Eigendomsvoorbehoud
Einde inhoudsopgave
Eigendomsvoorbehoud (Rechtswetenschappelijke publicaties) 2018/:Samenvatting en conclusies
Eigendomsvoorbehoud (Rechtswetenschappelijke publicaties) 2018/
Samenvatting en conclusies
Documentgegevens:
E.F. Verheul, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
E.F. Verheul
- JCDI
JCDI:ADS400821:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Algemeen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In dit proefschrift is het eigendomsvoorbehoud geanalyseerd, door de plaats van de figuur in het systeem van het vermogensrecht te onderzoeken. Bijzondere aandacht is daarbij besteed aan de verhouding van het eigendomsvoorbehoud tot het fiduciaverbod van artikel 3:84 lid 3 BW, waarmee de wetgever zekerheidseigendom heeft willen uitbannen en aan de plaats van het eigendomsvoorbehoud binnen de systematiek van de voorwaardelijke overdracht, in het bijzonder waar het aankomt op de rechtspositie van de koper gedurende de periode van onzekerheid.
Door de wetgever is het bestaansrecht van het eigendomsvoorbehoud met een tweetal argumenten onderbouwd: een argument waarom het gerechtvaardigd is dat de verkoper eigenaar blijft en een argument waarom het gerechtvaardigd is dat de overige schuldeisers van de koper zich nog niet op de verkochte zaak kunnen verhalen. Aan deze beide argumenten is achtereenvolgens aandacht besteed in hoofdstuk 2 en 3.
In hoofdstuk 2 is de functie van het eigendomsvoorbehoud onderzocht en is aandacht besteed aan de vraag waarom het gerechtvaardigd is dat de verkoper eigenaar blijft. Volgens de heersende leer in de literatuur staat het eigendomsvoorbehoud namelijk op gespannen voet met het fiduciaverbod omdat het beding leidt tot een vorm van zekerheidseigendom en de functie van het eigendomsvoorbehoud in feite die van een zekerheidsrecht is. In navolging van de wetgever is echter geconcludeerd dat het eigendomsvoorbehoud geen met traditionele zekerheidsrechten vergelijkbare figuur is, zodat het eigendomsvoorbehoud niet op gespannen voet staat met het fiduciaverbod. Door middel van het eigendomsvoorbehoud wordt de regel van ‘gelijk oversteken’ gehandhaafd. Doordat de verkoper de nakoming van zijn verplichting tot eigendomsoverdracht afhankelijk maakt van de voldoening van de koopprijs, wordt het wederkerige karakter van de koopovereenkomst gehandhaafd, ondanks het feit dat de verkoper de zaak reeds aflevert. Het eigendomsvoorbehoud functioneert daarmee veeleer als een opschortingsrecht, waarmee de verkoper zijn rechten bij ontbinding waarborgt. Aldus biedt het eigendomsvoorbehoud niet zozeer zekerheid voor de voldoening van de koopprijs, maar zekerheid voor de ongedaanmaking bij ontbinding. Bovendien handhaaft het eigendomsvoorbehoud aldus slechts de status quo en verschaft het eigendomsvoorbehoud aan de verkoper geen positie die hij niet ook al voor het sluiten van de koopovereenkomst met de koper had.
In hoofdstuk 3 is nader aandacht besteed aan de vraag waarom het gerechtvaardigd is dat de verkoper door het eigendomsvoorbehoud een voorrangspositie verkrijgt ten opzichte van de overige schuldeisers, die zich niet op de verkochte zaak kunnen verhalen. De rechtvaardiging daarvoor is gelegen in de neutrale werking van het beding. Omdat de zaak bij gebreke van de prestatie van de verkoper ook niet tot het vermogen van de koper zou behoren, wordt de overige schuldeisers van de koper geen vermogensbestanddeel ontnomen waarop zij zich bij gebreke van het eigendomsvoorbehoud wel zouden kunnen verhalen. Deze rechtvaardiging voor de voorkeursbehandeling van de onbetaald gebleven verkoper wordt ook in de in het onderzoek betrokken rechtstelsels overal aanvaard. Er bestaan bovendien goede argumenten op deze voorrangspositie ook te handhaven op datgene wat in de plaats komt van de verkochte zaak, voor zover de voorrangspositie beperkt blijft tot de daadwerkelijk door de verkoper bijgedragen waarde. Het gaat daarbij in het bijzonder om een door de koper gerealiseerde doorverkoopvordering en een uit de verkochte zaak nieuw gevormde zaak. Bijzondere aandacht is besteed aan het verbreed eigendomsvoorbehoud, waarvoor niet geldt dat het eigendomsvoorbehoud een neutrale werking heeft. In een beperkt aantal gevallen bestaat voor het verbreed eigendomsvoorbehoud echter ook een rechtvaardiging, namelijk wanneer door de verkoper aan de koper doorlopend (soortgelijke) zaken worden geleverd, omdat anders individualiseringsproblemen zouden kunnen ontstaan bij de uitoefening van het eigendomsvoorbehoud.
Hoofdstuk 4 behandelt de constructie van het eigendomsvoorbehoud. Het eigendomsvoorbehoud heeft een tweeledige structuur. Niet alleen is met het beding beoogd dat de verkoper vooralsnog eigenaar blijft, ook strekt het beding ertoe dat de koper zonder meer en terstond eigenaar wordt van de verkochte zaak op het moment dat hij de verschuldigde tegenprestatie voldoet. Dit wordt bewerkstelligd doordat partijen terstond een overdracht onder opschortende voorwaarde realiseren. Artikel 3:91 BW neemt in dat kader een centrale plaats in. Doordat de wetgever een afzonderlijk leveringsvoorschrift heeft opgenomen voor de overdracht onder opschortende voorwaarde, kan direct aan het leveringsvereiste worden voldaan, zodat ook een overdracht tot stand kan komen. Hoewel een zodanige mogelijkheid ook bij gebreke van de bepaling door middel van een redelijke wetsuitleg zou kunnen worden bereikt, heeft de wetgever er verstandig aan gedaan dit uitdrukkelijk te bepalen, om kwesties dienaangaande te voorkomen. Veel discussie bestaat er in de literatuur over de constructie van het eigendomsvoorbehoud als overdracht onder opschortende voorwaarde, in het bijzonder waar het aankomt op de verklaring voor de voorwaardelijkheid. De voorwaardelijkheid van de overdracht laat zich verklaren door de doorwerking van de opschortende voorwaarde die is verbonden aan de verbintenis tot overdracht. Op grond van het causale stelsel van overdracht werkt de aan de titel verbonden opschortende voorwaarde door in de overdracht, in die zin dat een overdracht onder dezelfde voorwaarde wordt gerealiseerd. In een consequente systematiek kan een dergelijk rechtsgevolg bovendien ook worden bereikt aan de hand van een opschortende voorwaarde die wordt verbonden aan de op overdracht gerichte wilsovereenstemming (de zgn. goederenrechtelijke overeenkomst).
In hoofdstuk 5 staat de uitoefening van het eigendomsvoorbehoud centraal, waarbij bijzondere aandacht is besteed aan de gevolgen van uitoefening van het eigendomsvoorbehoud voor het voortbestaan van de koopovereenkomst. Aangezien de koper op grond van de koopovereenkomst gerechtigd is tot het gebruik van de zaak, is het in beginsel noodzakelijk dat de uitoefening van het eigendomsvoorbehoud samenvalt met ontbinding van de koopovereenkomst. Denkbaar is dat partijen daarvan zijn afgeweken, zodat een uitoefening van het eigendomsvoorbehoud mogelijk is zonder gelijktijdige ontbinding. In ieder geval heeft een definitieve uitoefening van het eigendomsvoorbehoud tot gevolg dat de koopovereenkomst wordt ontbonden. Aldus bevrijdt de verkoper zich van zijn eigen verplichting tot eigendomsverschaffing en brengt hij het eigendomsrecht onder opschortende voorwaarde ten val, waardoor hij weer onvoorwaardelijk eigenaar wordt en vrijelijk kan beschikken over de verkochte zaak. Om die reden is een uitoefening van het eigendomsvoorbehoud door middel van executie van de zaak met instandhouding van de koopovereenkomst, zoals in Duitsland en Oostenrijk wel pleegt te geschieden, onmogelijk. Tot slot is aandacht besteed aan de rechtgevolgen van verjaring van de rechtsvordering ter zake van de tegenprestatie. In dat verband is geconcludeerd dat de regel van het Nederlandse recht dat de koper door verjaring eigenaar wordt van de verkochte zaak niet goed valt te rechtvaardigen tegen de achtergrond van de functie van het eigendomsvoorbehoud.
Hoofdstuk 6 behandelt het verbreed eigendomsvoorbehoud. Van een dergelijk eigendomsvoorbehoud is sprake indien de eigendomsovergang ook afhankelijk wordt gemaakt van de voldoening van andere vorderingen. Aldus leidt het verbreed eigendomsvoorbehoud tot een kunstmatige wederkerigheidsband, omdat prestaties door partijen tegenover elkaar worden geplaatst die gewoonlijk niet tegenover elkaar staan. Dat blijkt onder meer uit de omstandigheid dat de verkoper bij een verbreed eigendomsvoorbehoud de koopovereenkomst ook kan ontbinden en aldus kan overgaan tot uitoefening van het eigendomsvoorbehoud, indien de koper in gebreke blijft met de voldoening van de andere vorderingen. Ook denkbaar is dat partijen een kredieteigendomsvoorbehoud overeenkomen, zodat de verkoper ook eigenaar blijft indien er op een zeker moment geen vorderingen bestaan in de rechtsverhouding tussen verkoper en koper, maar wel denkbaar is dat dergelijke vorderingen in de toekomst weer ontstaan.
In hoofdstuk 7 is aandacht besteed aan een aantal veelvoorkomende situaties op grond waarvan de verkoper zijn eigendomsrecht gedurende de periode van onzekerheid kan verliezen. Het gaat daarbij in de eerste plaats om zaaksvorming, doorverkoop van de verkochte zaak, bestanddeelvorming en natrekking. In dat verband is geconcludeerd dat het eigendomsverlies van de verkoper zich laat rechtvaardigen door de strekking van de genoemde regelingen, maar voor de daarmee gepaard gaande herverdeling van de in de verkochte zaak besloten waarde geen rechtvaardiging bestaat. In het bijzonder bestaan er goede gronden op de positie van de verkoper bij zaaksvorming of doorverkoop te versterken, door aan een door de verkoper bedongen pandrecht op de nieuw gevormde zaak of doorverkoopvordering een supervoorrang te verbinden (zgn. verlengd eigendomsvoorbehoud). Het eigendomsverlies bij natrekking laat zich in het algemeen minder goed rechtvaardigen, omdat het rechtsverlies hier veelal een gevolg is van een erg ruime uitleg van artikel 5:20 BW. Voorgesteld is om door middel van wettelijk ingrijpen dit eigendomsverlies te voorkomen, indien de verkoper zijn eigendomsvoorbehoud heeft ingeschreven. In geval van oneigenlijke vermenging verliest de verkoper zijn eigendomsrecht weliswaar niet, maar kunnen bewijsproblemen wel in de weg staan aan uitoefening van het eigendomsvoorbehoud. Door middel van het bewijsrecht kan in veel gevallen echter wel tot een oplossing worden gekomen, in het bijzonder als in voorkomende gevallen genoegen wordt genomen met een iets minder stringente invulling van het individualiseringsvereiste.
In hoofdstuk 8 is de positie van de koper gedurende de periode van onzekerheid nader onderzocht, tegen de achtergrond van de verklaring voor de goederenrechtelijke werking van de vervulling van de voorwaarde. De goederenrechtelijke werking is gewaarborgd doordat de koper, ondanks de opgeschorte werking van de overdracht, terstond een eigendomsrecht onder opschortende voorwaarde verkrijgt. Omdat dit recht is afgesplitst van het aan de verkoper toebehorende eigendomsrecht, is het eigendomsrecht van de verkoper dienovereenkomstig beperkt. Aangezien het recht van de koper vooralsnog geen werking heeft, komen de eigenaarsbevoegdheden in beginsel toe aan de verkoper. Op grond van de voorwerkingen van de voorwaardelijke overdracht komt aan de koper echter een aantal bevoegdheden toe die ertoe strekken de onvoorwaardelijke eigendomsverkrijging bij vervulling van de voorwaarde te waarborgen. Over het eigendomsrecht onder opschortende voorwaarde kan de koper reeds gedurende de periode van onzekerheid beschikken. De regels die van toepassing zijn op de overdracht van de onvoorwaardelijke eigendom zijn eveneens van toepassing op de overdracht van voorwaardelijke eigendom. Bijzondere aandacht is daarbij besteed aan het causale karakter van het eigendomsrecht onder opschortende voorwaarde, dat dit recht in menig opzicht nader vormgeeft. Een belangrijk gevolg daarvan is dat de verkrijger van het eigendomsrecht onder opschortende voorwaarde geconfronteerd kan worden met de tussen verkoper en koper gemaakte afspraken.
Hoofdstuk 9 behandelt het eigendomsvoorbehoud bij financiering door een derde. Niet zelden is de verkoper niet in staat of niet bereid om de aanschaf van de zaak te financieren, zodat deze financiering wordt verleend door een derde. In het bijzonder is daarbij denkbaar dat aan de derde de koopprijsvordering wordt gecedeerd en de voorbehouden eigendom wordt overgedragen. Een zodanige overdracht is nodig, omdat het voorbehouden eigendomsrecht geen afhankelijk recht of nevenrecht is, en komt niet in strijd met het fiduciaverbod van artikel 3:84 lid 3 BW. Vervolgens is aandacht besteed aan een aantal moeilijkheden die samenhangen met de omstandigheid dat de derde aan wie de voorbehouden eigendom wordt overgedragen geen partij is bij de koopovereenkomst tussen verkoper en koper. Ondanks het feit dat de derde geen partij is bij de koopovereenkomst, kan de koper ook een gebruiksrecht ten aanzien van de verkochte zaak geldend maken jegens deze derde, omdat dit recht niet uitsluitend voortvloeit uit de koopovereenkomst, maar ook besloten ligt in het eigendomsrecht onder opschortende voorwaarde bij een eigendomsvoorbehoud. De derde kan pas overgaan tot uitoefening van het eigendomsvoorbehoud indien hij dit eigendomsrecht onder opschortende voorwaarde ten val brengt door ontbinding van de koopovereenkomst. Daartoe is medewerking van de verkoper benodigd, omdat deze slechts kan overgaan tot ontbinding van de koopovereenkomst, tenzij de verkoper ook het ontbindingsrecht aan de derde heeft overgedragen.