Einde inhoudsopgave
De verklaring voor recht (BPP nr. XVIII) 2015/48
48 Zwischenfeststellungsklage
mr. N.E. Groeneveld-Tijssens, datum 23-03-2015
- Datum
23-03-2015
- Auteur
mr. N.E. Groeneveld-Tijssens
- JCDI
JCDI:ADS393493:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht / Algemeen
Vermogensrecht / Rechtsvorderingen
Voetnoten
Voetnoten
MünchKommZPO/Becker-Eberhard, § 256, nr. 80.
MünchKommZPO/ Becker-Eberhard, § 256, nr. 83- 86; Beck OK ZPO/Bacher § 256, nr. 46; Musielak/Foerste 2008, § 256, nr. 41.
Beck OK ZPO/Bacher, § 256, nr. 45: ‘Darüber hinaus muss zumindest die Möglichkeit bestehen, dass die angestrebte Zwischenfeststellung für die Rechtsbeziehungen der Parteien über den Hauptantrag hinaus Bedeutung hat oder gewinnen kann.’ Zie ook MünchKommZPO/ Becker- Eberhard, § 256, nr. 81.
Beck OK ZPO/Bacher, § 256, nr. 43. Bacher verwijst naar BGH 2 juli 2007, NJW 2008, 69 waarin het BGH overwoog: ‘Ein Antrag auf Zwischenfeststellung hat zur Voraussetzung, dass die Feststellung des Rechtsverhältnisses für die Entscheidung des Rechtsstreits vorgreiflich ist, also ohnehin darüber befunden werden muss, ob das streitige Rechtsverhältnis besteht. Wird dagegen über die Hauptsache unabhängig von dem Bestand des streitigen Rechtsverhältnisses entschieden, ist mangels Vofgreiflichkeit für eine Zwischenfeststellungsklage kein Raum.’ Het BGH verwijst daarbij naar BGH 17 juni 1994, NJW-RR1994, 1272. Zie ook MünchKommZPO/Gottwald, § 256, nr. 82 en Musielak/Foerste 2008, § 256, nr. 41.
Stein/Jonas/Roth 2008, § 256, nr. 104
MünchKommZPO/Gottwald, § 256, nr. 75.
Degene die een voorbeslissing bindend vastgesteld wil hebben, hoeft niet in een aparte procedure een verklaring voor recht te vorderen. De eiser kan naast de veroordeling tot schadevergoeding een verklaring voor recht vorderen in de vorm van een zogenaamde Zwischenfeststellungsklage. De gedaagde kan in een procedure waarin de eiser veroordeling tot bijvoorbeeld schadevergoeding vordert, een verklaring voor recht in reconventie vorderen in de vorm van een zogenaamde Feststellungswiderklage.1 De Duitse wetgever heeft in lid 2 van § 256 ZPO de Zwischenfeststellungsklage opgenomen om daarmee de beperkte omvang van het gezag van gewijsde te compenseren. Volgens lid 2 van § 256 ZPO kan de Zwischenfeststellungsklage worden gevorderd zodra de rechtsverhouding waarom het in de procedure gaat, wordt betwist. Anders dan lid 2 van § 256 ZPO doet vermoeden, kan de Zwischenfeststellungsklage ook al in de dagvaarding worden gevorderd mits in de preprocessuele fase al onenigheid tussen partijen bestond over de rechtsverhouding waarop de verklaring voor recht betrekking heeft.2 Een concreet belang hoeft de partij die de Zwischenfeststellungsklage instelt, niet te hebben. De enkele mogelijkheid dat uit de rechtsverhouding verdere procedures voortvloeien, is voldoende voor de ontvankelijkheid van de Zwischenfeststellungsklage.3 Dat de partij die een Zwischenfeststellungsklage instelt, geen concreet belang hoeft te hebben, geldt alleen voor zover de rechter over de voorvraag waarop de Zwischenfeststellungsklage betrekking heeft, toch moet beslissen in het kader van de beoordeling van de gevorderde veroordeling tot prestatie.4 Alleen in dat geval wordt het belang bij de vordering verondersteld. Als de rechter in het kader van de gevorderde veroordeling tot prestatie niet toekomt aan het aspect van de rechtsverhouding dat ook aan de gevorderde verklaring voor recht ten grondslag ligt, verandert de Zwischenfeststellunsklage in een gewone Feststellungsklage (ex § 256 lid 1 ZPO) waarbij degene die de verklaring voor recht vordert, moet stellen en bewijzen dat hij voldoende belang heeft bij de vordering.5 Stel dat X meent dat Y onrechtmatig jegens X heeft gehandeld en schadevergoeding vordert. Als de rechter de vordering afwijst omdat het causaal verband tussen de gestelde onrechtmatigheid en de schade ontbreekt, hoeft hij in het vonnis niet te beslissen over de onrechtmatigheid. Als X naast veroordeling tot vergoeding van schade een verklaring voor recht heeft gevorderd dat Y onrechtmatig heeft gehandeld, dan moet X dus bij die verklaring voor recht stellen en bewijzen dat zij belang heeft bij de vordering. Het enkele feit dat uit de rechtsverhouding mogelijk verdere procedures voortvloeien, is dan niet voldoende voor ontvankelijkheid. Dat geldt ook voor het geval waarin niet X maar Y – in reconventie in de vorm van een Zwischenfeststellungswiderklage – een verklaring voor recht vordert dat Y niet onrechtmatig heeft gehandeld jegens X.6
Overigens wordt de partij die een Zwischenfeststellungsklage instelt, ook niet-ontvankelijk verklaard als de eiser met de gevorderde veroordeling tot prestatie al bereikt dat de rechtsverhouding die aan die vordering ten grondslag ligt, bindend wordt vastgesteld.7 Dat is dus het geval als de rechter een gevorderde veroordeling tot bijvoorbeeld schadevergoeding toewijst en de eiser gevorderd heeft voor recht te verklaren dat de gedaagde is gehouden tot vergoeding van de schade die eiser heeft geleden.