Einde inhoudsopgave
Het nationale budgetrecht en Europese integratie (SteR nr. 36) 2018/8.5.4
8.5.4 De no bail out-clausule (I)
mr. S.P. Poppelaars, datum 01-01-2018
- Datum
01-01-2018
- Auteur
mr. S.P. Poppelaars
- JCDI
JCDI:ADS456482:1
- Vakgebied(en)
EU-recht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
De no bail out-clausule is bij de totstandkoming van het Verdrag van Maastricht opgenomen in artikel 104B, eerste lid, EG-verdrag en is tegenwoordig vastgelegd in artikel 125, eerste lid, VWEU. Zie hierover par. 6.8.2.2.
Bij de schriftelijke behandeling speelde dit punt met name een rol bij het wetsvoorstel ter wijziging van artikel 136 VWEU. Bij de mondelinge behandeling werden zoals hierboven vermeld de wetsvoorstellen over de goedkeuring van het ESM-verdrag, over de wijziging van artikel 136 VWEU en over de incidentele suppletoire begroting die vanwege het ESM werd ingediend, gebundeld.
Handelingen II 2009/10, 69, p. 5975.
Kamerstukken II 2010/11, 21501-07, 766, p. 14.
Kamerstukken II 2011/12, 33220, 3, p. 3-4.
Kamerstukken II 2011/12, 33220, 6, p. 4-5.
Handelingen II 2011/12, 86, 3, p. 20.
Een volgend punt dat bij de behandeling van de gebundelde wetsvoorstellen een belangrijke rol speelde, was de verenigbaarheid van het ESM-verdrag met de no bail out-clausule van artikel 125 VWEU. 1In deze bepaling is onder meer vastgelegd dat de EU en de lidstaten niet aansprakelijk zijn voor verbintenissen van andere overheden en dat zij deze verbintenissen niet overnemen. Hieronder ga ik in op de discussies die het parlement daarover voerde.2 Het oordeel van het Hof van Justitie hierover, dat centraal stond in de zogeheten Pringle-zaak, komt in par. 8.6 aan de orde. Het Hof van Justitie wees dit arrest na de goedkeuring van het ESM-verdrag door de Staten-Generaal.
De vraag of het verlenen van financiële steun aan een andere lidstaat niet tot een schending van artikel 125 VWEU leidt, kwam bij de eerste hulp aan Griekenland en bij de instelling van de EFSF al kort aan de orde. Toenmalig minister-president Balkenende zei daarover:
‘Een bail-out zou impliceren dat wij zouden ingrijpen om Griekenland te hulp te schieten door de bestaande Griekse schuld over te nemen of kwijt te schelden. Iets dergelijks is inderdaad verboden. Wij schieten Griekenland niet te hulp met goedkope leningen en wij nemen de schuld niet over. Een eventuele interventie zou uitsluitend moeten dienen om de stabiliteit van de eurozone te waarborgen.’3
Nu er met het ESM echter een permanent noodfonds zou komen, besteedde het parlement meer aandacht aan de verenigbaarheid van het ESM-verdrag met de no bail out-clausule. Al tijdens de totstandkoming van het ESM-verdrag vroegen Kamerleden zich tijdens een algemeen overleg af of een permanent crisismechanisme niet in strijd zou komen met artikel 125 VWEU. De Jager stelde dat dat niet het geval was:
‘Nederland hecht er waarde aan dat dit artikel 125 op een of andere wijze overeind blijft voor het oorspronkelijke doel. Artikel 125 van de “no bail-out” […] ziet erop dat er bijvoorbeeld geen schuldovername of kwijtschelding plaatsvindt door de condities van een programma. Je kunt moeilijk een IMF-programma, zoals wij dat sinds 1944 kennen, een bail-out noemen voor de betreffende economie. Niemand die al een keer aan het IMF-programma heeft gehangen, zal dat een bail-out noemen. Wij hanteren dezelfde beleidscondities. Er komt een team en voor een deel is deze lidstaat gewoon zijn soevereiniteit kwijt. Er wordt een keihard conditioneel programma opgesteld, zowel op financieel gebied als op het gebied van Europese hervormingen. […] Wij hanteren dezelfde receptuur als het IMF. Als dat het geval is, is het dus geen bail-out. Dat is belangrijk.’4
De Raad van State oordeelde in zijn advies bij het wetsvoorstel ter goedkeuring van de wijziging van artikel 136 VWEU dat dit standpunt nog niet volledig overtuigde. De Raad van State adviseerde dan ook om de stelling dat het instellen van een stabiliteitsmechanisme niet in strijd is met artikel 125 VWEU, nader te onderbouwen in de memorie van toelichting bij dat wetsvoorstel.5 Hierin stelde de regering vervolgens:
‘Een stabiliteitsmechanisme wordt alom gezien als een noodzakelijk mechanisme om de stabiliteit van de euro en daarmee de stabiliteit van de Europese Unie te waarborgen. Het niet nemen van die maatregelen had kunnen leiden tot grote financiële en economische gevolgen in alle lidstaten van de EU in een omvang en snelheid die niet met de bestaande instrumenten van de EU was te beteugelen. Dit risico voor de stabiliteit is niet een tijdelijk probleem, maar een probleem dat zich te allen tijde kan voordoen. Een permanent mechanisme is daarom aangewezen. De onderlinge verbondenheid van de lidstaten en in het bijzonder van de lidstaten die de euro tot munt hebben, heeft tot gevolg dat economisch en begrotingsbeleid in een lidstaat onevenredig zware gevolgen kan hebben voor de andere lidstaten. De gevolgen van het niet steunen van de lidstaat kan gevolgen teweegbrengen voor de andere lidstaten die groter zijn dan de gevolgen voor die lidstaat alleen. Om die reden kan een dergelijk collectief tussen alle lidstaten van de eurozone overeengekomen stabiliteitsmechanisme onder de strikte voorwaarden zoals voorzien in het ESM Verdrag niet in strijd zijn of komen met de zogenaamde “no bail out”-clausule van artikel 125 van het EU-Werkingsverdrag.’6
Ondanks het verzoek van verschillende fracties om een nadere onderbouwing, herhaalde de regering in de nota naar aanleiding van het verslag vrijwel letterlijk de hierboven weergegeven argumentatie.7 Hieraan werd slechts toegevoegd:
‘Een andere uitleg van artikel 125 van het EU-Werkingsverdrag zou de doelstellingen van de EU, in het bijzonder de economische en monetaire unie die de euro als munt heeft en een duurzame ontwikkeling op basis van een evenwichtige economische groei en van prijsstabiliteit (artikel 3 EU-Verdrag), in gevaar brengen.’8
Bij de mondelinge behandeling van de wetsvoorstellen herhaalde de minister van Financiën nogmaals dit standpunt.9
De verenigbaarheid van een permanent noodfonds met de no bail outclausule van artikel 125 VWEU speelde daarmee bij de goedkeuring van het ESM-verdrag een grotere rol dan bij de eerdere steun aan Griekenland en bij de oprichting van de EFSF. Tegelijkertijd liet het parlement zich vrij eenvoudig overtuigen door de regering, die met name wees op de ernstige omstandigheden en gevolgen van de crisis. Een mogelijke strijd met artikel 125 VWEU was dan ook op geen enkel moment een werkelijk en doorslaggevend bezwaar voor een meerderheid van het parlement bij de goedkeuring van het ESM-verdrag.