Toepassing en rechtskarakter van de groepsvrijstelling van artikel 2:403 BW
Einde inhoudsopgave
Toepassing en rechtskarakter van de groepsvrijstelling van artikel 2:403 BW (VDHI nr. 171) 2022/9.3.10.4:9.3.10.4 De 403-vordering en het wilsrecht als nevenrecht
Toepassing en rechtskarakter van de groepsvrijstelling van artikel 2:403 BW (VDHI nr. 171) 2022/9.3.10.4
9.3.10.4 De 403-vordering en het wilsrecht als nevenrecht
Documentgegevens:
mr. dr. J. van der Kraan, datum 01-01-2022
- Datum
01-01-2022
- Auteur
mr. dr. J. van der Kraan
- JCDI
JCDI:ADS648974:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Jaarrekeningenrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Biemans 2011, 5.8.2.1 en Faber in zijn noot (sub 3.2) onder Hof ’s-Gravenhage 6 februari 2007, JOR 2007/103.
Zie Rb. ’s-Gravenhage 5 juli 2006, JOR 2007/53, m.nt. Verdaas en vervolg daarop Verdaas in zijn noot onder dit vonnis en Verdaas 2008, nr. 419.
Wibier 2008, par. 3.1.
Wibier 2008, par. 3.1.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Wordt geconcludeerd dat de 403-vordering geen afhankelijk recht is, dan kan nog de vraag worden gesteld of de 403-vordering een nevenrecht is. Afhankelijkheid van een recht kan zijn gelegen in het feit dat een recht kwalificeert als een nevenrecht. In de literatuur is betoogd dat wanneer een recht geen afhankelijk recht is, het betreffende recht ook geen nevenrecht kan zijn en dat de 403-vordering geen vorderingsrecht is dat kwalificeert als een nevenrecht:1
“Als de 403-vordering geen afhankelijk recht is, is de vordering evenmin een nevenrecht (art. 6:142 BW).”
De vraag of een 403-vordering een nevenrecht is, is voor discussie vatbaar.2 Zo heeft de Rechtbank ’s-Gravenhage bepaald:
“3.6. Niettemin is de aanspraak ex artikel 2:403 B.W. nauw verbonden met de schuldvordering van de betrokken leverancier jegens de dochtermaatschappij: zonder die laatste schuldvordering kan zij niet bestaan. De vordering ex artikel 2:403 B.W. ziet de rechtbank dan ook als een nevenrecht (in de zin van artikel 6:142 B.W.). Dit brengt mee dat, als de schuldvordering van de leverancier op de dochter rechtsgeldig aan een ander wordt overgedragen, daarmee ook de ermee samenhangende aanspraak jegens de moeder op die ander overgaat. In dit verband zij verwezen naar de noten onder HR 28 juni 2002 (ING/AKZO, in JOR 2002, 136, m.n. Steef.M. Bartman /NJ 2002, 447 m.n. Ma.). Weliswaar worden ook afhankelijke rechten als pand en hypotheek in artikel 6:142, lid 1, B.W. als voorbeelden van een nevenrecht genoemd, maar omgekeerd zijn er ook nevenrechten die níet als een afhankelijk recht kunnen worden aangemerkt. Hiervoor wordt verwezen naar Asser-Hartkamp I, 563–564 en Losbladig Verbintenissenrecht artikel 6:142, Aantekening 6 e.v. (Van Mierlo-Beijer). De aanspraak ex artikel 2:403 B.W. merkt de rechtbank aan als een nevenrecht in laatstbedoelde zin.”
Onduidelijk is of de Rechtbank ‘s-Gravenhage hiermee heeft willen zegen dat het wilsrecht (de 403-aanspraak) als een nevenrecht valt aan te merken of dat de 403-vordering als een nevenrecht kan worden aangemerkt. De vraag of een 403-vordering een nevenrecht is, is mogelijk nog geen uitgemaakte zaak. De kwalificatie als nevenrecht zou een oplossing bieden voor het ‘achterblijven’ van een 403-vordering bij een cedent die de hoofdvordering heeft gecedeerd. De 403-vordering moet daarvoor wel voor overdracht vatbaar zijn. Wibier heeft aangegeven dat hij het wilsrecht, dat uit een 403-verklaring voortvloeit, als een nevenrecht beschouwt:3
“Het recht om een vordering tot betaling van de schuld van Werkmaatschappij B.V. in het leven te roepen, kwalificeert naar mijn mening als een nevenrecht in de zin van art. 6:142 BW.”
Voorts stelt Wibier dat dit nevenrecht niet voor afzonderlijke overdracht vatbaar is:4
“Op basis van het hierboven betoogde, ontstaat er pas een vordering op Holding N.V. onder de 403-verklaring op het moment dat een daartoe gerechtigde schuldeiser van Werkmaatschappij B.V. Holding N.V. tot betaling aanspreekt onder de aansprakelijkheidsverklaring. Voor die tijd bestaat er slechts het recht Holding N.V. aan te spreken en aldus een vorderingsrecht jegens Holding N.V. in het leven te roepen. Een dergelijke bevoegdheid kwalificeert naar mijn mening als een wilsrecht dat niet voor afzonderlijke overdracht vatbaar is. Voor de uitoefening van de bevoegdheid een vordering uit hoofde van de 403-verklaring in het leven te roepen, moet men (krachtens de tekst van die verklaring) schuldeiser (uit hoofde van rechtshandeling) zijn van Werkmaatschappij B.V. Anderen dan dergelijke schuldeisers kunnen geen beroep doen op de verklaring, omdat de verklaring zich niet tot hen richt. Dat maakt dat het wilsrecht naar zijn aard niet afzonderlijk overdraagbaar is maar slechts toekomt aan diegenen die schuldeiser (uit hoofde van een rechtshandeling) zijn van Werkmaatschappij B.V.”
Niet duidelijk is of Wibier meent dat het wilsrecht wel vatbaar is voor overdracht wanneer het wilsrecht gezamenlijk met de hoofdvordering wordt overgedragen. De discussie is van ondergeschikt belang wanneer het wilsrecht van de cedent die de hoofdvordering cedeert tenietgaat en de cessionaris een eigen wilsrecht verkrijgt en de consoliderende rechtspersoon zelfstandig aan kan spreken.