Mandeligheid
Einde inhoudsopgave
Mandeligheid (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2007/25.2.2:25.2.2 § 921 BGB
Mandeligheid (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2007/25.2.2
25.2.2 § 921 BGB
Documentgegevens:
mr. J.G. Gräler, datum 01-10-2006
- Datum
01-10-2006
- Auteur
mr. J.G. Gräler
- JCDI
JCDI:ADS482443:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Burenrecht en mandeligheid
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
M.-S.-Hodes-Dehner, Bundesnachbarrecht (7.A) B7, p. 3.
M.-S.-Hodes-Dehner, Bundesnachbarrecht (7.A) B7, p. 7.
De wetgever heeft gebruik gemaakt van de zogenaamde ‘Beispieltechnik’.
M.-S.-Hodes-Dehner, Bundesnachbarrecht (7.A) B7, p. 5.
M.-S.-Hodes-Dehner, Bundesnachbarrecht (7.A) B7, p. 8.
M.-S.-Hodes-Dehner, Bundesnachbarrecht (7.A) B7, p. 12 en 12a.
Zeer kritisch over deze bepaling: M.-S.-Hodes-Dehner, Bundesnachbarrecht (7.A) B7, p. 2.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Een ‘Grenzeinrichtung’ als bedoeld in § 921 BGB is
’eine von den Eigentümern benachbarter Grundstücke einverständlich getroffene Veranstaltung, die von der zwischen den beiden Grundstücke dient.’1
Ingeval wordt bewezen dat ‘Einrichtung’ aan één van de naburen toebehoort, dan wel indien tekens van niet-gemeen-zijn aanwezig zijn, is geen sprake van een ‘Grenzeinrichtung’.
Een plicht tot het aanbrengen van Grenzeinrichtungen kent het BGB niet. Uit de Nachbarrechtgesetze van de diverse Länder kan een zodanige verplichting wel voortvloeien.2
De wet geeft een enuntiatieve opsomming van mogelijke ‘Einrichtungen’.3 Andere ‘Einrichtungen’ zijn derhalve mogelijk. In de literatuur worden genoemd: Dachrinnen, Brunnen, Wassergraben, Baumreihen en Steinwalle. Wil men spreken van een ‘Grenzeinrichtung’ dan zijn een zekere zelfstandigheid en een zekere duurzaamheid vereist. Dergelijke zaken behoeven niet door mensen gemaakt te zijn. Ook een niet aangelegde en niet gecultiveerde heg kan als ‘Einrichtung’ gelden. Zoals tot uitdrukking komt in de voorgaande omschrijving – is van een Grenzeinrichtung slechts sprake ingeval deze met – al dan niet uitdrukkelijke – toestemming van de buurman mede op diens grond is gebouwd.4 Wordt bijvoorbeeld een muur zonder toestemming gebouwd dan ontstaat een zogenaamde ‘Überbau’. In beginsel heeft de nabuur alsdan ex § 1004 BGB het recht om amotie te vorderen.
Vereist is voorts dat de ‘Veranstaltung’ objectief ten voordele van de naburige erven strekt en dat van dit voordeel naar buiten toe blijkt, de aard van het voordeel is niet van belang.5 Het gaat derhalve niet slechts om een grensscheidende functie. Uit de voorbeelden moge dit reeds duidelijk zijn.
Dient zich een ‘Anlage’ als ‘Grenszeinrichtung’ aan dan wordt vermoed dat de grens onder die ‘Einrichtung’ is gelegen en dat er derhalve daadwerkelijk sprake is van een ‘Grenszeinrichtung’. Dehner is overigens van mening dat van een dergelijk vermoeden geen sprake kan zijn. 6 Dit betekent dat degene die zich op het vermoeden van § 921 BGB wenst te beroepen eerst dient te bewijzen dat de grens onder de ‘Einrichtung’ doorloopt.
Het vermoeden wijkt indien ‘äussere Merkmale’ aanwezig zijn die maken dat de muur als privé-eigendom van een van de naburen heeft te gelden.7 De rechter stelt aan de hand van de concrete situatie vast of er sprake is van dergelijke tekens.
Bij ‘Hausmauer’ kan van dergelijke tekens worden gesproken ingeval het gebouw gebruik maakt van de gehele dikte van de muur. Als alle balken van de naburen tot de helft van de muur zijn gelegd dan is er sprake van een vermoeden van gezamenlijk gebruik: dus Grenszeinrichtung.
Als tekens van niet gemeen zijn bij een vrijstaande muur kunnen worden aangemerkt:
’Pfeiler, Bogen, Tragsteine, Vertiefungen, Blindfenster, eiserne Ringe, eingehauene Wappen’
aan één zijde van de muur.