Einde inhoudsopgave
Retentierecht en uitwinning (O&R nr. 110) 2019/6.3.4.3
6.3.4.3 Het beslagrekest
mr. M.A. Heilbron, datum 01-12-2018
- Datum
01-12-2018
- Auteur
mr. M.A. Heilbron
- JCDI
JCDI:ADS588750:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Voetnoten
Voetnoten
Zie in algemene zin over de Beslagsyllabus: Meijsen 2013, p. 43-101 en in algemene zin over rechtersregelingen (zoals de Beslagsyllabus): Teuben 2004.
Onder KEI moet dit worden gedaan in de vorm van een procesinleiding; zie art. 30a Rv. Dit onderdeel van de KEI-wetgeving is in werking getreden op 1 september 2017 (Zie Stb. 2017, 174), maar geldt momenteel (november 2018) slechts ingeval van digitaal procederen. Zie over de stand van zaken omtrent de KEI-wetgeving ook voetnoot 167.
Zie ook Beslagsyllabus (versie augustus 2018), p. 10. Bij een vordering uit overeenkomst dienen op grond van de Beslagsyllabus facturen, data en bedragen en eventuele aanmaningen te worden opgenomen in het beslagrekest.
Vgl. Meijsen 2013, p. 105 die het als volgt formuleert: “het door de verzoeker ingeroepen recht”.
Zie Beslagsyllabus (versie augustus 2018), onder G voor voorschriften voor de verschillende soorten beslagen (roerende zaken, onroerende zaken, derdenbeslag, etc.).
Strikt genomen verwijst art. 708 lid 1 Rv niet naar rechtersregelingen zoals de Beslagsyllabus en is de Beslagsyllabus geen recht in de zin van art. 79 lid 1 onder b Wet RO. Zie hierover en over de gebondenheid aan de Beslagsyllabus Meijsen 2013, p. 63-97. In enkele wetsbepalingen is te vinden dat het beslagobject moet worden vermeld in het deurwaardersexploot; zie bijvoorbeeld art. 479i sub b Rv over beslag onder zichzelf en art. 565 sub e Rv over beslag op schepen.
Art. 504 lid 1 sub c Rv analoog toegepast.
Meijsen 2013, p. 125.
Stein 2010, p. 8 stelt dat onder verduistering kunnen worden verstaan: ‘handelingen’ met betrekking tot mogelijke verhaalsobjecten, waardoor verhaal op die object in gevaar kan komen. Ook de Hoge Raad hanteert een ruime benadering van de vrees voor verduistering: volgens HR 2 april 1936, NJ 1936/ 758 heeft de wet zodanige handelingen op het oog, waardoor bij eventuele toewijzing van de vordering, de executie op het vermogen in gevaar zal komen.
Van Rossem/Cleveringa 1972, p. 1479 omschrijft verduistering als volgt: “feiten, die het vermoeden wettigen, dat de schuldenaar de goederen zal wegmaken tot schade van zijn crediteuren”.
Zie hierover par. 4.2.
Huydecoper 2006, p. 19 (voetnoot 17).
Beslagsyllabus (versie augustus 2018), p. 9.
296. In art. 708 lid 1 Rv staat dat hetgeen is bepaald omtrent conservatoir beslag op goederen van de schuldenaar, van overeenkomstige toepassing is op conservatoir beslag op goederen van een derde waar de schuldeiser zich op kan verhalen. Deze overeenkomstige toepassing is in lijn met het uitgangspunt dat ik formuleerde in paragraaf 6.3.2, dat inhoudt dat de partij op wiens vermogen verhaal wordt gezocht de relevante partij is voor het procesrecht.
297. De voorschriften voor het leggen van conservatoir beslag zijn neergelegd in Rv en in de Beslagsyllabus.1 Het leggen van conservatoir beslag begint met een verzoek aan de voorzieningenrechter, het beslagrekest.2 In het beslagrekest moeten ingevolge art. 278 Rv de gegevens van de verzoeker, een duidelijke omschrijving van het verzoek en de gronden waar het op berust worden vermeld. Art. 278 Rv, noch de Beslagsyllabus vermeldt dat de gegevens van de schuldenaar of de derde ook in het beslagrekest moeten staan. Art. 30a lid 3, sub b Rv, nieuw sinds KEI, vermeldt wél dat de procesinleiding de naam en de woonplaats van de “verweerder van de vordering, dan wel de bij de verzoeker bekende namen en woonplaats van de belanghebbenden”. Aangezien de schuldenaar niet de aangesproken persoon is, volstaat het naar mijn mening om de naam en woonplaats van de derde-eigenaar te vermelden in de procesinleiding. De verhaalsaansprakelijke derde-eigenaar is belanghebbende in de zin van art. 30a Rv.
Onder de ‘gronden waar het verzoek op berust’ in de zin van art. 278 Rv, moet in ieder geval de rechtsverhouding waaruit de vordering van de retentor voortvloeit worden vermeld (bijvoorbeeld uit onrechtmatige daad, of uit overeenkomst).3 Het lijkt mij dat het retentierecht ook valt onder de noemer ‘grond waar het verzoek op berust’,4 aangezien het de materieelrechtelijke legitimatie verschaft tot verhaal op de derde. Zonder het retentierecht, zou de retentor alleen verhaal hebben op zijn eigen schuldenaar. Dit vereiste kan eveneens worden gebaseerd op het algemene art. 21 Rv, dat partijen verplicht de rechter volledig en naar waarheid te informeren.
Bij beslag op zaken van de schuldenaar zelf volgt uit de Beslagsyllabus dat het beslagobject in het beslagrekest moet zijn vermeld.5 Aangezien de bepalingen voor beslag op zaken van de schuldenaar ingevolge art. 708 lid 1 Rv van overeenkomstige toepassing zijn op beslag op goederen van derden waarop de schuldeiser zich kan verhalen,6 geldt dit ver- eiste van vermelding van het beslagobject in het beslagrekest ook voor de retentor. Het beslagobject is de teruggehouden zaak. Als de teruggehouden zaak onroerend is, zullen ook de kadastrale aanduiding en de grootte moeten worden aangegeven.7 Verder moeten de aard van het beslag (verhaalsbeslag, beslag tot levering, etc.) en de vordering waarvoor beslag wordt gelegd worden vermeld.
Bij conservatoir beslag op zaken moet de schuldeiser aantonen dat gegronde vrees voor verduistering bestaat.8 Uit art. 711 lid 1 Rv volgt dat het bij beslag op goederen van derden gaat om vrees voor verduistering door die derde. Toetsing van het rekest aan dit criterium beoogt onnodige beslagen te voorkomen.9 Het feit dat de zaak in de macht van de retentor is, neemt het risico voor verduistering mijns inziens niet weg. De derde- eigenaar is ook bij gebreke van feitelijke macht over de zaak in staat om deze te verkopen en leveren. Ook verkoop en levering (en niet alleen ‘feitelijk’ wegmaken) van de zaak is te kwalificeren als verduistering.10 Het doel van het conservatoir beslag is het behouden van het goed als verhaalsobject en ook een overdracht (voorafgaand aan het beslag) zorgt ervoor dat het beoogde beslagobject aan verhaal door de schuldeiser wordt onttrokken.11 Zelfs als de zaak bij de retentor verblijft, is het denkbaar dat de verkrijger hiervan wist, noch behoorde te weten (de schuldenaar kan het hem bijvoorbeeld anders hebben voorgespiegeld en daar mocht de verkrijger op afgaan). Het retentierecht kan dan niet aan de verkrijger worden tegengeworpen.12 De levering van de zaak zou c.p. (zonder mededeling aan de retentor) of longa manu (met mededeling aan de retentor) kunnen geschieden. Het aantonen van de gegronde vrees voor verduistering heeft niet veel om het lijf. Voor het verlenen van het verlof is voldoende dat de schuldeiser stelt dat er vrees voor verduistering is.13
In de Beslagsyllabus is opgenomen dat ook de verweren van de schuldenaar en de gronden daarvoor in het beslagrekest moeten worden vermeld.14 Aangezien de derde niet de schuldenaar is, is het naar mijn mening raadzaam dat de beslaglegger niet alleen de verweren van de schuldenaar vermeldt, maar ook de mogelijke verweren van de derde tegen de derdenwerking van het retentierecht.
298. Hiervoor ging ik ervan uit dat de retentor weet dat zijn beoogde verhaalsobject niet van zijn schuldenaar, maar van een derde is. Wanneer de retentor dit niet weet, zal hij beslag ten laste van zijn schuldenaar leggen, alsof het object van hem is. Zodra hij vervolgens op de hoogte is gekomen van de werkelijke eigendomsverhouding – doorgaans zal dit zo zijn vanwege een mededeling van de schuldenaar – dient hij het beslag te betekenen aan de derde. Zie art. 708 lid 2 Rv.