Ongerechtvaardigde verrijking en onverschuldigde betaling als bronnen van verbintenissen
Einde inhoudsopgave
Ongerechtvaardigde verrijking en onverschuldigde betaling als bronnen van verbintenissen (O&R nr. 80) 2014/5.4.5.3:5.4.5.3 Gerechtvaardigd vertrouwen op bestaan van bevoegdheid
Ongerechtvaardigde verrijking en onverschuldigde betaling als bronnen van verbintenissen (O&R nr. 80) 2014/5.4.5.3
5.4.5.3 Gerechtvaardigd vertrouwen op bestaan van bevoegdheid
Documentgegevens:
mr. S.R. Damminga, datum 07-11-2013
- Datum
07-11-2013
- Auteur
mr. S.R. Damminga
- JCDI
JCDI:ADS497561:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht / Overige verbintenissen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie ook HR 7 februari 1992, NJ 1992/809.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Wanneer de bevoegdheid van de tussenpersoon ontbreekt om in naam van of voor rekening van de achterman te handelen, kan toerekening plaatsvinden als de derde er gerechtvaardigd op heeft vertrouwd dat de tussenpersoon bevoegd was om in naam van of voor rekening van de achterman te handelen; met andere woorden, toerekening kan plaatsvinden als de derde op goede gronden afgaat op de schijn van bevoegdheid. Deze schijn dient toerekenbaar te zijn aan de achterman.
Voor toerekening van rechtshandelingen die de tussenpersoon in naam van de achterman heeft verricht, geeft de wet een regeling in artikel 3:61 lid 2.
Toerekening van (feitelijk) handelen dat de tussenpersoon voor rekening van de achterman verricht op grond van bescherming van gerechtvaardigd vertrouwen, is niet in de wet geregeld. Toerekening kan echter worden gebaseerd op het beginsel dat ten grondslag ligt aan de bescherming van de derde die – door handelingen van de vermeende achterman – er gerechtvaardigd op vertrouwt dat een volmacht bestaat.1
Een voorbeeld ter verduidelijking. Stel dat A en B een overeenkomst met elkaar hebben gesloten op grond waarvan A een schuld heeft aan B. A ontvangt een opdracht van B om te presteren aan C. B geeft deze opdracht omdat hij – ten onrechte – meent een schuld te hebben aan C. A verricht de prestatie aan C. Vervolgens vernietigt A de overeenkomst met B, zodat zowel de rechtsverhouding AB als BC gebrekkig is. A dient zijn prestatie terug te vorderen van B, omdat hij de gebrekkige rechtsverhouding AB dient af te kunnen wikkelen met B. Dat is alleen mogelijk als de ontvangst van de prestatie door C kan worden toegerekend aan B.
Daarvoor is vereist dat C de prestatie heeft ontvangen (i) op grond van een bevoegdheid om voor rekening van B te ontvangen; of (ii) - als die bevoegdheid ontbreekt - dat A er gerechtvaardigd op heeft vertrouwd dat die bevoegdheid bestaat en dat C voor rekening van B ontvangt. In dit geval ontbreekt de bevoegdheid: aangezien C geen vordering op of relevante rechtsverhouding met B heeft, kan de bevoegdheid om te ontvangen voor rekening van B niet op de wet of op een overeenkomst worden gebaseerd. A heeft wel op grond van de door B gegeven opdracht mogen aannemen dat C bevoegd was om voor rekening van C te ontvangen. A’s gerechtvaardigde vertrouwen wordt beschermd, zodat het ontvangen van de prestatie door C wordt toegerekend aan B.