HR, 28-01-2025, nr. 24/00121 W
ECLI:NL:HR:2025:132
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
28-01-2025
- Zaaknummer
24/00121 W
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Materieel strafrecht (V)
Internationaal strafrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2025:132, Uitspraak, Hoge Raad, 28‑01‑2025; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2024:1366
ECLI:NL:PHR:2024:1366, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 17‑12‑2024
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2025:132
Beroepschrift, Hoge Raad, 11‑11‑2024
- Vindplaatsen
SR-Updates.nl 2025-0030
Uitspraak 28‑01‑2025
Inhoudsindicatie
WOTS-zaak. Overname tenuitvoerlegging (6 jaren gevangenisstraf) van in Canada aan Nederlander opgelegde gevangenisstraf van 13 jaren t.z.v. het op internet afpersen van minderjarig meisje met seksueel getinte webcambeelden. Is art. 63 Sr van toepassing in procedure waarin Canadese straf wordt omgezet naar Nederlandse straf in geval waarin Canadese veroordeling betrekking heeft op feiten die zijn gepleegd voordat Nederlandse rechter in andere strafzaak tot veroordeling is gekomen? Opvatting dat in geval als dit (waarin strafbare feiten die hebben geleid tot veroordeling in buitenland, zijn gepleegd voordat Nederlandse strafrechter veroordeelde in Nederlandse strafzaak voor andere strafbare feiten heeft veroordeeld) art. 63 Sr van toepassing is, vindt geen steun in het recht. Rechter die o.g.v. art. 31.1 WOTS verlof verleent tot tenuitvoerlegging van buitenlandse rechterlijke beslissing, legt straf of maatregel op die “op overeenkomstig feit” naar Nederlands recht is gesteld. In formulering van art. 9.1 VOGP gaat het om het in de plaats stellen van sanctie zoals voorgeschreven “voor hetzelfde strafbare feit” naar recht van Staat van tenuitvoerlegging. In art. 31 WOTS bedoelde beslissing over oplegging van straf of maatregel betreft dus sanctie die naar Nederlands recht kan worden opgelegd voor strafbaar feit waarvoor in buitenland veroordeling heeft plaatsgevonden. Daarbij bestaat geen verplichting om, op manier als in art. 63 Sr omschreven, acht te slaan op eerdere veroordeling in Nederlandse strafzaak voor ander feit of andere feiten. Oordeel Rb dat art. 63 Sr geen toepassing vindt, is dan ook juist. Volgt verwerping.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 24/00121 W
Datum 28 januari 2025
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 21 december 2023, nummer 13/083009-23, omtrent een verzoek van Canada tot overname van de tenuitvoerlegging van een rechterlijke beslissing
tegen
[veroordeelde] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1978,
hierna: de veroordeelde.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de veroordeelde. Namens deze hebben R. Malewicz en S.J. Linck, beiden advocaat in Amsterdam, en F.H. van der Pol, advocaat in Almere, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal E.J. Hofstee heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De raadslieden van de veroordeelde hebben daarop schriftelijk gereageerd.
2. Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
2.1
Het cassatiemiddel klaagt over het oordeel van de rechtbank dat artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) in deze procedure niet van toepassing is.
2.2
In de conclusie van de advocaat-generaal is onder 3 weergegeven waar het in deze zaak om gaat:
“De veroordeelde is op 13 januari 2014 aangehouden in een Nederlandse strafzaak wegens verdenking van onder meer het op grote schaal afpersen van minderjarige meisjes via het internet met seksueel getinte webcambeelden. Een van die slachtoffers betrof de Canadese [slachtoffer] , die een filmpje op YouTube plaatste waarin ze haar verhaal deed, kort voordat zij op vijftienjarige leeftijd een einde aan haar leven maakte. De veroordeelde is op 17 april 2015 in Canada aangeklaagd en uiteindelijk in 2020 door Nederland uitgeleverd aan Canada voor de vervolging en berechting voor de feiten aangaande [slachtoffer] , onder de voorwaarde dat de in Canada opgelegde straf in Nederland ten uitvoer zou worden gelegd. Voor de overige feiten is de veroordeelde in Nederland vervolgd en uiteindelijk bij arrest van 14 december 2018 door het gerechtshof Amsterdam onherroepelijk veroordeeld tot de maximale gevangenisstraf van tien jaren en 243 dagen. Vervolgens is de veroordeelde op 14 oktober 2022 in de Canadese strafzaak veroordeeld tot een gevangenisstraf van dertien jaren. Hierna is aan de Nederlandse autoriteiten het verzoek gedaan tot overname van de tenuitvoerlegging van de strafoplegging. In dat kader heeft de officier van justitie op 2 mei 2023 gevorderd dat de rechtbank daartoe verlof verleent tot tenuitvoerlegging.”
2.3
De uitspraak van de rechtbank houdt onder meer in:
“4.3 Standpunt van de verdediging
Primair: toepassing van artikel 9a Sr
De samenloopregeling van artikel 57 Sr is van toepassing ten aanzien van de feiten waarop het Canadese vonnis ziet. Deze bepaling is gelet op artikel 63 Sr ook van toepassing op de samenloop van de feiten waarop het Canadese vonnis ziet met de feiten waarvoor veroordeelde in Nederland is berecht. De feiten waarvoor veroordeelde in Canada is berecht, zijn namelijk gepleegd voordat het gerechtshof Amsterdam op 14 december 2018 vonnis heeft gewezen in de Nederlandse strafzaak en hadden dus in die zaak kunnen worden meegenomen. Voor zover in jurisprudentie is bepaald dat artikel 63 Sr niet van toepassing is in een omzettingsprocedure gaat dat niet op in deze zaak. Die jurisprudentie ziet op buitenlandse vonnissen, waarmee rekening zou moeten worden gehouden. In deze zaak gaat het echter om een Nederlandse veroordeling, waarmee rekening moet worden gehouden. Van belang is verder dat het gelet op de gelijksoortigheid van de feiten en het beschikbare bewijs volkomen logisch was geweest om veroordeelde voor de feiten, die nu in Canada zijn berecht, ook in Nederland te berechten. De zaak tegen [slachtoffer] is kunstmatig losgekoppeld van de Nederlandse strafzaak. Dat mag niet tot gevolg hebben dat het bepaalde in artikel 57 Sr wordt omzeild. Artikel 63 Sr biedt daarvoor de oplossing omdat die bepaling juist is bedoeld om de omzeiling van artikel 57 Sr te voorkomen.
De toepassing van artikel 63 Sr moet ertoe leiden dat de in Canada opgelegde vrijheidsstraf wordt omgezet naar een gevangenisstraf van 0 dagen. Het gerechtshof Amsterdam heeft in de Nederlandse strafzaak, rekening houdende met artikel 57 Sr, namelijk al de maximaal mogelijk op te leggen gevangenisstraf opgelegd. Gelet op de cumulatiebeperkingen die volgen uit de artikelen 57 en 63 Sr moet toepassing worden gegeven aan het rechterlijk pardon van artikel 9a Sr.
(...)
4.4
Oordeel van de rechtbank
Omzetting van de straf
De rechtbank houdt bij de omzetting naar een Nederlandse straf om te beginnen rekening met de in Canada opgelegde straf en hoogte daarvan.
Bij de vaststelling van de duur van de straf neemt de rechtbank verder in overweging dat de Nederlandse overheid er regelmatig en nadrukkelijk voor waarschuwt dat aan het plegen van strafbare feiten in het buitenland grote risico’s zijn verbonden, gezien de veelal aanzienlijk hogere straffen die daar worden opgelegd. Door zich in Canada aan voornoemde delicten schuldig te maken, althans de delicten te plegen ten aanzien van een slachtoffer in Canada, heeft veroordeelde het risico genomen daarvoor zwaarder te worden gestraft dan in Nederland. Dit risico is voor zijn rekening.
Strafmodaliteit en duur
De rechtbank is van oordeel dat bij de keuze tot het opleggen van de straf en bij de bepaling van de duur daarvan, uit het oogpunt van een juiste normhandhaving, niet kan worden volstaan met een andersoortige of lagere straf dan een vrijheidsbenemende straf van na te melden duur. Gezien de bewezenverklaring gaat het om het tussen november 2009 en februari 2012 op verschillende sociale mediaplatforms door veroordeelde afpersen van [slachtoffer] , die pas twaalf jaar oud was, en haar verleiden tot het uitvoeren van pornografische camshows voor hem. Hij perste [slachtoffer] af door aanhoudende en intimiderende dreigementen dat hij afbeeldingen en video’s van haar zou verspreiden, wat hij deed toen zij weigerde aan zijn eisen te voldoen. Veroordeelde verspreidde kinderpornografisch materiaal waarin [slachtoffer] werd afgebeeld onder haar vrienden, familie en gemeenschap. Daarbij heeft de rechtbank rekening gehouden met de overige omstandigheden waaronder deze feiten zijn begaan, zoals vastgesteld in het Canadese vonnis.
(...)
De rechtbank heeft rekening gehouden met de straffen die in vergelijkbare zaken in Nederland worden opgelegd en die doorgaans lager zijn dan de in Canada aan veroordeelde opgelegde straf.
De rechtbank stelt voorts vast dat artikel 63 Sr niet van toepassing is in deze procedure nu zij niet komt tot een “schuldigverklaring aan een misdrijf of overtreding” in de zin van die bepaling, maar tot een omzetting van de Canadese straf naar een Nederlandse straf. Het verzoek van de raadsman om met toepassing van dit artikel rekening te houden met het arrest van het gerechtshof Amsterdam van 14 december 2018 wordt dus niet ingewilligd. De Canadese rechter heeft overigens de Nederlandse veroordeling wel bij zijn beoordeling betrokken. Met dit gegeven zal de rechtbank, bij het bepalen van een passend en geboden straf, dan ook rekening houden.
Alles afwegende vindt de rechtbank een gevangenisstraf van zes jaar passend. De straf is aanzienlijk lager dan de in Canada opgelegde straf, omdat de rechtbank ook rekening heeft gehouden met de straffen die in Nederland in vergelijkbare zaken worden opgelegd. De rechtbank ziet geen aanleiding voor strafkorting vanwege de detentie(omstandigheden) in Canada. Daarom wijkt de rechtbank af van de vordering van de officier van justitie.”
2.4
Bij de beoordeling van het cassatiemiddel zijn de volgende verdragsrechtelijke en wettelijke bepalingen van belang.
- Artikel 9 leden 1 en 2 van het Verdrag inzake de overbrenging van gevonniste personen (hierna: VOGP), in de Nederlandse vertaling:
“Artikel 9. Gevolgen van de overbrenging voor de Staat van tenuitvoerlegging
1. De bevoegde autoriteiten van de Staat van tenuitvoerlegging dienen:
(...)
b. de veroordeling door middel van een rechterlijke of administratieve procedure in een beslissing van die Staat om te zetten, waarbij voor de sanctie in de Staat van veroordeling opgelegd, een sanctie in de plaats wordt gesteld, zoals voorgeschreven voor hetzelfde strafbare feit naar het recht van de Staat van tenuitvoerlegging onder de in artikel 11 vermelde voorwaarden.
2. De Staat van tenuitvoerlegging stelt desgevraagd, vóór de overbrenging van de gevonniste persoon, de Staat van veroordeling in kennis welke van deze procedures door hem zal worden gevolgd.”
- Artikel 11 lid 1 VOGP, in de Nederlandse vertaling:
“Artikel 11. Omzetting van de veroordeling
1. Ingeval van omzetting van de veroordeling zijn de in de wetgeving van de Staat van tenuitvoerlegging voorziene procedures van toepassing. Bij omzetting van de veroordeling:
a. is de bevoegde autoriteit gebonden aan de vaststelling van de feiten voor zover deze uitdrukkelijk of impliciet blijken uit het door de Staat van veroordeling uitgesproken vonnis;
b. kan de bevoegde autoriteit een sanctie die vrijheidsbeneming met zich mede brengt, niet in een geldstraf omzetten;
c. brengt de bevoegde autoriteit de volledige periode van de door de gevonniste persoon reeds ondergane vrijheidsbeneming in mindering; en
d. zal de bevoegde autoriteit de strafrechtelijke positie van de gevonniste persoon niet verzwaren en is niet gebonden aan een eventueel minimum waarin door de wet van de Staat van tenuitvoerlegging wordt voorzien voor het gepleegde strafbare feit of de gepleegde strafbare feiten.”
- Artikel 31 lid 1 van de Wet overdracht tenuitvoerlegging strafvonnissen (hierna: WOTS):
“De rechtbank, de tenuitvoerlegging toelaatbaar achtende, verleent verlof tot tenuitvoerlegging van de buitenlandse rechterlijke beslissing en legt, met inachtneming van het daaromtrent in het toepasselijke verdrag voorgeschrevene, de straf of maatregel op, welke op het overeenkomstige feit naar Nederlands recht is gesteld. De uitspraak van de rechtbank wordt met redenen omkleed. De uitspraak geeft voorts de bijzondere redenen op, die de straf hebben bepaald of tot de maatregel hebben geleid en voorts zoveel mogelijk de omstandigheden, waarop bij de vaststelling van de duur of de hoogte van de straf is gelet. De artikelen 353 en 357 van het Wetboek van Strafvordering zijn van overeenkomstige toepassing.”
- Artikel 57 Sr:
“1. Bij samenloop van feiten die als op zichzelf staande handelingen moeten worden beschouwd en meer dan één misdrijf opleveren waarop gelijksoortige hoofdstraffen zijn gesteld, wordt één straf opgelegd.
2. Het maximum van deze straf is het totaal van de hoogste straffen op de feiten gesteld, doch – voor zover het gevangenisstraf of hechtenis betreft – niet meer dan een derde boven het hoogste maximum.”
- Artikel 63 Sr:
“Indien iemand, nadat hem een straf is opgelegd, schuldig wordt verklaard aan een misdrijf of een overtreding voor die strafoplegging gepleegd, zijn de bepalingen van deze titel voor het geval gelijktijdig straf wordt opgelegd van toepassing.”
2.5
Het cassatiemiddel berust op de opvatting dat in een geval als dit – waarin strafbare feiten die hebben geleid tot een veroordeling in het buitenland, zijn gepleegd voordat een Nederlandse strafrechter de veroordeelde in een Nederlandse strafzaak voor andere strafbare feiten heeft veroordeeld – artikel 63 Sr van toepassing is. Die opvatting vindt geen steun in het recht. De rechter die op grond van artikel 31 lid 1 WOTS verlof verleent tot tenuitvoerlegging van de buitenlandse rechterlijke beslissing, legt de straf of maatregel op die “op het overeenkomstige feit” naar Nederlands recht is gesteld. In de formulering van artikel 9 lid 1 VOGP gaat het om het in de plaats stellen van een sanctie zoals voorgeschreven “voor hetzelfde strafbare feit” naar het recht van de Staat van tenuitvoerlegging. De in artikel 31 WOTS bedoelde beslissing over de oplegging van een straf of maatregel betreft dus de sanctie die naar Nederlands recht kan worden opgelegd voor het strafbare feit waarvoor in het buitenland veroordeling heeft plaatsgevonden. Daarbij bestaat geen verplichting om, op een manier als in artikel 63 Sr omschreven, acht te slaan op een eerdere veroordeling in een Nederlandse strafzaak voor een ander feit of andere feiten. Het oordeel van de rechtbank dat artikel 63 Sr geen toepassing vindt, is dan ook juist.
2.6
Voor zover het cassatiemiddel hierover klaagt, faalt het.
3. Beoordeling van het derde cassatiemiddel
3.1
Het cassatiemiddel klaagt dat in de cassatiefase de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) is overschreden omdat de stukken te laat door de rechtbank zijn ingezonden.
3.2
Nu de Hoge Raad de zaak binnen veertien maanden na het instellen van het cassatieberoep afdoet, waardoor de overschrijding van de inzendtermijn in voldoende mate wordt gecompenseerd, kan – wat betreft de totale duur van de behandeling in cassatie – niet worden gesproken van een overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM.
3.3
Het cassatiemiddel faalt.
4. Beoordeling van de cassatiemiddelen voor het overige
De Hoge Raad heeft ook de overige klachten over de uitspraak van de rechtbank beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat ook deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
5. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren T. Kooijmans en F. Posthumus, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 28 januari 2025.
Conclusie 17‑12‑2024
Inhoudsindicatie
Conclusie AG. WOTS-zaak. Rechtbank heeft verlof tot tenuitvoerlegging verleend van in Canada opgelegde gevangenisstraf van 13 jaren en deze straf omgezet in een gevangenisstraf van 6 jaren. Verdachte is eerder in Nederland veroordeeld voor feiten die deel uitmaakten van hetzelfde strafrechtelijk onderzoek naar grootschalige afpersing van minderjarige meisjes via het internet met seksueel getinte webcambeelden. Middel 1 klaagt over het oordeel van de rechtbank dat art. 63 Sr hier niet van toepassing is en de eerder opgelegde Nederlandse straf niet in rekening hoeft te worden gebracht bij de omzetting van de Canadese straf. Middel 2 ziet op de begrijpelijkheid en de motivering van de beslissing van de rechtbank dat een gevangenisstraf van 6 jaren na omzetting passend is. Beide middelen falen volgens de AG. Middel 3, dat klaagt over een overschrijding van de inzendtermijn in cassatie, is terecht voorgesteld, maar kan volgens de AG worden gecompenseerd door een voortvarende behandeling. De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 24/00121 W
Zitting 17 december 2024
CONCLUSIE
E.J. Hofstee
In de zaak
[veroordeelde],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1978,
hierna: de veroordeelde
I. Inleiding
1. De rechtbank Amsterdam heeft bij uitspraak van 21 december 2023 toelaatbaar verklaard de tenuitvoerlegging in Nederland van de beslissing van the Supreme Court of British Columbia (Canada) van 14 oktober 2022, waarbij aan de veroordeelde een gevangenisstraf voor de duur van 13 jaren is opgelegd, die door de rechtbank is omgezet in een gevangenisstraf voor de duur van 6 jaren, wegens de volgende feiten:
1. extortion;
2. possession of child pornography for the purpose of distribution;
3. possession of child pornography;
4. child luring;
5. criminal harassment.
2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de veroordeelde. Bij schriftuur hebben F.H. van der Pol, advocaat in Almere, en R. Malewicz en S.J. Linck, beiden advocaat in Amsterdam, drie middelen van cassatie voorgesteld.
II. Waar het in deze zaak om gaat
3. De veroordeelde is op 13 januari 2014 aangehouden in een Nederlandse strafzaak wegens verdenking van onder meer het op grote schaal afpersen van minderjarige meisjes via het internet met seksueel getinte webcambeelden. Een van die slachtoffers betrof de Canadese [slachtoffer], die een filmpje op YouTube plaatste waarin ze haar verhaal deed, kort voordat zij op vijftienjarige leeftijd een einde aan haar leven maakte. De veroordeelde is op 17 april 2015 in Canada aangeklaagd en uiteindelijk in 2020 door Nederland uitgeleverd aan Canada voor de vervolging en berechting voor de feiten aangaande [slachtoffer], onder de voorwaarde dat de in Canada opgelegde straf in Nederland ten uitvoer zou worden gelegd. Voor de overige feiten is de veroordeelde in Nederland vervolgd en uiteindelijk bij arrest van 14 december 2018 door het gerechtshof Amsterdam onherroepelijk veroordeeld tot de maximale gevangenisstraf van tien jaren en 243 dagen.1.Vervolgens is de veroordeelde op 14 oktober 2022 in de Canadese strafzaak veroordeeld tot een gevangenisstraf van dertien jaren. Hierna is aan de Nederlandse autoriteiten het verzoek gedaan tot overname van de tenuitvoerlegging van de strafoplegging. In dat kader heeft de officier van justitie op 2 mei 2023 gevorderd dat de rechtbank daartoe verlof verleent tot tenuitvoerlegging.
4. Bij de rechtbank is namens de veroordeelde primair betoogd dat de rechtbank bij de omzetting van de Canadese straf, op de voet van art. 63 jº art 57 Sr rekening moet houden met de eerdere Nederlandse veroordeling, met dien verstande dat de Canadese straf wordt omgezet in een gevangenisstraf van 0 dagen, omdat in de Nederlandse strafzaak reeds de maximale gevangenisstraf is opgelegd. Subsidiair is verzocht de om te zetten gevangenisstraf te matigen tot één jaar gevangenisstraf, waarvan zes maanden voorwaardelijk.
5. De rechtbank heeft het namens de veroordeelde gevoerde verweer verworpen, geoordeeld dat art. 63 Sr niet van toepassing is en de Canadese straf omgezet in een gevangenisstraf van zes jaren.
6. Art. 63 Sr luidt:
“Indien iemand, nadat hem een straf is opgelegd, schuldig wordt verklaard aan een misdrijf of een overtreding voor die strafoplegging gepleegd, zijn de bepalingen van deze titel voor het geval gelijktijdig straf wordt opgelegd van toepassing.”2.
7. Het eerste cassatiemiddel richt zijn pijlen op het oordeel van de rechtbank dat art. 63 Sr niet van toepassing is. Het tweede cassatiemiddel ziet op de begrijpelijkheid en de motivering van de beslissing van de rechtbank dat een gevangenisstraf van zes jaar na omzetting passend is. Het derde cassatiemiddel klaagt over een overschrijding van de inzendtermijn in cassatie. Alvorens deze middelen te bespreken in de onderdelen VI tot en met VIII, geef ik hieronder de relevante delen weer van achtereenvolgens de Canadese uitspraak (onderdeel III), de uitspraak van de rechtbank (onderdeel IV) en het verweer van de verdediging (onderdeel V).
III. De strafoplegging door the Supreme Court of British Columbia (Canada)
8. De overwegingen van the Supreme Court of British Columbia ten aanzien van de strafoplegging houden – voor zover in cassatie van belang – het volgende in:
“Concurrent vs. Consecutive Sentences
[…]
[140] Finally, I also find that [veroordeelde]’s Canadian sentence should run consecutively to the Dutch sentence he is presently serving. I address this finding in greater detail below.
[…]
Application of the Legal Principles to the Offences
Count 1: Extortion
[…]
[148] Considering all of these factors, I find the appropriate sentence for the extortion offence is 10 years imprisonment.
Counts 2 and 3: Child Pornography Offences
[…]
[156] In my view, the appropriate sentence for the possession of child pornography for the purpose of distribution is 3 years imprisonment.
Count 4: Child Luring
[…]
[159] In my view a sentence of 6 years imprisonment is appropriate.
Count 5: Criminal Harassment
[…]
[162] I agree with the Crown that a sentence of 6 years concurrent is a fit and proper sentence for this relentless campaign of harassing behaviour.
Adjustments to Reflect the Totality Principle
[163] Having imposed multiple consecutive sentences in this case, I will now consider whether adjustments are necessary in light of the totality principle.
[164] In Sinclair, Steel J.A. varied the offender ’s sentence of incarceration, increasing it from five to eight years. She concluded that the other offences the accused was sentenced to, in addition to the child luring, were “extremely serious, if not equally serious to the luring charge” and the offender “was not entitled to a free ride with respect to those offences ”: at para.73. She emphasized that reductions for totality are “not automatic ” and are rather a ‘“last look’ to ensure that the cumulative sentence does not exceed the offender’s overall culpability... The higher the degree of moral culpability, the less likely the sentence will be reduced”: at para. 74
[165] I have considered the comments from Sinclair and Friesen in determining how to apply the totality principle to the sentence I impose. I am unpersuaded by the Crown ’s proposed approach to totality in this case – namely, imposing severe consecutive sanctions at the outset and effectively halving them so as to conform with totality principles. I believe that more modest reductions for totality are warranted so as not to undermine the paramount objectives of denouncing and deterring [veroordeelde]’s conduct.
[166] To that end, I recognize that a global within-indictment sentence of 19 years’ imprisonment – being the sum of the sentences I imposed for each offence above – would be crushing and run afoul of the totality principle. Accordingly, I elect to reduce [veroordeelde]’s global sentence. I will detail the specific reductions for each offence below.
[167] I find that this term of incarceration appropriately conforms with the totality principle while satisfying the various objectives that animated the independent sentences I have reached for the offences in this case. It also conforms with the comments in Friesen, referred to above, that in the context of sexual violence against children, “double-digit penitentiary terms should be neither unusual nor reserved for rare or exceptional circumstances”: at para. 114.
[168] Furthermore, I decline to make [veroordeelde]’s Canadian sentence concurrent with his Dutch sentence. I am of the view that reducing his Canadian sentence by approximately two additional years would not be necessary under the totality principle and only serve to undermine the objectives and principles that I have considered in crafting a fit sentence. As well, per Sinclair, “[c]oncurrent sentences are rarely appropriate where there are separate victims of sexual abuse, each of whom has suffered an individual harm”: at para. 48. A similar proposition has been expressed by our and other appellate courts in various contexts: e.g., R. v. Campbell, 2022 NSCA 29 at paras. 34-35 and R. v. Berry, 2014 BCCA 7 at para. 53. [veroordeelde]’s Canadian and Dutch offences targeted their own distinct victims and generated their own distinct harms, militating in favour of a consecutive sentence.
[169] Having made the Dutch and Canadian sentences consecutive, I agree with the defence that I must now turn my mind to the application of totality outside of the indictment before me.
[170] However, I am not persuaded by the defence’s reliance on MacArthur or Potts. MacArthur is not binding on me, and both it and Potts involved offences that are materially different from those at bar. Namely, neither MacArthur nor Potts concerned sexual offences against children. In MacArthur, the offender was sentenced for offences related to an armed robbery and an assault causing bodily harm. Similarly, in Potts, the offender received sentences for weapons-related and drug-related offences. The uniquely harmful nature of sexual offences against children, as made clear in Friesen, calls for a distinct approach to sentencing, including in the context of totality.
[171] In particular, I find it inappropriate to provide [veroordeelde] further reductions in the name of totality with respect to his Dutch sentence, as I am of the view that doing so would amount to giving him a “free ride” for offending that targeted and harmed distinct victims: Sinclair at para. 73. As stated in R. v. Johnson, 2012 ONCA 339 [Johnson],in the context of adjustments for totality in light of a prior and ongoing sentence:
[23] The system must be seen to be fair and rational - both to the offender and the community - and its integrity must be preserved. Just as a sentence cannot be unduly harsh and excessive, neither can it be overly lenient or unresponsive to other purposes and principles that underpin the sentencing regime ... In this sense, an offender such as the appellant ought not to be seen to be reaping benefits from his previous serious criminal misconduct
[172] To be clear, I have accounted for [veroordeelde]’s Dutch sentences in the sentence I impose. Yet, informed by appellate decisions across Canada, I have only considered the unexpired portion of [veroordeelde]’s Dutch sentence, being approximately two years’ imprisonment: see R. v. Roberts, 2019 NLCA43; R. v. Park, 2016 MBCA 107 [Park]; and Johnson. As stated in Park:
[10] The jurisprudence confirms that, in applying the totality principle, the court can and should look to the unexpired sentence still to be served by the accused ..., but only to the unexpired portion. ... The unexpired portion of a prior sentence can address some of the public protection and rehabilitation concerns of the sentencing court with respect to an offender being sentenced for a new offence. ...
[173] I note that [veroordeelde]’s Dutch sentence arguably falls outside the ambit of the rationale expressed in Park. Namely, when the court in Park advises that a prior unexpired sentence may address the same concerns animating the imposition of a subsequent sentence, it seems to assume that the same sentencing objectives and principles guide the imposition of both sentences. This is certainly true for Canadian courts, but there is an insufficient evidentiary basis before me to suggest that Canadian and Dutch courts share a similar sentencing regime.
[174] However, even if I assume that the Dutch and Canadian sentencing regimes are similar, the fact that [veroordeelde] has been serving his Dutch sentence for more than 5 years further distinguishes the present case from Potts and MacArthur. In both of those cases, the distinct sentences that were said to impact the court ’s totality analysis were imposed in very close proximity to each other. In MacArthur, the sentences were imposed one day apart, and in Potts they were imposed a few months apart. Such proximity, which is not present here, makes more compelling the view that a prior sentence imposed in distinct proceedings should effectively be viewed as an addition to a newly-imposed sentence for the purposes of totality.
[175] As well, I emphasize that, although the Dutch sentences are an appropriate consideration in this case, my role in this sentencing is, ultimately, to craft a just and fit sentence for [veroordeelde]’s Canadian offending as guided by applicable Canadian sentencing law. I believe the sentence I impose on [veroordeelde], to be served consecutively to the unexpired two years remaining in [veroordeelde]’s Dutch sentence, fits that criteria.
[176] Finally, I am aware that the global sentence I impose exceeds the sentence sought by the Crown, after accounting for totality. However, the sentences that I consider fit and appropriate for each of [veroordeelde]’s offences do not, cumulatively, exceed the Crown ’s submissions. It is only in the exercise of my discretion with respect to totality, and in particular my departure from the Crown’s approach to totality for the reasons described above, that [veroordeelde]’s global sentence exceeds the one sought by the Crown. Indeed, during the sentencing hearing, I advised counsel that I was not inclined to adopt as generous an application of the totality assessment as the Crown proposed. In any event, I note that our Court of Appealrecently confirmed that it is not necessary for a sentencing judge to advise counsel of an intention to imposea sentence outside the range sought by either party:R. v. Nahanee, 2021 BCCA 13 at para.46, leave to appeal to SCC granted, 39599(8 July 2021), appealheard 16 March 2022, citing R. v. R.R.B., 2013 BCCA 224.
Disposition
[177] Crafting the appropriate sentence is always a difficult exercise. It is particularly difficult in cases like this one, where the harm caused by the offending is so profound that no sentence could ever come close to repairing it. In every case, sentencing involves a careful examination of the offender ’s personal circumstances together with the circumstances of the offence, the impact on the community, the case law and its application to the facts of the case, and the principles of sentencing.
[178] Balancing all of the relevant factors, I am of the view that a global sentence of 13 years is a proportionate, fit, and proper sentence. This sentence serves to denounce [veroordeelde]’s conduct and to deter him and others from engaging in such egregious conduct in the future.
[179] [veroordeelde], please stand.
[180] Following a finding of guilt by the jury on all five counts on the indictment, I am formally entering convictions on Counts 1,2,4 and 5.1 am entering a judicial stay of proceedings on Count 3 (possession of child pornography) pursuant to the Kienapple principle.
[181] The sentence I impose is as follows:
1. On Count 1 of the Indictment, the extortion of [slachtoffer], I sentence you to a period of incarceration of 8 years.
2. On Count 2 of the Indictment, possession of child pornography for the purpose of distribution, I sentence you to a period of incarceration of 1 year, to run consecutively to the sentence imposed on Count 1.
3. On Count 4 of the Indictment, child luring, I sentence you to a period of incarceration of 4 years, to run consecutive to the sentence imposed on Count 1.
4. On Count 5 of the Indictment, criminal harassment, I sentence you to a period of incarceration of 6 years, to run concurrent with the sentence imposed on Count 1.
[182] Therefore, your total global sentence is 13 years imprisonment.
[183] This sentence is to run consecutively to the sentence you are presently serving for your convictions in the Netherlands.”
IV.De strafoplegging door de rechtbank na omzetting
9. De rechtbank heeft de in Canada opgelegde straf omgezet in een gevangenisstraf voor de duur van zes jaren en heeft in dat kader – voor zover relevant voor de beoordeling van het eerste en het tweede cassatiemiddel – het volgende vastgesteld en overwogen:
“4. Motivering van de strafoplegging
4.1
Inleiding
Aan veroordeelde is in een Nederlandse strafzaak (in beroep) bij arrest van 14 december 2018 van het gerechtshof in Amsterdam een gevangenisstraf van tien jaar en 243 dagen opgelegd. Dit arrest en de rechterlijke beslissing van the Supreme Court of British Columbia van 14 oktober 2022 zien op gelijksoortige strafbare feiten. Het gaat om – in de kern – het afpersen van minderjarige meisjes door contact met hen te zoeken via internet/webcam, vervolgens seksueel getinte afbeeldingen/filmpjes van die meisjes te verkrijgen en daarna te dreigen met het openbaar maken van die afbeeldingen/filmpjes en dat ook daadwerkelijk te doen. De Nederlandse strafzaak ziet op vele (Nederlandse en buitenlandse) slachtoffers. De Canadese strafzaak ziet op één slachtoffer, de Canadese [slachtoffer]. Veroordeelde is op 13 januari 2014 in de Nederlandse strafzaak aangehouden en op 17 april 2015 is hij aangeklaagd in de Canadese strafzaak. Op 10 juni 2015 heeft Canada om de uitlevering van veroordeelde verzocht om hem te berechten in de Canadese strafzaak. De Nederlandse strafzaak verkeerde op dat moment nog in de vervolgingsfase. De raadsman heeft tevergeefs getracht de vervolging voor de toen nog vermeende strafbare feiten ten aanzien van [slachtoffer] door Canada aan Nederland te laten overdragen. Daarbij heeft hij onder meer de gelijksoortigheid van de beschuldigingen en de toepassing van artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht (Sr) naar voren gebracht. De rechtbank heeft bij uitspraak van 28 juni 2016 de verzochte uitlevering van veroordeelde toelaatbaar verklaard. De raadsman heeft in de uitleveringszaak het verweer gevoerd dat gelet op de vervolging van veroordeelde in de Nederlandse strafzaak op grond van de goede rechtsbedeling en het wederkerigheidsbeginsel de uitlevering moet worden geweigerd en de rechtbank verzocht te bepalen dat veroordeelde in Nederland zou worden vervolgd voor de beschuldigingen waarop het uitleveringsverzoek ziet. De rechtbank heeft dat verweer verworpen. In de Canadese strafzaak hebben de Canadese advocaten het arrest in de Nederlandse strafzaak naar voren gebracht en bepleit – kort samengevat – dat dit tot (forse) strafmatiging in de Canadese strafzaak zou moeten leiden. De Canadese rechter heeft in zijn vonnis de Nederlandse veroordeling uitgebreid besproken, uiteindelijk oplegging van een gevangenisstraf van dertien jaar passend geacht en daarbij bepaald – kort samengevat – dat veroordeelde de Nederlandse en Canadese vrijheidsstraf niet gelijktijdig maar opeenvolgend moet ondergaan (“Having made the Dutch and Canadian sentences consecutive”). Daarnaast heeft de Canadese rechter acht ancillary orders opgelegd.
In de Certified case summary of foreign national transfer to The Netherlands is als Official Version of the Offence waarop het Canadese vonnis ziet, vermeld:
“Between November 2009 and February 2012, [veroordeelde] used 22 online aliases on four different social media platforms to extort and lure [slachtoffer] (who was only twelve years old) into performing pornographic cam shows for him. He extorted [slachtoffer] by persistent and harassing threats that he would distribute images and videos of her, which he did when she refused to comply with his demands. [veroordeelde] distributed child pornographic materials depicting [slachtoffer] to her friends, family and community.”
De Canadese autoriteiten hebben, onder meer naar aanleiding van de tussenuitspraak van de rechtbank, de volgende informatie verstrekt over de regeling van vervroegde invrijheidstelling in Canada en de toepassing daarvan op de gevangenisstraf van veroordeelde in het geval hij die straf in Canada zou ondergaan.
[…]
4.3
Standpunt van de verdediging
Primair: toepassing artikel 9a Sr
De samenloopregeling van artikel 57 Sr is van toepassing ten aanzien van de feiten waarop het Canadese vonnis ziet. Deze bepaling is gelet op artikel 63 Sr ook van toepassing op de samenloop van de feiten waarop het Canadese vonnis ziet met de feiten waarvoor veroordeelde in Nederland is berecht. De feiten waarvoor veroordeelde in Canada is berecht, zijn namelijk gepleegd voordat het gerechtshof Amsterdam op 14 december 2018 vonnis heeft gewezen in de Nederlandse strafzaak en hadden dus in die zaak kunnen worden meegenomen. Voor zover in jurisprudentie is bepaald dat artikel 63 Sr niet van toepassing is in een omzettingsprocedure gaat dat niet op in deze zaak. Die jurisprudentie ziet op buitenlandse vonnissen, waarmee rekening zou moeten worden gehouden. In deze zaak gaat het echter om een Nederlandse veroordeling, waarmee rekening moet worden gehouden. Van belang is verder dat het gelet op de gelijksoortigheid van de feiten en het beschikbare bewijs volkomen logisch was geweest om veroordeelde voor de feiten, die nu in Canada zijn berecht, ook in Nederland te berechten. De zaak tegen [slachtoffer] is kunstmatig losgekoppeld van de Nederlandse strafzaak. Dat mag niet tot gevolg hebben dat het bepaalde in artikel 57 Sr wordt omzeild. Artikel 63 Sr biedt daarvoor de oplossing omdat die bepaling juist is bedoeld om de omzeiling van artikel 57 Sr te voorkomen.
De toepassing van artikel 63 Sr moet ertoe leiden dat de in Canada opgelegde vrijheidsstraf wordt omgezet naar een gevangenisstraf van 0 dagen. Het gerechtshof Amsterdam heeft in de Nederlandse strafzaak, rekening houdende met artikel 57 Sr, namelijk al de maximaal mogelijk op te leggen gevangenisstraf opgelegd. Gelet op de cumulatiebeperkingen die volgen uit de artikelen 57 en 63 Sr moet toepassing worden gegeven aan het rechterlijk pardon van artikel 9a Sr.
Subsidiair: gevangenisstraf van één jaar, waarvan zes maanden voorwaardelijk passend
[…] De straf moet echter nog verder worden gematigd gelet op het volgende.
In Canada is, ook voor Canadese begrippen, een exorbitant hoge straf opgelegd. Gelet op de overwegingen van de Canadese rechter komt dit mogelijk door de zelfmoord van [slachtoffer]. Dit is opmerkelijk, omdat in de Final Instructions to the Jury staat: “’s death, and the circumstances of her death, are not part of this trial.” De dood van [slachtoffer] moet niet worden meegewogen bij het bepalen van de straf naar Nederlandse maatstaven.
Met de omstandigheid dat twee afbeeldingen naar Nederlands recht niet als kinderpornografisch kunnen worden aangemerkt, moet ook rekening worden gehouden.
Verder volgt uit de richtlijn van het Openbaar Ministerie en de Nederlandse jurisprudentie in vergelijkbare zaken de Nederlandse maatstaf.
Dat de zaak van [slachtoffer] is losgetrokken van de Nederlandse strafzaak, waarin veroordeelde voor gelijksoortige feiten is berecht, moet ook worden meegewogen. Dit heeft ertoe geleid dat de procedures lang hebben geduurd.
Ook van belang is dat veroordeelde zware detentieomstandigheden heeft moeten ondergaan in Canada en dat sprake is van privacy schending door het verstrekken van zeer persoonlijke informatie door Canadese autoriteiten aan de media.
Verder heeft veroordeelde in de Nederlandse Vl-zaken niet willen meewerken, omdat alles wat hij zou zeggen in Nederland tegen hem zou kunnen worden gebruikt in Canada. Dit is een begrijpelijke houding en heeft ertoe geleid dat de VI in de Nederlandse strafzaak is uitgesteld.
Uit de letters of support van de moeder, zus en beste vriend van veroordeelde blijkt voorts dat bij vrijlating van veroordeelde er meteen een sterk netwerk van familie en vrienden klaarstaat om veroordeelde op te vangen met onderdak, geld, transport en mentale ondersteuning. Dit verlaagt de recidivekans.
Alles afwegende, is omzetting naar een gevangenisstraf van één jaar, waarvan zes maanden voorwaardelijk, passend.
[…]
4.4
Oordeel van de rechtbank
Omzetting van de straf
De rechtbank houdt bij de omzetting naar een Nederlandse straf om te beginnen rekening met de in Canada opgelegde straf en hoogte daarvan.
Bij de vaststelling van de duur van de straf neemt de rechtbank verder in overweging dat de Nederlandse overheid er regelmatig en nadrukkelijk voor waarschuwt dat aan het plegen van strafbare feiten in het buitenland grote risico's zijn verbonden, gezien de veelal aanzienlijk hogere straffen die daar worden opgelegd. Door zich in Canada aan voornoemde delicten schuldig te maken, althans de delicten te plegen ten aanzien van een slachtoffer in Canada, heeft veroordeelde het risico genomen daarvoor zwaarder te worden gestraft dan in Nederland. Dit risico is voor zijn rekening.
Strafmodaliteit en duur
De rechtbank is van oordeel dat bij de keuze tot het opleggen van de straf en bij de bepaling van de duur daarvan, uit het oogpunt van een juiste normhandhaving, niet kan worden volstaan met een andersoortige of lagere straf dan een vrijheidsbenemende straf van na te melden duur. Gezien de bewezenverklaring gaat het om het tussen november 2009 en februari 2012 op verschillende sociale mediaplatforms door veroordeelde afpersen van [slachtoffer], die pas twaalf jaar oud was, en haar verleiden tot het uitvoeren van pornografische camshows voor hem. Hij perste [slachtoffer] af door aanhoudende en intimiderende dreigementen dat hij afbeeldingen en video's van haar zou verspreiden, wat hij deed toen zij weigerde aan zijn eisen te voldoen. Veroordeelde verspreidde kinderpornografisch materiaal waarin [slachtoffer] werd afgebeeld onder haar vrienden, familie en gemeenschap. Daarbij heeft de rechtbank rekening gehouden met de overige omstandigheden waaronder deze feiten zijn begaan, zoals vastgesteld in het Canadese vonnis.
De rechtbank stelt verder vast geen inzicht te hebben in de persoonlijke omstandigheden van veroordeelde. Hij is, ook nadat de Canadese rechter uitspraak deed, in de onderhavige procedure niet op de zitting verschenen om zijn actuele persoonlijke omstandigheden toe te lichten. De raadsman heeft wel verklaringen van de moeder, zus en beste vriend van veroordeelde overgelegd. Deze verklaringen zijn echter in de Canadese strafzaak overgelegd en dus niet actueel. Gelet hierop en omdat de informatie niet uit objectieve bronnen afkomstig is, hecht de rechtbank aan die verklaringen niet de strafmatigende betekenis die de raadsman eraan hecht.
De rechtbank heeft rekening gehouden met de straffen die in vergelijkbare zaken in Nederland worden opgelegd en die doorgaans lager zijn dan de in Canada aan veroordeelde opgelegde straf.
De rechtbank stelt voorts vast dat artikel 63 Sr niet van toepassing is in deze procedure nu zij niet komt tot een “schuldigverklaring aan een misdrijf of overtreding” in de zin van die bepaling, maar tot een omzetting van de Canadese straf naar een Nederlandse straf.3.Het verzoek van de raadsman om met toepassing van dit artikel rekening te houden met het arrest van het gerechtshof Amsterdam van 14 december 2018 wordt dus niet ingewilligd. De Canadese rechter heeft overigens de Nederlandse veroordeling wel bij zijn beoordeling betrokken. Met dit gegeven zal de rechtbank, bij het bepalen van een passend en geboden straf, dan ook rekening houden.
Alles afwegende vindt de rechtbank een gevangenisstraf van zes jaar passend. De straf is aanzienlijk lager dan de in Canada opgelegde straf, omdat de rechtbank ook rekening heeft gehouden met de straffen die in Nederland in vergelijkbare zaken worden opgelegd. De rechtbank ziet geen aanleiding voor strafkorting vanwege de detentie(omstandigheden) in Canada. Daarom wijkt de rechtbank af van de vordering van de officier van justitie.
De informatie die is verstrekt over de vervroegde invrijheidstelling van de opgeëiste persoon in het geval hij de straf in Canada zou hebben ondergaan, geeft geen aanleiding de gevangenisstraf verder te matigen.”
V. Het namens de veroordeelde gevoerde verweer
10. De raadsman van de veroordeelde heeft op de zitting van 29 juni 2023 overeenkomstig zijn overgelegde en aan het proces-verbaal van die zitting gehechte pleitnota onder meer het volgende naar voren gebracht (hier weergegeven zonder de voetnoten):
“Toepassing artikel 63 Sr
31. Kort en goed: samenloopregelingen dienen te worden toegepast door de exequaturrechter binnen de omzettingsprocedure. In dit geval gaat het echter niet enkel om samenloop van de feiten die in de Canadese veroordeling worden genoemd, maar ook van de feiten waarvoor cliënt in Nederland is berecht. Dit volgt namelijk uit artikel 63 Sr. Deze bepaling schrijft voor dat indien iemand, nadat hem een straf is opgelegd, schuldig wordt verklaard aan een misdrijf of een overtreding voor die strafoplegging gepleegd, de bepalingen van deze titel voor het geval gelijktijdig straf wordt opgelegd van toepassing zijn.
32. Zoals reeds eerder vermeld, zijn de feiten waarvoor cliënt in Canada is veroordeeld (de ‘tweede schuldigverklaring’ zoals bedoeld in artikel 63 Sr) gepleegd voordat hem een straf was opgelegd door het Gerechtshof Amsterdam (de ‘eerste strafoplegging’ zoals bedoeld in artikel 63 Sr). Deze feiten zijn namelijk gepleegd tussen 2009 en 2012, terwijl het arrest van het Gerechtshof Amsterdam is gewezen in 2018.
33. De Hoge Raad heeft meermaals geoordeeld dat artikel 63 geen toepassing vindt voor zover de Nederlandse strafrechter bij diens strafoplegging rekening zou moeten houden met een buitenlandse veroordeling. Zo oordeelde de Hoge Raad in 2009 dat indien bij een buitenlandse rechterlijke beslissing aan de verdachte een straf is opgelegd, die strafoplegging geen veroordeling als bedoeld in artikel 63 Sr oplevert. Hieraan voegde de Hoge Raad in 2018 toe dat dit oordeel niet anders is indien het gaat om een rechterlijke beslissing die in een andere lidstaat van de Europese Unie is genomen, ook niet indien de veroordeelde de in die lidstaat opgelegde straf (grotendeels) in Nederland uitzit op basis van de WETS.
34. Hetzelfde geldt volgens de Hoge Raad in het geval die buitenlandse veroordeling is omgezet in een Nederlandse straf via een omzettingsprocedure ex. artikel 31 WOTS en in Nederland ten uitvoer wordt gelegd. Zelfs in dat geval, waarbij de buitenlandse straf in een Nederlandse is omgezet, kan dit niet aangemerkt worden als een straf waarmee de rechter in het kader van artikel 63 Sr rekening moet houden bij een tweede veroordeling.
35. Over dit oordeel valt veel te zeggen, vooral gezien de steeds verdergaande vormen van strafrechtelijke samenwerking waarin buitenlandse vonnissen worden erkend door Nederland en ook in Nederland ten uitvoer worden gelegd, maar deze vonnissen desondanks kennelijk geen grondslag kunnen vormen voor het toepassen van de samenloopregelingen. De exacte redenatie achter dit oordeel van de Hoge Raad ontbreekt vooralsnog in diens jurisprudentie. Hoe die discussie zich verder zal ontwikkelen, is in onderhavige zaak echter niet van belang.
36. Bij de toepassing van artikel 63 Sr in onderhavige zaak is er namelijk geen sprake van een buitenlands vonnis waarmee rekening gehouden zou moeten worden bij een tweede veroordeling, maar een Nederlandse veroordeling, namelijk die door het gerechtshof Amsterdam. Bovenvermelde jurisprudentie van de Hoge Raad, waarin te kennen is gegeven dat er bij een tweede strafoplegging door de Nederlandse rechter geen rekening behoeft te worden gehouden met de in het buitenland opgelegde straf voor feiten die vóór eerstgenoemde strafoplegging zijn gepleegd, speelt in onderhavige zaak derhalve geen rol.
37. Er is mijns inziens geen reden dat artikel 63 Sr uitgesloten zou moeten worden in onderhavige zaak. In tegendeel: aan de vereisten voor de toepassing van artikel 63 Sr is voldaan. Deze vereisten blijken helder uit de conclusie van A-G Machielse bij het arrest van de Hoge Raad van 29 november 2005. Machielse noemt dat het moet gaan om de situatie waarin iemand terecht staat voor een feit dat is gepleegd voordat hij ter zake van een ander feit is veroordeeld en waarbij het Openbaar Ministerie de theoretische mogelijkheid moet hebben gehad de zaken gelijktijdig op de zitting te brengen.
38. Deze vereisten blijken ook uit de wetsgeschiedenis. Ik citeer:
“Artikel 63 Sr betreft de situatie dat gelijktijdige berechting niet heeft plaatsgevonden, waar dit in principe wel had gekund: iemand wordt na veroordeling tot straf opnieuw schuldig verklaard aan een strafbaar feit dat hij vóór die veroordeling heeft gepleegd.”
39. Zoals eerder genoemd, zijn de feiten waarvoor [veroordeelde] is veroordeeld in Canada gepleegd voordat de Nederlandse veroordeling heeft plaatsgevonden. Verder staat buiten twijfel dat de Nederlandse autoriteiten de feiten met betrekking tot [slachtoffer] ook in Nederland hadden kunnen vervolgen, nu zij zo’n belangrijk onderdeel vormde in het onderzoek Disclosure. Dit volgt duidelijk uit de eerdergenoemde index van de zaaksdossiers, het daarin genoemde Facebookrapport en tevens een proces-verbaal waarin wordt vermeld dat de zaak van [slachtoffer] de aanleiding is geweest van het onderzoek.
40. Verder werden de feiten met betrekking tot alle andere 33 slachtoffers in Nederland vervolgd. Sterker nog: een andere zaak waarin een Canadees slachtoffer voorkwam, is wel door Nederland vervolgd. Dit is ook volstrekt begrijpelijk. Met betrekking tot alle slachtoffers is namelijk hetzelfde bewijs gebruikt en is dezelfde pleegperiode gehanteerd. Verder heeft de dader dezelfde aliassen, IP-adressen, e-mailadressen, hard drives en platforms gebruikt. Het was derhalve niet alleen mogelijk maar ook volkomen logisch geweest als ook de zaak van [slachtoffer] in Nederland, waar al het bewijs aanwezig was, was vervolgd. Echter, volledig buiten cliënt zijn macht en wil om, is de zaak omtrent [slachtoffer] kunstmatig losgetrokken van de overige zaken. Dit is met name kwalijk nu cliënt voor de hoofdreden dat de zaak werd losgetrokken, namelijk [slachtoffer]’s dood, nooit is vervolgd. Het verdelen van de vervolging is daarom niet enkel nadelig voor cliënt geweest, maar ook onnodig.
41. Mocht het Openbaar Ministerie de mening zijn toebedeeld dat de vervolging niet in Nederland kon plaatsvinden omdat er een Canadees uitleveringsverzoek lag en er daardoor een verplichting tot uitlevering bestond, dient hierbij het volgende in aanmerking te worden genomen. Het Canadese uitleveringsverzoek is uitgevaardigd in 2015, terwijl cliënt al sinds begin 2014 was gedetineerd op basis van de vervolging in Nederland. Indien de feiten omtrent [slachtoffer] reeds onderdeel hadden uitgemaakt van de Nederlandse vervolging, dan kon de uitlevering geweigerd worden op basis van artikel 5, onder a van het Uitleveringsverdrag tussen Nederland en Canada. Des te sterker: deze facultatieve weigeringsgrond is imperatief ingevuld, zo blijkt uit de Uitleveringswet. Uit artikel 9, lid 1, onder a van deze wet blijkt namelijk dat de uitlevering niet wordt toegestaan in het geval dat er een strafvervolging voor een feit ter zake waarvan ten tijde van de beslissing op het verzoek tot uitlevering een strafvervolging in Nederland tegen hem gaande is.
42. Het staat buiten twijfel dat, gezien de tijdlijn in zowel de Nederlandse als de Canadese procedure, de Nederlandse autoriteiten als eerste vervolgingshandelingen hebben verricht. Bij de aanhouding van client wordt al gesproken over Canada als pleegplaats, dat kan toen alleen de zaak [slachtoffer] zijn geweest omdat pas later tijdens het onderzoek de zaak van D34 opkwam (pv werd opgemaakt in september 2014, client werd al in januari 2014 aangehouden). Het was daardoor zeker een mogelijkheid geweest in de Nederlandse vervolging ook de feiten omtrent [slachtoffer] mee te nemen. Het gebruik maken van deze mogelijkheid had ook overigens niet misstaan gezien het onrechtvaardige effect van een verdeelde vervolging jegens cliënt, welk effect volgt uit de omzeiling van artikel 57 Sr.
43. En deze omzeiling is nou juist wat artikel 63 Sr tracht te voorkomen, zo blijkt uit het doel van de bepaling. Met betrekking tot dit doel wordt nogmaals verwezen naar de eerdergenoemde conclusie van Machielse, waarin hij ook weer verwijst naar meerdere bronnen. Concluderend stelt hij het volgende over artikel 63 Sr: “het mag niet afhangen van feitelijke of processuele gronden die het gelijktijdige of ongelijktijdige van de berechting bepalen of de samenloopregels worden toegepast.”
Machielse verwijst verder naar Vos, die stelt dat het Openbaar Ministerie niet in staat mag zijn om, door zaken te splitsen, de regels van de samenloop buiten werking te stellen.
44. De ratio van de bepaling komt ook duidelijk terug in een uitspraak van de rechtbank Amsterdam d.d. 14 oktober 2011. Ik citeer:
“De ratio van de samenloopregeling, zoals hiervoor geschetst, is de onbeperkte optelling van mogelijke straffen te beperken tot een bepaald maximum. Dit is naar het oordeel van de rechtbank zonder meer redelijk als sprake is van gelijktijdige berechting van meerdere feiten. Dit is ook het geval wanneer feiten niet gelijktijdig worden behandeld waar dit wel had gekund. Zo moet de verdachte worden beschermd tegen een Openbaar Ministerie dat “vergeet” bepaalde zaken gelijktijdig aan te brengen, dan wel daar een bijzondere reden voor heeft. Artikel 63 biedt de verdachte bescherming in die zin dat bij de laatste berechting rekening wordt gehouden met de eerdere veroordelingen. Dit systeem hoort bij een evenredige berechting waarbij met de belangen van de verdachte rekening wordt gehouden.
….
Het is niet rechtvaardig om straffen zonder maximum te laten cumuleren als het Openbaar Ministerie de (al dan niet bewuste) keuze zou hebben om de verschillende feiten gelijktijdig te laten berechten, maar desondanks de feiten op afzonderlijke tijdstippen ter berechting aanbrengt. Hierdoor zou de verdachte het strafplafond worden onthouden.”
45. En deze onthouding van het strafplafond is precies wat er zou gebeuren indien artikel 63 Sr geen rol speelt in onderhavige procedure. Doordat ervoor is gekozen om de zaak omtrent [slachtoffer] niet in Nederland maar in Canada te vervolgen, zouden de samenloopregelingen worden omzeild indien artikel 63 Sr niet van toepassing wordt verklaard in onderhavige procedure.
[…]
“Subsidiair: aanpassing naar Nederlandse maatstaven
51. Subsidiair, indien uw rechtbank de mening is toebedeeld dat artikel 63 Sr geen toepassing kan vinden in onderhavige procedure, wordt verzocht de Canadese straf van 13 jaren gevangenisstraf aan te passen naar Nederlandse maatstaven.
[…]
55. Een mogelijke reden voor de zeer hoge straf, is het feit dat [slachtoffer] op enig moment zichzelf van het leven heeft beroofd. Dat dit zijn doorwerking in de straf heeft gehad, is zeker niet uit te sluiten. Zo staan op pagina 4 van de strafmotivering de woorden vermeld: ‘So, while [slachtoffer] cannot be here in court with us today, I have heard her voice: I have considered [slachtoffer]'s words, as expressed through her video and through messages she sent while she was alive.’
Dit is slechts één van de passages in de strafmotivering waaruit blijkt dat de dood van [slachtoffer] door heeft geklonken in de straf. Zo staat op pagina 32 van de strafmotivering de volgende uitlating van de rechter: ‘Nevertheless, I am satisfied that the calculated and repeated distress and disruption introduced by [veroordeelde] to [slachtoffer]’s life caused profound emotional and psychological harm that unquestionably contributed to her mental health challenges, sustance use, and eventual suicide’.
56. De keuze van de Canadese rechter om deze woorden op te nemen in de strafmotivering is opmerkelijk. Uit de Final Instructions to the Jury (bijlage 7) staat namelijk de volgende zin: ‘[slachtoffer]'s death, and the circumstances of her death, are not part of this trial.’ Oftewel, haar dood vormde geen onderdeel van het proces. De reden hiervoor blijkt uit pagina 32 van de strafmotivering, namelijk dat er geen bewijs was dat de pleger van de feiten de dominante oorzaak van [slachtoffer]’s dood was.
[…]
58. [slachtoffer]’s dood dient dan ook niet te worden meegewogen bij de Nederlandse maatstaf die voor cliënt dient te gelden. Bij de beoordeling van deze maatstaf zal de Nederlandse jurisprudentie van belang zijn. Er zullen enkele voorbeelden genoemd worden. Hierbij is opvallend dat er ten opzichte van cliënt, waarbij het in zijn zaak ging op één slachtoffer en waarbij twee feiten bij een poging zijn gebleven, in Canada een veel hogere straf is opgelegd dan in Nederlandse zaken het geval is. Tevens dient opgemerkt te worden dat cliënt in Canada is veroordeeld voor het bezit van vier pornografische afbeeldingen. Reeds is genoemd dat twee van deze afbeeldingen naar Nederlands recht niet als kinderporno gekwalificeerd kunnen worden. Hiermee dient rekening te worden gehouden in het kader van de strafmaat.
[…]
63. […] Verder wordt verzocht om, naast de Nederlandse maatstaf, rekening te houden met een aantal andere factoren.
64. De belangrijkste factor bestaat uit de eerdergenoemde omstandigheid dat cliënt al eerder in Nederland is veroordeeld terwijl deze veroordeling plaatsvond nadat de onderhavige feiten waren gepleegd, waarbij ook van belang is dat de zaken in Nederland en Canada ontzettend met elkaar verweven waren. Zoals eerder genoemd, is de zaak van [slachtoffer] kunstmatig losgetrokken van de strafzaak die in Nederland speelde. Indien hier geen rekening mee wordt gehouden, resulteert dit erin dat personen die verdacht worden van verschillende strafbare feiten met een transnationaal karakter die voortkomen uit exact hetzelfde onderzoek, ernstig worden benadeeld. De individuele feiten kunnen namelijk door verschillende landen worden berecht waardoor bij deze berechting geen rekening gehouden hoeft te worden met het feit dat de verdachte reeds in een ander land voor samenhangende feiten is veroordeeld.
65. Dit zou meegewogen moeten worden bij onderhavige procedure. Dit geldt des te meer nu het feit dat de zaak omtrent [slachtoffer] niet in Nederland werd vervolgd er uiteindelijk toe heeft geleid dat de procedures tegen cliënt ontzettend lang hebben geduurd. Cliënt is begin 2014 aangehouden en het Canadese vonnis is in december 2022 gewezen. En nu vindt de omzettingsprocedure plaats. Dit betekent dat cliënt bijna 10 jaar lang door de autoriteiten is vervolgd voor feiten die allemaal in dezelfde pleegperiode hebben plaatsgevonden, te weten tussen 2009 en 2012 en daarna gezamenlijk hadden kunnen worden afgedaan.
66. Ook dienen de omstandigheden waarin cliënt gedetineerd is geweest in Canada in aanmerking te worden genomen. Deze omstandigheden waren namelijk zwaar. Cliënt heeft verbleven in een maximum security facility, waarbij normaal gesproken een toekenning van 1,5 dag per dag uitgezeten gevangenisstraf – dus per maand dat wordt gezeten geldt dit als 1,5 maand – plaatsvindt vanwege het feit dat het regime in dit soort instellingen zwaar is. Echter, cliënt kreeg deze toekenning niet omdat hij tijdelijk ter beschikking was gesteld. Kort gezegd, wel een extreem zwaar regime, maar geen compensatie hiervoor.
67. In dit regime stonden de lichten altijd aan in de cellen, wat neerkomt op psychologische marteling. Cliënt zijn celdeur had kleine ramen waardoor gevangenisbewaarders altijd zijn cel in konden kijken. Na 10 uur 's-nachts schenen gevangenisbewaarders elke 30 a 45 minuten met zaklampen in cliënt zijn cel.
68. Familiecontact was zeer beperkt. Zij konden wel post sturen, maar die werd met een vertraging van 4 tot 6 weken ontvangen. Client kon niet bellen en ook niet schrijven. Hij ontving geen nieuws uit Nederland, kon de taal niet spreken en was kortom afgesloten van Nederland.
69. Naast bovengenoemde omstandigheden, zat cliënt op een gegeven moment in een cel 20 tot 21 uur per dag vanwege het veiligheidsregime waarin hij werd geplaatst. Dit was sinds december 2020 en dat zeer zware regime heeft dus bijna 2 jaar geduurd. Gezien de hardheid van dit regime, vindt er normaal gesproken een toekenning van 2 dagen per dag uitgezeten gevangenisstraf plaats. Dit werd cliënt echter niet toegekend, weer vanwege het feit dat hij tijdelijk ter beschikking was gesteld. Hoewel begrijpelijk is dat de toekenning van 2 dagen per uitgezeten dag niet mogelijk was vanwege het feit dat cliënt op basis van de Nederlandse zaak gedetineerd zat, had het niet misstaan als dit was gecompenseerd bij de oplegging van de Canadese straf. Dat dit is gebeurd, blijkt echter niet uit de strafmotivering. Ook dit zal moeten meewegen bij de omzetting van de Canadese straf.
70. Ook is van belang dat zeer persoonlijke informatie van cliënt door de Canadese autoriteiten is verstrekt aan de media. Het ging hier om door Nederland verstrekte gegevens. Het gaat dan om fotos van doorzoekingen, van client, zijn bankgegevens en paspoort. Deze stukken zijn ongeanonimiseerd gepubliceerd, zowel op het internet als in internationale en Nederlandse media. Dit heeft tot een enorme schending van cliënt zijn privacy is geleid. Dit soort schendingen van privacy zouden in Nederland uit den boze zijn en resulteren in het geval van cliënt erin dat hij voor altijd herkenbaar zal blijven, wat voor hem als een levenslange straf voelt. Hij zal nergens meer een normaal leven kunnen opbouwen.
71. Des te kwalijker is geweest dat deze privacy-schending is ontstaan nadat er door de Canadese autoriteiten aan het Nederlandse Openbaar Ministerie expliciet is gevraagd of de informatie verstrekt door de Nederlandse autoriteiten in de rechtszaal getoond konden worden en daarna ook aan de media gegeven kon worden. Dat is in Canada gebruikelijk nu media daar een zeer ruim recht op inzage in bewijsmiddelen hebben. Hoe dit precies is gegaan, is voor de verdediging moeilijk te achterhalen nu de communicatie tussen de Nederlandse en de Canadese autoriteiten niet in mijn bezit is. Wel is duidelijk, gezien het feit dat er via het internet veel informatie, inclusief foto’s van cliënt, te vinden is, dat er inderdaad informatie aan de media is verstrekt. Dat blijkt overigens ook uit een e-mail die ik van mr Kramer mocht ontvangen waarin de overdracht wordt bevestigd.
72. Tot slot dient genoemd te worden dat cliënt zijn V.I. in de Nederlandse zaak met 750 dagen is uitgesteld (bijlage 8) vanwege het feit dat het recidiverisico niet ingeschat kon worden omdat cliënt weigerde mee te werken met de Nederlandse autoriteiten. Echter, de reden achter deze weigering is geweest dat de Nederlandse autoriteiten intensief informatie uitwisselden met de Canadese autoriteiten. Dit gebeurde ook met reclasseringsrapporten, wat tevens blijkt uit het feit dat cliënt zijn houding binnen de Nederlandse procedure wordt genoemd in de Canadese strafmotivering. Cliënt wilde niet meewerken omdat hij wist dat alles wat hij zou zeggen in het kader van de onderzoeken in Nederland, tegen hem gebruikt kon worden in Canada. Zijn volledig begrijpelijke zwijgen heeft er echter wel in geresulteerd dat zijn V.I. met meer dan 2 jaren is uitgesteld. Ook dit zou meegewogen moeten worden bij de omzetting. Dit is namelijk een extra consequentie voor client van het niet direct in Nederland afdoen van de zaak [slachtoffer] die daardoor heeft geleid tot verzwaring van de tenuitvoerlegging van de Nederlandse straf.
73. Concluderend wordt, gezien de uit de jurisprudentie blijkende maatstaf naar Nederlands recht en de overige omstandigheden die een mitigerende werking op de straf zouden moeten hebben, verzocht om de Canadese gevangenisstraf om te zetten naar 1 jaar gevangenisstraf waarvan 6 maanden voorwaardelijk.”
11. Op de zitting van 29 juni 2023 heeft zich, blijkens voormeld proces-verbaal, voorts onder meer het volgende voorgedaan:
“De raadsman in aanvulling op zijn pleitnotities:
Bij punt 71 van mijn pleitnotities merk ik op dat de Canadese rechter heeft beslist om informatie over mijn cliënt aan de media te verstrekken.
[…]
De voorzitter vraagt de officier van justitie hoe hij de samenloop bij de feiten ziet gelet op het Canadese vonnis, in het bijzonder ten aanzien van extortion.
De officier van justitie:
[…] Artikel 63 Wetboek van Strafrecht (Sr) is niet van toepassing.
De oudste rechter merkt in verband met hetgeen is aangevoerd over artikel 63 Sr op dat uitlevering heeft plaatsgevonden en dat je zou kunnen redeneren dat in die procedure deze kwestie al is beoordeeld.
De raadsman:
Het is uiteindelijk de keuze van Canada geweest om de uitlevering van mijn cliënt te vragen. Canada wist van de Nederlandse strafzaak. Ik heb destijds gemaild met de Canadese autoriteiten. Canada heeft de strafzaak daar bewust doorgezet. In de uitleveringszaak is deze kwestie marginaal getoetst. Bij dubbele vervolging zou sprake zijn van een weigeringsgrond. Daarvan was geen sprake. Ik heb steeds aangevoerd dat gelet op artikel 63 Sr veroordeelde niet zou moeten worden uitgeleverd. De landen hebben samen een andere keuze gemaakt.
De oudste rechter merkt op dat je zou kunnen redeneren dat in de uitleveringsprocedure inderdaad al de keuze is gemaakt wat betreft de artikel 63 Sr kwestie.
De raadsman:
In de uitleveringszaak ging het om vervolging. Het gaat nu om de straf.
De oudste rechter merkt op dat als je het standpunt van de raadsman volgt, uitlevering eigenlijk geen zin heeft gehad.
De raadsman:
Dat klopt als je rekening houdt met artikel 63 Sr. De rechtbank zou overigens ook zonder toepassing van artikel 63 op grond van artikel 9a Sr geen straf aan veroordeelde kunnen opleggen.
De marges worden bepaald door de opgelegde gevangenisstraf van dertien jaar, de VI-datum in Canada en artikel 63. Alle andere slachtoffers zijn wel naar Nederland gekomen. De [slachtoffer] zaak had ook in Nederland kunnen worden berecht.
De raadsvrouw:
Het is van belang te kijken naar het proces voorafgaande aan de uitlevering. Het was mogelijk veroordeelde in Nederland te vervolgen voor de [slachtoffer] zaak.
De officier van justitie:
Ik ben van mening dat artikel 63 Sr niet van toepassing is in de WOTS-zaak. De [slachtoffer] zaak staat op zichzelf.
[…]
De jongste rechter merkt op dat veroordeelde in Canada niet gedetineerd is geweest in de zaak die vandaag aan de orde is, maar wel in de Nederlandse strafzaak. De jongste rechter vraagt de raadsman of de aftrek in verband met detentie in Canada in de Nederlandse strafzaak zou moeten plaatsvinden.
De raadsman:
Er zijn twee opties. Aftrek vragen in de Nederlandse strafzaak zou een hele procedure zijn. In deze WOTS-zaak kan het als strafmaatverweer worden meegewogen.”
12. Op de zitting van 7 december 2023 is door de raadsman van de veroordeelde overeenkomstig de overgelegde en aan het proces-verbaal van die zitting gehechte pleitnota het volgende aangevoerd (met weglating van de voetnoten):
“Primair: artikel 63 Sr
4. Tijdens de vorige zitting heeft de officier van justitie aangegeven dat artikel 63 Sr geen toepassing kan vinden in onderhavige zaak. Dit standpunt was mede ingegeven door het feit dat de Nederlandse autoriteiten volgens de officier van justitie geen mogelijkheid zouden hebben gehad om cliënt te vervolgen voor de feiten onderliggend aan onderhavig WOTS-zaak. Hierbij werd gewezen op het feit dat het meeste bewijsmateriaal in Canada aanwezig zou zijn geweest, de Canadese autoriteiten zelf de vervolging wensten in te stellen en een vervolging zonder medewerking van de Canadese autoriteiten in Nederland niet mogelijk zou zijn.
5. Hierbij heeft de officier van justitie echter geen acht geslagen op de tekst van artikel 63 Sr. In deze bepaling is enkel een temporeel vereiste te lezen. Zoals blijkt uit deze bepaling, gaat het enkel om de tijdlijn aangaande de pleegdatum van de feiten waarvoor de verdachte wordt vervolgd en eerdere veroordelingen. Indien de pleegdatum van de feiten onderliggend aan de tweede schuldigverklaring vóór de eerste veroordeling zoals bedoeld in artikel 63 Sr ligt, dan is deze bepaling van toepassing. Het vereiste dat alle feiten daadwerkelijk tezamen konden worden vervolgd in de praktijk, volgt niet uit de wet, de wetsgeschiedenis of de jurisprudentie. Enkel het temporele vereiste komt terug. Dit wordt ook duidelijk gemaakt in de jurisprudentie aangaande artikel 63 Sr.
6. Zo maakte de Hoge Raad met het arrest van 19 april 2005 als eerste duidelijk hoe artikel 63 Sr moet worden toegepast, welk arrest veelvuldig wordt aangehaald in de jurisprudentie:
1) de rechter moet nagaan wat de maximaal op te leggen tijdelijke gevangenisstraf zou zijn geweest indien alle feiten gevoegd zouden zijn behandeld en dus tot één rechterlijke uitspraak zouden hebben geleid;
2) hij mag in ieder geval geen hogere straf opleggen dan overeenkomt met het hiervoor onder a bedoelde maximum verminderd met de eerder opgelegde straffen; en
3) hij mag in geen geval hoger straffen dan tot het maximum van de vrijheidsstraf die is gesteld op het door hem te berechten feit.
7. Dat bij de toepassing van bovenstaand stappenplan geen rekening gehouden kan worden met de vraag of de feiten daadwerkelijk tezamen vervolgd konden worden, blijkt uit meerdere arresten van de Hoge Raad.
8. Een voorbeeld hiervan is de vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank Amsterdam d.d. 14 oktober 2011 door de Hoge Raad. In de Amsterdamse zaak ging het om een zogenaamde cold case, waarbij de feiten die waren tenlastegelegd waren gepleegd vóór een eerdere veroordeling. De feiten in die Amsterdamse feit waren op het moment van die eerdere veroordeling echter niet bekend bij het Openbaar Ministerie. De feiten konden dan ook niet tezamen worden vervolgd. De rechtbank overwoog onder andere:
“Zoals overwogen had het Openbaar Ministerie in de thans aanhangige strafzaak geen keuze, ook niet in theorie. De feiten konden toen, in 1996, nog niet aan verdachte gelinkt worden.
Zoals art. 63 thans is geredigeerd, wordt geen enkel onderscheid gemaakt ten aanzien van de redenen waarom geen gelijktijdige berechting heeft plaatsgevonden. Dat kan situaties opleveren waarmee naar het oordeel van de rechtbank, kijkend naar de wijze van totstandkoming van deze materie in de wet, nooit rekening lijkt te zijn gehouden en waarbij de eerder genoemde evenredigheid doorslaat in onevenredigheid en leidt tot een op te leggen straf die niet meer uit te leggen is aan de samenleving.”
Wanneer een verdachte misdrijven pleegt en daarmee wegkomt omdat hij niet in beeld komt als dader en hij vervolgens voor later gepleegde feiten tot een forse gevangenisstraf wordt veroordeeld, mag en kan het niet zo zijn dat hij de dans ontspringt wanneer nieuwe technieken justitie later in staat stellen hem alsnog ter verantwoording te roepen voor aanvankelijk niet opgehelderde misdrijven. Een strikte en onverkorte toepassing van artikel 63 zou er namelijk zelfs toe kunnen leiden dat een verdachte tot geen enkele gevangenisstraf meer kan worden veroordeeld indien de tussentijds opgelegde straffen in totaal van een langere duur zijn dan de voor de oude feiten op te leggen maximale straf of, zoals in casu dreigt, er slechts een zeer beperkte gevangenisstraf voor de duur van vier jaren en drie maanden kan worden opgelegd daar waar het 'normale' strafmaximum, twintig jaren bedraagt.
Gezien bovengenoemde in onderling verband en samenhang bezien acht de rechtbank zich in deze zaak niet gebonden aan artikel 63.”
9. Van deze overwegingen maakte de Hoge Raad spreekwoordelijk gehakt met verwijzing naar het eerder genoemde arrest van 19 april 2005 en het daarin neergelegde stappenplan. Ook verwees het naar de aankondiging van de herziening van artikel 63 Sr, welke is geïnitieerd naar aanleiding van de eerdergenoemde uitspraak van de Rechtbank Amsterdam en het feit dat daarbij nog verschillende legislatieve keuzes denkbaar zijn. Op basis hiervan zag de Hoge Raad aanleiding om bij zijn rechtspraak te blijven en heeft het de uitspraak van de rechtbank Amsterdam vernietigd. Kort gezegd: er werd vastgehouden aan het temporele vereiste neergelegd in artikel 63 Sr, waarbij de reden van het niet daadwerkelijk tezamen vervolgen geen rol speelt. Zelfs niet als de theoretische of praktische mogelijkheid om de feiten tezamen te vervolgen niet bestond omdat de feiten ten tijde van de eerste veroordeling nog niet aan de veroordeelde gelinkt konden worden. 10. Dat artikel 63 Sr van toepassing is en niet buiten werking kan worden gesteld indien aan het temporele vereiste neergelegd in artikel 63 Sr is voldaan, komt ook weer terug in het arrest van de Hoge Raad van 17 september 2013. In die zaak had het gerechtshof geen rekening gehouden met artikel 63 Sr omdat de eerdere veroordelingen volgens het gerechtshof niet zo zwaar wogen dat zij op voet van artikel 63 Sr bij de tweede strafoplegging – een levensdelict – gewicht in de schaal legden. Weer met verwijzing naar het arrest van 19 april 2005, verminderde de Hoge Raad met inachtneming van artikel 63 Sr, zelf de opgelegde straf.
11. Dat er op dit moment enkel een temporeel vereiste is, blijkt ook het wetsvoorstel Herziening regeling meerdaadse samenloop in strafzaken. In dit wetsvoorstel wordt een nieuwe tekst voor artikel 63 Sr voorgesteld. In deze tekst is een nieuw lid 3 toegevoegd aan de bepaling:
“In het geval het strafbare feit waaraan iemand schuldig wordt verklaard een misdrijf betreft waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van twaalf jaar of meer is gesteld, kan de rechter gemotiveerd beslissen om een op het eerste lid aanvullende gevangenisstraf op te leggen van niet meer dan een derde van het op dat feit gestelde maximum, indien sprake is van een gegeven dat tijdens het opsporingsonderzoek of gedurende de fase van vervolging aan de officier van justitie of de rechter niet bekend was en dat op zichzelf of in verband met feiten of omstandigheden het ernstige vermoeden had doen ontstaan dat, indien het gegeven bekend zou zijn geweest, het onderzoek van de zaak zou hebben geleid tot het opleggen van vrijheidsstraf.”
12. Deze aanvulling ziet expliciet op de eerder beschreven situatie die zich voordeed in de Amsterdamse zaak, namelijk dat sprake is van een cold case waarbij ten tijde van de eerste veroordeling de verdachte nog niet aan de (12-jaars) feiten gelinkt kon worden, welke feiten voor de eerste veroordeling waren gepleegd. In die situatie kan artikel 63 Sr buiten toepassing worden gesteld volgens het wetsvoorstel, zodat wordt voorkomen dat de rechter voor deze ernstige feiten geen of zeer beperkte strafruimte overheeft.
13. Dat het voornemen bestaat deze uitzondering op artikel 63 Sr op te nemen in de wet, laat duidelijk zien dat deze uitzonderingsmogelijkheid op dit moment nog niet bestaat. Overigens zou deze uitzonderingsgrond in onderhavige zaak niet van toepassing zijn, alleen al omdat de feiten waarvoor cliënt in Canada is veroordeeld wél al aan cliënt gelinkt konden worden op het moment dat de veroordeling in Nederland plaatsvond.
14. Uit het bovenstaande dient geconcludeerd te worden dat artikel 63 Sr ziet op een situatie waarbij de pleegdatum van de feiten van een latere veroordeling ligt vóór de datum van een eerdere veroordeling. Het is hierbij volledig irrelevant of het Openbaar Ministerie de mogelijkheid had om de feiten tezamen te vervolgen.
15. Aangezien alle relevante informatie omtrent artikel 63 Sr is verspreid over vele pagina's in twee pleitnotities, heeft de verdediging als bijlage 1 een overzicht gemaakt waarin stap voor stap wordt uitgelegd waarom artikel 63 Sr van toepassing is in onderhavige zaak.
16. Gezien het voorgaande, wordt ook de vraag of de vervolging van cliënt voor de feiten aangaande [slachtoffer] gelijktijdig met de andere feiten in Nederland daadwerkelijk plaats kon vinden, irrelevant. Hiermee vervalt ook de relevantie van de verplichtingen voortvloeiend uit het Uitleveringsverdrag met Canada of het eventuele ontbreken van voldoende bewijs voor een vervolging in Nederland.
17. En zelfs al gaat men ervan uit dat het in de praktijk mogelijk had moeten zijn om cliënt daadwerkelijk in Nederland te vervolgen, dan is het volgende van belang. Zoals reeds genoemd tijdens de zitting van 29 juni j.l., is in Nederland met [slachtoffer] als het centraal punt het onderzoek Disclosure gestart. De onderzoeksresultaten van dit Nederlandse onderzoek werden voor een groot deel ingelast tijdens het Canadese proces.
18. Het belang van de Nederlandse onderzoeksresultaten blijkt tevens uit de Witness List (bijlage 2). In Canada kunnen processen-verbaal van politieambtenaren en verklaringen van burgers enkel toegelaten worden tot het bewijs als deze personen optreden als getuigen tijdens het proces, en een zogenaamde ‘cross-examination’ van de verdediging ondergaan. Uit deze Witness List blijkt dat in het Canadese proces op verzoek van de Canadese aanklager meer Nederlandse politieambtenaren (13) dan Canadese politieambtenaren (11) hebben opgetreden als getuigen.
19. Deze Nederlandse politieambtenaren van het Nederlandse Disclosure-onderzoek en vier Nederlandse burgers die deel uitmaakten van datzelfde onderzoek, hebben ongeveer drie weken lang verklaringen afgelegd en op die manier een groot deel van de Nederlandse onderzoeksresultaten ingebracht tijdens het Canadese proces. Cliënt heeft tijdens de drie weken durende ondervraging van deze getuigen het gevoel gehad dat de Nederlandse strafzaak opnieuw behandeld werd in Canada.
20. Uit het voorgaande blijkt dat de veroordeling van cliënt in Canada voor een groot deel is gestoeld op de bewijsmiddelen verstrekt door de Nederlandse autoriteiten. Dat diezelfde autoriteiten geen vervolging van cliënt zouden kunnen instellen omdat al het bewijs in Canada zou zijn, is derhalve onjuist.
21. Concluderend wordt gesteld dat artikel 63 Sr van toepassing is. Dit is reeds het geval wegens het feit dat temporeel gezien de pleegdatum van onderhavige feiten vóór de veroordeling in Nederland ligt. Als men – zonder dat dit uit de wet of jurisprudentie blijkt – uitgaat van een aanvullende vereiste dat het Openbaar Ministerie ook praktisch gezien de mogelijkheid moet hebben gehad om onderhavige feiten in Nederland te vervolgen, dan wordt geconcludeerd dat deze mogelijkheid ook daadwerkelijk bestond. Hierbij wordt verwezen naar het feit dat een aanzienlijk deel van het bewijs op basis waarvan cliënt is veroordeeld in Canada uit het Nederlandse onderzoek afkomstig was.
Subsidiair: strafmaat
[…]
28. In het kader van de strafmaat is verder cliënt zijn netwerk van belang. Hierbij wordt verwezen naar de Letters of Support (bijlage 3) verstrekt door cliënt zijn moeder, zus en beste vriend. Deze brieven tonen dat bij vrijlating meteen een sterk netwerk van familie en vrienden klaarstaat om cliënt op te vangen met onderdak, geld, transport en mentale ondersteuning, wat de kans op recidive verlaagt.
29. Tot slot wordt verwezen naar het feit dat cliënt naar aanleiding van de strafzaak publiekelijk aan de schandpaal is genageld doordat Nederlandse bewijsmiddelen in Canada met de wereldpers zijn gedeeld, inclusief met de Nederlandse pers. Hierover wordt gerelateerd door de Canadese advocaat van cliënt in een e-mail van 4 oktober 2023 (bijlage 4). De media kreeg toegang tot de bewijsstukken zoals die zijn getoond ter zitting en welke ook naderhand ongecensureerd door de media zijn gepubliceerd. Het gaat hierbij onder andere om kopieën van cliënt zijn persoonlijke documenten zoals bankafschriften en brieven, foto's van cliënt, zijn identiteitsbewijs en van zijn woning. In de mail is een link opgenomen van een nieuwsitem over cliënt. Op het filmpje is het aan de pers verstrekte bewijsmateriaal voor iedereen te zien. Deze grove schending van cliënt zijn recht op een persoonlijke levenssfeer zoals neergelegd in artikel 8 EVRM dient in aanmerking te worden genomen in het kader van de strafmaat.”
13. De in de pleitnota van 7 december 2023 genoemde ‘bijlage 1’ houdt het volgende in:
“Overzicht toepassing artikel 63 Sr
Artikel 63 Sr is van toepassing en kan niet buiten werking worden gesteld als is voldaan aan het temporele vereiste dat is genoemd in artikel 63 Sr. Dit vereiste houdt in dat de pleegdatum van de feiten onderliggend aan de tweede schuldigverklaring voor de datum van de eerste strafoplegging ligt.
In onderhavige zaak betreft de tweede schuldigverklaring het Canadese vonnis in de [slachtoffer] zaak, waarvan de pleegperiode van de feiten is vastgesteld tussen 1 november 2009 en 17 februari 2012. De eerste strafoplegging in onderhavige zaak betreft het arrest van het Gerechtshof Amsterdam d.d. 14 december 2018.
Uit het bovenstaande volgt de tussenconclusie dat de pleegperiode van de feit en onderliggend aan de tweede schuldigverklaring – het Canadese vonnis – vóór de datum dat het Gerechtshof Amsterdam arrest heeft gewezen ligt. Hierdoor is voldaan aan het temporele vereiste neergelegd in artikel 63 Sr. Om deze reden is deze bepaling, en daarmee ook artikel 57 Sr, van toepassing.
Vaste jurisprudentie van de Hoge Raad schrijft voordat bij de toepassing van artikel 63 en 57 Sr eerst nagegaan moet worden wat de maximaal toegestane straf zou zijn geweest als alle feiten onderliggend aan de eerste strafoplegging en de tweede schuldigverklaring gevoegd zouden zijn behandeld en om deze reden tot één uitspraak zouden hebben geleid. Gezien de strafbare feiten waarvoor cliënt is veroordeeld, zou de maximale gevangenisstraf straf voor alle feiten tezamen 10 jaren en 243 dagen bedragen.
Gezien de jurisprudentie van de Hoge Raad, dient bij de vaststelling van de maximaal over te nemen gevangenisstraf, de reeds door het Gerechtshof Amsterdam opgelegde gevangenisstraf afgetrokken te worden van de bovengenoemde maximaal op te leggen gevangenisstraf, zijnde 10 jaren en 243 dagen. Uit het arrest van dit Gerechtshof, blijkt dat de eerder opgelegde straf 10 jaar en 243 dagen bedraagt. Nadat op basis van artikel 63 Sr jo. 57 Sr deze straf afgetrokken wordt van de maximaal op te leggen gevangenisstraf voor alle feiten, blijven er 0 dagen over die uw rechtbank in casu kan overnemen.
De straf die uw rechtbank kan overnemen, kan gezien het bovenstaande niet hoger zijn dan 0 dagen. Om deze reden dient toepassing te worden gegeven aan het rechterlijk pardon neergelegd in artikel 9a Sr. De verdediging verzoekt uw rechtbank dan ook om de in Canada opgelegde straf van 13 jaren om te zetten naar 0 dagen.”
VI.Het eerste cassatiemiddel en de bespreking daarvan
Het middel
14. Het eerste middel behelst de klacht dat het oordeel van de rechtbank dat art. 63 Sr niet van toepassing is van een onjuiste rechtsopvatting getuigt, althans niet zonder meer begrijpelijk is.
Het juridisch kader
15. Als gezegd schrijft art. 63 Sr voor dat indien iemand, nadat hem een straf is opgelegd, schuldig wordt verklaard aan een misdrijf of een overtreding voor die strafoplegging gepleegd, de bepalingen van Titel VI van het Eerste Boek van het Wetboek van Strafrecht van toepassing zijn voor het geval gelijktijdig straf wordt opgelegd.
16. De samenloopbepaling van art. 63 Sr houdt dus in dat de rechter straffen die zijn opgelegd naar aanleiding van veroordelingen in andere zaken tegen de verdachte tussen het moment van plegen en het moment van berechten van het voorliggende feit in aanmerking neemt, door deze straffen af te trekken van de maximaal op te leggen straf voor het totaal van deze strafbare feiten. Daarbij mag de rechter het strafmaximum voor de door hem bewezenverklaarde feiten niet overschrijden.4.De ratio van art. 63 Sr is gelegen in het voorkomen van het ‘omzeilen’ van de samenloopregels door feiten ongelijktijdig te berechten en daarmee het voorkomen van disproportionele bestraffing.5.
17. In de wetsgeschiedenis is – voor zover ik heb kunnen overzien – niet stilgestaan bij de vraag of art. 63 Sr van toepassing is wanneer de WOTS-rechter in een exequaturprocedure een in het buitenland opgelegde straf omzet in een Nederlandse straf. In de rechtspraak van de Hoge Raad heb ik één geval kunnen vinden waarin de vraag naar de toepassing van art. 63 Sr in een WOTS-procedure aan de orde was. Het gaat om de zaak die leidde tot de conclusie van mijn voormalig ambtsgenoot Vegter van 3 februari 2015, ECLI:NL:PHR:2015:270, een WOTS-zaak waarin de overname van een in België opgelegde straf centraal stond.6.De veroordeelde was eerder in Duitsland veroordeeld voor een vergelijkbaar feit (drugshandel). De verdediging betoogde dat de rechtbank bij het omzetten van de Belgische straf op grond van art. 63 Sr ook rekening moest houden met de eerdere in Duitsland opgelegde straf. Vegter concludeerde op basis van HR 31 maart 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG9198, NJ 2009/1767.dat de WOTS-rechter op grond van art. 63 Sr geen rekening hoeft te houden met eerder in het buitenland opgelegde straffen. Voorts wees Vegter erop dat de veroordeelde in de Belgische procedure van rechtsbijstand was voorzien en in die procedure bovendien de gelegenheid was geweest te bepleiten rekening te houden met het reeds bestaande Duitse vonnis; ook daarin was volgens Vegter een reden gelegen om de Belgische straf niet ook nog eens aan te passen vanwege dat Duitse vonnis. De Hoge Raad deed het desbetreffende cassatiemiddel af met verwijzing naar art. 81 lid 1 RO.8.
18. Die zaak had echter betrekking op een eerder in het buitenland opgelegde straf, en laat aldus de vraag open of de WOTS-rechter op de voet van art. 63 Sr wél rekening moet houden met een eerder in Nederland opgelegde straf.
19. Betoogd zou kunnen worden dat de in art. 31 WOTS neergelegde taak van de WOTS-rechter, namelijk het opleggen van een straf “die op het overeenkomstige feit naar Nederlands recht is gesteld” (cursivering door mij, A-G), mede behelst het toepassing geven aan de Nederlandse samenloopbepalingen die van invloed kunnen zijn op het strafmaximum en dus ook aan art. 63 Sr. De WOTS-rechter, aldus de memorie van toelichting bij (kort gezegd) de Wet overdracht tenuitvoerlegging strafvonnissen, moet namelijk de buitenlandse straf vervangen door een straf die “naar Nederlandse maatstaven en opvattingen geacht wordt te beantwoorden aan de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het is gepleegd en de persoon van de dader”9.(cursivering door mij, A-G). Ik wijs in dat verband op de zaak die leidde tot het arrest van HR 14 maart 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU8923. De WOTS-rechter had in die zaak bij de omzetting van een Engelse straf de meerdaadse samenloopbepaling van art. 57 Sr toegepast, als gevolg waarvan het wettelijk strafmaximum met een derde werd verhoogd. In zijn conclusie voorafgaand aan dit arrest neemt de toenmalige A-G Wortel het standpunt in dat de WOTS-rechter ingevolge art. 31 WOTS ook ertoe verplicht is de geldende samenloopbepalingen toe te passen:
“4. Het laat zich aanzien dat wij hier worden geconfronteerd met een verschil in nationale rechtsstelsels. Kennelijk legt de Engelse rechter wegens verschillende, op zichzelf staande, misdrijven voor elk feit de straf op die daarvoor passend wordt geacht, waarbij wordt bepaald (of kan worden bepaald) dat de tenuitvoerlegging gelijktijdig zal zijn. Dit komt er praktisch gesproken op neer dat de lagere straffen volledig door de hoogste worden geabsorbeerd (afgezien van consequenties die niet aanstonds te overzien zijn, bijvoorbeeld ten aanzien van het detentierégime). Het Nederlandse strafrecht kent een ander uitgangspunt, neergelegd in art. 57 Sr.
5. Naar mijn inzicht is de Nederlandse exequaturrechter ten minste bevoegd om de volgens de Nederlandse recht geldende samenloopsbepalingen toe te passen. Ik zou zelfs menen dat hij daartoe verplicht is. Volgens art. 31 WOTS moet hij immers de straf opleggen “die op het overeenkomstige feit naar Nederlands recht is gesteld”, en het Nederlands recht laat bij de straftoemeting ter zake van verschillende feiten (die niet in elkaar opgaan of door een specialiteitsverhouding worden bestreken) geen keuze. Indien in de uitspraken waarnaar in de toelichting op het middel wordt verwezen (ik ken ze niet) een andere rechtsopvatting is gehuldigd, lijkt mij dat dus niet juist. In geval de door de buitenlandse rechter bewezenverklaarde feiten op zichzelf staande misdrijven opleveren zal voor de straftoemeting, ook indien het gaat om de in art. 31 WOTS bedoelde beslissing, art. 57 Sr in acht genomen moeten worden.”
20. De Hoge Raad verwierp het cassatiemiddel met de beknopte overweging dat het in het cassatiemiddel geformuleerde standpunt dat bij strafoplegging op de voet van art. 31 WOTS voor toepassing van art. 57 Sr geen plaats is, op een onjuiste rechtsopvatting berust. Daaruit leid ik af dat de WOTS-rechter art. 57 Sr in ieder geval mag toepassen in het kader van zijn omzettingsbeslissing. Of hij daartoe verplicht is, laat dit arrest in het midden naar het mij toeschijnt.
21. In dezelfde zin zou de gedachte kunnen postvatten dat de WOTS-rechter bij de omzetting van de straf rekening mag, of wellicht moet, houden met art. 63 Sr. Ik zie evenwel goede gronden om aan te nemen dat de tekst van art. 63 Sr niet tot een dergelijke uitleg noopt. Art. 63 Sr richt zich – zoals ik het lees – immers tot de rechter die de verdachte schuldig verklaart én gelijktijdig straf oplegt. Ik noem in dat verband als voorbeeld de situatie waarin het hof op de voet van art. 423 lid 4 Sv de straf opnieuw bepaalt voor feiten die niet aan zijn oordeel zijn onderworpen omdat er maar beperkt hoger beroep is ingesteld. In HR 27 oktober 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC8429, DD 1993, afl. 4, nr. 117 werd tevergeefs geklaagd dat het hof bij de strafoplegging op grond van art. 423 lid 4 Sv toepassing had moeten geven aan art. 63 Sr. De Hoge Raad overwoog dat in een dergelijk geval geen sprake is van een schuldigverklaring als bedoeld in art. 63 Sr. Dat er wel al een schuldigverklaring lag van de rechtbank deed kennelijk niet ter zake. Daaruit maak ik op dat art. 63 Sr inderdaad enkel dient te worden toegepast door de rechter die gelijktijdig een schuldigverklaring uitspreekt én voor die feiten een straf oplegt.
22. Bezwaarlijk kan worden gesteld dat van zo een situatie sprake is in een exequaturprocedure. De WOTS-rechter zet in het voorkomende geval weliswaar een buitenlandse straf om, en legt in die zin een straf op die aan de bedoelde Nederlandse maatstaven en opvattingen voldoet, maar komt niet tot een schuldigverklaring en maakt evenmin de in het buitenland uitgesproken schuldverklaring tot de zijne. Het gaat hier immers om de overname van de tenuitvoerlegging van een buitenlandse rechterlijke beslissing, niet om de overname van de beslissing als zodanig. Steun voor een dergelijke lezing vind ik voorts in het arrest van de Hoge Raad van 27 maart 1990, ECLI:NL:HR:1990:ZC8515, NJ 1990/799, m.nt. ’t Hart. In die zaak werd geklaagd dat het hof had verzuimd bij de bepaling van de straf op grond van art. 63 Sr rekening te houden met een Zwitserse gevangenisstraf van zes jaren die eerder was omgezet in een Nederlandse gevangenisstraf van vijf jaren. Gesteld werd dat deze Nederlandse omzettingsbeslissing op één lijn moet worden gesteld met Nederlandse strafvonnissen, zodat ook zodanige omzettingsbeslissingen van de WOTS-rechter in een exequaturprocedure op de voet van art. 63 Sr in rekening moeten worden gebracht. De Hoge Raad ging daar niet in mee en overwoog:
6.2
Het middel, dat zulks miskent, is mitsdien tevergeefs voorgesteld.”
23. De zaak die ten grondslag ligt aan deze uitspraak van 27 maart 1990 laat zich weliswaar niet zonder meer vergelijken met de onderhavige zaak, omdat het daar ging om de vraag of de Nederlandse strafrechter in een reguliere strafzaak rekening zou moeten houden met een eerdere omzettingsbeslissing door een WOTS-rechter, terwijl in het thans voorliggende geval zich juist de omgekeerde situatie voordoet. Naar mijn inzicht laat de Hoge Raad er met dat arrest van 27 maart 1990 echter geen twijfel over bestaan dat een omzettingsbeslissing van de WOTS-rechter in brede zin niet gelijkgesteld kan worden met de destijds in art. 63 Sr genoemde ‘veroordeling’, sinds 2008 ‘strafoplegging’.10.Het laat zich moeilijk voorstellen dat de in het eerste zinsdeel van art. 63 Sr bedoelde ‘strafoplegging’ (de in chronologische zin eerdere strafoplegging) een andere betekenis toekomt in het tweede zinsdeel van art. 63 Sr (de latere strafoplegging).
24. Het voorgaande voert mij al met al tot de conclusie dat de WOTS-rechter bij de omzetting van een buitenlandse straf niet op basis van art. 63 Sr genoodzaakt is daarbij een eerdere Nederlandse straf te verdisconteren. Een dergelijke lezing van art. 63 Sr is naar ik meen goed verdedigbaar in het licht van de primaire doelstelling van deze bepaling, namelijk het voorkomen van een omzeiling van de samenloopregels door ongelijktijdige berechting door het openbaar ministerie.11.Een dergelijk risico speelt in beginsel niet wanneer een verdachte voor afzonderlijke feiten in verschillende landen door de lokale justitiële autoriteiten wordt berecht.12.In beginsel, want er zijn natuurlijk gevallen denkbaar waarin een verdachte in meerdere landen wordt berecht om feiten die dermate nauw met elkaar samenhangen, en waarop mogelijk zelfs hetzelfde strafrechtelijk onderzoek gericht geweest is, dat een enge uitleg van art. 63 Sr toch ook weer kan gaan schuren met het overkoepelende doel van de samenloopbepalingen, dat wil zeggen het voorkomen van disproportionele bestraffing. Het zou betrekkelijk arbitrair zijn wanneer een verdachte niet de bescherming geniet van art. 63 Sr wanneer een deel van een strafrechtelijk onderzoek wordt overgedragen aan een ander land voor de vervolging en berechting, terwijl de feiten evengoed gelijktijdig in Nederland hadden kunnen worden berecht met inachtneming van de in art. 55-63 Sr neergelegde samenloopbepalingen.13.Zo een scenario zal, naar mag worden aangenomen, zich wegens de toenemende grensoverschrijdende criminaliteit en de daarmee samenhangende internationale samenwerking in de opsporing in de toekomst alleen maar vaker gaan voordoen. Het gaat naar het mij voorkomt echter de rechtsvormende taak van de rechter te buiten om hier te bepalen dat de WOTS-rechter in voorkomende gevallen wél toepassing moet geven aan het bepaalde in art. 63 Sr. Dat neemt evenwel niet weg dat het de WOTS-rechter mijns inziens op zijn minst vrijstaat om bij het bepalen van een passende (en proportionele) straf rekening te houden met dergelijke omstandigheden. De mate waarin de WOTS-rechter in zijn uitspraak, al dan niet in reactie op een daartoe strekkend verweer, ervan blijk heeft gegeven daarop acht te hebben geslagen bij het omzetten van de straf kan dan in cassatie in het kader van de begrijpelijkheid en motivering van die omzettingsbeslissing alsnog relevant zijn.
De bespreking van het middel
25. Het middel klaagt in de eerste plaats dat het oordeel van de rechtbank dat art. 63 Sr in dezen niet van toepassing is omdat zij niet komt tot een schuldigverklaring, van een onjuiste rechtsopvatting getuigt, nu uit de tekst van art. 63 Sr slechts volgt dat er een (tweede) schuldigverklaring moet zijn en niet dat deze schuldigverklaring door een Nederlandse rechter is uitgesproken. Volgens de stellers van het middel is in de onderhavige zaak aan de voorwaarden van art. 63 Sr voldaan, aangezien sprake is van een schuldigverklaring door de Canadese rechtbank.
26. Een dergelijke opvatting vindt geen steun in het recht. Zoals ik hiervoor in randnummer 21 uiteenzette, richt art. 63 Sr zich enkel tot de rechter die gelijktijdig een schuldigverklaring uitspreekt én een straf oplegt. Dat er een Canadese schuldigverklaring ligt brengt aldus niet mee dat de rechtbank gebonden is aan art. 63 Sr. Daarvoor is vereist dat de rechtbank zélf gelijktijdig een schuldigverklaring heeft uitgesproken. Daarvan is in deze zaak geen sprake.
27. Voor zover het middel in de tweede plaats op het standpunt stoelt dat de omzettingsbeslissing van de rechtbank moet worden aangemerkt als een schuldigverklaring in de zin van art. 63 Sr, omdat de rechtbank bij de omzetting van de straf moet beoordelen op welke wijze de feiten naar Nederlands recht moeten worden gekwalificeerd, treft het evenmin doel. Ik verwijs daarvoor naar mijn beschouwingen in de randnummers 22 en 23.
28. Tot slot klaagt het middel dat de verwijzingen van de rechtbank naar het arrest van HR 27 maart 1990, ECLI:NL:HR:1990:ZC8515, NJ 1990/799, m.nt. ’t Hart en de conclusie van A-G Vegter van 3 februari 2015, ECLI:NL:PHR:2015:27014.haar oordeel dat art. 63 Sr in het onderhavige geval niet van toepassing is niet kunnen dragen, omdat het in die zaken telkens ging om de vraag of een eerdere in het buitenland opgelegde straf in rekening moest worden gebracht, terwijl het in het voorliggende geval juist gaat om een eerdere in Nederland opgelegde straf. Wat daar ook van zij, een en ander kan de veroordeelde hoe dan ook niet baten, nu als gezegd de strekking van het bestreden oordeel van de rechtbank geen blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting. Het middel faalt mitsdien in al zijn onderdelen.
29. Ten overvloede nog het volgende. Ik ben – gelet ook op mijn opmerkingen hiervoor in randnummer 24 – tot op zekere hoogte niet ongevoelig voor de in de toelichting op het middel geuite bezwaren dat de lezing van art. 63 Sr die ik hier voorsta zich wat moeilijk laat uitleggen in een geval als dit, waarin de veroordeelde in het buitenland is veroordeeld voor een feit dat deel uitmaakte van een Nederlands strafrechtelijk onderzoek en waarvoor hij in beginsel gelijktijdig met de andere feiten in Nederland had kunnen worden berecht, hetgeen zou betekenen dat hij de facto zijn straf inmiddels al zou hebben uitgezeten en niet daarbovenop nog wordt geconfronteerd met een aansluitende gevangenisstraf van zes jaren. Bij mijn conclusie dat het bestreden oordeel van de rechtbank niettemin stand kan houden heb ik mede meegewogen de omstandigheid dat de rechtbank bij haar omzettingsbeslissing nadrukkelijk in aanmerking heeft genomen dat de Canadese rechter bij de strafoplegging reeds rekening heeft gehouden met de eerder opgelegde Nederlandse straf (hierop kom ik bij de bespreking van het tweede cassatiemiddel nader terug). Zou de rechtbank hier in het geheel niet bij hebben stilgestaan (quod non), terwijl op dit punt – mijns inziens een factor van belang in verband met de proportionaliteitsgedachte bij de strafomzetting – wel uitdrukkelijk verweer is gevoerd, dan was licht sprake van een gebrek in de begrijpelijkheid of motivering van de WOTS-uitspraak.
VII. Het tweede cassatiemiddel en de bespreking daarvan
Het middel
30. Het middel komt met een tweetal deelklachten op tegen (de motivering van) de strafoplegging door de rechtbank. Allereerst wordt geklaagd dat de rechtbank niet of onvoldoende heeft toegelicht waarom geen acht is geslagen op de namens de veroordeelde aangevoerde omstandigheden die bij de strafoplegging zouden moeten worden meegewogen. Ten tweede keert het middel zich tegen de begrijpelijkheid van het oordeel van de rechtbank dat zij rekening heeft gehouden met het gegeven dat de Canadese rechtbank de Nederlandse veroordeling bij de Canadese beoordeling heeft betrokken, nu uit de Canadees uitspraak niet blijkt op welke manier dat is gebeurd en evenmin hoe de rechtbank in de onderhavige zaak vervolgens zelf een en ander in aanmerking heeft genomen bij de strafoplegging.
De bespreking van de eerste deelklacht
31. Namens de veroordeelde is op de zittingen van de rechtbank van 29 juni en 7 december 2023 subsidiair door de raadsman bepleit dat de Canadese straf wordt omgezet in een gevangenisstraf van één jaar waarvan zes maanden voorwaardelijk.15.In dat kader zijn verschillende persoonlijke omstandigheden naar voren gebracht. Geklaagd wordt dat de rechtbank in de motivering van de strafoplegging niet (voldoende) is ingegaan op een aantal van deze omstandigheden, te weten dat:
- niet valt uit te sluiten dat de dood van [slachtoffer] doorwerking heeft gehad in de hoogte van de Canadese straf;
- de procedures tegen de veroordeelde ontzettend lang hebben geduurd;
- de detentieomstandigheden in Canada zwaar waren;
- persoonlijke informatie van de veroordeelde door de Canadese autoriteiten is verstrekt aan de media;
- de voorlopige invrijheidsstelling van de veroordeelde in de Nederlandse zaak met 750 dagen is uitgesteld, omdat de veroordeelde weigerde mee te werken met de Nederlandse autoriteiten, terwijl deze weigering verband hield met het feit dat het Canadese proces nog liep en alles wat de veroordeelde tegen de Nederlandse autoriteiten zou zeggen in het Canadese proces tegen hem gebruikt zou kunnen worden;
- bij vrijlating een sterk netwerk van familie en vrienden klaarstaat om de veroordeelde op te vangen.
32. De rechtbank heeft onder het hoofd “4.3. Standpunt van de verdediging” het voormelde subsidiair gevoerde verweer samengevat in de bestreden uitspraak16.en als omstandigheden op grond waarvan de straf zou moeten worden gematigd onder meer genoemd dat:
- Canada een exorbitant hoge straf heeft opgelegd die mogelijk verband houdt met de zelfmoord van [slachtoffer];
- de procedures lang geduurd hebben, doordat de zaak van [slachtoffer] is losgetrokken van de Nederlandse strafzaak;
- de veroordeelde zware detentieomstandigheden heeft moeten ondergaan in Canada;
- er sprake is van een privacy schending door het verstrekken van zeer persoonlijke informatie door Canadese autoriteiten aan de media;
- de veroordeelde in het kader van de voorlopige invrijheidsstelling in Nederland niet heeft willen meewerken met de autoriteiten, omdat alles wat hij zou zeggen in Nederland tegen hem zou kunnen worden gebruikt in Canada, met als gevolg dat de VI in de Nederlandse strafzaak is uitgesteld;
- uit de letters of support van de moeder, zus en beste vriend van de veroordeelde blijkt dat bij vrijlating een sterk netwerk voor hem klaarstaat.
33. De rechtbank heeft vervolgens geoordeeld dat een gevangenisstraf van zes jaar passend is. Daarbij heeft de rechtbank rekening gehouden met: (i) de in Canada opgelegde straf en de hoogte daarvan, (ii) het gegeven dat de Nederlandse overheid er regelmatig en nadrukkelijk voor waarschuwt dat aan het plegen van strafbare feiten in het buitenland grote risico's zijn verbonden, gezien de veelal aanzienlijk hogere straffen die daar worden opgelegd; (iii) de feiten waarvoor de veroordeelde in Canada is veroordeeld en de omstandigheden waaronder deze feiten zijn begaan; (iv) het ontbreken van inzicht in de persoonlijke omstandigheden van de veroordeelde; (v) de straffen die in vergelijkbare zaken in Nederland worden opgelegd en (vi) het gegeven dat de Canadese rechter de Nederlandse veroordeling bij zijn beoordeling heeft betrokken (op dit laatste punt kom ik bij de bespreking van de tweede deelklacht terug). Naar het oordeel van de rechtbank komt (vii) geen strafmatigende betekenis toe aan de verklaringen van de moeder, de zus en de beste vriend van de veroordeelde, aangezien deze verklaringen niet actueel zijn en deze informatie niet uit objectieve bronnen afkomstig is. De rechtbank heeft (viii) voorts overwogen geen aanleiding te zien voor strafkorting vanwege de detentie(omstandigheden) in Canada.
34. Met het benoemen van al deze factoren heeft de rechtbank mijns inziens overeenkomstig het bepaalde in art. 31 lid 1 WOTS17.in voldoende mate de bijzondere redenen opgegeven die de straf hebben bepaald en de omstandigheden waarop bij de vaststelling van de duur of de hoogte van de straf is gelet. De rechtbank heeft daarbij, blijkens de hiervoor aangehaalde overwegingen, tevens acht geslagen op de door de verdediging aangedragen omstandigheden en ook voldoende inzichtelijk gemaakt waarom zij tot een hogere straf is gekomen dan door de verdediging (en de officier van justitie) is verzocht. Anders dan het middel voorstaat, doet daaraan niet af dat de rechtbank niet expliciet op iedere omstandigheid heeft gereageerd.18.
35. De eerste deelklacht faalt.
De bespreking van de tweede deelklacht
36. Het middel is voorts met een motiveringsklacht gericht tegen de overweging van de rechtbank dat de Canadese rechter de Nederlandse veroordeling bij zijn oordeel heeft betrokken en zij, de rechtbank, bij het bepalen van een passende en geboden straf met dit gegeven rekening zal houden. Geklaagd wordt dat de strafoplegging op dit punt onbegrijpelijk is, nu (a) onduidelijk is of de Canadese rechter de Nederlandse veroordeling heeft meegewogen in de strafoplegging en in welke zin (strafverzwarend of strafverminderend) en (b) onduidelijk is hoe de rechtbank vervolgens met het oordeel van de Canadese rechter rekening heeft gehouden en in welke zin (strafverzwarend of strafverminderend).
37. Uit de in randnummer 8 uiteengezette overwegingen van de Canadese rechter blijkt onder meer het volgende. Ten laste van de veroordeelde zijn vijf feiten bewezenverklaard, te weten (naar Nederlands recht): afpersing (feit 1), het bezitten en verspreiden van kinderporno (feiten 2 en 3), grooming (feit 4) en belaging (feit 5). De Canadese rechter achtte voor deze feiten in beginsel de volgende straffen passend:19.
- feit 1: tien jaren gevangenisstraf;
- feiten 2 en 3: drie jaren gevangenisstraf;
- feit 4: zes jaren gevangenisstraf;
- feit 5: zes jaren gevangenisstraf, die wegens toepassing van het ‘totality principle’ – vergelijkbaar met het principe van meerdaadse samenloop – gelijktijdig (‘concurrent’) in plaats van aansluitend (‘consecutively’) ten uitvoer wordt gelegd.
38. De Canadese rechter heeft voorts bepaald dat de Canadese straf aansluitend op (‘consecutively’) de Nederlandse straf die de veroordeelde reeds was opgelegd ten uitvoer moet worden gelegd.20.In het kader van het ‘totality principle’ heeft de Canadese rechter te kennen gegeven bij de oplegging van de straf echter wél rekening te hebben gehouden met de Nederlandse straf, althans met het resterende, nog niet ten uitvoer gelegde gedeelte van deze straf, namelijk ongeveer twee jaren gevangenisstraf.21.Uiteindelijk komt de Canadese rechter tot een strafoplegging van dertien jaren, die uiteenvalt in de volgende onderdelen22.:
- feit 1: acht jaren gevangenisstraf;
- feit 2 en 3: een jaar gevangenisstraf;
- feit 4: vier jaren gevangenisstraf;
- feit 5: zes jaren gelijktijdige (‘concurrent’) in plaats van aansluitende (‘consecutively’) gevangenisstraf.
39. Daaruit leid ik af dat de Canadese rechter in verband met de reeds in Nederland opgelegde straf telkens twee jaren gevangenisstraf in mindering heeft gebracht op de verschillende, aansluitend (‘consecutively’) opgelegde onderdelen van de uiteindelijke straf. Het in de toelichting op het middel ingenomen standpunt dat de strafoplegging van de rechtbank op dit punt onbegrijpelijk is, omdat (ad a) onduidelijk is of de Canadese rechter de Nederlandse veroordeling heeft meegewogen in zijn strafoplegging en in welke zin, mist daarmee feitelijke grondslag.
40. Tegen de hiervoor geschetste achtergrond heeft de rechtbank overwogen dat de Canadese rechter de Nederlandse veroordeling bij zijn beoordeling heeft betrokken en dat de rechtbank met dit gegeven bij het bepalen van een passende en geboden straf rekening zal houden. De rechtbank heeft daarmee kennelijk slechts – en in reactie op het verzoek van de verdediging om via de weg van art. 63 Sr de om te zetten straf en de eerder opgelegde Nederlandse straf met elkaar te verrekenen – tot uitdrukking willen brengen dat zij bij het bepalen van de straf acht heeft geslagen op het feit dat de Nederlandse straf reeds is meegewogen door de Canadese rechter bij de bepaling van de Canadese strafmaat. Het bestreden oordeel komt mij, mede in het licht van hetgeen ik in het kader van het eerste middel heb besproken, op dit punt niet onbegrijpelijk voor. Het middel klaagt daarover tevergeefs.
41. Het tweede middel faalt in beide onderdelen.
VIII. Het derde cassatiemiddel en de bespreking daarvan
42. Het derde middel klaagt dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 lid 1 EVRM in de cassatiefase is overschreden omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.
43. Namens de veroordeelde is op 21 december 2023 beroep in cassatie ingesteld. Nu de veroordeelde zich in voorlopige hechtenis bevindt, geldt een inzendtermijn van zes maanden. De stukken van het geding zijn op 19 september 2024 ter griffie van de Hoge Raad binnengekomen. Daarmee is de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 lid 1 EVRM overschreden. Een voortvarende behandeling die de overschrijding van de inzendtermijn zou kunnen compenseren acht ik evenwel mogelijk, indien de Hoge Raad uitspraak doet vóór 21 februari 2025, in welk geval een vermindering van de opgelegde gevangenisstraf achterwege kan blijven.
IX. Slotsom
44. Het eerste en het tweede cassatiemiddel falen. Het derde cassatiemiddel is terecht voorgesteld, maar behoeft vermoedelijk niet tot cassatie te leiden.
45. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.
46. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 17‑12‑2024
Het oorspronkelijke, in 1886 ingevoerde, art. 63 Sr luidde: “Indien iemand, na veroordeling tot straf, opnieuw wordt schuldig verklaard aan misdrijf of overtreding vóór die veroordeling gepleegd, wordt de vroegere straf in rekening gebracht, met toepassing van de bepalingen van deze titel voor het geval van gelijktijdige berechting.” De begrippen ‘veroordeling (tot straf)’ en ‘gelijktijdige berechting’ zijn in het kader van de Wet OM-afdoening (Stb. 2008, 4) aangepast, zodat ook de strafbeschikking onder de werking van art. 63 Sr kon worden gebracht. De woorden ‘schuldig verklaard’ zijn behouden gebleven, omdat de strafbeschikking ook een schuldvaststelling behelst (Kamerstukken II 2004/05, 29 849, nr. 3, p. 84).
In de uitspraak van de rechtbank is hier de volgende voetnoot opgenomen: “HR 27 maart 1990, NJ 1990/799; conclusie A-G Vegter, ECLI:NL:PHR:2015:270, punten 22-27 (HR: artikel 81 RO, ECLI:NL:HR:2015:770.), zie ook: Rechtbank Amsterdam 15 november 2023, ECLI:NL:RBAMS:2023:7270.”
HR 19 april 2005, ECLI:NL:HR:2005:AS5556, NJ 2006/10, m.nt. Mevis. In gelijke zin: HR 29 november 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU2227NJ 2006/176, m.nt. Mevis; HR 19 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BX9407, NJ 2013/436, m.nt. Keijzer; HR 6 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1026. Zie voorts F.C.W. de Graaf, Meervoudige aansprakelijkstelling. Een analyse van rechtsfiguren die aansprakelijkstelling voor meer dan één strafbaar feit normeren, Den Haag: Boom juridisch 2018, p. 101-102.
Ik verwijs voor een doorwrochte uiteenzetting van de parlementaire geschiedenis bij de inwerkingtreding in 1881 en daaropvolgende wetswijzigingen van art. 63 Sr en de overige samenloopbepalingen naar J.M. ten Voorde, C.P.M. Cleiren en P.M. Schuyt, Meerdaadse samenloop in het strafrecht. Een onderzoek naar doel, grondslag, karakter, strekking en functie van de wettelijke regeling van meerdaadse samenloop (artikel 57-63 Sr), Den Haag: Boom juridisch 2013, in het bijzonder p. 33, 40, 46, 54-55.
Zie ook mijn voetnoot 3.
De Hoge Raad overwoog hier (en later ook in o.a. HR 1 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1458) dat een bij een buitenlandse rechterlijke beslissing aan de verdachte opgelegde straf geen veroordeling oplevert als bedoeld in art. 63 Sr (cursivering door mij, A-G). De Nederlandse strafrechter hoeft hier dus bij de strafoplegging geen rekening te houden met een buitenlandse veroordeling, ook al dateren de in de Nederlandse zaak voorliggende feiten van vóór die buitenlandse veroordeling. Dat is niet anders indien die in het buitenland opgelegde gevangenisstraf grotendeels in Nederland ten uitvoer wordt gelegd (HR 6 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:306, NJ 2018/220, m.nt. Klip).
HR 31 maart 2015, ECLI:NL:PHR:2015:770, NJ 2016/37, m.nt. Klip.
Ten tijde van het wijzen van dat arrest van 27 maart 1990 sprak art. 63 Sr nog van een ‘veroordeling tot straf’. In het kader van de Wet OM-afdoening is dit vervangen door ‘strafoplegging’. Zie hiervoor mijn voetnoot 2.
Zie ook de conclusie van de toenmalige P-G Remmelink vóór HR 27 maart 1990, ECLI:NL:HR:1990:ZC8515, NJ 1990/799, m.nt. ’t Hart.
Deze gedachte ligt mogelijk ook deels ten grondslag aan de in het (in randnummer 17 reeds aangehaalde) arrest van HR 31 maart 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG9198, NJ 2009/176 uiteengezette en nadien meermaals bevestigde lijn van de Hoge Raad dat art. 63 Sr geen betrekking heeft op eerder in het buitenland opgelegde straffen.
Vgl. D.J.M.W. Paridaens, De overdracht van de tenuitvoerlegging van strafvonnissen. Een onderzoek naar de voorwaarden naar Nederlands recht, (diss. Utrecht) Arnhem: Gouda Quint 1994, Pompe reeks deel 13, p. 24-25, nr. 25.
Zie mijn voetnoot 3.
Zie hierboven de randnummers 10 en 12.
Zie haar hierboven in randnummer 9 aangehaalde overwegingen.
Luidend, voor zover hier van belang: “De uitspraak van de rechtbank wordt met redenen omkleed. De uitspraak geeft voorts de bijzondere redenen op, die de straf hebben bepaald of tot de maatregel hebben geleid en voorts zoveel mogelijk de omstandigheden, waarop bij de vaststelling van de duur of de hoogte van de straf is gelet.”
Ten overvloede merk ik op dat de motiveringseisen van artikel 359 tweede lid Sv niet van overeenkomstige toepassing zijn verklaard op de WOTS-procedure (HR 24 november 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI2281, NJ 2009/606; HR 2 november 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN7093, NJ 2010/613).
Aldus de in deze conclusie in randnummer 8 (gedeeltelijk) opgenomen randnummers [148]-[162] van de Canadese uitspraak.
Randnummer [140].
Randnummer [172].
Randnummer [181]-[182].
Beroepschrift 11‑11‑2024
De Hoge Raad der Nederlanden
te 's‑Gravenhage
SCHRIFTUUR IN CASSATIE
Rechtsdag: 12 november 2024
Geacht College,
Ondergetekenden,
mr. R. Malewicz en mr. S.J. Linck, advocaten te Amsterdam, kantoorhoudende op het adres Van der Helstplein 3 (1072 PH) te Amsterdam (Cleerdin & Hamer Advocaten) en mr. F.H. van der Pol, advocaat te Almere, kantoorhoudende op het adres Grote Markt 2 (1315 JG) te Almere (Cleerdin & Hamer Advocaten), die in deze zaak bepaaldelijk gevolmachtigd zijn door rekwirant in cassatie:
de heer [veroordeelde],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1978,
thans uit anderen hoofde gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting te [a-plaats],
heeft hierbij de eer aan Uw College te doen toekomen een schriftuur in cassatie ten vervolge op het tijdig ingestelde beroep in cassatie tegen de uitspraak, alsmede alle tussenbeslissingen, van de rechtbank Amsterdam (internationale rechtshulpkamer) gewezen tegen rekwirant in de zaak met parketnummer 13/083009-23 (vordering tenuitvoerlegging WOTS) d.d. 21 december 2023.
In deze zaak heeft de rechtbank Amsterdam bij uitspraak van 21 december 2023 de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van the Supreme Court of British Columbia (Canada) van 14 oktober 2022 opgelegde gevangenisstraf van dertien jaren toelaatbaar verklaard en daartoe verlof verleend en aan rekwirant een gevangenisstraf voor de duur van zes jaren opgelegd.
Het beroep in cassatie tegen bovenvermelde uitspraak is op 21 december 2023 namens rekwirant ingesteld door de daartoe bepaaldelijk gevolmachtigde, mr. R. Malewicz, advocaat te Amsterdam.
Rekwirant voert de navolgende middelen van cassatie aan:
I. Schending van artikel 31 Wet overdracht tenuitvoerlegging strafvonnissen en artikelen 57 en 63 Wetboek van Strafrecht, althans en in elk geval schending en/of onjuiste toepassing van het recht en/of verzuim van vormen
Meer in het bijzonder getuigt het oordeel van de rechtbank dat artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht (Sr) niet van toepassing is, van een onjuiste rechtsopvatting, althans is dit oordeel niet zonder meer begrijpelijk, omdat de rechtbank oordeelt bij de omzetting niet te komen tot een ‘schuldigverklaring aan een misdrijf of overtreding’ en daarom met artikel 63 Sr geen rekening houdt bij de strafoplegging (omzetting) en omdat door het niet toepassen van artikel 63 Sr de rechtbank de doelstelling van artikel 63 Sr en het daaraan gekoppelde strafplafond zoals opgenomen in artikel 57 lid 2 Sr miskent, terwijl:
- —
uit de tekst van artikel 63 Sr niet blijkt dat het de Nederlandse rechter moet zijn geweest die de schuldigverklaring heeft uitgesproken, nu uit artikel 63 Sr alleen blijkt dat er sprake moet zijn geweest van een schuldigverklaring, die er ook is geweest (namelijk in Canada), en/of
- —
indien er wél sprake moet zijn geweest van een Nederlandse schuldigverklaring dan eveneens geldt dat de rechtbank is uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting, omdat aan dat vereiste wordt voldaan, nu de omzettingsbeslissing door de rechtbank moet worden gekwalificeerd als een schuldigverklaring aan een misdrijf of overtreding in de zin van artikel 63 Sr, omdat door de rechtbank is onderzocht of de feiten zoals bewezen verklaard door de Canadese rechtbank ook naar Nederlands recht strafbaar zijn en de rechtbank door dit positief te beoordelen rekwirant schuldig heeft verklaard aan het overtreden van de Nederlandse strafwet, en/of
- —
de rechtbank haar oordeel motiveert door te verwijzen naar de conclusie van A-G Vegter van ECLI:NL:PHR:2015:270 in samenhang met het arrest van Uw Raad van 27 maart 1990 terwijl die verwijzingen het oordeel van de rechtbank niet (kunnen) dragen, en/of
- —
aan de overige vereisten voor artikel 63 Sr wordt voldaan, te weten aan het temporele vereiste dat er ná een strafoplegging een schuldigverklaring plaatsvindt van feiten die hebben plaatsgevonden voorafgaand aan de eerste strafoplegging;
hetgeen een schending en/of onjuiste toepassing van het recht en/of verzuim van vorm is, althans is het oordeel van de rechtbank om artikel 63 Sr niet toe te passen en met dit artikel geen rekening te houden bij de strafoplegging zonder nadere motivering onjuist en/of onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd.
Toelichting
1.
Aan rekwirant is in een Nederlandse strafzaak bij arrest van 14 december 2018 van het gerechtshof Amsterdam een gevangenisstraf van tien jaar en 243 dagen opgelegd. Vervolgens is rekwirant op 14 oktober 2022 veroordeeld door de Canadese rechtbank, te weten the Supreme Court of British Columbia, tot een gevangenisstraf van dertien jaar. Deze Canadese gevangenisstraf is door internationale rechtshulpkamer van de rechtbank Amsterdam op 21 december 2023 omgezet naar een gevangenisstraf van zes jaar. Het arrest van het Gerechtshof Amsterdam en de rechterlijke beslissing van de Canadese rechtbank zien op gelijksoortige strafbare feiten.
2.
Op de terechtzittingen van 29 juni 2023 en 7 december 2023 hebben de raadslieden van rekwirant de rechtbank verzocht artikel 9a Sr toe te passen en de aan rekwirant opgelegde gevangenisstraf van dertien jaren om te zetten naar 0 dagen, gelet op de toepassing van artikelen 57 en 63 Sr.
3.
Blijkens de pleitnota die op 29 juni 2023 is overhandigd, is namens rekwirant in dit kader — voor zover voor dit middel van belang — het volgende naar voren gebracht:
‘Samenloop ex. artikel 57 Sr
24.
Bij het vaststellen van de maximumstraf naar Nederlands recht ex. artikel 31 WOTS, dient de samenloopregeling ex. artikel 57 Sr in aanmerking te worden genomen.
25.
Samenloopregelingen spelen namelijk ook een rol in onderhavige procedure, nu het regelingen zijn die de strafmaxima (mede) bepalen en hieraan getoetst dient te worden in de omzettingsprocedure. Zoals reeds door Advocaat-Generaal Wortel in 2006 werd gesteld, betreft de omzettingsprocedure ex. artikel 31 WOTS een procedure waarin de exequaturrechter verplicht is om de geldende samenloopsbepalingen toe te passen. Ik citeer:
‘Volgens artikel 31 WOTS moet hij immers de straf opleggen ‘die op het overeenkomstige feit naar Nederlands recht is gesteld’ en het Nederlands recht bij de straftoemeting ter zake van verschillende feiten (die niet in elkaar opgaan of door een specialiteitsverhouding worden bestreken) geen keuze laat. In geval de door de buitenlandse rechter bewezenverklaarde feiten op zichzelf staande misdrijven opleveren zal voor de straftoemeting, ook indien het gaat om de in artikel 31 WOTS bedoelde beslissing, artikel 57 Sr in acht genomen moeten worden. ’ 1.
26.
A-G Wortel zijn standpunt dat artikel 57 Sr van toepassing is binnen omzettingsprocedures wordt door de Hoge Raad gevolgd met diens overweging dat de rechtbank blijkens de aanhaling van artikel 57 Sr heeft geoordeeld dat de feiten die aan het buitenlandse vonnis ten grondslag zijn gelegd naar Nederlands recht als op zichzelf staande handelingen moeten worden beschouwd die meer dan één misdrijf opleveren. Dat oordeel geeft volgens de Hoge Raad geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting, terwijl het evenmin onbegrijpelijk is.2.
27.
Naast A-G Knigge in 2009,3. stelt ook Procureur-Generaal Aben zich op hetzelfde standpunt als A-G Wortel. Zijn mening is duidelijk:
‘De Hoge Raad heeft geoordeeld dat ook bij strafoplegging op de voet van art. 31 WOTS plaats is voor toepassing van art. 57 Sr(1). Ik wil zelfs iets verder gaan dan deze formulering, die vermoedelijk door cassatietechniek is ingegeven.(2) Ik meen dat artikel 31 WOTS niet alleen ruimte laat voor, doch zelfs noopt tot de toepassing van de samenloopbepalingen, en dit doordat de exequaturrechter bij de verlening van verlof tot tenuitvoerlegging van de buitenlandse rechterlijke beslissing de straf oplegt ‘die op het overeenkomstige feit naar Nederlands recht is gesteld’.4.
28.
Bovenvermeld standpunt wordt ook door de exequaturrechter gevolgd. Een aantal voorbeelden die genoemd kunnen worden: de rechtbank Den Haag paste op 20 december 2018 de samenloopregeling ex. artikel 57 Sr toe bij de omzetting van een Turkse straf.5. Verder verwijst A-G Paridaens bij diens conclusie op 9 september 2019 naar de omzettingsbeslissing van de rechtbank, waarin tevens artikel 57 Sr is toegepast bij het bepalen van de maximumstraf.6.
29.
Dat de samenloopregelingen van belang zijn in het kader van het bepalen van de maximumstraf bij het overnemen van een buitenlandse straf, blijkt tevens uit jurisprudentie aangaande WETS-procedures van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Hoewel deze arresten nagenoeg niet worden gepubliceerd, blijkt bijvoorbeeld uit het arrest van de Hoge Raad d.d. 10 juni 2022 in een kort geding procedure dat het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden bij diens beslissing is uitgegaan van een maximumstraf waarbij de samenloopregeling ex. artikel 57 Sr is betrokken.7. In een arrest van het gerechtshof Den Haag — tevens een kort geding — wordt eveneens verwezen naar een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin artikel 57 Sr is toegepast.8.
30.
De rol van artikel 57 Sr binnen de procedure ex. artikel 31 WOTS, blijkt overigens niet enkel uit de jurisprudentie, maar is tevens bevestigd door de wetgever. In de Memorie van Toelichting bij het wetsvoorstel Herziening regeling meerdaadse samenloop wordt vermeld:
‘Door de Rvdr in zijn advies over het wetsvoorstel is aandacht gevraagd voor de gevolgen van de wijziging van de samenloopregeling voor zogenoemde WOTS- en WETS-zaken, waarin de samenloopregeling ook wordt toegepast. Als, zoals wordt voorgesteld in het wetsvoorstel, het maximum wordt gesteld op de helft boven de zwaarste straf zal volgens de Raad in een groter aantal gevallen, en in het bijzonder bij drugszaken, een straf moeten worden overgenomen die voor Nederlandse begrippen thans al hoog is. ’ 9.
Toepassing artikel 63 Sr
31.
Kort en goed: samenloopregelingen dienen te worden toegepast door de exequaturrechter binnen de omzettingsprocedure. In dit geval gaat het echter niet enkel om samenloop van de feiten die in de Canadese veroordeling worden genoemd, maar ook van de feiten waarvoor cliënt in Nederland is berecht. Dit volgt uit artikel 63 Sr. (…)
32.
Zoals reeds eerder vermeld, zijn de feiten waarvoor cliënt in Canada is veroordeeld (de ‘tweede schuldigverklaring’ zoals bedoeld in artikel 63 Sr) gepleegd voordat hem een straf was opgelegd door het Gerechtshof Amsterdam (de ‘eerste strafoplegging’ zoals bedoeld in artikel 63 Sr). Deze feiten zijn namelijk gepleegd tussen 2009 en 2012, terwijl het arrest van het Gerechtshof Amsterdam is gewezen in 2018.
33.
De Hoge Raad heeft meermaals geoordeeld dat artikel 63 geen toepassing vindt voor zover de Nederlandse strafrechter bij diens strafoplegging rekening zou moeten houden met een buitenlandse veroordeling. (…)10.11.
34.
Hetzelfde geldt volgens de Hoge Raad in het geval die buitenlandse veroordeling is omgezet in een Nederlandse straf via een omzettingsprocedure ex. artikel 31 WOTS en in Nederland ten uitvoer wordt gelegd. Zelfs in dat geval, waarbij de buitenlandse straf in een Nederlandse is omgezet, kan dit niet aangemerkt worden als een straf waarmee de rechter in het kader van artikel 63 Sr rekening moet houden bij een tweede veroordeling.12.
35.
Over dit oordeel valt veel te zeggen, vooral gezien de steeds verdergaande vormen van strafrechtelijke samenwerking waarin buitenlandse vonnissen worden erkend door Nederland en ook in Nederland ten uitvoer worden gelegd, maar deze vonnissen desondanks kennelijk geen grondslag kunnen vormen voor het toepassen van de samenloopregelingen. De exacte redenatie achter dit oordeel van de Hoge Raad ontbreekt voor alsnog in diens jurisprudentie. Hoe die discussie zich verder zal ontwikkelen, is in onderhavige zaak echter niet van belang.
36.
Bij de toepassing van artikel 63 Sr in onderhavige zaak is er namelijk geen sprake van een buitenlands vonnis waarmee rekening gehouden zou moeten worden bij een tweede veroordeling, maar een Nederlandse veroordeling, namelijk die door het gerechtshof Amsterdam. Bovenvermelde jurisprudentie van de Hoge Raad, waarin te kennen is gegeven dat er bij een tweede strafoplegging door de Nederlandse rechter geen rekening behoeft te worden gehouden met de in het buitenland opgelegde straf voor feiten die vóór eerstgenoemde strafoplegging zijn gepleegd, speelt in onderhavige zaak derhalve geen rol.
37.
Er is mijns inziens geen reden dat artikel 63 Sr uitgesloten zou moeten worden in onderhavige zaak. In tegendeel: aan de vereisten voor de toepassing van artikel 63 Sr is voldaan. Deze vereisten blijken helder uit de conclusie van A-G Machielse bij het arrest van de Hoge Raad van 29 november 2005. Machielse noemt dat het moet gaan om de situatie waarin iemand terecht staat voor een feit dat is gepleegd voordat hij ter zake van een ander feit is veroordeeld en waarbij het Openbaar Ministerie de theoretische mogelijkheid moet hebben gehad de zaken gelijktijdig op de zitting te brengen.13.
38.
Deze vereisten blijken ook uit de wetsgeschiedenis. Ik citeer:
‘Artikel 63 Sr betreft de situatie dat gelijktijdige berechting niet heeft plaatsgevonden, waar dit in principe wel had gekund: iemand wordt na veroordeling tot straf opnieuw schuldig verklaard aan een strafbaar feit dat hij vóór die veroordeling heeft gepleegd. ’ 14.
39.
Zoals eerder genoemd, zijn de feiten waarvoor [veroordeelde] is veroordeeld in Canada gepleegd voordat de Nederlandse veroordeling heeft plaatsgevonden. Verder staat buiten twijfel dat de Nederlandse autoriteiten de feiten met betrekking tot [slachtoffer] ook in Nederland hadden kunnen vervolgen, nu zij zo'n belangrijk onderdeel vormde in het onderzoek Disclosure. Dit volgt duidelijk uit de eerdergenoemde index van de zaaksdossiers, het daarin genoemde Facebookrapport en tevens een proces-verbaal waarin wordt vermeld dat de zaak van [slachtoffer] de aanleiding is geweest van het onderzoek.
40.
Verder werden de feiten met betrekking tot alle andere 33 slachtoffers in Nederland vervolgd. Sterker nog: een andere zaak waarin een Canadees slachtoffer voorkwam, is wel door Nederland vervolgd. Dit is ook volstrekt begrijpelijk. Met betrekking tot alle slachtoffers is namelijk hetzelfde bewijs gebruikt en is dezelfde pleegperiode gehanteerd. Verder heeft de dader dezelfde aliassen, IP-adressen, e-mailadressen, hard drives en platforms gebruikt. Het was derhalve niet alleen mogelijk maar ook volkomen logisch geweest als ook de zaak van [slachtoffer] in Nederland, waar al het bewijs aanwezig was, was vervolgd. Echter, volledig buiten cliënt zijn macht en wil om, is de zaak omtrent [slachtoffer] kunstmatig losgetrokken van de overige zaken. Dit is met name kwalijk nu cliënt voor de hoofdreden dat de zaak werd losgetrokken, namelijk [slachtoffer] 's dood, nooit is vervolgd. Het verdelen van de vervolging is daarom niet enkel nadelig voor cliënt geweest, maar ook onnodig.
41.
Mocht het Openbaar Ministerie de mening zijn toebedeeld dat de vervolging niet in Nederland kon plaatsvinden omdat er een Canadees uitleveringsverzoek lag en er daardoor een verplichting tot uitlevering bestond, dient hierbij het volgende in aanmerking te worden genomen. Het Canadese uitleveringsverzoek is uitgevaardigd in 2015, terwijl cliënt al sinds begin 2014 was gedetineerd op basis van de vervolging in Nederland. Indien de feiten omtrent [slachtoffer] reeds onderdeel hadden uitgemaakt van de Nederlandse vervolging, dan kon de uitlevering geweigerd worden op basis van artikel 5, onder a van het Uitleveringsverdrag tussen Nederland en Canada. Des te sterker: deze facultatieve weigeringsgrond is imperatief ingevuld, zo blijkt uit de Uitleveringswet. Uit artikel 9, lid 1, onder a van deze wet blijkt namelijk dat de uitlevering niet wordt toegestaan in het geval dat er een strafvervolging voor een feit ter zake waarvan ten tijde van de beslissing op het verzoek tot uitlevering een strafvervolging in Nederland tegen hem gaande is.
42.
Het staat buiten twijfel dat, gezien de tijdlijn in zowel de Nederlandse als de Canadese procedure, de Nederlandse autoriteiten als eerste vervolgingshandelingen hebben verricht. Bij de aanhouding van client wordt al gesproken over Canada als pleegplaats, dat kan toen alleen de zaak Todd zijn geweest omdat pas later tijdens het onderzoek de zaak van D34 opkwam (pv werd opgemaakt in september 2014, client werd al in januari 2014 aangehouden)Het was daardoor zeker een mogelijkheid geweest in de Nederlandse vervolging ook de feiten omtrent [slachtoffer] mee te nemen. Het gebruik maken van deze mogelijkheid had ook overigens niet misstaan gezien het onrechtvaardige effect van een verdeelde vervolging jegens cliënt, welk effect volgt uit de omzeiling van artikel 57 Sr.
43.
En deze omzeiling is nou juist wat artikel 63 Sr tracht te voorkomen, zo blijkt uit het doel van de bepaling. Met betrekking tot dit doel wordt nogmaals verwezen naar de eerdergenoemde conclusie van Machielse, waarin hij ook weer verwijst naar meerdere bronnen.15. Concluderend stelt hij het volgende over artikel 63 Sr: ‘het mag niet afhangen van ‘feitelijke of processuele gronden die het gelijktijdige of ongelijktijdige van de berechting bepalen’ of de samenloopregels worden toegepast. ’16.
Machielse verwijst verder naar Vos, die stelt dat het Openbaar Ministerie niet in staat mag zijn om, door zaken te splitsen, de regels van de samenloop buiten werking te stellen.17.
44.
De ratio van de bepaling komt ook duidelijk terug in een uitspraak van de rechtbank Amsterdam d.d. 14 oktober 2011. Ik citeer:
‘‘De ratio van de samenloopregeling, zoals hiervoor geschetst, is de onbeperkte optelling van mogelijke straffen te beperken tot een bepaald maximum. Dit is naar het oordeel van de rechtbank zonder meer redelijk als sprake is van gelijktijdige berechting van meerdere feiten. Dit is ook het geval wanneer feiten niet gelijktijdig worden behandeld waar dit wel had gekund. Zo moet de verdachte worden beschermd tegen een Openbaar Ministerie dat ‘vergeet’ bepaalde zaken gelijktijdig aan te brengen, dan wel daar een bijzondere reden voor heeft. Artikel 63 biedt de verdachte bescherming in die zin dat bij de laatste berechting rekening wordt gehouden met de eerdere veroordelingen. Dit systeem hoort bij een evenredige berechting waarbij met de belangen van de verdachte rekening wordt gehouden. Het is niet rechtvaardig om straffen zonder maximum te laten cumuleren als het Openbaar Ministerie de (al dan niet bewuste) keuze zou hebben om de verschillende feiten gelijktijdig te laten berechten, maar desondanks de feiten op afzonderlijke tijdstippen ter berechting aanbrengt. Hierdoor zou de verdachte het strafplafond worden onthouden.’
45.
En deze onthouding van het strafplafond is precies wat er zou gebeuren indien artikel 63 Sr geen rol speelt in onderhavige procedure. Doordat ervoor is gekozen om de zaak omtrent [slachtoffer] niet in Nederland maar in Canada te vervolgen, zouden de samenloopregelingen worden omzeild indien artikel 63 Sr niet van toepassing wordt verklaard in onderhavige procedure.
Maximaal op te leggen gevangenisstraf
46.
Samenvattend dienen artikel 63 Sr jo. 57 Sr te worden toegepast in onderhavige zaak. Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad,18. dient vervolgens de volgende beoordeling plaats te vinden bij de toepassing van artikel 63 Sr: (…)
- a.
de rechter moet nagaan wat de maximaal op te leggen tijdelijke gevangenisstraf zou zijn geweest indien alle feiten gevoegd zouden zijn behandeld en dus tot één rechterlijke uitspraak zouden hebben geleid;
- b.
hij mag in ieder geval geen hogere straf opleggen dan overeenkomt met het hiervoor onder a bedoelde maximum verminderd met de eerder opgelegde straffen; en
- c.
hij mag in geen geval hoger straffen dan tot het maximum van de vrijheidsstraf die is gesteld op het door hem te berechten feit.
47.
Deze beoordeling volgend, dient geconcludeerd te worden dat de Canadese gevangenisstraf omgezet dient te worden naar 0 dagen. De hoogste maximumstraf voor de bewezenverklaarde feiten in zowel Nederland als Canada bedraagt 8 jaar. Volgens artikel 57, lid 2 Sr kan de uiteindelijke straf vervolgens het maximum + 1/3 van het maximum bedragen. Dit komt neer op 10 jaar en 8 maanden. Zoals blijkt uit het arrest van het Gerechtshof Amsterdam, is er reeds 10 jaar en 8 maanden gevangenisstraf opgelegd. Nu de tweede rechter geen hogere straf mag opleggen dan overeenkomt met dit strafmaximum, kan er geen gevangenisstraf meer worden opgelegd.
48.
Om deze reden zou toepassing gegeven moeten worden aan het rechterlijk pardon van artikel 9a Sr. Uit de tekst van de wet kan worden opgemaakt dat de toepassing van artikel 9a Sr alleen om de in deze bepaling genoemde redenen kan plaatsvinden. Het artikel is niet geschreven voor de situatie dat strafoplegging onmogelijk is vanwege wettelijke cumulatiebeperkingen bij samenloop.
49.
Echter, een juiste toepassing van het materiële strafrecht kan onder bepaalde omstandigheden met zich brengen dat bij schuldigverklaring geen straf wordt opgelegd, zo ook in het geval geen straf meer kan worden opgelegd wegens de cumulatiebeperkingen bij samenloop. Deze conclusie is gebaseerd op een uitspraak van de rechtbank Amsterdam d.d. 14 oktober 2005, waaruit ik citeer:
‘Uit de tekst van de wet kan worden opgemaakt dat toepassing van dit artikel, dat ook wel het ‘rechterlijk pardon’ wordt genoemd, alleen om de in deze bepaling genoemde redenen kan plaatsvinden. Het artikel is niet geschreven voor de situatie dat strafoplegging onmogelijk is vanwege wettelijke cumulatiebeperkingen bij samenloop. Zie ook in gelijke zin de conclusie van advocaat-generaal Jörg bij het arrest van de Hoge Raad van 19 april 2005 (LJN: AS5556, HR 19-04-2005, 02109/04). In dit arrest ging het om een geval van ongelijktijdige berechting van feiten, waarbij verdachte bij eerdere berechtingen was veroordeeld tot gevangenisstraffen, waaronder de maximale tijdelijke gevangenisstraf van 20 jaar. De Hoge Raad heeft in dit arrest bepaald dat toepassing van artikel 63 Sr en het wettelijke strafmaximum van de feiten die in de laatste berechting aan de orde waren, in dit geval met zich brachten dat bij de laatste berechting geen vrijheidsstraf meer kon worden opgelegd. Het gerechtshof had in zijn beslissing waartegen cassatieberoep was ingesteld geen straf opgelegd, maar had zich anders dan de Hoge Raad daarbij gebaseerd op artikel 9a Sr. De Hoge Raad heeft het cassatieberoep, dat er evenals het gerechtshof van uitging dat oplegging van (levenslange) gevangenisstraf nog wel mogelijk was, verworpen. Uit dit arrest van de Hoge Raad (en de conclusie van de advocaat-generaal) valt op te maken dat ook om andere redenen dan genoemd in artikel 9a Sr, namelijk de wettelijke beperkingen van strafoplegging, een juiste toepassing van het materiële strafrecht onder bepaalde omstandigheden met zich kan brengen dat bij schuldigverklaring geen straf wordt opgelegd. ’ 19.
50.
Hieruit dient geconcludeerd te worden dat in onderhavige zaak artikel 9a Sr kan worden toegepast wegens de cumulatiebeperking die artikelen 57 jo 63 Sr met zich meebrengen.’
4.
Blijkens de pleitnota die op 7 december 2023 is overhandigd, is namens rekwirant in dit kader — voor zover voor dit middel van belang — het volgende naar voren gebracht:
‘Primair: artikel 63
4.
Tijdens de vorige zitting heeft de officier van justitie aangegeven dat artikel 63 Sr geen toepassing kan vinden in onderhavige zaak. Dit standpunt was mede ingegeven door het feit dat de Nederlandse autoriteiten volgens de officier van justitie geen mogelijkheid zouden hebben gehad om cliënt te vervolgen voor de feiten onderliggend aan onderhavig WOTS-zaak. Hierbij werd, gewezen op het feit dat het meeste bewijsmateriaal in Canada aanwezig zou zijn geweest, de Canadese autoriteiten zelf de vervolging wensten in te stellen en een vervolging zonder medewerking van de Canadese autoriteiten in Nederland niet mogelijk zou zijn.
5.
Hierbij heeft de officier van justitie echter geen acht geslagen op de tekst van artikel 63 Sr. In deze bepaling is enkel een temporeel vereiste te lezen. Zoals blijkt uit deze bepaling, gaat het enkel om de tijdlijn aangaande de pleegdatum van de feiten waarvoor de verdachte wordt vervolgd en eerdere veroordelingen. Indien de pleegdatum van de feiten onderliggend aan de tweede schuldigverklaring vóór de eerste veroordeling zoals bedoeld in artikel 63 Sr ligt, dan is deze bepaling van toepassing. Het vereiste dat alle feiten daadwerkelijk tezamen konden worden vervolgd in de praktijk, volgt niet uit de wet, de wetsgeschiedenis of de jurisprudentie. Enkel het temporele vereiste komt terug. Dit wordt ook duidelijk gemaakt in de jurisprudentie aangaande artikel 63 Sr.
6.
Zo maakt ede Hoge Raad met het arrest van 19 april 2005 als eerste duidelijk hoe artikel 63 Sr moet worden toegepast, welk arrest veelvuldig wordt aangehaald in de jurisprudentie:20.
- 1)
de rechter moet nagaan wat de maximaal op te leggen tijdelijke gevangenisstraf zou zijn geweest indien alle feiten gevoegd zouden zijn behandeld en dus tot één rechterlijke uitspraak zouden hebben geleid;
- 2)
hij mag in ieder geval geen hogere straf opleggen dan overeenkomt met het hiervoor onder a bedoelde maximum verminderd met de eerder opgelegde straffen; en
- 3)
hij mag in geen geval hoger straffen dan tot het maximum van de vrijheidsstraf die is gesteld op het door hem te berechten feit.
7.
Dat bij de toepassing van bovenstaand stappenplan geen rekening gehouden kan worden met de vraag of de feiten daadwerkelijk tezamen vervolgd konden worden, blijkt uit meerdere arresten van de Hoge Raad.
8.
Een voorbeeld hiervan is de vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank Amsterdam d.d. 14 oktober 2011 door de Hoge Raad?21. In de Amsterdamse zaak22. ging het om een zogenaamde cold case, waarbij de feiten die waren tenlastegelegd waren gepleegd vóór een eerdere veroordeling. De feiten in die Amsterdamse feit waren op het moment van die eerdere veroordeling echter niet bekend bij het Openbaar Ministerie. De feiten konden dan ook niet tezamen worden vervolgd. De rechtbank overwoog onder andere:
‘Zoals overwogen had het Openbaar Ministerie in de thans aanhangige strafzaak geen keuze, ook niet in theorie. De feiten konden toen, in 1996, nog niet aan verdachte gelinkt worden.
Zoals art. 63 thans is geredigeerd, wordt geen enkel onderscheid gemaakt ten aanzien van de redenen waarom geen gelijktijdige berechting heeft plaatsgevonden. Dat kan situaties opleveren waarmee naar het oordeel van de rechtbank, kijkend naar de wijze van totstandkoming van deze materie in de wet, nooit rekening lijkt te zijn gehouden en waarbij de eerder genoemde evenredigheid doorslaat in onevenredigheid en leidt tot een op te leggen straf die niet meer uit te leggen is aan de samenleving. ’
Wanneer een verdachte misdrijven pleegt en daarmee wegkomt omdat hij niet in beeld komt als dader en hij vervolgens voor later gepleegde feiten tot een forse gevangenisstraf wordt veroordeeld, mag en kan het niet zo zijn dat hij de dans ontspringt wanneer nieuwe technieken justitie later in staat stellen hem alsnog ter verantwoording te roepen voor aanvankelijk niet opgehelderde misdrijven. Een strikte en onverkorte toepassing van artikel 63 zou er namelijk zelfs toe kunnen leiden dat een verdachte tot geen enkele gevangenisstraf meer kan worden veroordeeld indien de tussentijds opgelegde straffen in totaal van een langere duur zijn dan de voor de oude feiten op te leggen maximale straf of, zoals in casu dreigt, er slechts een zeer beperkte gevangenisstraf voor de duur van vier jaren en drie maanden kan worden opgelegd daar waar het ‘normale’ strafmaximum, twintig jaren bedraagt.
Gezien bovengenoemde in onderling verband en samenhang bezien acht de rechtbank zich in deze zaak niet gebonden aan artikel 63. ’
9.
Van deze overwegingen maakte de Hoge Raad spreekwoordelijk gehakt met verwijzing naar het eerder genoemde arrest van 19 april 2005 en het daarin neergelegde stappenplan. Ook verwees het naar de aankondiging van de herziening van artikel 63 Sr, welke is geïnitieerd naar aanleiding van de eerdergenoemde uitspraak van de Rechtbank Amsterdam en het feit dat daarbij nog verschillende legislatieve keuzes denkbaar zijn. Op basis hiervan zag de Hoge Raad aanleiding om bij zijn rechtspraak te blijven en heeft het de uitspraak van de rechtbank Amsterdam vernietigd. Kort gezegd: er werd vastgehouden aan het temporele vereiste neergelegd in artikel 63 Sr, waarbij de reden van het niet daadwerkelijk tezamen vervolgen geen rol speelt. Zelfs niet als de theoretische of praktische mogelijkheid om de feiten tezamen te vervolgen niet bestond omdat de feiten ten tijde van de eerste veroordeling nog niet aan de veroordeelde gelinkt konden worden.
10.
Dat artikel 63 Sr van toepassing is en niet buiten werking kan worden gesteld indien aan het temporele vereiste neergelegd in artikel 63 Sr is voldaan, komt ook weer terug in het arrest van de Hoge Raad van 17 september 2013.23. In die zaak had het gerechtshof geen rekening gehouden met artikel 63 Sr omdat de eerdere veroordelingen volgens het gerechtshof niet zo zwaar wogen dat zij op voet van artikel 63 Sr bij de tweede strafoplegging — een levensdelict — gewicht in de schaal legden. Weer met verwijzing naar het arrest van 19 april 2005, verminderde de Hoge Raad met inachtneming van artikel 63 Sr, zelf de opgelegde straf.
11.
Dat er op dit moment enkel een temporeel vereiste is, blijkt ook het wetsvoorstel Herziening regeling meerdaadse samenloop in strafzaken. In dit wetsvoorstel wordt een nieuwe tekst voor artikel 63 Sr voorgesteld. In deze tekst is een nieuw lid 3 toegevoegd aan de bepaling:
‘In het geval het strafbare feit waaraan iemand schuldig wordt verklaard een misdrijf betreft waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van twaalf jaar of meer is gesteld, kan de rechter gemotiveerd beslissen om een op het eerste lid aanvullende gevangenisstraf op te leggen van niet meer dan een derde van het op dat feit gestelde maximum, indien sprake is van een gegeven dat tijdens het opsporingsonderzoek of gedurende de fase van vervolging aan de officier van justitie of de rechter niet bekend was en dat op zichzelf of in verband met feiten of omstandigheden het ernstige vermoeden had doen ontstaan dat, indien het gegeven bekend zou zijn geweest, het onderzoek van de zaak zou hebben geleid tot het opleggen van vrijheidsstraf.’
12.
Deze aanvulling ziet expliciet op de eerder beschreven situatie die zich voordeed in de Amsterdamse zaak, namelijk dat sprake is van een cold case waarbij ten tijde van de eerste veroordeling de verdachte nog niet aan de (12-jaars) feiten gelinkt kon worden, welke feiten voor de eerste veroordeling waren gepleegd. In die situatie kan artikel 63 Sr buiten toepassing worden gesteld volgens het wetsvoorstel, zodat wordt voorkomen dat de rechter voor deze ernstige feiten geen of zeer beperkte strafruimte overheeft.
13.
Dat het voornemen bestaat deze uitzondering op artikel 63 Sr op te nemen in de wet, laat duidelijk zien dat deze uitzonderingsmogelijkheid op dit moment nog niet bestaat. Overigens zou deze uitzonderingsgrond in onderhavige zaak niet van toepassing zijn, alleen al omdat de feiten waarvoor cliënt in Canada is veroordeeld wél al aan cliënt gelinkt konden worden op het moment dat de veroordeling in Nederland plaatsvond.
14.
Uit het bovenstaande dient geconcludeerd te worden dat artikel 63 Sr ziet op een situatie waarbij de pleegdatum van de feiten van een latere veroordeling ligt vóór de datum van een eerdere veroordeling. Het is hierbij volledig irrelevant of het Openbaar Ministerie de mogelijkheid had om de feiten tezamen te vervolgen.
15.
Gezien het voorgaande, wordt ook de vraag of de vervolging van cliënt voor de feiten aangaande [slachtoffer] gelijktijdig met de andere feiten in Nederland daadwerkelijk plaats kon vinden, irrelevant. Hiermee vervalt ook de relevantie van de verplichtingen voortvloeiend uit het Uitleveringsverdrag met Canada of het eventuele ontbreken van voldoende bewijs voor een vervolging in Nederland.
16.
En zelfs al gaat men ervan uit dat het in de praktijk mogelijk had moeten zijn om cliënt daadwerkelijk in Nederland te vervolgen, dan is het volgende van belang. Zoals reeds genoemd tijdens de zitting van 29 juni j.l., is in Nederland met [slachtoffer] als het centraal punt het onderzoek Disclosure gestart. De Canadese aanklager heeft ook geprobeerd veel van het Nederlandse bewijs toe te laten tot de Canadese procedure, waarover de Canadese rechter uiteindelijk heeft beslist in de judge's decision on the Crown 's application to lead discreditable conduct (bijlage 1).
17.
Het belang van de Nederlandse onderzoeksresultaten blijkt tevens uit de Witness List (bijlage 2). In Canada kunnen schriftelijke verklaringen verstrekt door getuigen enkel worden toegelaten tot het bewijs als deze getuigen ter zitting zijn gehoord. Uit deze Witness List blijkt dat van de getuigen die in het Canadese proces zijn gehoord op verzoek van de Canadese aanklager, de meerderheid van Nederlandse komaf is. Cliënt heeft tijdens de drie weken durende ondervraging van deze getuigen het gevoel gehad dat de Nederlandse strafzaak opnieuw behandeld werd in Canada. Oftewel: Nederland heeft meer dan de helft van de getuigen die in het Canadese proces een verklaring heeft afgelegd, aangeleverd.
18.
Uit het voorgaande blijkt dat de veroordeling van cliënt in Canada voor een groot deel is gestoeld op de bewijsmiddelen verstrekt door de Nederlandse autoriteiten. Dat diezelfde autoriteiten geen vervolging van cliënt zouden kunnen instellen omdat al het bewijs in Canada zou zijn, is derhalve onjuist.
19.
Concluderend wordt gesteld dat artikel 63 Sr van toepassing is. Dit is reeds het geval wegens het feit dat temporeel gezien de pleegdatum van onderhavige feiten vóór de veroordeling in Nederland ligt. Als men — zonder dat dit uit de wet of jurisprudentie blijkt — uitgaat van een aanvullende vereiste dat het Openbaar Ministerie ook praktisch gezien de mogelijkheid moet hebben gehad om onderhavige feiten in Nederland te vervolgen, dan wordt geconcludeerd dat deze mogelijkheid ook daadwerkelijk bestond. Hierbij wordt verwezen naar het feit dat een aanzienlijk deel van het bewijs op basis waarvan cliënt is veroordeeld in Canada uit het Nederlandse onderzoek afkomstig was.’
5.
De rechtbank overwoog omtrent de toepassing van artikel 63 Sr echter het volgende:
‘De rechtbank stelt voorts vast dat artikel 63 niet van toepassing is in deze procedure nu zij niet komt tot een ‘schuldigverklaring aan een misdrijf of overtreding’ in de zin van die bepaling, maar tot een omzetting van de Canadese straf naar een Nederlandse straf. Het verzoek van de raadsman om met toepassing van dit artikel rekening te houden met het arrest van het gerechtshof Amsterdam van 14 december 2018 wordt dus niet ingewilligd. De Canadese rechter heeft overigens de Nederlandse veroordeling wel bij zijn beoordeling betrokken. Met dit gegeven zal de rechtbank, bij het bepalen van een passend en geboden straf, dan ook rekening houden. ’
6.
De wettekst van artikel 63 Sr luidt als volgt:
‘Indien iemand, nadat hem een straf is opgelegd, schuldig wordt verklaard aan een misdrijf of een overtreding voor die strafoplegging gepleegd, zijn de bepalingen van deze titel voor het geval gelijktijdig straf wordt opgelegd van toepassing. ’
7.
Artikel 63 Sr stelt daarmee slechts dat er een ‘tweede’ schuldigverklaring noodzakelijk is voor toepassing van dit artikel. Van een dergelijke tweede schuldigverklaring aan verschillende strafbare feiten is door de Canadese rechtbank sprake geweest. Vanwege deze schuldigverklaring heeft de Canadese rechtbank ook een gevangenisstraf opgelegd van 13 jaren. Het is voor toepassing van artikel 63 Sr niet noodzakelijk dat de Nederlandse rechtbank bij de omzettingsbeslissing zelf tot een schuldigverklaring of een veroordeling komt.
8.
Maar zelfs als dat vereiste wel zou gelden dan is in tegenstelling tot het oordeel van de rechtbank aan dat vereiste voldaan nu de Nederlandse rechter heeft beoordeeld of de verschillende feiten naar Nederlands recht strafbaar zijn. De schuldigverklaring van rekwirant is daarmee overgenomen en onderdeel geworden van de beoordeling van de Nederlandse rechter die overging tot de kwalificatie naar Nederlands recht en de strafoplegging. Daaraan doet niet af dat de Nederlandse rechter niet opnieuw heeft onderzocht of rekwirant de feitelijke handelingen zelf heeft uitgevoerd. Bij de omzetting van de Canadese straf moet beoordeeld worden op welke wijze de feiten naar Nederlands recht moeten worden gekwalificeerd. Daarin ligt besloten de aanname dat de veroordeelde de Nederlandse wet heeft overtreden (en aan die wetsovertreding schuldig is).
9.
Toch komt de rechtbank tot het oordeel dat artikel 63 Sr in onderhavige zaak niet van toepassing is en dat met dit artikel geen rekening hoeft te worden gehouden bij de strafoplegging door de rechtbank.
10.
De rechtbank verwijst daarbij naar een arrest van Uw Raad van 27 maart 1990 en een conclusie van A-G Vegter van 3 februari 2015.24. In die conclusie wordt ingegaan op een middel waarin wordt geklaagd over schending van de artikelen 31 WOTS en 57 en 63 Sr, omdat de rechtbank bij de omzetting van een Belgische straf geen rekening had gehouden met een Duits vonnis.
11.
Voor zover hier van belang concludeert A-G Vegter:
‘22.
Het derde middel klaagt over schending van de artt. 31 Wots en 57 en 63 Wetboek van Strafrecht, omdat de Rechtbank bij de omzetting van de Belgische straf geen rekening heeft gehouden met het vonnis van het Landgericht Oldenburg.
23.
Voor zover voor de beoordeling van het middel van belang heeft de Rechtbank in het bestreden vonnis als volgt overwogen:
‘De raadsman meent verder dat — in geval de rechtbank oordeelt dat geen sprake is van schending van het ‘ne bis in idem’ beginsel — zich een situatie voordoet als bedoeld in artikel 63 van het Wetboek van strafrecht (Sr) en dat dan de regeling van artikel 57 Sr van toepassing is. Dit zou betekenen dat voor de Duitse en de onderhavige Belgische zaak één hypothetische en gemaximeerde straf moet worden bepaald. Onder rechtsoverweging 3 heeft de rechtbank reeds geoordeeld dat geen sprake is van schending van het ‘ne bis in idem’ beginsel. Het subsidiaire verweer van de raadsman faalt eveneens. Artikel 63 Sr is niet van toepassing bij het omzetten van een straf op grond van artikel 31 WOTS (zie HR 27 maart 1990, NJ 1990/799). Artikel 63 Sr is geschreven voor situaties waarin een verdachte wordt veroordeeld. Dit artikel is niet van toepassing op een situatie als de onderhavige, omdat thans sprake is van een overdracht van de tenuitvoerlegging van een strafvonnis, waarbij de strafoplegging al in een eerder stadium heeft plaatsgevonden. Dit betekent tevens dat artikel 57 Sr niet dient te worden toegepast in de zin die de raadsman aanvoert. ’
24.
Met een beroep op de noot van 't Hart onder het hierboven onder punt 23 vermelde arrest van de Hoge Raad en onder verwijzing naar ECLI:NL:HR:2009:BG9198 bepleit de steller van het middel heroverweging van de lijn in de rechtspraak dat bij de omzetting geen rekening behoeft te worden gehouden met buitenlandse veroordelingen. ‘De steeds verder gaande Europese integratie op strafrechtelijk vlak dient ook zijn weerslag te hebben op de rechtswaarborgen voor verdachten en veroordeelden: het kan niet zo zijn dat de grenzen niet meer bestaan als er veroordelingen moeten worden overgenomen, maar nog wel als het gaat om bescherming tegen ongebreidelde cumulatie van straffen ’, aldus de steller van het middel.
25.
De steller van het middel meent weliswaar dat 23 (inmiddels 25) jaar na het arrest uit 1990 aan de argumentatie van 't Hart gelet op de verdergaande Europese integratie op strafrechtelijk vlak steeds meer gewicht toekomt, maar hij lijkt over het hoofd te zien dat de HR nog in 2009 als volgt (zie met name de tweede geciteerde volzin) oordeelde 15:
‘Indien bij een buitenlandse rechterlijke beslissing aan de verdachte straf is opgelegd, levert die strafoplegging niet een veroordeling op als bedoeld in art. 63 Sr. De ontwikkelingen op het gebied van de Europese strafrechtelijke samenwerking nopen niet tot een ander oordeel.’
26.
Mijn ambtgenoot Machielse heeft zich in de conclusie voor dat arrest uit 2009 op goede grond op het standpunt gesteld dat het ontwikkelen van een systeem waarin de rechter in het kader van artikel 63 Sr ook rekening zou moeten houden met eerder in het buitenland opgelegde straffen de rechtsvormende taak van de rechter te buiten gaat. Ik wijs er bovendien nog op dat het Antwerpse Hof arrest heeft gewezen in 2011, dat de veroordeelde in die procedure van rechtsbijstand was voorzien en dat er in die procedure de gelegenheid is geweest te bepleiten rekening te houden met het Oldenburgse vonnis waarvan inmiddels ook bekend was dat het in Nederland (voortgezet) zou worden tenuitvoergelegd. Ook dat is een reden om de Belgische straf niet alsnog aan te passen in verband met het Duitse vonnis. ’
12.
In zijn hierboven weergeven conclusie verwijst de A-G naar de uitspraak van uw Raad van 27 maart 1990. In die uitspraak wordt echter niet bepaald dat artikel 63 Sr niet is geschreven voor de omzetting van een straf op grond van artikel 31 WOTS. Onder 6.1 werd door uw Raad namelijk bepaald dat:
13.
Het ging daarbij dus om de vraag of de omzettingsbeslissing van een buitenlandse strafoplegging een veroordeling was als bedoeld in artikel 63 Sr. In de onderliggende zaak had het gerechtshof te Leeuwarden de verdachte veroordeeld wegens het uitgeven van valse bankbiljetten en het plegen van fraude. Daarbij had het gerechtshof geen rekening gehouden met een omgezette Zwitserse veroordeling. In cassatie werd vervolgens geklaagd dat de omzettingsbeslissing een strafoplegging betrof waarmee ex artikel 63 Sr rekening gehouden had moeten worden.
14.
Uit het arrest van Uw Raad van 27 maart 1990 volgt daarmee dan ook niet dat ‘Artikel 63 Sr is niet van toepassing bij het omzetten van een straf op grond van artikel 31 WOTS (zie HR 27 maart 1990, NJ 1990/799). Artikel 63 Sr is geschreven voor situaties waarin een verdachte wordt veroordeeld. ’, zoals weergegeven in de conclusie van A-G Vegter van 3 februari 2015 (ECLI:NL:PHR:2015:270).
15.
Uit die uitspraak kan slechts worden afgeleid dat een omzettingsbeslissing ex artikel 31 WOTS geen veroordeling is in de zin van artikel 63 Sr. Daarnaast zag het arrest op een ander soort zaak als onderhavige, namelijk op de situatie waarin de Nederlandse rechter werd verzocht rekening te houden met een buitenlandse veroordeling. Dat is een andere situatie dan in de zaak van rekwirant aan de orde is, nu in zijn zaak gevraagd wordt rekening te houden met een Nederlands vonnis.
16.
Ook uit andere uitspraken van Uw Raad is de rechtsopvatting van A-G Vegter niet te herleiden. Evenmin zijn voor die rechtsopvatting aanknopingspunten in de wetsgeschiedenis van artikel 63 Sr en/of artikel 31 WOTS te vinden.
17.
Daarmee is slechts vast te stellen dat Uw Raad meermaals heeft geoordeeld dat artikel 63 Sr geen toepassing vindt voor zover de Nederlandse strafrechter bij diens strafoplegging rekening zou moeten houden met een buitenlandse veroordeling.25. Evenmin hoeft blijkens de hierboven beschreven uitspraak de Nederlandse strafrechter rekening te houden met een omgezette buitenlandse veroordeling die ex artikel 31 WOTS in Nederland ten uitvoer wordt gelegd.26.
18.
De situaties zoals hierboven genoemd onder punt 17 zijn niet van toepassing in onderhavige zaak en staan dan ook niet in de weg aan de toepassing van artikel 63 Sr. In onderhavige zaak is immers geen sprake van een buitenlands vonnis waarmee rekening zou moeten worden gehouden bij een tweede veroordeling, maar van een Nederlandse veroordeling. Dit is de opgelegde gevangenisstraf door het gerechtshof Amsterdam.
19.
Er is daarmee sprake van een unieke situatie die zich — voor zover rekwirant bekend — niet eerder voordeed in de Nederlandse rechtspraak. Nu voorafgaand aan de omzettingsbeslissing eerder een Nederlandse straf is opgelegd die als eerste strafoplegging moet meewegen in de zin van artikel 63 Sr.
20.
Nu wordt gekomen tot de conclusie dat in onderhavige zaak artikel 63 Sr wel van toepassing is nu niet sprake is van een eerder opgelegd buitenlands vonnis, maar van een Nederlandse veroordeling, had de rechter moeten beoordelen of aan de overige vereisten van artikel 63 Sr voldaan was. Rekwirant stelt zich op het standpunt dat aan die overige vereisten is voldaan.
21.
Hierboven werd al gemotiveerd betoogd dat sprake is van één (eerste) Nederlandse veroordeling en een tweede schuldigverklaring zoals in artikel 63 Sr benoemd: Indien iemand, nadat hem een straf is opgelegd, schuldig wordt verklaard aan een misdrijf of een overtreding voor die strafoplegging gepleegd.
22.
Ook in onderhavige zaak moet beoordeeld worden of aan het temporele vereiste van artikel 63 Sr is voldaan. Dit vereiste omvat dat voor toepassing van artikel 63 Sr noodzakelijk is dat er ná een strafoplegging een schuldigverklaring plaatsvindt van feiten die hebben plaatsgevonden voorafgaand aan de eerste strafoplegging.
23.
Aan dit temporele vereiste van artikel 63 Sr is in onderhavige zaak voldaan. Rekwirant werd voordat hij in Canada schuldig werd verklaard, nadat hij al in Nederland was bestraft voor een overtreding voor die Nederlandse strafoplegging gepleegd.
24.
De eerste strafoplegging betreft het vonnis van het Gerechtshof Amsterdam waarin rekwirant op 14 december 2018 is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 10 jaar en 8 maanden. De tweede schuldigverklaring betreft het Canadese vonnis van de Supreme Court of British Columbia van 14 oktober 2022, waarmee een gevangenisstraf van 13 jaar is opgelegd. De feiten waarvoor rekwirant in Canada is veroordeeld zijn gepleegd tussen 2009 en 2012, terwijl het arrest van het Gerechtshof Amsterdam is gewezen in 2018. De feiten van de tweede strafoplegging liggen daarmee voor de eerste veroordeling.
25.
Uit de wettekst van artikel 63 Sr blijkt verder enkel een temporeel vereiste. Uit de wet, de wetsgeschiedenis of de jurisprudentie volgt geen ander vereiste zoals het vereiste dat alle feiten daadwerkelijk tezamen konden worden vervolgd. Dit blijkt onder andere uit jurisprudentie van Uw Raad van 14 oktober 2011.27. Uit het arrest van Uw Raad van 16 september 2013 blijkt bovendien dat artikel 63 Sr van toepassing is en niet buiten werking kan worden gesteld als aan het temporele vereiste zoals neergelegd in artikel 63 Sr is voldaan.28.
26.
Concluderend is artikel 63 Sr van toepassing, nu de omzettingsbeslissing in de plaats komt van de tweede strafoplegging en verder aan het temporele vereiste van artikel 63 Sr is voldaan.
27.
Het niet toepassen van art. 63 Sr zou tenslotte een schending vormen van de rechtsbescherming die artikel 63 Sr in samenhang met artikel 57 lid 2 Sr. aan een verdachte beoogd te geven.
28.
Artikel 57 lid 2 Sr luidt als volgt:
‘Het maximum van deze straf is het totaal van de hoogste straffen op de feiten gesteld, doch — voor zover het gevangenisstraf of hechtenis betreft — niet meer dan een derden boven het hoogste maximum’.
29.
Artikel 63 Sr is van toepassing op de situatie dat iemand na een strafoplegging schuldig wordt verklaard aan een strafbaar feit dat voorafgaand aan de eerste strafoplegging is opgelegd. In die situatie geval zijn de bepalingen van ‘deze’ titel, te weten ‘Titel VI. Samenloop van strafbare feiten’ die gelden bij een gelijktijdige strafoplegging van toepassing. In de artikelen 57 en 58 Sr zijn regels vastgelegd voor het geval iemand gelijktijdig voor meerdere strafbare feiten wordt veroordeeld en daarvoor een straf opgelegd krijgt. In artikel 63 Sr wordt dus verwezen naar de artikelen 57 en 58 Sr. Dit betekent dat in een situatie waarin artikel 63 Sr van toepassing is, de rechter zich de hypothetische situatie dient in te beelden dat er wél sprake is van een gelijktijdige strafoplegging voor meerdere strafbare feiten en bij de tweede strafoplegging artikel 57 Sr dan wel 58 Sr dient toe te passen. Hierbij wordt verwezen naar A-G Machielse, die het doel van artikel 63 Sr mooi heeft samengevat in de volgende woorden:
‘het mag niet afhangen van ‘feitelijke of processuele gronden die het gelijktijdige of ongelijktijdige van de berechting bepalen’ of de samenloopregels worden toegepast.’ 29.
Het doel van artikel 63 Sr is dus het garanderen van het strafplafond zoals neergelegd in artikel 57 lid 2 Sr indien voor de feiten geen gelijktijdige strafoplegging plaatsvindt.
30.
Door het opleggen van een gevangenisstraf van zes jaar heeft de rechtbank het strafmaximum zoals opgenomen in artikel 57 lid 2 Sr in de zaak van rekwirant overschreden. Immers, de hoogste maximumstraf van een strafbaar feit dat het Gerechtshof Amsterdam op 14 december 2018 heeft vastgesteld is acht jaar (productie 1). Dit betreft een feitelijke aanranding van de eerbaarheid bij een minderjarige. In artikel 246 (oud) Sr staat als maximumstraf een gevangenisstraf van ten hoogste acht jaar opgenomen.
31.
Via artikel 57 lid 2 Sr kan de uiteindelijke straf het maximum plus een derde van de maximaal mogelijke straf bedragen. Dit komt in de zaak van rekwirant neer op tien jaar en acht maanden. Zoals blijkt uit het arrest van het Gerechtshof Amsterdam, is er reeds tien jaar en acht maanden (243 dagen) gevangenisstraf opgelegd. Nu de tweede rechter geen hogere straf mag opleggen dan dit strafmaximum, was het onjuist een gevangenisstraf van zes jaren op te leggen. In totaal is er door de gevangenisstraffen zoals opgelegd door het Hof Amsterdam d.d. 14 december 2018 en door de rechtbank d.d. 21 december 2023 aan rekwirant een gevangenisstraf van zestien jaar en acht maanden opgelegd door Nederlandse rechters. Dit overschrijdt het strafmaximum zoals vastgelegd in artikel 57 lid 2 Sr.
32.
Concluderend is het oordeel van de rechtbank dat artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht (Sr) niet van toepassing is, omdat zij niet komt tot een ‘schuldigverklaring aan een misdrijf of overtreding’ en dat met dit artikel geen rekening moet worden gehouden bij de strafoplegging door de rechtbank, van een onjuiste rechtsopvatting, althans is dit oordeel niet zonder meer (voldoende) begrijpelijk gemotiveerd.
33.
Gelet op het voorgaande kan het vonnis van de rechtbank in zoverre dan ook niet in stand blijven.
II. Schending van artikel 31 Wet overdracht tenuitvoerlegging strafvonnissen, althans en in elk geval schending en/of onjuiste toepassing van het recht en/of verzuim van vormen
Meer in het bijzonder heeft de rechtbank ten onrechte nagelaten voldoende begrijpelijk aan te geven waarom een gevangenisstraf van zes jaar, de meest passende straf is gevonden, althans is de motivering — mede gelet daartoe mede namens rekwirant naar voren was gebracht — van deze strafoplegging onvoldoende begrijpelijk, nu
- —
allereerst niet of onvoldoende is toegelicht waarom (geen) rekening is gehouden met de omstandigheden betreffende rekwirant die namens hem op de zittingen van 29 juni 2023 en 7 december 2023 naar voren zijn gebracht, te weten dat de Canadese rechtbank bij het opleggen van de gevangenisstraf de dood van [slachtoffer] heeft meegewogen in de strafoplegging, het feit dat de procedures (zeer) lang hebben geduurd, dat rekwirant zware detentieomstandigheden heeft ondergaan in Canada, dat de privacy van rekwirant is geschonden doordat de Canadese autoriteiten persoonlijke informatie van rekwirant aan de media hebben verschaft, dat de houding in de Nederlandse zaken omtrent de voorlopige invrijheidsstelling van rekwirant noodzakelijk was gelet op het nog lopende strafproces in Canada en dat bij vrijlating een sterk netwerk van familie en vrienden klaar staat om rekwirant op te vangen met onderdak, transport en mentale ondersteuning, en/of
- —
ten tweede de rechtbank in haar oordeel heeft opgenomen dat zij rekening heeft gehouden met het gegeven dat de Canadese rechtbank de Nederlandse veroordeling bij de Canadese beoordeling heeft betrokken, maar dat niet blijkt op welke manier de Nederlandse veroordeling door de Canadese rechtbank is meegewogen en ook niet blijkt hoe de rechtbank daarmee vervolgens zelf rekening heeft gehouden bij de strafoplegging, en in het geval de rechtbank in haar oordeel van de veronderstelling is uitgegaan dat de Canadese rechtbank de eerder opgelegde Nederlandse veroordeling in strafmatigende zin heeft meegewogen, dit niet blijkt uit het stuk dat ziet op de onderbouwing van de Canadese strafoplegging.
Aldus heeft de rechtbank niet voldaan aan het vereiste als opgenomen in artikel 31 lid 1 Wet overdracht tenuitvoerlegging strafvonnissen om zoveel mogelijk de omstandigheden op te nemen die de straf hebben bepaald en is er sprake van een ten onrechte niet (voldoende) begrijpelijke strafmotivering. Hierom kan het vonnis van de rechtbank niet in stand blijven.
Toelichting
34.
Artikel 31 lid 1 van de Wet overdracht tenuitvoerlegging strafvonnissen (WOTS) bepaalt:
‘De rechtbank, de tenuitvoerlegging toelaatbaar achtende, verleent verlof tot tenuitvoerlegging van de buitenlandse rechterlijke beslissing en legt, met inachtneming van het daaromtrent in het toepasselijke verdrag voorgeschrevene, de straf of maatregel op, welke op het overeenkomstige feit naar Nederlands recht is gesteld. De uitspraak van de rechtbank wordt met redenen omkleed. De uitspraak geeft voorts de bijzondere redenen op, die de straf hebben bepaald of tot de maatregel hebben geleid en voorts zoveel mogelijk de omstandigheden, waarop bij de vaststelling van de duur of de hoogte van de straf is gelet. De artikelen 353 en 357 van het Wetboek van Strafvordering zijn van overeenkomstige toepassing. ’
35.
Uit de jurisprudentie van Uw Raad blijkt omtrent de strafmotivering in de zin van artikel 31 lid 1 WOTS dat de exequaturrechter zijn uitspraak met redenen moet omkleden en de bijzondere redenen op moet geven die de opgelegde straf hebben bepaald en voorts zoveel mogelijk de omstandigheden waarop bij de vaststelling van de duur of de hoogte is gelet.30. In deze jurisprudentie wordt bovendien ook weergegeven dat uit de wetsgeschiedenis blijkt dat artikel 31 lid 1 WOTS zo moet worden verstaan dat de exequaturrechter de in het buitenland opgelegde sanctie in beginsel dient te vervangen door een straf die naar Nederlandse maatstaven en opvattingen geacht wordt te beantwoorden aan de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het is gepleegd en de persoon van de dader. Uit deze jurisprudentie blijkt dus dat de rechtbank bij toepassing van artikel 31 lid 1 WOTS zoveel mogelijk de redenen voor de hoogte of duur van de straf moet toelichten.
36.
Dat niet enkel in algemene zin de redenen voor strafoplegging kunnen worden genoemd, wordt ondersteund door het arrest van Uw Raad van 28 juni 2016, waar de strafoplegging niet toereikend gemotiveerd werd geacht. De raadsvrouw had persoonlijke omstandigheden aangevoerd en de rechtbank had enkel volstaan met een algemene verwijzing naar de persoonlijke omstandigheden van de veroordeelde en met de opmerking dat de buitenlandse rechter hiermee ook al rekening had gehouden.31.
37.
In onderhavige zaak moet worden geconcludeerd dat de strafmotivering in onderhavige zaak niet voldoet aan de daaraan (op grond van artikel 31 lid 1 WOTS) te stellen eisen. Daarbij is ten eerste van belang hetgeen de raadslieden van rekwirant bij de rechtbank ten aanzien van de strafmaat hebben aangevoerd. De raadslieden hebben — kort gezegd — vele omstandigheden aangevoerd waarbij bij de strafoplegging in matigende zin rekening moest worden gehouden. De rechtbank heeft ten aanzien van de meeste omstandigheden niet beoordeeld of deze mee hadden moeten wegen in de strafmaat.
38.
Blijkens de pleitnota die op 29 juni 2023 is overhandigd, is namens rekwirant in dit kader — voor zover voor dit middel van belang — het volgende naar voren gebracht:
‘Subsidiair: aanpassing naar Nederlandse maatstaven
(…)
55.
Een mogelijke reden voor de zeer hoge straf, is het feit dat [slachtoffer] op enig moment zichzelf van het leven heeft beroofd. Dat dit zijn doorwerking in de straf heeft gehad, is zeker niet uit te sluiten. Zo staan op pagina 4 van de strafmotivering de woorden vermeld:
‘So, while [slachtoffer] cannot be here in court with us today, I have heard her voice: I have considered [slachtoffer]'s words, as expressed through her video and through messages she sent while she was alive.’
Dit is slechts één van de passages in de strafmotivering waaruit blijkt dat de dood van [slachtoffer] door heeft geklonken in de straf. Zo staat op pagina 32 van de strafmotivering de volgende uitlating van de rechter:
‘Nevertheless, I am satisfied that the calculated and repeated distress and disruption introduced by Mr. [veroordeelde] to [slachtoffer]'s life caused profound emotional and psychological harm that unquestionably contributed to her mental health challenges, sustance use, and eventual suicide’.
56.
De keuze van de Canadese rechter om deze woorden op te nemen in de strafmotivering is opmerkelijk. Uit de Final Instructions to the Jury (bijlage 7) staat namelijk de volgende zin:
‘[slachtoffer]'s death, and the circumstances of her death, are not part of this trial.’
Oftewel, haar dood vormde geen onderdeel van het proces. De reden hiervoor blijkt uit pagina 32 van de strafmotivering, namelijk dat er geen bewijs was dat de pleger van de feiten de dominante oorzaak van [slachtoffer]'s dood was.
(…)
63.
(…) Verder wordt verzocht om, naast de Nederlandse maatstaf, rekening te houden met een aantal andere factoren.
(…)
65.
(…) Dit geldt des te meer nu het feit dat de zaak omtrent [slachtoffer] niet in Nederland werd vervolgd er uiteindelijk toe heeft geleid dat de procedures tegen cliënt ontzettend lang hebben geduurd. Cliënt is begin 2014 aangehouden en het Canadese vonnis is in december 2022 gewezen. En nu vindt de omzettingsprocedure plaats. Dit betekent dat cliënt bijna 10 jaar lang door de autoriteiten is vervolgd voor feiten die allemaal in dezelfde pleegperiode hebben plaatsgevonden, te weten tussen 2009 en 2012 en daarna gezamenlijk hadden kunnen worden afgedaan.
66.
Ook dienen de omstandigheden waarin cliënt gedetineerd is geweest in Canada in aanmerking te worden genomen. Deze omstandigheden waren namelijk zwaar. Cliënt heeft verbleven in een maximum security facility, waarbij normaal gesproken een toekenning van 1,5 dag per dag uitgezeten gevangenisstraf — dus per maand dat wordt gezeten geldt dit als 1,5 maand — plaatsvindt vanwege het feit dat het regime in dit soort instellingen zwaar is. Echter, cliënt kreeg deze toekenning, niet omdat hij tijdelijk ter beschikking was gesteld. Kort gezegd, wel een extreem zwaar regime, maar geen compensatie hiervoor.
67.
In dit regime stonden de lichten altijd aan in de cellen, wat neerkomt op psychologische marteling. Cliënt zijn celdeur had kleine ramen waardoor gevangenisbewaarders altijd zijn cel in konden kijken. Na 10 uur 's-nachts schenen gevangenisbewaarders elke 30 a 45 minuten met zaklampen in cliënt zijn cel.
68.
Familiecontact was zeer beperkt. Zij konden wel post sturen, maar die werd met een vertraging van 4 tot 6 weken ontvangen. Client kon niet bellen en ook niet schrijven. Hij ontving geen nieuws uit Nederland, kon de taal niet spreken en was kortom afgesloten van Nederland.
69.
Naast bovengenoemde omstandigheden, zat cliënt op een gegeven moment in een cel 20 tot 21 uur per dag vanwege het veiligheidsregime waarin hij werd geplaatst. Dit was sinds december 2020 en dat zeer zware regime heeft dus bijna 2 jaar geduurd. Gezien de hardheid van dit regime, vindt er normaal gesproken een toekenning van 2 dagen per dag uitgezeten gevangenisstraf plaats. Dit werd cliënt echter niet toegekend, weer vanwege het feit dat hij tijdelijk ter beschikking was gesteld. Hoewel begrijpelijk is dat de toekenning van 2 dagen per uitgezeten dag niet mogelijk was vanwege het feit dat cliënt op basis van de Nederlandse zaak gedetineerd zat, had het niet misstaan als dit was gecompenseerd bij de oplegging van de Canadese straf. Dat dit is gebeurd, blijkt echter niet uit de strafmotivering. Ook dit zal moeten meewegen bij de omzetting van de Canadese straf.
70.
Ook is van belang dat zeer persoonlijke informatie van cliënt door de Canadese autoriteiten is verstrekt aan de media. Het ging hier om door Nederland verstrekte gegevens. Het gaat dan om fotos van doorzoekingen, van client, zijn bankgegevens en paspoort. Deze stukken zijn ongeanonimiseerd gepubliceerd, zowel op het internet als in internationale en Nederlandse media. Dit heeft tot een enorme schending van cliënt zijn privacy is geleid. Dit soort schendingen van privacy zouden in Nederland uit den boze zijn en resulteren in het geval van cliënt erin dat hij voor altijd herkenbaar zal blijven, wat voor hem als een levenslange straf voelt. Hij zal nergens meer een normaal leven kunnen opbouwen.
71.
Des te kwalijker is geweest dat deze privacy-schending is ontstaan nadat er door de Canadese autoriteiten aan het Nederlandse Openbaar Ministerie expliciet is gevraagd of de informatie verstrekt door de Nederlandse autoriteiten in de rechtszaal getoond konden worden en daarna ook aan de media gegeven kon worden. Dat is in Canada gebruikelijk nu media daar een zeer ruim recht op inzage in bewijsmiddelen hebben… Hoe dit precies is gegaan, is voor de verdediging moeilijk te achterhalen nu de communicatie tussen de Nederlandse en de Canadese autoriteiten niet in mijn bezit is. Wel is duidelijk, gezien het feit dat er via het internet veel informatie, inclusief foto's van cliënt, te vinden is, dat er inderdaad informatie aan de media is verstrekt… Dat blijkt overigens ook uit een e-mail die ik van mr Kramer mocht ontvangen waarin de overdracht wordt bevestigd.
72.
Tot slot dient genoemd te worden dat cliënt zijn V.I. in de Nederlandse zaak met 750 dagen is uitgesteld (bijlage 8) vanwege het feit dat het recidiverisico niet ingeschat kon worden omdat cliënt weigerde mee te werken met de Nederlandse autoriteiten. Echter, de reden achter deze weigering is geweest dat de Nederlandse autoriteiten intensief informatie uitwisselden met de Canadese autoriteiten. Dit gebeurde ook met reclasseringsrapporten, wat tevens blijkt uit het feit dat cliënt zijn houding binnen de Nederlandse procedure wordt genoemd in de Canadese strafmotivering. Cliënt wilde niet meewerken omdat hij wist dat alles wat hij zou zeggen in het kader van de onderzoeken in Nederland, tegen hem gebruikt kon worden in Canada. Zijn volledig begrijpelijke zwijgen heeft er echter wel in geresulteerd dat zijn V.I. met meer dan 2 jaren is uitgesteld. Ook dit zou meegewogen moeten worden bij de omzetting. Dit is namelijk een extra consequentie voor client van het niet direct in Nederland afdoen van de zaak [slachtoffer] die daardoor heeft geleid tot verzwaring van de tenuitvoerlegging van de Nederlandse straf.’
39.
Blijkens de pleitnota die op 7 december 2023 is overhandigd, is namens rekwirant in dit kader — voor zover voor dit middel van belang — het volgende naar voren gebracht:
‘Subsidiair strafmaat
28.
In het kader van de strafmaat is verder cliënt zijn netwerk van belang. Hierbij wordt verwezen naar de Letters of Support (bijlage 3) verstrekt door cliënt zijn moeder, zus en beste vriend. Deze brieven tonen dat bij vrijlating meteen een sterk netwerk van familie en vrienden klaarstaat om cliënt op te vangen met onderdak, geld, transport en mentale ondersteuning, wat de kans op recidive verlaagt.
29.
Tot slot wordt verwezen naar het feit dat cliënt naar aanleiding van de strafzaak publiekelijk aan de schandpaal is genageld doordat Nederlandse bewijsmiddelen in Canada met de wereldpers zijn gedeeld, inclusief met de Nederlandse pers. Hierover wordt gerelateerd door de Canadese advocaat van cliënt in een e-mail van 4 oktober 2023 (bijlage 4). De media kreeg toegang tot de bewijsstukken zoals die zijn getoond ter zitting en welke ook naderhand ongecensureerd door de media zijn gepubliceerd. Het gaat hierbij onder andere om kopieën van cliënt zijn persoonlijke documenten zoals bankafschriften en brieven, foto's van cliënt, zijn identiteitsbewijs en van zijn woning. In de mail is een link opgenomen van een nieuwsitem over cliënt. Op het filmpje is het aan de pers verstrekte bewijsmateriaal voor iedereen te zien. Deze grove schending van cliënt zijn recht op een persoonlijke levenssfeer zoals neergelegd in artikel 8 EVRM dient in aanmerking te worden genomen in het kader van de strafmaat. ’
40.
De rechtbank heeft specifiek ten aanzien van de strafoplegging — voor zover van belang voor dit middel — het volgende overwogen:
‘Strafmodaliteit en duur
De rechtbank is van oordeel dat bij de keuze tot het opleggen van de straf en bij de bepaling van de duur daarvan, uit het oogpunt van een juiste normhandhaving, niet kan worden volstaan met een andersoortige of lagere straf dan een vrijheidsbenemende straf van na te melden duur. Gezien de bewezenverklaring gaat het om het tussen november 2009 en februari 2012 op verschillende sociale mediaplatforms door veroordeelde afpersen van [slachtoffer], die pas twaalf jaar oud was, en haar verleiden tot het uitvoeren van pornografische camshows voor hem. Hij perste [slachtoffer] af door aanhoudende en intimiderende dreigementen dat hij afbeeldingen en video's van haar zou verspreiden, wat hij deed toen zij weigerde aan zijn eisen te voldoen. Veroordeelde verspreidde kinderpornografisch materiaal waarin [slachtoffer] werd afgebeeld onder haar vrienden, familie en gemeenschap. Daarbij heeft de rechtbank rekening gehouden met de overige omstandigheden waaronder deze feiten zijn begaan, zoals vastgesteld in het Canadese vonnis.
De rechtbank stelt verder vast geen inzicht te hebben in de persoonlijke omstandigheden van veroordeelde. Hij is, ook nadat de Canadese rechter uitspraak deed, in de onderhavige procedure niet op de zitting verschenen om zijn actuele persoonlijke omstandigheden toe te lichten. De raadsman heeft wel verklaringen van de moeder, zus en beste vriend van veroordeelde overgelegd. Deze verklaringen zijn echter in de Canadese strafzaak overgelegd en dus niet actueel. Gelet hierop en omdat de informatie niet uit objectieve bronnen afkomstig is, hecht de rechtbank aan die verklaringen niet de strafmatigende betekenis die de raadsman eraan hecht.
De rechtbank heeft rekening gehouden met de straffen die in vergelijkbare zaken in Nederland worden opgelegd en die doorgaans lager zijn dan de in Canada aan veroordeelde opgelegde straf.
De rechtbank stelt voorts vast dat artikel 63 Sr niet van toepassing is in deze procedure nu zij niet komt tot een ‘schuldigverklaring aan een misdrijf of overtreding’ in de zin van die bepaling, maar tot een omzetting van de Canadese straf naar een Nederlandse straf.32. Het verzoek van de raadsman om met toepassing van dit artikel rekening te houden met het arrest van het gerechtshof Amsterdam van 14 december 2018 wordt dus niet ingewilligd. De Canadese rechter heeft overigens de Nederlandse veroordeling wel bij zijn beoordeling betrokken. Met dit gegeven zal de rechtbank, bij het bepalen van een passend en geboden straf, dan ook rekening houden.
Alles afwegende vindt de rechtbank een gevangenisstraf van zes jaar passend. De straf is aanzienlijk lager dan de in Canada opgelegde straf, omdat de rechtbank ook rekening heeft gehouden met de straffen die in Nederland in vergelijkbare zaken worden opgelegd. De rechtbank ziet geen aanleiding voor strafkorting vanwege de detentie(omstandigheden) in Canada. Daarom wijkt de rechtbank af van de vordering van de officier van justitie.
De informatie die is verstrekt over de vervroegde invrijheidstelling van de opgeëiste persoon in het geval hij de straf in Canada zou hebben ondergaan, geeft geen aanleiding de gevangenisstraf verder te matigen. ’
41.
Zoals blijkt uit delen van de pleitnotities die onder punt 42 en 43 zijn geciteerd zijn er verschillende persoonlijke omstandigheden die namens rekwirant — voor zover van belang voor dit middel — naar voren zijn gebracht, te weten:
- i.
dat niet valt uit te sluiten dat de dood van [slachtoffer] doorwerking heeft gehad in de hoogte van de Canadese straf;
- ii.
dat de procedures tegen rekwirant ontzettend lang hebben geduurd, vanwege het feit dat de zaak omtrent [slachtoffer] van de Nederlandse zaken zijn afgesplitst en in Canada is vervolgd. Rekwirant is begin 2014 aangehouden, het Canadese vonnis is in december 2022 gewezen en de omzettingsprocedure is pas eind 2023 voorgekomen bij de rechtbank;
- iii.
dat de detentieomstandigheden van rekwirant in Canada zwaar zijn geweest, omdat cliënt in een extreem zwaar regime is geplaatst;
- iv.
dat persoonlijke informatie van rekwirant door de Canadese autoriteiten is verstrekt aan de media, wat heeft geleid tot een schending van de privacy van rekwirant;
- v.
dat de voorlopige invrijheidsstelling van rekwirant in de Nederlandse zaak met 750 dagen is uitgesteld, omdat rekwirant weigerde mee te werken met de Nederlandse autoriteiten. De reden voor deze weigering en houding van rekwirant was dat het Canadese proces nog liep en alles wat hij tegen de Nederlandse autoriteiten zou zeggen in het Canadese proces gebruikt kon worden;
- vi.
dat bij vrijlating een sterk netwerk van familie en vrienden klaar staat om rekwirant op te vangen met onderdak, transport en mentale ondersteuning.
42.
Zoals blijkt uit het oordeel zoals opgenomen onder 34 heeft de rechtbank slechts op enkele omstandigheden gereageerd die door de raadslieden naar voren zijn gebracht. Ten aanzien van de onder punt vi. aangebrachte omstandigheid dat bij vrijlating een sterk netwerk van familie en vrienden klaar staat om rekwirant op te vangen, heeft de rechtbank in haar oordeel opgenomen dat de verklaringen van moeder, zus en beste vriend zoals door de raadsman overlegd niet actueel zijn en dat deze informatie niet uit objectieve bronnen afkomstig is. Verder heeft de rechtbank in haar oordeel ten aanzien van de onder punt iii. genoemde omstandigheid dat rekwirant in Canada aan slechte detentieomstandigheden is onderworpen, slechts summier genoemd dat de rechtbank in deze reden geen aanleiding ziet voor strafkorting. De rechtbank heeft niet onderbouwd waarom zij tot dit oordeel komt. Verder gaat de rechtbank in zijn geheel niet in op de omstandigheden zoals genoemd onder punten i, ii, iv en v.
43.
Ten tweede heeft de rechtbank in haar oordeel omtrent de strafoplegging zoals opgenomen onder punt 48 de zinsnede ‘De Canadese rechter heeft overigens de Nederlandse veroordeling wel bij zijn beoordeling betrokken. Met dit gegeven zal de rechtbank, bij het bepalen van een passend en geboden straf, dan ook rekening houden.’ opgenomen. Gelet op deze — summiere — overweging omtrent het oordeel van de Canadese rechtbank en het meewegen daarvan in de strafoplegging, is het oordeel van de rechtbank omtrent de strafoplegging in het licht van artikel 31 lid 1 WOTS eveneens onvoldoende begrijpelijk gemotiveerd.
44.
Uit het oordeel van de rechtbank blijkt immers allereerst niet op welke manier de Canadese rechter de Nederlandse veroordeling bij de Canadese strafoplegging heeft betrokken. Onduidelijk is of de Canadese rechtbank de Nederlandse veroordeling heeft meegewogen en daarnaast of dit strafverzwarend of strafmatigend zou hebben doorgewerkt. Ten tweede blijkt uit het oordeel van de rechtbank geenszins hoe de rechtbank met dit oordeel van de Canadese rechtbank vervolgens rekening heeft gehouden bij de strafoplegging en of dit in strafverzwarende of strafmatigende zin is geweest. Gelet daarop blijkt niet hoe de rechtbank tot de strafoplegging van een gevangenisstraf van zes jaar is gekomen en is de motivering omtrent de strafoplegging onvoldoende begrijpelijk (gemotiveerd).
45.
In dit kader wordt ten slotte namens rekwirant naar voren gebracht dat, in het geval de rechtbank in haar oordeel ervan uitgaat dat de Canadese rechtbank de Nederlandse veroordeling in strafmatigende zin heeft meegewogen, nadere beschouwing van het stuk dat ziet op de onderbouwing van de Canadese strafoplegging tot een ander oordeel leidt. De rechtbank zou daarmee uitgaan van een onjuiste vooronderstelling, wat maakt dat haar strafoplegging onvoldoende begrijpelijk (gemotiveerd) is.
46.
Uit het stuk dat ziet op de onderbouwing van de Canadese strafoplegging (productie 2) blijkt namelijk dat de Canadese rechter het Nederlandse vonnis niet op enige manier mitigerend heeft toegepast bij de strafoplegging voor de Canadese feiten. Niet alleen overweegt de Canadese rechter dat de Nederlandse zaak op zichzelf stond, tevens bepaalt de Canadese rechter blijkens dit stuk dat de Nederlandse en de Canadese straf na elkaar (‘consecutive’) zouden moeten worden uitgezeten.33. Voorts bepaalt de Canadese rechter dat zijn rol bij de strafoplegging wordt bepaald door de Canadese wetgeving omtrent strafoplegging.34. Bovendien blijkt uit de opsomming van de Canadese deelstraffen dat slechts een Canadese deelstraf (count 5) tegelijkertijd mag worden uitgezeten met de overige deelstraffen (straffen voor count 1, 2 en 4).35. Niet gebleken is derhalve dat de Canadese rechter strafkorting heeft toegepast vanwege de eerder opgelegde Nederlandse straf. Het slechts benoemen van de Nederlandse veroordeling om daar vervolgens bij de strafoplegging geen rekening mee te houden, maakt dat niet anders.
47.
Concluderend is de rechtbank in haar oordeel omtrent de strafoplegging slechts heel summier ingegaan op de omstandigheden zoals door de raadslieden naar voren gebracht en heeft de rechtbank daarnaast niet begrijpelijk gemotiveerd op welke manier de Canadese rechter de Nederlandse veroordeling heeft betrokken in de Canadese strafoplegging en ook niet hoe de rechtbank hier vervolgens zelf rekening mee heeft gehouden bij haar eigen strafoplegging. De rechtbank heeft daarmee met haar oordeel niet voldaan aan het vereiste van artikel 31 lid 1 WOTS dat de rechtbank bij toepassing van dit artikel zoveel mogelijk de redenen voor de hoogte of duur van de straf moet toelichten. Weliswaar is de rechtbank in haar oordeel ter motivering van de strafoplegging nog ingegaan op de ernst van de normschending, maar deze enkele motivering is onvoldoende om te kunnen spreken van een (voldoende) begrijpelijke strafmotivering. Gelet op het voorgaande kan het vonnis van de rechtbank in zoverre dan ook niet in stand blijven.
III. Schending van artikel 6 EVRM en artikel 14 IVBPR, althans en in elk geval schending en/of onjuiste toepassing van het recht en/of verzuim van vormen
In het bijzonder zijn de artikelen 6 EVRM en 14 IVBPR geschonden, daar sinds het instellen van het beroep in cassatie op 21 december 2023 en de ontvangst van de stukken door de Hoge Raad in cassatie zoveel tijd is verstreken, dat de berechting niet meer heeft plaatsgevonden binnen een redelijke termijn. Dat dient strafvermindering tot gevolg te hebben.
Toelichting
48.
Op 21 december 2023 is door de rekwirant beroep in cassatie ingesteld tegen het vonnis van 21 december 2023. Pas op 19 september 2024 zijn de stukken bij de Hoge Raad binnengekomen.
49.
Nu tussen het tijdstip waarop het beroep in cassatie is ingesteld en dat waarop de stukken van het geding ter griffie van de Hoge Raad zijn ontvangen meer dan acht maanden zijn verstreken, waarbij niet is gebleken van bijzondere omstandigheden die het tijdsverloop zouden kunnen rechtvaardigen, moet naar de mening van rekwirant worden geoordeeld dat de behandeling van de zaak niet heeft plaatsgevonden binnen een redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM (vgl. HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578, r.o. 3.3. NJ 2008, 358). Dat dient te leiden tot strafvermindering.
Het is op bovengenoemde gronden dat rekwirant uw College eerbiedig verzoekt om de uitspraak zoals gedaan door de rechtbank Amsterdam op 21 december 2023 te vernietigen en een zodanige uitspraak te doen als uw College juist en noodzakelijk voorkomt.
De bijzonderlijk gevolmachtigden,
mr. R. Malewicz
mr. S.J. Linck
mr. F.H. van der Pol
Almere, 11 november 2024
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 11‑11‑2024
Conclusie A-G Wortel bij Hoge Raad 14 maart 2006, ECLI:NL:PHR:2006:AI8923.
Hoge Raad 14 maart 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU8923.
Conclusie A-G Knigge bij Hoge Raad 13 januari 2009, ECLI:NL:PHR:2009:BG4990.
Conclusie P-G Aben bij Hoge Raad 12 februari 2023, ECLI:NL:PHR:2013:BZ1967.
Rechtbank Den Haag 20 december 2018, ECLI:NL:RBDHA:2018:15588.
Conclusie A-G Paridaens bij Hoge Raad 9 september 2019, ECLI:NL:PHR:2019:539.
Hoge Raad 10 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:858.
Gerechtshof Den Haag 3 november 2020, ECLI:NL:GHDHA:2020:2160.
MvT, Kamerstukken II 2014/15, 34126, 3, p. 18.
Hoge Raad 31 maart 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG9198.
Hoge Raad 6 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:306.
Hoge Raad 27 maart 1990, ECLI:NL:HR:1990:ZC8515.
Conclusie A-G Machielse bij Hoge Raad 29 november 2005, ECLI:NL:PHR:2005:AU2227.
Kamerstukken II, 2011–2012, 29 279, nr. 129.
Zie bijvoorbeeld G.A. van Hamel, Inleiding tot de studie van het Nederlandsche strafrecht, 1927, p. 432.
Conclusie A-G Machielse bij Hoge Raad 29 november 2005, ECLI:NL:PHR:2005:AU2227.
Mr. H.B. Vos, Leerboek van het Nederlandsch strafrecht, 1947, p. 351. In dezelfde zin W.P.J. Pompe, Handboek van het Nederlandse strafrecht, 1959, p. 299.
Zie bijvoorbeeld Hoge Raad 29 november 2005, NJ 2006/176.
Rechtbank Den Haag 14 oktober 2005, ECLI:NL:RBSGR:2005:AU4399.
Hoge Raad 19 april 2005, NJ 2006/10, o.a. herhaald en verduidelijkt in Hoge Raad 29 november 2005, NJ 2006/176.
Hoge Raad 19 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BX9407.
Rechtbank Amsterdam 14 oktober 2011, ECLI:NL:RBAMS:2011:BT7651.
Hoge Raad 17 september 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ9992.
HR 27 maart 1990, NJ 1990/799; conclusie A-G Vegter, ECLI:NL:PHR:2015:270, punten 22–27 (HR: artikel 81 RO, ECLI:NL:HR:2015:770).
Hoge Raad 31 maart 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG9198; Hoge Raad 6 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:306.
Hoge Raad 27 maart 1990, NJ 1990/799, ECLI:NL:HR:1990:ZC8515 m.nt. A.C. 't Hart.
Hoge Raad 19 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BX9407.
Hoge Raad 17 september 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ9992.
Conclusie A-G Machielse bij Hoge Raad 29 november 2005, ECLI:NL:PHR:2005:AU2227.
Hoge Raad 28 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1326; Hoge Raad 28 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:177; Hoge Raad 18 mei 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO6410, NJ 2004/511.
Hoge Raad 28 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1326, r.o. 2.4.
HR 27 maart 1990, NJ 1990/799; conclusie A-G Vegter, ECLI:NL:PHR:2015:270, punten 22–27 (HR: artikel 81 RO, ECLI:NL:HR:2015: 770.), zie ook: Rechtbank Amsterdam 15 november 2023, ECLI:NL:RBAMS:2023:7270.
R. v. [veroordeelde], 2022 BCSCC 1810, p. 38/43, punt 168 en 183.
R. v. [veroordeelde], 2022 BCSCC 1810, p. 38/43, punt 175.
R. v. [veroordeelde], 2022 BCSCC 1810, p. 38/43, punt 181 en 182.