De rol van Nederlandse werknemers(vertegenwoordigers) bij een grensoverschrijdende juridische fusie
Einde inhoudsopgave
De rol van Nederlandse werknemers(vertegenwoordigers) bij een grensoverschrijdende juridische fusie (VDHI 119) 2013/8.4:8.4 Eindconclusie
De rol van Nederlandse werknemers(vertegenwoordigers) bij een grensoverschrijdende juridische fusie (VDHI 119) 2013/8.4
8.4 Eindconclusie
Documentgegevens:
mr. F.G. Laagland, datum 15-07-2013
- Datum
15-07-2013
- Auteur
mr. F.G. Laagland
- JCDI
JCDI:ADS390963:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht / Medezeggenschapsrecht
Ondernemingsrecht / Europees ondernemingsrecht
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De Europese wetgever heeft werknemers een rol toegekend indien de vennootschap in wier onderneming zij werkzaam zijn grensoverschrijdend wenst te fuseren. In de situatie dat een Nederlandse vennootschap bij de fusie als deelnemende vennootschap optreedt, blijken de Europese regels evenwel niet steeds goed toepasbaar. Op het terrein van de betrokkenheid zijn de meeste knelpunten goed binnen de huidige systematiek op te lossen. Dat heeft te maken met de wijze waarop de Europese wetgever aan de betrokkenheid bij een voorgenomen besluit tot grensoverschrijdend fuseren invulling heeft gegeven. Door aan te sluiten bij een systematiek die losstaat van de grensoverschrijdende fusie als zodanig, kan voor de knelpunten eenvoudig worden aangehaakt bij de bestaande oplossingen met betrekking tot nationale fusies. De betrokkenheid komt tot zijn recht op een wijze zoals de Europese wetgever dat voor ogen had. De betrokkenheid geeft aan werknemers invloed op de besluitvorming zonder dat het besluitvormingsproces nodeloos vertraging oploopt.
Bij de vennootschappelijke medezeggenschap doemt een ander beeld op. Het onderzoek toont aan dat zich knelpunten voordoen bij de toepassing van de criteria van art. 16 Tiende Richtlijn en bij de uitwerking van het resultaat waartoe art. 16 Tiende Richtlijn leidt. De knelpunten zijn – kort gezegd – te herleiden tot een viertal aspecten: (i) de tekst van art. 16 Tiende Richtlijn is op veel punten onduidelijk, (ii) de eendimensionale benadering van het concept medezeggenschap als een aantal en een vorm maakt de criteria van art. 16 Tiende Richtlijn lastig toepasbaar op de eigenaardigheden van het nationale medezeggenschapsrecht, (iii) art. 16 Tiende Richtlijn benadert de medezeggenschap los van het vennootschapsrecht en (iv) de implementatie – het onderzoek richtte zich op Nederland, Duitsland en België – is gebeurd vanuit een nationale kijk op medezeggenschapsterrein.
De kans dat art. 16 Tiende Richtlijn binnen afzienbare tijd wordt aangepast, is gering. De prioriteit kan op dit moment het beste uitgaan naar een behoorlijke uitvoering van de meer of minder gebrekkige mogelijkheden die art. 16 Tiende Richtlijn biedt. Het is om die reden dat ik in mijn onderzoek de oplossingen voor de geconstateerde knelpunten heb gezocht binnen de bestaande systematiek. Dit is doorgaans goed mogelijk bij de toepassing van art. 16 Tiende Richtlijn voorafgaand aan de fusie. Men moet de criteria van art. 16 Tiende Richtlijn niet te strikt uitleggen. De beschermingsgedachte biedt aan de criteria de flexibiliteit om de typische aspecten van het Nederlandse vennootschappelijke medezeggenschapsrecht binnen de bestaande systematiek een plek te geven. De vrijheid van vestiging staat hier niet aan in de weg. Deze oplossing biedt niet voor ieder knelpunt een oplossing. Over de vraag of het spreekrecht in NV’s medezeggenschap is, kan discussie ontstaan. Dit heeft te maken met de onjuiste wijze waarop de Nederlandse wetgever de tweede uitzondering van art. 16 Tiende Richtlijn heeft geïmplementeerd. De Nederlandse wetgever dient deze uitzondering conform het Europese recht aan te passen, zodat ook het spreekrecht bij de toepassing kan worden betrokken. De wetgever doet er verstandig aan expliciet vast te leggen dat het spreekrecht onder het Europese medezeggenschapsbegrip valt. Dit geeft de besturen van Nederlandse vennootschappen houvast over de wijze waarop met de complexe materie moet worden omgegaan. Het verkleint bovendien het risico dat de (buitenlandse) controle-instanties het Nederlandse spreekrecht ten onrechte buiten beschouwing laten bij hun toetsing of de deelnemende vennootschappen art. 16 Tiende Richtlijn op een correcte wijze hebben toegepast.
Het onderzoek naar de wijze waarop een grensoverschrijdend medezeggenschapssysteem werking krijgt in de uit de fusie ontstane vennootschap geeft een minder rooskleurig beeld. Met name als de wettelijke referentievoorschriften de uitkomst bepalen, blijkt het niet steeds mogelijk aan het grensoverschrijdende medezeggenschapssysteem een positie te geven die recht doet aan de beschermingsgedachte waarop art. 16 Tiende Richtlijn is gestoeld. De deelnemende vennootschappen hebben de mogelijkheid de taken en de bevoegdheden van de leden op wier benoeming de medezeggenschap betrekking heeft, te reduceren. De beschermingsgedachte strekt niet zo ver dat de het vennootschapsrecht waarin de medezeggenschap voorafgaand aan de fusie toepassing had onderdeel wordt van de systematiek van art. 16 Tiende Richtlijn. Een grensoverschrijdend medezeggenschapssysteem leidt bovendien tot een ‘verwatering’ van de medezeggenschapsrechten van de Nederlandse werknemers. De Nederlandse werknemers moeten de medezeggenschapsrechten na de fusie delen met buitenlandse werknemers die op hun eigen wijze aan de aan hen toegekende medezeggenschapsrechten invulling kunnen geven. Voor deze knelpunten is binnen de huidige systematiek geen oplossing te vinden.