgebied(en)
Erfrecht (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De schuldeisersbeschermingsregeling van art. 4:126 BW heeft op grond van het overgangsrecht onmiddellijke werking (art. 68a OW). Dit betekent dat ook ‘oude’ overeenkomsten, die van vóór 1 januari 2003, onder het bereik komen van, bijvoorbeeld, legitimarissen.1 Ontstaat als gevolg van een oude overeenkomst een vermogensverschuiving ten laste van de nalatenschap en komen de legitimarissen hierdoor te kort, dan dient de quasi-legataris te dragen in het tekort, conform de regels van art. 4:126 BW. Er geldt slechts een specifieke overgangsregeling voor de quasi-legaten van art. 4:126 lid 2 onder a BW in art. 131 OW, welke regeling met zich brengt dat het tekort pas op termijn voldaan hoeft te worden. Deze regeling geldt slechts voor echtgenoten, geregistreerde partners en ‘andere levensgezellen’. Zie hierna par. 3.3.5 van dit hoofdstuk.
Is het overgangsrecht hier niet te beperkt? Stel de goede (zeil-)vrienden A en B hebben gezamenlijk een kostbare zeilboot. A en B hebben legitimarissen, niet van elkaar doch bij hun echtgenoten. Zij maakten met betrekking tot de zeilboot vóór 1 januari 2003 een verblijvingsbeding om niet, ten behoeve van de langstlevende van hen, werkend bij overlijden van de eerststervende. Hun echtgenoten en kinderen hielden toch niet van water en zij wilden elkaar na het overlijden ‘zeilend achterlaten’. De overeenkomst kan aangemerkt worden, althans dat wordt in casu aangenomen, als een kanscontract. Zou A onder oud erfrecht zijn overleden dan zouden zijn kinderen iedere aanspraak op de boot én op de waarde daarvan missen. Overlijdt A onder het huidige erfrecht dan geldt de quasi-legatenregeling en hebben de legitimarissen, op grond van de onmiddellijke werking van art. 68a OW, geen aanspraak op de boot, maar wellicht wel aanspraak op (een gedeelte van) de waarde van de boot. Ik kan hier niet zo goed mee uit de voeten en het doet mij denken aan een vormvan onteigening. Kan hier de ‘leer van de verkregen rechten’ of ‘het leerstuk van de eerbiediging van materieel bepaalde rechtsposities’ van art. 69 OW niet dienst doen?2 Art. 69 OW bepaalt onder meer dat wanneer de nieuwe wet van toepassing wordt, dat niet tot gevolg heeft dat alsdan iemand een vermogensrecht verliest dat hij onder het tevoren geldende recht had verkregen. Hebben de zeilvrienden niet over en weer rechten verkregen? Ik ben van mening dat art. 69 OW voorkomt (of zou moeten voorkomen) dat legitimarissen nog kunnen ageren tegen oude quasi-legaten, waartegen ze onder oud recht niets zouden kunnen ondernemen.
Art. 131 OW geeft (voor bepaalde personen) een verzachting tegen de onmiddellijke werking voor de quasi-legaten van art. 126 lid 2 onder a BW.3 Ik ga er vanuit dat, gelet op het feit dat art. 131 OW het licht heeft gezien, de wetgever niet de bedoeling heeft gehad art. 69 OW in dit kader nog een rol te laten spelen. Met art. 131 OW levert ook de ‘beschermde’ quasi-legataris van art. 4:126 lid 2 onder a BW echter iets in. Een legitimaris kan op het quasi-legaat inkorten, hetgeen hij voorheen niet kon. Dat een en ander resulteert in een op grond van art. 131 OW niet-opeisbare vordering doet daar niet aan af.
Dit overgangsrecht (óók het overgangsrecht voor de gehuwden/partners) is onaanvaardbaar, in strijd met de rechtszekerheid en vormt mijns inziens een aantasting van verkregen rechten.