Einde inhoudsopgave
Quasi-erfrecht (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2006/IV.1.9
IV.1.9. Quasi-legaten en ‘andere wettelijke rechten’
prof. mr. F.W.J.M. Schols, datum 24-03-2006
- Datum
24-03-2006
- Auteur
prof. mr. F.W.J.M. Schols
- JCDI
JCDI:ADS577930:1
- Vakgebied(en)
Erfrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zesde Nota van Wijziging, 17 141, nr. 26, p. 12.
17 141, nr. 30.
Nota van Wijziging, 17 213, nr. 4, p. 16.
Zesde Nota van Wijziging, 17 141, nr. 26, p. 22.
Perrick, Over giften ter zake des doods, andere fictieve legaten en verwante rechtshandelingen onder het komende recht, WPNR 6422 (2000), alwaar hij de quasi-legatenregeling juridisch fileert.
Terzijde: de vraag komt op wat met de inbrengverplichting (sublegaat) gebeurt indien het gelegateerde goed wordt belast met vruchtgebruik. Men kan hier twee visies op los laten.1) De inbrengverplichting wordt verminderd op de voet van 4:121 BW. Deze vermindering vindt evenwel slechts plaats indien het legaat wordt verminderd of ingekort. Of het vestigen van vruchtgebruik op grond van de ‘andere wettelijke rechten’ als inkorten in de zin van art. 4:121 BW aangemerkt kan worden, kan betwijfeld worden. Ik vind het wel een elegante gedachte, zodat een verduidelijking/aanpassing in art. 4:121 BW mijn goedkeuring zou kunnen wegdragen.2) De legataris dient waakzaam te zijn bij de aanvaarding. Onder het oude recht moest een legataris die legaten aanvaardde waaraan verplichtingen verbonden zaten, ook op de hoede zijn voor inkortende legitimarissen.
Perrick, Over giften ter zake des doods, andere fictieve legaten en verwante rechtshandelingen onder het komende recht, WPNR 6422 (2000).
De langstlevende echtgenoot heeft onder omstandigheden recht op het vruchtgebruik van de tot de nalatenschap behorende woning en inboedel (art. 4:29 BW) en zo nodig op andere goederen van de nalatenschap (art. 4:30 BW). De langstlevende heeft dit recht jegens de erfgenamen. In lid 3 van art. 4:29 BW is onder meer bepaald dat de langstlevende dit recht ook heeft jegens legatarissen en lastbevoordeelden, die, ondanks de beschikkingsonbevoegdheid, gerechtigd zijn geworden tot de betreffende goederen. Art. 4:30 lid 3 BW geeft een vergelijkbare regeling. Ook de legatarissen en lastbevoordeelden zijn verplicht mee te werken aan de vestiging van het ‘verzorgingsvruchtgebruik’. Art. 4:128 BW breidt dit verder uit tot ‘degenen die zijn bevoordeeld door een handeling als bedoeld in artikel 126.’
Zijn hier alle quasi-legaten van art. 4:126 BW bedoeld? Het gebruik van het woord ‘bevoordeeld’ is niet erg gelukkig en noopt tot de gestelde vraag. In de parlementaire stukken leest men:
‘Opmerking verdient dat op grond van het nieuwe artikel 4.4.2.7b ook van de begiftigden (curs. FS)bij dode medewerking aan vestiging van het vruchtgebruik kan worden gevorderd. Hun positie dient op dit punt gelijk te zijn aan die van legatarissen.’1
Is slechts het quasi-legaat van art. 4:126 lid 1 BW, zijnde een ‘bevoordeling’, onderwerp van art. 4:128 BW?
Indien men de voorloper van art. 4:128 BW bestudeert, te weten art. 4.4.2.7b, zoals neergelegd in het Tweede nader Gewijzigd voorstel van Wet,2 ziet men dat aldaar slechts gesprokenwerd over:
‘[…] degenen jegens wie een gift is gedaan die wordt aangemerkt als een legaat voor de toepassing van het in dit Boek bepaalde betreffende inkorting en vermindering.’
Art. 4:128 BW kan men als een kopie van dat artikel beschouwen, met enkele – vooral redactionele – aanpassingen.3 In de parlementaire stukken4 leest men naar aanleiding van het bedoelde art. 4.4.2.7b:
‘Deze bepaling heeft ten doel om de giften bij dode als bedoeld in artikel 7.3.3 (alsmede artikel 7.3.12b en 7.3.12c), welke krachtens artikel 7.3.3b lid 2 als legaat worden behandeld voor de toepassing van het in dit Boek bepaalde omtrent inkorting en vermindering, ook buiten de inkorting en vermindering in een aantal opzichten met legaten gelijk te stellen. De gelijkstelling voor artikel 4.2A.2.2 en 4.2A.2.3 betreft de verplichting tot medewerking aan het vestigen van vruchtgebruik ten behoeve van de langstlevende echtgenoot van de erflater, hetgeen vergelijkbaar is met inkorting (curs. FS).’
De door mij gecursiveerde woorden maken duidelijk dat het de bedoeling is geweest art. 4:128 BW op alle quasi-legaten te betrekken. De eerder aangehaalde passage waar slechts werd gesproken van ‘begiftigden’ dient men te lezen in het licht van het gegeven dat destijds alle quasi-legaten, door wetsduiding, als gift werden aangemerkt. Het woord ‘bevoordeeld’ in art. 4:128 BW is daar een relikwie van. De tweede zinsnede van art. 4:128 BW, waar gesproken wordt van ‘een handeling als bedoeld in artikel 126’ is zuiverder dan het gebruik van het woord ‘bevoordeeld’. Het feit dat hier een andere tekst gehanteerd wordt, draagt echter ook bij aan de hier gesignaleerde verwarring ten aanzien van het gebruik van het woord ‘bevoordeeld’.
Perrick5 merkt het volgende op:
‘Welke goederen die de fictieve legatarissen hebben verkregen dienen voor de toepassing van art. 4.2A.2.3 lid 3 te worden aangemerkt “als goederen die zij als zodanig uit de nalatenschap hebben ontvangen”? Het is de vraag of hierbij een onderscheid gemaakt dient te worden tussen enerzijds schenkingen en anderzijds andere giften ter zake des doods. In geval van een schenking zal het vruchtgebruik dienen te worden gevestigd op het geschonken goed of, indien de echtgenoot niet behoefte heeft aan vestiging van een vruchtgebruik op het gehele goed, op een gedeelte daarvan. Ik zou willen aannemen dat indien het gaat om een gift ter zake des doods het vruchtgebruik gevestigd dient te worden op een geldsom ter grootte van de waarde van de gift of een zodanig gedeelte daarvan als de langstlevende nodig heeft voor zijn verzorging.’
Zou hij deze ‘economische’ visie ook doortrekken op de quasi-legaten van art. 4:126 lid 2 onder a BW? Dit zou dan tot gevolg hebben dat het vruchtgebruik gevestigd dient te worden op een geldsom ter grootte van het verschil tussen de eventueel aan de nalatenschap te vergoeden waarde en de waarde van het goed in het economisch verkeer of een zodanig gedeelte daarvan als de langstlevende nodig heeft voor zijn verzorging.
Mijns inziens kunnen, met de verwijzing in art. 4:128 BW naar art. 4:29 lid 3 BW en art. 4:30 lid 3 BW, de ‘andere wettelijke rechten’ uitgeoefend worden op de goederen zélf. Dit is nu eenmaal de aard van de ‘andere wettelijke rechten’: een recht van vruchtgebruik op goederen van de nalatenschap. Indien de quasi-legataris verrast wordt door de toepasselijkheid van de ‘andere wettelijke rechten’ en – in strijd met de afspraken met de erflater – een vruchtgebruik moet dulden, dan kan hij zijn contractspartij – na het overlijden de erfgenamen – daarop aanspreken. Wellicht claimt hij schadevergoeding. Men zal bij het aangaan van overeenkomsten ter zake des doods met deze legitimaire claims rekening moeten houden, door bijvoorbeeld tegenprestaties daarop in te kleden. Dit is niet anders als wij onder het oude recht gewend waren ten aanzien van de goederenrechtelijke legitieme van de (klein)kinderen.
De verwijzing in art. 4:128 BW heeft mijns inziens dan ook, zoals al geconstateerd, tot gevolg dat ook voor de regeling van de ‘andere wettelijke rechten’ de betrokken goederen geacht worden te zijn gelegateerd.
Een gift terzake des doods, quasi-erfrecht, kan bijvoorbeeld vergeleken worden met een legaat tegen inbreng. In het geval van een legaat tegen inbreng kunnen de ‘andere wettelijke rechten’ uitgeoefend worden op de gelegateerde goederen en niet slechts op het ‘voordeel’.6 Waarom zou dat, gelet op de door art. 4:128 BW uitdrukkelijk opgerekte fictie van art. 4:126 BW, voor quasi-legaten anders zijn?
De tweede zinsnede van art. 4:128 BW, heeft tot gevolg dat ook voor quasi-legatarissen geldt dat de door hen verkregen goederen slechts voor bezwaring met vruchtgebruik in aanmerking komen, indien het vruchtgebruik van de overige goederen van de nalatenschap onvoldoende is ter voldoening aan de verzorgingsbehoefte van de langstlevende.
Perrick7 merkt in dit kader op dat de tweede zin van art. 4:30 lid 5 BW, welke zin handelt over de volgorde van belasting met vruchtgebruik indien een natuurlijke verbintenis speelt, door de redactie van art. 4:128 BW niet van overeenkomstige toepassing wordt verklaard. Hij gaat er van uit dat deze volzin wel van overeenkomstige toepassing is. Dit zou betekenen, zo schrijft hij, dat een fictief legaat voor zover dit te beschouwen is als voldoening aan een natuurlijke verbintenis van de erflater pas na andere makingen – en andere fictieve legaten – voor bezwaring met vruchtgebruik in aanmerking komt.
Ik kan mij hier in vinden, doch ‘het staat er niet’. Een uitdrukkelijke regeling als in art. 4:126 BW ontbreekt immers. Het zou goed zijn als de wetgever de gedachte van Perrick oppakt.
De bepaling dat gelegateerde goederen in het algemeen vóór quasi-gelegateerde goederen voor bezwaring met vruchtgebruik in aanmerking komen, wordt eveneens gemist. Een omissie die hersteld dient te worden in art. 4:128 BW op vergelijkbare wijze als geregeld is in art. 4:126 BW, ten aanzien van de inkortings- en verminderingsvolgorde. Ik verwijs naar par. 1.6.1 van dit hoofdstuk. Ik ga er van uit dat de erflater niet bij uiterste wilsbeschikking kan bepalen dat ‘quasi-gelegateerde’ goederen vóór gelegateerde goederen voor bezwaring in aanmerking komen. Dit zou te zeer in strijd zijn met het gegeven dat het quasi-legaat al rechtsverhoudingen tijdens leven inroept. Ik verwijs in dit kader eveneens naar par. 1.6.1 van dit hoofdstuk.
Een overnemingsbeding met betrekking tot de echtelijke woning werkend bij overlijden tegen vergoeding van de werkelijke waarde is geen quasi-legaat. De tegenprestatie is immers redelijk, in de zin van art. 4:126 BW. De echtelijke woning verdwijnt met dit quasi-erfrecht, niet zijnde een quasi-legaat, uit de nalatenschap. De langstlevende echtgenoot vist achter het net met art. 4:29 BW. Art. 4:128 BW biedt geen soelaas. Zou de echtelijke woning gelegateerd zijn tegen inbreng van de waarde, dan zou art. 4:29 lid 3 BW wel een voorziening geven. De contractuele variant ter zake des doods geeft de erflater meer ruimte, waarbij men dient te beseffen dat de overeenkomst eenzijdig te herroepen kan zijn, voor zover dit bedongen is. Dit soort onvolkomenheden vloeien voort uit het feit dat de ontwerper de regeling van de quasi-legaten, welke is een regeling van schuldeisersbescherming, hier en daar gezien heeft als ‘dé regeling van hét quasi-(contractuele) erfrecht’.
Het is niet voldoende een regeling die als doel heeft de uitholling van de ‘andere wettelijke rechten’ te voorkomen te koppelen aan art. 4:126 BW, omdat dan een groot deel van het quasi-erfrecht tussen wal en schip valt.