NJB 2025/759:Mensenhandel, art. 273f Sr: voor een op deze bepaling toegesneden bewezenverklaring hoeft in zijn algemeenheid uit de bewijsvoering niet te kunnen worden afgeleid ‘dat de slachtoffers daadwerkelijk een materieel nadeel hebben geleden’. Overlijden benadeelde partij ten tijde van het nog lopen van de strafprocedure: - Het strafgeding voorziet niet in de mogelijkheid dat in geval van overlijden van de benadeelde partij de erfgenaam zich in het geding voegt en de (proces)positie van de benadeelde partij overneemt. Dit betekent dat ook als de persoon die zich op grond van art. 51f lid 1 Sv als benadeelde partij in het strafgeding heeft gevoegd, is overleden, de rechter op grond van art. 361 lid 4 Sv moet beslissen op de betreffende vordering. (Vgl. HR 15 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:917). Als de voeging in eerste aanleg heeft plaatsgehad, dan duurt zij, voor zover de gevorderde schadevergoeding is toegewezen, ook in zo’n geval op grond van art. 421 lid 2 Sv van rechtswege voort in hoger beroep. - Op grond van art. 36f lid 2 Sr kan de schadevergoedingsmaatregel worden opgelegd als en voor zover de verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht. Die aansprakelijkheid van de verdachte jegens het slachtoffer eindigt niet door het overlijden van het slachtoffer.