Toepassing en rechtskarakter van de groepsvrijstelling van artikel 2:403 BW
Einde inhoudsopgave
Toepassing en rechtskarakter van de groepsvrijstelling van artikel 2:403 BW (VDHI nr. 171) 2022/7.4.4:7.4.4 Hoofdelijkheid als onderdeel van de vrijstellingsregeling in het Nederlandse recht tot 1992
Toepassing en rechtskarakter van de groepsvrijstelling van artikel 2:403 BW (VDHI nr. 171) 2022/7.4.4
7.4.4 Hoofdelijkheid als onderdeel van de vrijstellingsregeling in het Nederlandse recht tot 1992
Documentgegevens:
mr. dr. J. van der Kraan, datum 01-01-2022
- Datum
01-01-2022
- Auteur
mr. dr. J. van der Kraan
- JCDI
JCDI:ADS649014:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Jaarrekeningenrecht
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Uit voorgaande paragraaf kan worden geconcludeerd dat de wettelijke variant van hoofdelijkheid tot 1992 werd uitgelegd als een variant waarbij sprake was van een vorderingsrecht met meerdere schuldenaren. Bovendien werd tot 1992 flexibel omgegaan met de invulling van hoofdelijkheid en was er ruimte om flexibel met de inhoud van hoofdelijkheid om te gaan als strikte toepassing van de wettelijke variant tot ongewenste uitkomsten leidde.
De vrijstellingsregeling is ingevoerd toen het OBW het geldende recht weergaf. De hoofdelijkheid die is opgenomen in de vrijstellingsregeling, refereert daarom naar de hoofdelijkheid zoals die gold onder het OBW.
Hoewel de wetgever geen uitdrukkelijke overwegingen ten grondslag heeft gelegd aan het opnemen van hoofdelijkheid in de groepsvrijstellingsregeling, valt dat in het licht van hoofdelijkheid onder het OBW te begrijpen. Onder de uniteitsleer, waarbij de consoliderende rechtspersoon en de vrijgestelde rechtspersoon aansprakelijk zijn voor dezelfde schuld, vielen problemen van zelfstandige vorderingsrechten simpelweg niet te voorzien omdat die problemen zich met de wettelijke variant van hoofdelijkheid destijds niet voordeden.