Einde inhoudsopgave
De uitvoering van Europese subsidieregelingen in Nederland (R&P nr. SB6) 2012/6.5.3.1
6.5.3.1 Algemeen
Mr. J.E. van den Brink, datum 13-12-2012
- Datum
13-12-2012
- Auteur
Mr. J.E. van den Brink
- JCDI
JCDI:ADS399609:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie hoofdstuk 1, paragraaf 1.5.
Zie artikel 4:25, tweede lid, van de Awb.
Zie ook CBb 4 februari 2011, LJN BP4812, r.o. 2.5 waarin het CBb overweegt dat de enkele subsidieverlening beslag legt op het subsidiebudget en op die manier tot het bereiken van het subsidieplafond leidt. Voor de inwerkingtreding van de subsidietitel van de Awb lag dit anders. Zie bijvoorbeeld CBb 15 april 1993, AB 1993, 529, m.nt. J.H. van der Veen waarin het CBb overweegt: 'Weliswaar werd ook de als derde ingediende aanvraag volledig gehonoreerd ofschoon daarvoor gedeeltelijk (...) geen budget voorhanden was, doch naar verweerder heeft verklaard is daarbij - in overleg met de landelijk coordinator - vooruitgelopen op het ervaringsgegeven dat het toegezegde budget niet altijd volledig wordt benut.'
Zie hieromtrent ook Den Ouden, Jacobs & Verheij 2011, p. 246.
Zie hoofdstuk 2, paragraaf 2.7.5.
Uit de in het kader van het onderhavige onderzoek gehouden interviews met Nederlandse bestuursorganen1 is gebleken dat de subsidieplafonds die zijn vastgesteld voor de verstrekking van Europese subsidies veel problemen geven. De subsidieplafonds hebben tot gevolg dat aanvragen om de verlening van Europese subsidies moeten worden geweigerd zodra het subsidieplafond is bereikt,2 terwijl vaststaat dat de reeds verleende Europese subsidies vrijwel nooit op de in de verleningsbesluiten toegekende bedragen worden vastgesteld. Dit vindt zijn oorzaak in het feit dat bij de uitvoering van projecten die met Europese subsidies worden gefinancierd doorgaans sprake is van onderrealisatie. Deze onderrealisatie is het gevolg van het feit dat het bij veel Europese subsidies om kostensubsidies gaat; op basis van een vooraf ingediende begroting wordt een maximaal subsidiebedrag verleend. Daarbij wordt aangegeven welke kosten subsidiabel zijn en welk percentage van de kosten wordt vergoed. Op het moment van het besluit tot subsidieverlening is veelal nog niet duidelijk hoeveel Europese subsidie uiteindelijk zal worden verstrekt, behalve dan dat dit niet meer kan zijn dan de maximaal verleende Europese subsidie. In de praktijk komt het vaak voor dat bij de subsidievaststelling moet worden geconcludeerd dat vooraf begrote kosten helemaal niet zijn gemaakt, omdat het project slechts gedeeltelijk is uitgevoerd. Door de lage realisatiecijfers zijn de uiteindelijk vastgestelde Europese subsidiebedragen veel lager dan het totaal van de verleende maximale Europese subsidiebedragen.
Bij de beoordeling van een aanvraag tot de verlening van Europese subsidies, moet echter worden uitgegaan van het totaal aan verleende maximale Europese subsidiebedragen.3 Goede projectvoorstellen moeten door het formeel bereiken van het subsidieplafond worden afgewezen, terwijl men kan voorspellen dat het niet te verwachten is dat de reeds verleende maximale Europese subsidies overeenkomstig dat bedrag zullen worden vastgesteld.4
Het probleem van deze onderrealisatie doet zich uiteraard niet alleen bij Europese kostensubsidies voor. Anders dan nationale subsidies, die gewoon terugvloeien in de begroting van het subsidieverstrekkende bestuursorgaan, zijn Europese subsidies echter niet onbeperkt inzetbaar. Uit de in hoofdstuk 2 besproken decomitteringsregels volgt immers dat bedragen die aan de lidstaat Nederland ter beschikking worden gesteld doorgaans binnen twee jaar moeten worden besteed.5 Zo niet, dan vloeien de Europese gelden terug in de Europese kas en kunnen zij niet langer door de lidstaat worden ingezet. Dit betekent dat het zeker bij langdurige projecten niet altijd mogelijk zal zijn, de Europese gelden tijdig voor nieuwe projecten in te zetten.
Artikel 4:25, tweede lid, van de Awb heeft in combinatie met de Europese decomitteringsregels in de praktijk tot gevolg dat Nederland Europese subsidiegelden misloopt. Vanuit het Europese doeltreffendheidsbeginsel kan zelfs de vraag worden gesteld of het vaststellen van een subsidieplafond überhaupt is toegestaan. Het plafond heeft immers tot gevolg dat het verstrekken van Europese subsidies voor goede projecten niet langer mogelijk is, terwijl het Nederlands bestuursorgaan weet dat het plafond feitelijk nog niet is bereikt.