Einde inhoudsopgave
Afscheid van de klassieke procedure (NJV 2017-1) 2017/III.1.1
III.1.1 Afdoening buiten de rechter om
J.H. Crijns en R.S.B. Kool, datum 08-06-2017
- Datum
08-06-2017
- Auteur
J.H. Crijns en R.S.B. Kool
- JCDI
JCDI:ADS305543:1
- Vakgebied(en)
Rechtswetenschap / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zie nader over de inhoud en reikwijdte van de procesverplichting Nijboer 1987, p. 98 en 195; Hildebrandt 2002, p. 337-338 en Crijns 2010, p. 23-28.
Wet OM-afdoening van 7 juli 2006, Stb. 2006, 330, in werking getreden op 1 februari 2008.
Zie onder meer Simon Thomas e.a. 2016.
Zie uitgebreid over het verschil in rechtskarakter tussen de transactie en de strafbeschikking alsmede de consequenties daarvan voor de verhoudingen tussen de verschillende procesdeelnemers Crijns 2006, p. 56-65 en De Meijer en Simmelink 2014, p. 249-284.
In dit preadvies maken we zowel gebruik van de term herstelrecht als van de term herstelbemiddeling. Daarbij vatten we herstelrecht op als het bredere discours en herstelbemiddeling als een van de vormen van herstelrecht waar we ons in dit preadvies meer specifiek op richten. Het betreft een bemiddelingsproces, begeleid door een onafhankelijke, buiten-justitiële derde, met een daaruit voortvloeiende vaststellingsovereenkomst die door het Openbaar Ministerie en/of de rechter wordt betrokken bij de afdoening van de strafzaak respectievelijk de straftoemeting. Deze vorm is momenteel de meest gebruikelijke en toont gelijkenis met de in het civielrechtelijke en bestuursrechtelijke discours toegepaste mediation.
Zie onder meer het visiedocument ‘Recht doen aan slachtoffers’, gevoegd als bijlage bij Kamerstukken II 2012/13, 33 552, nr. 2.
Zie onder meer de Richtlijn 2012/29/EU van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van minimumnormen voor de rechten, de ondersteuning en de bescherming van slachtoffers van strafbare feiten, en ter vervanging van Kaderbesluit 2001/220/JBZ (PbEU 2012, L 315).
Waarmee niet is gezegd dat het Openbaar Ministerie en de rechter geen verantwoordelijkheden zouden hebben in de context van herstelbemiddeling. Art. 51h lid 1 Sv verplicht het Openbaar Ministerie te bevorderen dat de politie de mogelijkheden tot bemiddeling onder de aandacht brengt bij het slachtoffer en de verdachte, terwijl lid 2 van deze bepaling de rechter verplicht in zijn straftoemeting rekening te houden met een geslaagde bemiddeling tussen het slachtoffer en de verdachte. De bemiddeling kan bovendien plaatsvinden in de zittingsfase, na tussenkomst van de rechter.
Zoals in het navolgende nog aan de orde zal komen heeft herstelrecht niet per definitie een zuiver buitengerechtelijk profiel. Soms is dat wel het geval en wordt de rechter inderdaad op afstand gezet, maar het kan ook zo zijn dat de rechter een actieve rol heeft bij het bewerkstelligen van een (mede) op herstelrechtelijke leest geschoeide afdoening.
Zie in dit verband onder meer de brief van de minister van Veiligheid en Justitie van 6 juli 2016 waarin hij het evaluatierapport naar de ZSM-werkwijze aan de Tweede Kamer aanbiedt en waarin hij spreekt van het strafrecht als optimum remedium (Kamerstukken II 2015/16, 29 279, nr. 334, p. 11-12).
Zie Boutellier 1993, Karstedt 2002, Cleiren 2003, Groenhuijsen 2013, De Wit 2013 en Veraart 2015.
De term ‘slachtoffer’ wordt in dit preadvies gebruikt als bedoeld in art. 51a Sv: ‘Als slachtoffer wordt aangemerkt degene die als rechtstreeks gevolg van een strafbaar feit vermogensschade of ander nadeel heeft ondervonden. Met het slachtoffer wordt gelijk gesteld de rechtspersoon die als rechtstreeks gevolg van een strafbaar feit vermogensschade of ander nadeel heeft ondervonden.’ Voor de goede orde merken we op dat het gebruik van de term ‘slachtoffer’ in algemene zin is bedoeld en dus ook op vermoed slachtofferschap kan duiden.
Tenzij anders aangegeven, zullen in het navolgende beide categorieën van alternatieve afdoening – enerzijds de vormen van buitengerechtelijke afdoening door het Openbaar Ministerie door middel van strafbeschikking, transactie en voorwaardelijk sepot en anderzijds de verschillende vormen van herstelbemiddeling tussen verdachte en slachtoffer – worden samengebracht onder de noemer buitengerechtelijke afdoening of afdoening buiten de rechter om.
Waar het strafprocesrecht in een ver verleden uitging van de procesverplichting – inhoudende dat berechting de enige weg was waarlangs het strafrecht zich kon verwezenlijken1 – is dat anno 2017 al lang niet meer het geval. Consensuele vormen van buitengerechtelijke afdoening zoals de transactie en het voorwaardelijk sepot – gebaseerd op wilsovereenstemming tussen Openbaar Ministerie en de verdachte – kennen we al sinds jaar en dag. Met behulp hiervan worden al decennia grote groepen (met name relatief lichte, eenvoudig vast te stellen) strafbare feiten buiten de rechter om afgedaan. Sinds de introductie van de strafbeschikking in 2008 is deze ontwikkeling een nieuwe fase ingegaan.2 In het geval van afdoening door middel van een strafbeschikking is niet langer sprake van het ‘afkopen’ van het vervolgingsrecht van het Openbaar Ministerie door de verdachte, maar van het daadwerkelijk eenzijdig vaststellen van schuld aan enig strafbaar feit en het opleggen van de daarbij behorende straf door het Openbaar Ministerie. Niet alleen kunnen strafzaken als gevolg hiervan (nog) gemakkelijker dan voorheen buiten de rechter om worden afgedaan – hetgeen nog eens verder wordt gefaciliteerd door de opkomst van de zogenoemde ZSM-praktijk waarin verdachten liefst al binnen zes uur na aanhouding op de hoogte worden gesteld van de afdoeningsbeslissing in hun zaak3 –, ook heeft de introductie van de strafbeschikking tot een belangrijke herpositionering binnen het strafrechtelijk speelveld geleid: de positie van het Openbaar Ministerie als spelverdeler is versterkt en de afstand tot de rechter voor de verdachte is vergroot. De verdachte dient meer moeite dan voorheen te doen om zijn recht op een beoordeling van zijn zaak door een onafhankelijke en onpartijdige rechter te effectueren, terwijl de rechter zijn exclusieve positie als orgaan dat beschikt over schuld en straf voortaan moet delen met de leden van het Openbaar Ministerie.4
Daarnaast heeft zich de laatste decennia een tweede ontwikkeling voorgedaan in de vorm van de opkomst van vormen van herstelbemiddeling5 in plaats van of ter aanvulling op de klassieke strafrechtelijke procedure. Deze ontwikkeling is met name ingegeven door de politieke en maatschappelijke wens het slachtoffer nadrukkelijker een eigen en steviger plek binnen de context van de strafrechtspleging te geven.6 Tegelijkertijd kent het klassieke strafproces zijn beperkingen waar het gaat om de mogelijkheden tot het inspelen op de behoeften van het slachtoffer, zowel in materiële als immateriële zin. Langs de weg van herstelbemiddeling tussen slachtoffer en verdachte kan – wellicht beter dan binnen de context van het klassieke strafproces – tegemoet worden gekomen aan de behoefte van het slachtoffer aan vergoeding van de geleden schade, herstel van de relatie tussen slachtoffer en verdachte, betrokkenheid bij de afdoening van het strafbare feit en/of genoegdoening in brede zin. Weliswaar hebben de verschillende vormen van herstelbemiddeling – anders dan binnen andere rechtsgebieden en anders dan binnen buitenlandse strafrechtstelsels – tot op heden nog geen hoge vlucht genomen binnen de Nederlandse strafrechtspleging, zij staan wel al een aantal jaar nadrukkelijk op de politieke en justitiële agenda, terwijl ook de Europese Unie de lidstaten herhaaldelijk heeft voorgehouden werk te maken van vormen van herstelbemiddeling binnen de context van het strafrecht.7
Beide ontwikkelingen hebben met elkaar gemeen dat de klassieke rechterlijke procedure wordt vervangen door een alternatieve procedure of in ieder geval op afstand wordt geplaatst. Dit betekent echter niet dat beide vormen van afdoening buiten de rechter om zonder meer in elkaars verlengde zouden liggen. Zo verschillen zij in ieder geval van elkaar voor wat betreft hun raison d’être en de betrokken procesdeelnemers. De transactie, het voorwaardelijk sepot en de strafbeschikking staan met name in het teken van het streven naar een efficiënte inzet van schaarse middelen en spelen zich primair af in de verhouding tussen Openbaar Ministerie en verdachte, met het slachtoffer en de rechter op enige afstand als ‘belanghebbenden’. De verschillende vormen van herstelbemiddeling worden daarentegen met name ingegeven door de emancipatie van de positie van het slachtoffer en richten zich vooral op de verhouding tussen verdachte en slachtoffer, met het Openbaar Ministerie en de rechter op enige afstand als ‘belanghebbenden’ bij de uitkomst van het proces van herstelbemiddeling.8 Een ander interessant punt van verschil is gelegen in het feit dat de verschillende vormen van herstelbemiddeling zijn gebaseerd op consensualiteit tussen slachtoffer en verdachte, terwijl binnen de context van de buitengerechtelijke afdoening door het Openbaar Ministerie met de introductie van de strafbeschikking het uitgangspunt van consensualiteit juist is ingeruild voor een wijze van afdoening die – in ieder geval juridisch – is gebaseerd op eenzijdige besluitvorming door het Openbaar Ministerie. Er is dan ook ogenschijnlijk geen eenduidige noemer die beide vormen van afdoening buiten de klassieke rechterlijke procedure om met elkaar verbindt, maar ze delen als gezegd wel een gemeenschappelijk kenmerk: in geval van beide vormen is sprake van het op afstand zetten van de strafrechter.9 Ook roepen beide ontwikkelingen vragen op met betrekking tot de individuele rechtsbescherming van de verdachte. Waar de inrichting van de klassieke rechterlijke procedure een resultaat is van een doordachte en evenwichtige afweging van de belangen van enerzijds effectieve en efficiënte rechtshandhaving en anderzijds bescherming van de individuele verdachte tegen de uitoefening van het strafvorderlijk gezag, is niet zonder meer gezegd dat binnen de genoemde alternatieve vormen van afdoening eveneens sprake is van een dergelijke zorgvuldige en evenwichtige balans tussen de verschillende betrokken belangen.
Voorts rijst de vraag hoe beide ontwikkelingen zich verhouden tot de onverminderde of zelfs stijgende maatschappelijke behoefte aan strafrechtelijke rechtshandhaving. Enerzijds kan in dit verband worden gewezen op de opkomst van de zogenoemde veiligheidscultuur waarin het strafrecht niet langer wordt beschouwd als ultimum remedium, maar veeleer als het middel bij uitstek voor de adressering van veiligheidsvraagstukken.10 Anderzijds – en daarmee ongetwijfeld in samenhang – heeft de toegenomen afstand tot de ‘ander’ en de daaruit voortvloeiende onzekerheden geleid tot een ‘gevictimaliseerde’ moraal, die resulteert in een toegenomen vraag om afdoening via het strafrecht.11 Dit heeft gevolgen voor zowel het materiële als het formele strafrecht. Beide zijn de afgelopen decennia aan stevige veranderingen onderhevig geweest teneinde een antwoord te kunnen bieden aan de behoeften van het (potentiële) slachtoffer en diens aanspraken op rechtsbescherming.12 Tegelijkertijd is de vraag in hoeverre het strafrecht bij machte is tegemoet te komen aan deze verwachtingen van samenleving en slachtoffer, niet alleen omdat het strafrecht geen panacee voor menselijk leed vormt en de behoefte aan veiligheid per definitie slechts tot op zekere hoogte kan bevredigen, maar ook omdat de middelen daartoe in alle gevallen ontoereikend zullen zijn. Het is de vraag hoe de verschillende vormen van buitengerechtelijke afdoening binnen deze ontwikkelingen kunnen worden geplaatst.13 Enerzijds lijken deze zich op voorhand slecht te verhouden tot de behoeften van het slachtoffer en samenleving. Vanuit het slachtoffer bestaan er duidelijke verwachtingen omtrent de rol van de rechter als conflictoplosser; of dit ook geldt voor het Openbaar Ministerie binnen het buitengerechtelijke spoor is evenwel nog maar de vraag. Daarnaast biedt de klassieke rechterlijke procedure vanuit het perspectief van punitiviteit nog steeds de meest uitgebreide mogelijkheden, waaronder niet in de laatste plaats de mogelijkheid tot het opleggen van een vrijheidsstraf (welke mogelijkheid in verband met art. 113 lid 3 Grondwet binnen het buitengerechtelijke spoor uitgesloten is), terwijl de verschillende vormen van buitengerechtelijke afdoening – in het bijzonder de herstelbemiddeling – mogelijk een zeker imago van ‘softheid’ aankleeft. Anderzijds zou het buitengerechtelijke spoor ook kansen kunnen bieden voor de bevrediging van de behoeften van samenleving en slachtoffer, al was het alleen al vanwege het feit dat het bestaan van dit spoor de capaciteit van het strafrecht danig vergroot en op die manier – zij het mogelijk suboptimaal – tegemoet kan komen aan aanspraken van het slachtoffer en de samenleving die anders in het geheel niet zouden worden gehonoreerd. Aldus lijkt er een interessante spanningsverhouding te bestaan tussen enerzijds het spoor van buitengerechtelijke afdoening en anderzijds het toegenomen appel op de strafrechtspleging.