Einde inhoudsopgave
Zaaksvervanging (O&R nr. 55) 2010/2.4
2.4 Financiëlezekerheidsovereenkomst
Johanna Bernadine Spath, datum 01-04-2010
- Datum
01-04-2010
- Auteur
Johanna Bernadine Spath
- JCDI
JCDI:ADS625373:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Stb. 2006, 15 en 16.
Richtlijn 2002/47/EG van het Europees Parlement en de Raad van 6 juni 2002 betreffende financiëlezekerheidsovereenkomsten, Publicatieblad L 168, 27/06/2002, p. 4350. Zie hierover ook C.J.H. Jansen 2007, p. 353 e.v. Zie ook de wijzigingen als gevolg van COM (2008) 213 in Publicatieblad L 146, 10/06/2009, p. 37-43, waarover ook Broekers-Knol 2009.
Zie TK 2004-2005, 30 138, nr. 3, p. 2. Andere goederen dan geld en effecten in de zin van art. 7:51 onder d en e BW komen niet in aanmerking om als zekerheid te dienen in een financiëlezekerheidsovereenkomst. Na aanpassing van de wet als gevolg van de wijziging van de richtlijn wordt de regeling ook van toepassing op kredietvorderingen.
De regeling van de financiëlezekerheidsovereenkomst is uitsluitend van toepassing op pandrechten met machtsverschaffing aan de pandhouder, hetgeen de noodzaak van diens beschikkingsbevoegdheid vergroot om te voorkomen dat de verhandelbaarheid van de activa wordt beperkt. Dit is van belang in het kader van het andere doel van de richtlijn, te weten het bevorderen van de stabiliteit en efficiëntie van de financiële markt en de stabiliteit van het financiële bestel, terwijl tegelijkertijd de vrijheid van dienstverrichting en het vrije kapitaalverkeer op de interne markt worden ondersteund. Zie overweging 1, 3 en 10 Collateral richtlijn en TK 2002-2003, 28 874, nr. 3, p. 2-3 en 7. Met systeemrisico wordt gedoeld op het risico dat een faillissement van een financiële instelling het faillissement van een andere financiële instelling teweegbrengt. Zie Van Vliet 2005, p. 190.
Het gebruiksrecht is een wezenlijk kenmerk van de financiëlezekerheidsovereenkomst, zeker gezien de beoogde bevordering van de liquiditeit van de financiële markten. Indien dit niet wordt nagestreefd, zou men op grond van uitleg van de overeenkomst kunnen concluderen dat van een regulier pandrecht sprake is. Vgl. EK 2004-2005, 28 874 E, p. 2; Keijser 2006, p. 70-71 en 89.
Zie overweging 19 Collateral richtlijn.
Zie ook Loof 2008, p. 202. Vgl. Keijser 2006, p. 345-346.
Zie over de gevolgen van beschikken door vestiging van pandrechten door de pandhouder en de verhouding tot herverpanding als bedoeld in art. 3:242 BW, Keijser/Spath 2007, p. 57-58.
Hetzelfde probleem deed zich voor bij de onder het oude recht mogelijke overdracht tot zekerheid. Zie hierover Struycken 2007, p. 507.
Zie voor definitie van gelijkwaardige activa art. 2.1 sub i van de richtlijn. Zie over het antwoord op de vraag wanneer dit tijdstip intreedt bij diverse vorderingen omvattende verhoudingen tussen betrokkenen, Keijser/Spath 2007, p. 61-63.
Zie ook Keijser 2003-II p. 434; De Serière 2004, p. 69; Verstijlen 2005, p. 71-72; Van Vliet 2005, p. 194 en 203. C.J.H. Jansen (2007, p. 359) merkt op dat dit risico wordt beperkt, doordat de zekerheidsnemer veelal een financiële instelling zal zijn, maar dit argument is in kracht verminderd sinds het begin van de 'kredietcrisis' eind 2008. Zie met ouderwets optimisme ook Loof 2008, p. 202: 'Ook is niemand bang dat grote banken om zullen vallen.'
Zie ook Raijmakers/Van Beek 2003, p. 187; Verstijlen 2005, p. 72; C.J.H. Jansen 2007, p. 360. Art. 7:53 lid 3 BW geeft daarnaast de mogelijkheid om overeen te komen dat de zekerheidsnemer zich door verrekening verhaalt op de vervangende goederen die zouden moeten worden overgedragen. Faber (2005, nr. 3, 6 en 111) vindt dit een voorbeeld van berekening in plaats van verrekening. Zie hierover ook C.J.H. Jansen 2007, p. 361.
Vgl. C.J.H. Jansen 2007, p. 359, met verwijzing naar Duits recht.
Zie Van Vliet 2005, p. 194.
Zie TK 2002-2003, 28 874, nr. 3, p. 7; TK 2004-2005, 30 138, nr. 3, p. 16.
Zie EK 2004-2005, 28 874 E, onder 9, waar wordt verwezen naar art. 3:213 en 3:229 BW; TK 2004-2005, 30 138, nr. 3, p. 16, waar wordt gesproken van substitutie. Zie over het tijdstip van deze vervanging EK 2004-2005, 28 874 E, onder 18; Keijser 2003-II, p. 440. Vgl. Loof 2008, p. 202, die van mening is dat het meer in de lijn van de richtlijn ligt om ervan uit te gaan dat op het moment dat er gelijkwaardige goederen in het vermogen van de pandhouder vloeien, er een eigendomsoverdracht plaatsvindt (krachtens art. 3:115 onder a BW).
Zie Keijser 2006, p. 73 en 252.
Zie EK 2003-2004, 28 874 C, p. 11. Zie ook: Van Vliet 2005, p. 194.
Op deze kwestie kom ik in par. 5.2.2 terug.
Zie HR 4 december 1998, NJ 1999, 549 (Potharst/Serrée). Zie over voorbehouden rechten verder Steneker 2008, onder 3.
Zie Besier 1893, p. 379 en 486-487.
Zie Van Goudoever 1901, p. 287.
Zie Suijling 1940, p. 51.
Zie Suijling 1940, p. 382 met betrekking tot vruchtgebruik en p. 570 met betrekking tot pandrecht.
Zie Suijling 1940, p. 569: alleen indien de pandgever kan bewijzen dat de pandhouder de vervangende zaken voor het faillissement reeds in eigendom heeft overgedragen, kan hij revindiceren.
Zie Suijling 1940, p. 51. Besier 1893, p. 5056, ziet ook een voordeel voor de oorspronkelijke eigenaar. Nu hij een persoonlijke vordering heeft tot levering van vergelijkbare goederen, ligt het risico van tenietgaan van de oorspronkelijke zaken bij de nieuwe eigenaar.
Zie Molengraaff 1930, p. 473. Zie met een vergelijkbare constructie voor niet vervangbare zaken: Van Goudoever 1901, p. 1643.
Zie Slaegel 2008, p. 143; Wimmer 2003, p. 1563 en p. 1567, waar het bijbehorende wetsontwerp is weergegeven dat leidde tot Gesetz zur Umsetzung der Richtlinie 2002/47/EG vom 6. Juni 2002 über Finanzsicherheiten und zur Anderung des Hypothekenbankgesetzes und andere Gesetze, Bundesgesetzblatt 2004, nr. 15 van 8 april 2008, p. 502-513. Verder is een volledige overdracht tot zekerheid mogelijk, zie hierover Slaegel 2008, p. 149-150.
Zie Wimmer 2003, p. 1564. Slaegel (2008, p. 144-145) is voorstander van een uitdrukkelijke wettelijke regeling.
Zie Staudinger/Wiegand § 1204, nr. 54-55; Münch.Komm/Damrau § 1204, nr. 9; Wimmer 2003, p. 1564; Slaegel 2008, p. 143.
Zie Staudinger/Wiegand § 1204, nr. 54; Miinch.Komm/Damrau § 1204, nr. 9.
B.S. 1 februari 2005, tweede editie.
Zie Parl. Stukken Kamer 2004-2005, Doc 51 1407/001, p. 4, 10-11.
Zie Dirix 2006, p. 440; Peeters/Christiaens 2006, p. 193-194. Vgl. De Marez 2006, p. 1123. Overigens wordt geen onderscheid gemaakt tussen handelspand en burgerlijk pand.
Met de invoering van art. 11WFZ is meteen een lacune in het overige vermogensrecht opgevuld. Op grond van partijafspraken werd een gebruiksrecht namelijk wel geaccepteerd, maar een bijzondere regeling of omkadering ontbrak. Zie Parl. Stukken Kamer 2004-2005, Doc 51 1407/001, p. 41; Boddaert 2005-I, onder IIIA; Sagaert/Seeldrayers 2005, p. 1529.Voor contantes, zijnde op een rekening gecrediteerde gelden, is geen bijzondere regeling opgenomen, omdat de pandhouder hiervan geacht wordt eigenaar te zijn, waardoor hij reeds een onbeperkt gebruiksrecht heeft. Zie Boddaert 2005-II, onder III.E.1; De Marez 2006, p. 1121.
Zie Boddaert 2005-II, onder III.E.2.b en III.E.4.a; Zie Peeters/Christiaens 2006, p. 192 en 193.
Zie Parl. Stukken Kamer 2004-2005, Doc 51 1407/001, p. 41. De wet definieert 'gelijkwaardige financiële instrumenten' in art. 3 onder 8 WFZ als financiële instrumenten met dezelfde kenmerken en ter waarde van hetzelfde bedrag, alsook financiële instrumenten die als zodanig bij overeenkomst door de partijen zijn aanvaard.
Zie Boddaert 2005-II, onder III.E.4.a. Vgl. Zie Peeters/Christiaens 2006, p. 192.
Zie Parl. Stukken Kamer 2004-2005, Doc 51 1407/001, p. 41.
Zie Boddaert 2005-II, onder III.E.2.a.
Zie R. Jansen 2007, p. 164.
Zie R. Jansen 2007, p. 165.
Zie R. Jansen 2007, p. 166-167.
Zie Parl. Stukken Kamer 2004-2005, Doc 51 1407/001, p. 42. Zie ook Boddaert 2005-II onder III.E.2.a.
'[...] De pandgever wordt geacht eigenaar te zijn van de in pand gegeven financiële instrumenten. De geldigheid van het pand wordt door de afwezigheid van eigendomsrecht van de pandgever op de in pand gegeven financiële instrumenten niet aangetast, onverminderd de aansprakelijkheid van de pandgever ten overstaan van de werkelijke eigenaar van de in pand gegeven financiële instrumenten. [...].' Zie hierover Boddaert 2005-I, met name onder II.A. Deze bijzondere derdenbescherming geldt als vervanging voor art. 2279 BBW, dat volgens de heersende opvatting niet van toepassing is op onlichamelijke roerende goederen. Zie Boddaert 2005-II, onder III.B.
De Nederlandse wetgever heeft hiervoor geen bijzondere regeling in het BW opgenomen. Wel zijn de Faillissementswet en de noodregelingen in de Wet toezicht kredietwezen, de Wet toezicht verzekeringsbedrijf en de Wet toezicht natura-uitvaartverzekeringsbedrijf aangepast met betrekking tot de verschaffing van aanvullende of vervangende zekerheid tijdens faillissement. Zie TK 2004-2005, 30 138, nr. 3, p. 12, 24 en 27.
Zie Sagaert/Seeldrayers 2005, p. 1544; Peeters/Christiaens 2006, p. 187.
Zie Boddaert 2005-II, onder III.B. Voor invoering van de WFZ was dit mogelijk op grond van Hof van Cassatie, 14 november 1914, Pas. 1915-1916, 124. Zie hierover par. 2.3.
Zie Peeters/Christiaens 2006, p. 186.
Zie Sagaert/Seeldrayers 2005, p. 1545-1546.
Zie Peeters/Christiaens 2006, p. 188; De Marez 2006, p. 1147-1148.
Zie Boddaert 2005-I, onder V.A.2.
Zie Boddaert 2005-II, onder III.G.
Zie Sagaert/Seeldrayers 2005, p. 1544; De Marez 2006, p. 1145.
31.
Aan Boek 7 van het BW is per 20 januari 2006 een tweede titel toegevoegd betreffende de financiëlezekerheidsovereenkomst.1 Deze titel is gebaseerd op een Europese richtlijn, die beoogt bij te dragen aan een gedegen rechtskader voor betalings- en effectenafwikkelingssystemen door systeemrisico te beperken.2 Financiëlezekerheidsovereenkomsten zijn volgens art. 7:51 BW overeenkomsten op basis waarvan een zekerheidsnemer 'financiële zekerheid' verkrijgt van een zekerheidsgever voor de nakoming van openstaande verplichtingen, door de overdracht of verpanding van bepaalde effecten dan wel op een rekening geboekt geld (creditsaldo).3 Hieruit valt op te maken dat er twee soorten financiëlezekerheidsovereenkomsten zijn, te weten een tot overdracht en een tot vestiging van een pandrecht. Slechts de tweede vorm is voor dit onderzoek van belang.4Art. 7:53 BW voorziet in een mogelijkheid voor de pandhouder om het pandobject te gebruiken en te verkopen en de opbrengst hiervan te behouden, mits deze mogelijkheid bij de vestiging is gegeven.5 Het gebruiksrecht heeft tot doel de liquiditeit op de financiële markten toe te laten nemen als gevolg van de mogelijkheid tot (her)gebruik van (in pand gegeven) activa.6 Tot het moment waarop van deze bevoegdheid gebruik wordt gemaakt, is in beginsel sprake van een pandrecht met de gebruikelijke goederenrechtelijke verhoudingen, dat wil zeggen dat de pandgever rechthebbende en middellijk bezitter en de pandhouder houder is van de belaste goederen.7
Evenals bij vruchtgebruik is het dus mogelijk dat een houder over onbelaste goederen beschikt, maar de gevolgen van het gebruik van deze bevoegdheid verschillen.8Waar de hoofdgerechtigde bij een bevoegd beschikkende vruchtgebruiker direct weer eigendom verkrijgt van de vervangende goederen, verkrijgt de zekerheidsgever bij de financiëlezekerheidsovereenkomst bij beschikken door de zekerheidsnemer aanvankelijk slechts een persoonlijke, concurrente vordering.9 Lid 2 van art. 7:53 BW verplicht de pandhouder namelijk aan de pandgever gelijkwaardige goederen over te dragen, uiterlijk op het tijdstip waarop de zekerheidsgever moet voldoen aan de vordering waarvoor het verpande tot zekerheid strekt.10 Voor een geldige overdracht is vereist dat de pandhouder beschikkingsbevoegd is ten aanzien van de vervangende goederen, hetgeen problematisch is indien hij failleert. De pandgever loopt hierdoor een insolventierisico,11 welk risico wordt beperkt door 'verrekening' van de vordering tot levering van vervangende goederen met de gezekerde vordering.12 Daarnaast zou de wetgever de pandgever een voorrecht kunnen verlenen om het risico verder te beperken.13
De vordering op de pandhouder tot overdracht van gelijkwaardige goederen ontstaat weliswaar van rechtswege, maar dit is geen voorbeeld van zaaksvervanging. De 'vervangende vordering' komt in economische zin in het vermogen van de pandgever in de plaats van de verpande goederen, maar zij is niet belast met een recht van pand.14 Dat zou immers betekenen dat de pandhouder een dubbele bescherming zou krijgen, doordat hij behalve dat hij rechthebbende wordt van hetgeen hij als gevolg van het bevoegd beschikken over het pandobject heeft verkregen, ook nog een pandrecht krijgt op de vordering tot overdracht van die goederen die de pandgever op hem krijgt. Over de waarde van een dergelijk pandrecht op een vordering op de pandhouder kan worden getwijfeld. Daarnaast is het toekennen van de vordering tot overdracht van gelijkwaardige goederen uitsluitend een manier om de pandgever te compenseren voor zijn verliezen.15 Met deze functie valt moeilijk te verenigen dat de pandhouder op deze vordering een pandrecht verkrijgt.
De door de wetgever beoogde zaaksvervanging treedt in op het moment dat de pandhouder deze verplichting tot overdracht van vergelijkbare goederen nakomt.16 Het vierde lid van art. 7:53 BW stelt nu dat deze vervangende goederen van rechtswege onder het financiëlezekerheidsovereenkomstpandrecht vallen. Volgens de heersende leer gaat het hierbij om het oorspronkelijke pandrecht dat op de inmiddels verbruikte of vervreemde goederen was gevestigd en dat door een fictie wordt geacht van meet af aan en dus ononderbroken op de vervangende goederen te hebben gerust. De werking van deze bepaling kent met andere woorden terugwerkende kracht.17 Dit komt neer op het herleven van de aanspraken door de overdracht van de vervangende goederen.18 Zaaksvervanging versterkt hiermee de positie van de pandhouder en treedt niet op in het belang van de pandgever.
In het herleven van een oorspronkelijk recht en de terugwerkende kracht die hieraan wordt verbonden, wijkt dit artikel opvallend af van de overige in dit overzicht gegeven bepalingen die onder de noemer zaaksvervanging worden gebracht. Het is mijns inziens de vraag in hoeverre nog sprake is van zaaksvervanging of dat geconcludeerd moet worden dat deze bepaling slechts een op zaaksvervanging gelijkende oplossing biedt.19 Daarnaast kan de vraag worden gesteld of deze regeling wel noodzakelijk is voor de bescherming van de pandhouder. Deze kan voor zijn eigen rechten opkomen door bij de overdracht van de vervangende effecten zelf een pandrecht voor te behouden. Hierbij moet weliswaar aan de eisen van vestiging van deze rechten worden voldaan, maar daarna loopt de pandhouder geen risico dat zijn pandrecht moet concurreren met (bij voorbaat) door de verkrijger gevestigde rechten, omdat de pandgever een reeds bezwaard vervangend goed verkrijgt.20
Oud BW
32.
Hoewel een vergelijking met het oude BW bij deze moderne rechtsfiguur wellicht vreemd overkomt, is een korte verwijzing hier toch op haar plaats. Zo werd het onder het oude recht mogelijk geacht effecten als vervangbare zaken aan te merken en deze vervolgens in zekerheid te geven. Het resultaat komt in grote lijnen overeen met de huidige regeling van de verpanding op grond van een financiëlezekerheidsovereenkomst. Een pandrecht op vervangbare zaken was uitgesloten.21 In plaats daarvan werden dergelijke contracten aangemerkt als 'eene verbruikleening van geld tegen interessen gepaard aan een eigendomsoverdracht van effecten, aangegaan onder de gebruikelijke voorwaarden, met verplichting aan de zij de van den geldschieter om gelijksoortige effecten aan den geldnemer in eigendom over te dragen, als deze aan al zijne verplichtingen zal hebben voldaan'.22
Verpande effecten op grond van een financiëlezekerheidsovereenkomst vertonen daarnaast gelijkenis met de door Suijling in zijn Inleiding tot het Burgerlijk recht beschreven verwisselbare zaken. Voor deze zaken geldt dat zij eigendom blijven van de eigenaar/bezitter die de zaken afgeeft aan een tot teruggave verplichte (pand)houder, waarbij de (pand)houder bevoegd is niet dezelfde zaken terug te geven, maar vergelijkbare zaken. De houder mag zich dan de zaken toe-eigenen onder de voorwaarde dat hij de eigenaar compenseert voor diens verlies en wel door eigendomsverschaffing van een equivalent.23 Anders dan bij de moderne regeling werd echter aangenomen dat de vervangende zaken relatief snel eigendom van de eigenaar van de oorspronkelijke zaken moesten worden. Voor deze verkrijging van de vervangende goederen was overdracht, en dus een levering, noodzakelijk, eventueel onder voorbehoud van een beperkt recht lijkend op het recht dat rustte op de oorspronkelijke zaak.24 Volgens Suijling liep de oorspronkelijke rechthebbende hierbij het risico dat de levering achterwege bleef of de wederpartij failliet ging.25 In het eerste geval maakte de toe-eigenende houder zich schuldig aan verduistering.26 Molengraaff merkte echter op dat de pandhouder niet het recht heeft de ontvangen stukken te verkopen of herverpanden zonder ze door andere te vervangen. 'De geldnemer blijft, zoolang ze niet zijn vervangen, eigenaar der effecten, ook nà herverpanding, en wordt, als de geldgever ze vervangt, eigenaar der stukken welke ter vervanging strekken.'27 De verkrijging van de vervangende zaken lijkt hiermee een voorwaarde voor het beschikken over het oorspronkelijke zekerheidsobject, waardoor de geldnemer/pandgever meer bescherming geniet.
Duits recht
33.
In Duitsland heeft de implementatie van de Collateral richtlijn niet tot veel problemen geleid, omdat het Duitse recht op veel punten al in overeenstemming met deze richtlijn was. Art. 5 van de richtlijn, inclusief het gebruiksrecht van de pandhouder, behoorde tot de regels waarin het Duitse recht reeds voorzag, namelijk in de vorm van een zogenoemd oneigenlijk pandrecht.28 Dit pandrecht staat niet in het BGB, maar deze rechtsfiguur wordt in de rechtsliteratuur vrijwel unaniem toelaatbaar geacht en het opnemen van een wettelijke vermelding werd volgens de wetgever niet gerechtvaardigd door de eventuele wens om onduidelijkheid, samenhangend met het bestaan van ongecodificeerd gewoonterecht, weg te nemen bij buitenlandse beleggers.29
Van een oneigenlijk pandrecht is sprake wanneer de pandhouder de bevoegdheid heeft de in pand gegeven zaken te gebruiken en hierover te beschikken, terwijl hij verplicht wordt vergelijkbare zaken 'zurückzugewähren'.30 Vanaf het moment dat de eigendom van de in pand gegeven zaken overgaat op de pandhouder, welk moment mede afhankelijk is van partijafspraken, heeft de pandgever slechts een vordering tot overdracht van vergelijkbare zaken. In het faillissement van de pandhouder is deze vordering van concurrente aard, maar zij kan vaak verrekend worden met de gezekerde vordering.31 Over vervangende pandrechten na retro-overdracht wordt niet gesproken.
Belgisch recht
34.
In België heeft de richtlijn betreffende de financiëlezekerheidsovereenkomst geleid tot de Wet betreffende financiële zekerheden en houdende diverse bepalingen inzake zakelijke-zekerheidsovereenkomsten en leningen met betrekking tot financiële instrumenten, kortweg de Wet Financiële Zekerheden (hierna: WFZ) van 15 december 2004.32 De wetgever zag in de richtlijn en bijbehorende wet een mogelijkheid om de positie van België als financieel centrum te versterken door alle aspecten van de verschillende soorten (deels bestaande) financiële zekerheden in één wettekst te bundelen, waarbij het streven naar economische groei en financiële stabiliteit voorop stonden.33 De inpassing in het vermogensrecht blijft echter lastig en in de literatuur wordt erkend dat de zekerheidsoverdracht risico's met zich brengt voor de debiteur.34
Het gebruiksrecht voor de pandhouder is neergelegd in art. 11WFZ en wijkt zoals te verwachten is door de gemeenschappelijke basis, nauwelijks af van de Nederlandse regeling.35 De pandhouder kan, als dit is overeengekomen, de activa op 'om het even welke manier' gebruiken als ware hij er eigenaar van. Hij kan de verpande financiële instrumenten verkopen, uitlenen, als zekerheid gebruiken en soortgelijke daden van beschikking stellen. Indien de pandhouder niet van zijn gebruiksrecht gebruik heeft gemaakt, moeten de in pand gegeven middelen worden teruggegeven bij het opeisbaar worden of de voldoening van de gezekerde vordering. De pandgever kan revindiceren, aangezien hij eigenaar blijft zolang niet over de activa wordt beschikt.36
Indien het gebruiksrecht wel is benut, is op grond van de tweede paragraaf sprake van een verplichting tot overdracht van vervangende activa en kan de pandgever geen revindicatievordering instellen.37 Het pandrecht heeft een eigendomsoverdragend effect op het moment van het eigenlijke gebruik door de pandhouder.38 Het gebruik doet op grond van het tweede lid van de eerste paragraaf geen afbreuk aan de rechten van de pandhoudende schuldeiser. Art. 2076 BBW is hierop niet van toepassing.39 De pandhouder heeft een zekerheidsrecht op de ter vervanging overgedragen activa. Dit recht wordt niet gezien als een nieuw zekerheidsrecht. De vervanging treedt op met behoud van rang en is niet aantastbaar op grond van art. 17 BFw, als dit in een verdachte periode voorafgaand aan een faillissement gebeurt.40 Jansen besteedt aandacht aan de aard van deze vervanging. Het is zijns inziens geen voorbeeld van zaaksvervanging, omdat niet voldaan wordt aan de strenge eisen die daarbij worden gesteld wat betreft causaal verband en individualiseerbaarheid van de betrokken goederen.41 Ook is de vervanging van art. 11WFZ geen toepassing van pandvervanging, omdat bij de WFZ onmiddellijke vervanging niet is vereist.42 Uiteindelijk ziet hij de meeste aanknopingspunten met oneigenlijke zaaksvervanging, waarbij de in pand gegeven financiële instrumenten en contanten als een universaliteit worden aangemerkt. Het gebruiksrecht kan aanvullend hierop worden verklaard als een machtiging van de pandgever.43
Benadrukt wordt dat het gebruik niet afdoet aan het beginsel dat de overwaarde van de verpande financiële instrumenten aan de pandgever toekomt. De derde paragraaf van art. 11 WFZ geeft een bevoegdheid tot verrekening, ook in geval van faillissement van de pandhouder.44 De pandhouder wordt nog een aanvullende bescherming geboden door het eigendomsvermoeden ten aanzien van de pandgever van art. 20 en 27 WFZ, welke artikelen zijn geïnspireerd op art. 7 K.B. 7 januari 2004 nr. 62.45
De tweede paragraaf van art. 7 WFZ geeft een bijzondere regel voor zogenoemde margeopvragingen en pandvervanging.46Bij margeopvragingen worden de verpande activa uitgebreid, bijvoorbeeld ter compensatie van waardevermindering van de reeds verpande financiële middelen en contanten, om zo het evenwicht tussen de prestaties van partijen te bewaren.47 Pandvervanging houdt in dat het verpande object, de financiële instrumenten of contanten, worden vervangen door andere, gelijkwaardige financiële instrumenten of contanten. Wanneer dergelijke handelingen worden verricht in het kader van een bestaande pandovereenkomst, leidt dit tot een pandrecht met behoud van (de oorspronkelijke) rang.48 Daarmee vormt deze regel een principiële uitzondering op de basisregel dat een pandrecht slechts kan blijven bestaan in de mate dat de pandhouder in het bezit is gesteld en zonder onderbreking in het bezit is gebleven van de verpande goederen.49
Over de vereisten die aan pandvervanging op grond van art. 7WFZ worden gesteld verschillen de meningen. Sommige auteurs knopen aan bij het wisselpand en stellen dat de vervangende goederen geen hogere waarde mogen hebben dan de oorspronkelijke en dat de vervanging ogenblikkelijk moet gebeuren.50 Anderen zijn van mening dat gelijktijdigheid niet als eis wordt gesteld en kijken naar de intentie van betrokkenen en het causaal verband tussen het verdwijnen en verkrijgen van de betrokken goederen.51 In deze leer is voor pandvervanging voldoende, dat er een duidelijke causaliteit tussen de vrijgave van het ene financieel actief en de levering van het andere bestaat.52
Margeopvragingen leiden tot minder problemen. De vergroting van de waarde van de verpande goederen wordt gezien als de uitvoering van de reeds bestaande pandovereenkomst en niet als een nieuw pandrecht met een nieuwe rang.53 Opvallend is dat dezelfde regel echter ook wordt gebruikt in gevallen waarin margeopvragingen tot een eerste verpanding leiden.54 Een dergelijk pandrecht is niet te kwalificeren als een pandrecht op een toekomstig goed, maar lijkt nog het meest op een voorwaardelijk gevestigd pandrecht ten behoeve van een (toekomstige) vordering.