Misleidende beursberichten
Einde inhoudsopgave
Misleidende beursberichten (IVOR nr. 124) 2022/5.5.1:5.5.1 Inleiding
Misleidende beursberichten (IVOR nr. 124) 2022/5.5.1
5.5.1 Inleiding
Documentgegevens:
mr. drs. A.C.W. Pijls, datum 01-07-2022
- Datum
01-07-2022
- Auteur
mr. drs. A.C.W. Pijls
- JCDI
JCDI:ADS655698:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In deze paragraaf wordt voor beide onderscheiden feitelijke grondslagen besproken op welke wijze de schade moet worden vastgesteld en in welke omvang de schade op de voet van art. 6:98 BW aan de vennootschap kan worden toegerekend. In § 5.5.2 komen beide kwesties eerst aan bod voor de beleggers die zich op het standpunt stellen dat zij ook bij afwezigheid van de misleiding het litigieuze aandeel zouden hebben gekocht, maar dan tegen een gunstigere prijs. Achtereenvolgens worden behandeld het ontstaansmoment van de schade (§ 5.5.2.1), de peildatum en de schadebegrotingsmaatstaf (§ 5.5.2.2), de schadetoerekening (§ 5.5.2.3) en de vrijheid van de rechter bij de keuze van de peildatum (§ 5.5.2.4). In § 5.5.3 staat vervolgens de schadevaststelling centraal voor de beleggers die zich op het standpunt stellen dat zij bij afwezigheid van de misleiding het litigieuze aandeel in het geheel niet zouden hebben gekocht. Eerst wordt ingegaan op de peildatum, de schadebegrotingsmaatstaf en het ontstaansmoment van de schade (§ 5.5.3.1), daarna wordt de schadetoerekening besproken (§ 5.5.3.2). Tot besluit bespreek ik in § 5.5.4 het De Boer e.a./TMF-arrest. In dit arrest heeft de Hoge Raad zich onder meer uitgelaten over de (omvang van de) rechtens toerekenbare schade bij misleiding van het beleggende publiek.