Einde inhoudsopgave
Milieuaansprakelijkheid van leidinggevenden 2021/IV.2.6.2
IV.2.6.2 Twee typen gevallen
mr. T.R. Bleeker LLM, datum 01-11-2021
- Datum
01-11-2021
- Auteur
mr. T.R. Bleeker LLM
- JCDI
JCDI:ADS460200:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
Het is me nooit helemaal duidelijk geworden waarom de Hoge Raad deze noemer gebruikt voor de Beklamel-norm. Namens de vennootschap handelen is immers op zichzelf niet (ernstig) verwijtbaar. Deze aanduiding lijkt veel breder dan het gevalstype dat zich voordeed in het Beklamel-arrest.
De toevoeging ‘voldoende ernstig’ is opgenomen tussen haakjes, omdat de Hoge Raad het vereiste van een ernstig verwijt of voldoende ernstig verwijt niet noemt in de uitwerking van het eerste gevalstype in rechtsoverweging 3.5. Uit de derde volzin van deze rechtsoverweging kan worden opgemaakt dat de Hoge Raad ook bij dit gevalstype in ieder geval een ‘voldoende ernstig’ verwijt vereist. Zie hieromtrent hierboven onder par. IV.2.3.3.
Aldus ook Verstijlen 2013.
In deze zin ook Huizink, in: GS Rechtspersonen, art. 2:9 BW, aant. 25.4.5 en 25.4.6.1; Huizink 2013, p. 24.
Ter concretisering van de ernstig verwijt-maatstaf, maakt de Hoge Raad in het Ontvanger/Roelofsen-arrest onderscheid tussen twee ‘gevallen’. In dat arrest overweegt de Hoge Raad dat degene die “als bestuurder (i) ‘namens de vennootschap’1 heeft gehandeld dan wel (ii) heeft bewerkstelligd of toegelaten dat de vennootschap haar wettelijke of contractuele verplichtingen niet nakomt”, mogelijk persoonlijk aansprakelijk kan worden gesteld.
Met het eerste gevalstype verwijst de Hoge Raad naar de situatie die zich voordeed in het Beklamel-arrest. In dit kader geldt als maatstaf dat persoonlijke aansprakelijkheid van de bestuurder van de vennootschap kan worden aangenomen wanneer de bestuurder bij het namens de vennootschap aangaan van verplichtingen wist of redelijkerwijze behoorde te begrijpen dat de vennootschap niet (of niet binnen een redelijke termijn) aan haar verplichtingen zou kunnen voldoen en geen verhaal zou bieden voor de schade ten gevolge van die wanprestatie, behoudens door de bestuurder aan te voeren omstandigheden op grond waarvan de conclusie gerechtvaardigd is dat hem ter zake van de benadeling geen persoonlijk (voldoende ernstig)2 verwijt gemaakt kan worden.
In het tweede gevalstype heeft de bestuurder ‘bewerkstelligd of toegelaten dat de vennootschap haar wettelijke of contractuele verplichtingen niet nakomt’. Daarbij geldt als maatstaf dat hij voor de schade van de schuldeiser aansprakelijk kan worden gehouden indien “zijn handelen of nalaten als bestuurder ten opzichte van de schuldeiser in de gegeven omstandigheden zodanig onzorgvuldig is dat hem daarvan persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt”. Deze maatstaf is breed opgezet. Daardoor zijn veel situaties denkbaar die kunnen vallen onder dit gevalstype. De Hoge Raad geeft een specifiek voorbeeld: “[v]an een dergelijk ernstig verwijt zal in ieder geval sprake kunnen zijn als komt vast te staan dat de bestuurder wist of redelijkerwijze had behoren te begrijpen dat de door hem bewerkstelligde of toegelaten handelwijze van de vennootschap tot gevolg zou hebben dat deze haar verplichtingen niet zou nakomen en ook geen verhaal zou bieden voor de als gevolg daarvan opgetreden schade.” Maar, zo benadrukt de Hoge Raad: “[e]r kunnen zich echter ook andere omstandigheden voordoen op grond waarvan een ernstig persoonlijk verwijt kan worden aangenomen.”
Op de taxonomie die de Hoge Raad hanteert is het nodige aan te merken.3 Gelet op de omschrijving die de Hoge Raad geeft van het tweede gevalstype, lijkt er eigenlijk geen sprake te zijn van een specifiek geval waarvoor de Hoge Raad een maatstaf heeft ontwikkeld, maar van een ‘vergaarbak’ voor allerhande situaties waarin een schuldeiser is benadeeld vanwege het onbetaald en onverhaalbaar blijven van diens vorderingen op de vennootschap door toedoen van de bestuurder. Het tweede gevalstype (de vergaarbak) is zelfs dusdanig breed, dat betoogd kan worden dat het eerste gevalstype (dat is gebaseerd op het Beklamel-arrest) er ook onder zou kunnen worden geschaard.4 Als zich een andere situatie voordoet dan het specifieke, op het Oosterhof-arrest gebaseerde voorbeeld dat de Hoge Raad geeft, mist de maatstaf van de Hoge Raad bovendien aan scherpte. De Hoge Raad geeft immers geen handvatten om te bepalen wanneer het handelen of nalaten van een bestuurder “zodanig onzorgvuldig is dat hem daarvan persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt”. De maatstaf die de Hoge Raad heeft geformuleerd voor het tweede type gevallen lijkt daarom beperkt richtinggevend.