De bevrijdende verjaring
Einde inhoudsopgave
De bevrijdende verjaring (R&P nr. 162) 2008/21.2.2.3:21.2.2.3 Onvermogen tot het instellen van een vordering wegens gebrekkige feitenkennis
De bevrijdende verjaring (R&P nr. 162) 2008/21.2.2.3
21.2.2.3 Onvermogen tot het instellen van een vordering wegens gebrekkige feitenkennis
Documentgegevens:
mr. J.L. Smeehuijzen, datum 22-04-2008
- Datum
22-04-2008
- Auteur
mr. J.L. Smeehuijzen
- JCDI
JCDI:ADS365307:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Volgens de tekst van art. 3:310 lid 1 BW vangt de relatieve termijn aan zodra de benadeelde bekend is met zowel de schade als de aansprakelijke persoon. Die vereisten beogen een adequate opsomming te zijn van de wetenschap die een benadeelde moet hebben om tot het instellen van zijn vordering te kunnen overgaan. Zij zijn dat echter niet. Vereist is namelijk ook nog bekendheid met het bestaan van de fout en het causaal verband; wie niet weet dat er een grondslag is om een ander aansprakelijk te stellen of wie niet weet dat er causaal verband bestaat tussen daad en schade, kan zijn vordering niet instellen. Art. 3:310 BW moet op dit punt extensief worden geïnterpreteerd in die zin dat de relatieve termijn pas aanvangt als de benadeelde bekend is met alle voor het instellen van de vordering relevante feiten. Dit kan reeds worden geconcludeerd op grond van de regel dat de termijn pas aanvangt als de benadeelde daadwerkelijk in staat is zijn vordering in te stellen. Bovendien heeft de Hoge Raad expliciet dienovereenkomstig beslist.
Het Saelman-arrest heeft namelijk precies deze problematiek tot onderwerp. De casus alsmede de hofoverweging kwamen hiervoor aan de orde.1 Het hof oordeelde dat de omstandigheid dat de ouders niet bekend waren met de fout, niet aan aanvang van de relatieve termijn in de weg stond.
Naar de letter van de wet is op dat oordeel weinig aan te merken, want inderdaad is volgens de strikte bewoordingen van art. 3:310 lid 1 BW voor de aanvang van de relatieve termijn slechts bekendheid met (i) de schade en (ii) de aansprakelijke persoon vereist. Bekendheid met de fout is niet genoemd. Maar doordenkend rijzen snel bedenkingen.
Wat is immers het gevolg als de termijn aanvangt voordat de benadeelde bekend is met de fout? Het gevolg is dat zijn vordering verjaart, nog voordat hij in staat is geweest haar geldend te maken; kennis van de fout is nu eenmaal vereist, wil men een vordering kunnen instellen. Onomstreden is dat de regeling van de relatieve verjaringstermijn dat gevolg nu juist beoogt te voorkomen. De Hoge Raad heeft dezelfde gedachte gehad. Hij overweegt dat de korte verjaringstermijn van art. 3:310 lid 1 BW, pas begint te lopen op de dag na die waarop de benadeelde daadwerkelijk in staat is een rechtsvordering tot vergoeding van deze schade in te stellen en vervolgt dan:2 "Tegen deze achtergrond moet worden aangenomen dat indien iemand bij zijn geboorte lichamelijk letsel heeft opgelopen dat door het natuurlijk verloop van de zwangerschap en bevalling zou kunnen zijn veroorzaakt, de korte verjaringstermijn van artikel 3:310 lid 1 BW pas begint te lopen zodra hij of diens wettelijk vertegenwoordiger, voldoende zekerheid — die niet een absolute zekerheid hoeft te zijn — heeft gekregen dat het letsel (mede) is veroorzaakt door tekortschietend of foutief medisch handelen."
Overigens verdient opmerking dat voor het aanvangen van de relatieve termijn niet vereist is dat de benadeelde in detail weet waarin het foutieve van de litigieuze handeling schuilt. In HR 20 februari 20043 had een dakdekker in juli 1989 een dak vernieuwd. Reeds kort daarna deden zich lekkages voor zodat de benadeelde een deel van de rekening onbetaald liet. Pas in april 1995 werd de benadeelde uit een deskundigenrapport duidelijk wat de dakdekker precies fout had gedaan ("U vertelde mij dat er zich tussen het stucwerk binnen en het dakbeschot buiten isolatie bevindt. Dit is de oorzaak (...)"). Dat moment is evenwel niet doorslaggevend. In 1989 wist de benadeelde dat er een fout was gemaakt ten gevolge waarvan de schade die hij vordert is ontstaan. Reeds op dat moment had hij dus een vordering kunnen instellen.
De Hoge Raad overweegt:4 "Anders dan waarvan het middel kennelijk uitgaat, betekent zulks niet dat de benadeelde steeds ook met de oorzaak van de schade bekend dient te zijn, wil de verjaringstermijn een aanvang nemen. De verjaringstermijn begint te lopen op de dag na die waarop de benadeelde daadwerkelijk in staat is een rechtsvordering tot vergoeding van de schade in te stellen (HR 31 oktober 2003 nr. CO21234, RvdW 2003, 169)."
In lijn met het voorgaande moet deze overweging waarschijnlijk aldus worden gelezen dat de benadeelde wél steeds ook met de oorzaak van de schade bekend dient te zijn in die zin dat hem duidelijk moet zijn dat er een fout is gemaakt die voor hem schade tot gevolg heeft gehad. Anders is hij immers niet in staat zijn vordering in te stellen. Niet is evenwel vereist dat hem in detail bekend is waarin die fout gelegen is.