Einde inhoudsopgave
Aftrekbeperkingen van de rente in het internationale belastingrecht (FM nr. 132) 2008/5.7.4
5.7.4 Art. 13, lid 4, onderdeel b: vanaf 2007
mr. J. Vleggeert, datum 01-11-2008
- Datum
01-11-2008
- Auteur
mr. J. Vleggeert
- JCDI
JCDI:ADS298356:1
- Vakgebied(en)
Internationaal belastingrecht (V)
Internationaal belastingrecht / Algemeen
Internationaal belastingrecht / Belastingverdragen
Vennootschapsbelasting / Winstbepaling
Europees belastingrecht (V)
Europees belastingrecht / Algemeen
Vennootschapsbelasting / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Kamerstukken II 2005/06, 30 572, nr. 8 (Nota), p. 89.
Kamerstukken II 2005/06, 30 572, nr. 8 (Nota), p. 89.
Van Strien, die meent dat art. 10, lid 1, onderdeel d, een loze bepaling is, stelt dat belastingplichtigen toch een beroep op art. 13, lid 5, kunnen doen omdat duidelijk is wat met deze bepaling is beoogd. Wanneer het voor belastingplichtigen echter aantrekkelijk is om art. 13, lid 5, niet toe te passen, bijvoorbeeld wanneer de deelnemerschapslening in waarde is gedaald, vindt hij het verdedigbaar om de bepaling niet te toe passen. J. van Strien, Renteaftrekbeperkingen in de vennootschapsbelasting, FM nr. 119, Deventer: Kluwer 2007, p. 246. Zijn opvatting spreekt mij evenwel niet aan. Waarom zou alleen betekenis toekomen aan de bedoeling van de wetgever in gevallen waarin de belastingplichtige daar baat bij kan hebben?
Op grond van art. 13, lid 4, onderdeel b, maakt een deelnemerschapslening die de belastingplichtige heeft verstrekt aan een lichaam waarin hij een deelneming heeft, deel uit van de deelneming. Met de term ‘deelnemerschapslening’ wordt gedoeld op een geldlening waarop art. 10, lid 1, onderdeel d, Wet VPB 1969 van toepassing is.
Is de deelnemerschapslening verstrekt aan een deelneming in een niet in Nederland gevestigd lichaam, dan stelt art. 13, lid 4, onderdeel b, anders dan zijn voorganger, niet de eis dat de belastingplichtige aannemelijk maakt dat de betaalde vergoeding niet in aftrek komt op de winst van dat lichaam. De deelnemingsvrijstelling kan dus ook van toepassing zijn als de rente op een deelnemerschapslening bij de buitenlandse debiteur in aftrek is gekomen.1
In art. 13, lid 5, onderdeel b, is bepaald dat een schuldvordering als bedoeld in art. 10, lid 1, onderdeel d, ook als een deelneming wordt aangemerkt indien de belastingplichtige geen deelneming heeft in de debiteur, terwijl de debiteur wel een met de belastingplichtige verbonden lichaam is. Dat is bijvoorbeeld het geval als de belastingplichtige een deelnemerschapslening heeft verstrekt aan zijn moedermaatschappij. Daarnaast is een deelnemerschapslening als een deelneming te beschouwen wanneer de belastingplichtige geen deelneming heeft in de debiteur maar een met hem verbonden lichaam wel een dergelijke deelneming bezit. De meetrekregeling geldt ook als de verbonden vennootschap, die de deelneming heeft, in het buitenland is gevestigd.2
De meetrekregeling is niet van toepassing op schijnleningen en bodemloze put-leningen. Art. 13, lid 5, onderdeel b, heeft immers alleen betrekking op schuldvorderingen als bedoeld in art. 10, lid 1, onderdeel d,3 en schijnleningen en bodemloze putleningen vallen niet onder het bereik van de laatstgenoemde bepaling.