Het juridische begrip van godsdienst
Einde inhoudsopgave
Het juridische begrip van godsdienst (SteR nr. 43) 2018/19.5.2:19.5.2 Binnen welk politiek-filosofisch kader kan het juridische begrip van godsdienst worden geplaatst?
Het juridische begrip van godsdienst (SteR nr. 43) 2018/19.5.2
19.5.2 Binnen welk politiek-filosofisch kader kan het juridische begrip van godsdienst worden geplaatst?
Documentgegevens:
mr. drs. A. Vleugel, datum 01-09-2018
- Datum
01-09-2018
- Auteur
mr. drs. A. Vleugel
- JCDI
JCDI:ADS450449:1
- Vakgebied(en)
Staatsrecht (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De grondwetgever geeft niet echt een legitimatie voor de kwalificatie van de keuze voor de leermiddelen en de selectie van leerkrachten als ‘inrichting’. Het lijkt erop dat de grondwetgever deze twee gedragingen ziet als voorbeelden van wat de inrichting zoal kan inhouden. De wetgever heeft deze twee voorbeelden van inrichting, evenals de selectie van leerlingen, beschermd in de wet. De term inrichting is door de grondwetgever echter niet beperkt tot bepaalde onderwerpen. Dat komt doordat de grondwetgever bijzondere scholen vanwege de godsdienstige grondslag de vrijheid heeft gegeven om zelf invulling te geven aan de inrichting. De inrichting van een bijzondere school heeft de strekking van zelfregulering. Deze zelfregulering omvat dan het recht om zelf de identiteit organisatorisch vorm te geven in uitingen en gedragingen. Het gevolg is dat bepaalde op het oog niet-religieuze organisatorische aspecten, zoals de selectie van leerkrachten en leerlingen een religieus karakter kunnen krijgen.
De inrichtingsvrijheid zoals die door de grondwetgever is toegekend aan bijzondere scholen veronderstelt een subjectiverende kwalificatiewijze. Het bevoegd gezag van een bijzondere school bepaalt zelf wat zijn inrichting is en daarmee wat telt als godsdienst(ig). Deze benadering kan worden gelegitimeerd vanuit een communautaristisch ideaaltype. Binnen dat ideaaltype wordt aan religieuze groeperingen in de maatschappij een bepaalde mate van zelfregulering gelaten. We zien dat de rechter de bedoeling van de grondwetgever respecteert. De rechter gaat in zaken waar de selectie van leerkrachten of leerlingen aan de orde is vrij probleemloos uit van een subjectiverende kwalificatie. De rechter kwalificeert dan de grondslag van de school op basis van de statuten en de verklaringen van het bevoegd gezag van de school en gaat er op grond daarvan uit dat het gemaakte onderscheid een godsdienstige uiting of gedraging is. Dat dit zo probleemloos gaat komt waarschijnlijk doordat de AWGB-wetgever allerlei voorwaarden heeft verbonden aan het maken van onderscheid op basis van godsdienst. Hierdoor wordt het gemaakte onderscheid op basis van godsdienst in veel gevallen toch als onrechtmatig beoordeeld.