Bij akte van 17 december 2024 is namens de verdachte het cassatie beroep partieel ingetrokken, voor zover dit de beslissing van het hof betreft om de verdachte ten aanzien van het onder 4 ten laste gelegde niet-ontvankelijk te verklaren in het hoger beroep en voor zover het de onder 2 en 3 gegeven vrijspraak betreft van het bestanddeel ‘levensgezel’. Nu het in dat laatste geval niet gaat om een in de tenlastelegging omschreven zelfstandig strafrechtelijk verwijt maar om een (wettelijke) strafverzwaringsgrond, meen ik overigens dat – op grond van HR 31 mei 2013, ECLI:NL:HR:2013:CA1610, NJ 2018/59, m.nt. P.A.M. Mevis – aan de beperking van het cassatieberoep voor wat betreft de vrijspraken onder 2 en 3 van het bestanddeel ‘levensgezel’ moet worden voorbijgegaan.
HR, 01-04-2025, nr. 23/02843
ECLI:NL:HR:2025:498
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
01-04-2025
- Zaaknummer
23/02843
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Materieel strafrecht (V)
Strafprocesrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2025:498, Uitspraak, Hoge Raad, 01‑04‑2025; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2025:147
In cassatie op: ECLI:NL:GHSHE:2023:2895
ECLI:NL:PHR:2025:147, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 11‑02‑2025
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2025:498
Beroepschrift, Hoge Raad, 30‑07‑2024
Beroepschrift, Hoge Raad, 29‑07‑2024
- Vindplaatsen
SR-Updates.nl 2025-0123
Uitspraak 01‑04‑2025
Inhoudsindicatie
Poging tot doodslag (art. 287 Sr) mishandeling, meermalen gepleegd (art. 300.1 Sr) en mensenhandel, meermalen gepleegd (art. 273f.1.1, 273f.1.4 en 273f.1.6 Sr). 1. Bewijsklacht mensenhandel t.a.v. uitbuiting. Moet uit bewijsvoering blijken van daadwerkelijk geleden materieel nadeel van slachtoffers? 2. Vordering benadeelde partij. Kon hof de vordering b.p. toewijzen en schadevergoedingsmaatregel opleggen t.b.v. slachtoffer dat tijdens hoger beroep is overleden, nu namens nabestaanden ttz. in h.b. is verklaard dat vordering niet wordt gehandhaafd? Ad 1. Opvatting dat voor een op art. 273f Sr toegesneden bewezenverklaring uit bewijsvoering moet kunnen worden afgeleid “dat slachtoffers daadwerkelijk materieel nadeel hebben geleden”, vindt in haar algemeenheid geen steun in het recht. Bewezenverklaring is, ook v.zv. hof heeft geoordeeld dat sprake was van uitbuiting, toereikend gemotiveerd. Ad 2. Strafgeding voorziet niet in mogelijkheid dat in geval van overlijden van b.p. de erfgenaam zich in geding voegt en (proces)positie van b.p. overneemt. Dit betekent dat ook als persoon die zich o.g.v. art. 51f.1 Sv als b.p. in strafgeding heeft gevoegd, is overleden, rechter o.g.v. art. 361.4 Sv moet beslissen op betreffende vordering (vgl. HR:2014:917). Als voeging in eerste aanleg heeft plaatsgehad, dan duurt zij, v.zv. gevorderde schadevergoeding is toegewezen, ook in zo’n geval o.g.v. art. 421.2 Sv van rechtswege voort in h.b. O.g.v. art. 36f.2 Sr kan schadevergoedingsmaatregel worden opgelegd als en v.zv. verdachte jegens slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor schade die door strafbaar feit is toegebracht. Die aansprakelijkheid van verdachte jegens slachtoffer eindigt niet door overlijden van slachtoffer (vgl. HR:2010:BL9105). Hof heeft vastgesteld dat vordering b.p. in e.a. integraal is toegewezen. In het licht hiervan heeft hof geoordeeld dat voeging in h.b. van rechtswege voortduurt “zodat hof daarop heeft te beslissen” en dat omstandigheid dat b.p. t.t.v. de over haar vordering te nemen beslissing was overleden, aan toewijzing van vordering niet in de weg staat, ook niet als die vordering strekt tot vergoeding van immateriële schade. Verder heeft hof geoordeeld dat in geval als dit (waarin slachtoffer is overleden nadat verdachte h.b. had ingesteld) schadevergoedingsmaatregel kan worden opgelegd ten behoeve van slachtoffer. Deze oordelen zijn tegen achtergrond van wat hiervoor is vooropgesteld, juist. Volgt verwerping.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 23/02843
Datum 1 april 2025
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 20 juli 2023, nummer 20-000907-22, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1968,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben J. Kuijper en S.J. van der Woude, beiden advocaat in Amsterdam, bij schriftuur en aanvullende schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
Namens de benadeelde partij [benadeelde ] en namens (de nabestaanden van) de benadeelde partij [slachtoffer ] heeft N.D. Geraads, advocaat in ’s-Hertogenbosch, verweerschriften ingediend.
De plaatsvervangend advocaat-generaal V.M.A. Sinnige heeft geconcludeerd tot vernietiging van de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan naar de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De raadslieden van de verdachte hebben daarop schriftelijk gereageerd.
2. Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
2.1
Het cassatiemiddel klaagt over de bewezenverklaring van het onder 5 en 6 tenlastegelegde.
2.2
Ten laste van de verdachte is onder 5 en 6 bewezenverklaard dat:
“5. hij in de periode van 1 april 2020 tot en met 2 juli 2021 te Eindhoven en/of Aalst en/of Geldrop en/of Nuenen en/of elders in Nederland, een ander, genaamd [slachtoffer ] , (telkens) met één of meer van de onder lid 1, sub 1° van artikel 273f Wetboek van Strafrecht genoemde middelen, te weten door dwang en geweld en dreiging met geweld, door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en door misbruik van een kwetsbare positie,
- heeft geworven, gehuisvest en opgenomen met het oogmerk van uitbuiting (sub 1), en
- heeft gedwongen of bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van arbeid of diensten (van criminele aard) dan wel enige handeling heeft ondernomen waarvan hij, verdachte, wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat die [slachtoffer ] zich daardoor beschikbaar zou stellen tot het verrichten van arbeid of diensten (van criminele aard) (sub 4), en
(telkens) opzettelijk voordeel heeft getrokken uit de uitbuiting van die [slachtoffer ] (sub 6),
waarbij dat geweld of een andere feitelijkheid en/of die dreiging met geweld of een andere feitelijkheid heeft/hebben bestaan uit:
- het mishandelen van die [slachtoffer ] (onder andere door die [slachtoffer ] te slaan en/of aan/bij de keel te grijpen en of te wurgen) en
- het zich op boze en/of agressieve en/of (anderszins) dreigende en/of overheersende en/of denigrerende toon/wijze te uiten tegen die [slachtoffer ] en
- het bedreigen van die [slachtoffer ] dat hij, verdachte, die [slachtoffer ] in een container zou stoppen en in de zee zou gaan dumpen en
- het brengen en houden van die [slachtoffer ] in een positie waar zij afhankelijk was van hem, verdachte, voor het hebben van onderdak en
- het brengen en houden van die [slachtoffer ] in een positie waar zij niet over haar eigen financiële middelen en/of bankpas kon beschikken
waarbij voornoemde (onder sub 4) “enige handeling” heeft bestaan uit:
- het aangaan en onderhouden van een liefdesrelatie en seksuele relatie met die [slachtoffer ] en
- het laten verblijven van die [slachtoffer ] in zijn, verdachtes, woning en
- het verschaffen van alcoholische drank aan die [slachtoffer ] , waarmee hij, verdachte, die [slachtoffer ] in haar alcoholverslaving heeft voorzien en
- het bepalen dat die [slachtoffer ] op de uitkijk moest staan, wanneer hij, verdachte, diefstallen pleegde en
- het bepalen dat die [slachtoffer ] behulpzaam moest zijn bij het plegen van diefstallen en
- het bepalen dat die [slachtoffer ] diefstallen moest gaan plegen.
6. hij in de periode van 1 juni 2018 tot en met 31 januari 2019 te Eindhoven en Mierlo en Geldrop en Vught en/of elders in Nederland en/of in België, een ander, genaamd [benadeelde ] , met één of meer van de onder lid 1, sub 1° van artikel 273f Wetboek van Strafrecht genoemde middelen, te weten door dwang en geweld en dreiging met geweld, door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en door misbruik van een kwetsbare positie,
- heeft geworven, gehuisvest en opgenomen met het oogmerk van uitbuiting (sub 1), en
- heeft gedwongen of bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van arbeid of diensten (van criminele aard) dan wel enige handeling heeft ondernomen waarvan hij, verdachte, wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat die [benadeelde ] zich daardoor beschikbaar zou stellen tot het verrichten van arbeid of diensten (van criminele aard) (sub 4), en
(telkens) opzettelijk voordeel heeft getrokken uit de uitbuiting van die [benadeelde ] (sub 6),
waarbij dat geweld of een andere feitelijkheid en die dreiging met geweld of een andere feitelijkheid hebben bestaan uit:
- het mishandelen van die [benadeelde ] (onder andere door die [benadeelde ] met handen en/of gebalde vuisten te slaan) en
- het zich op boze en agressieve en dreigende en overheersende en denigrerende toon/wijze te uiten tegen die [benadeelde ] en
- het bedreigen van die [benadeelde ] dat hij, verdachte, die [benadeelde ] zou gaan snijden en een pistool op haar hoofd zou zetten en
- het innemen en bij zich houden van het identiteitsbewijs van die [benadeelde ] , waardoor die [benadeelde ] hier zelf niet over kon beschikken
waarbij voornoemde (onder sub 4) “enige handeling” heeft bestaan uit:
- het aangaan en onderhouden van een liefdesrelatie en seksuele relatie met die [benadeelde ] en
- het laten verblijven van die [benadeelde ] in zijn, verdachtes, woning en
- het verschaffen van alcoholische drank en/of verdovende middelen aan die [benadeelde ] , waarmee hij, verdachte, die [benadeelde ] verslaafd heeft gemaakt aan alcohol en verdovende middelen en waarmee hij, verdachte, in de verslaving van die [benadeelde ] heeft voorzien en
- het bepalen dat die [benadeelde ] op de uitkijk moest staan, wanneer hij, verdachte, één of meerdere diefstallen pleegde en
- het bepalen dat die [benadeelde ] behulpzaam moest zijn bij het plegen van diefstallen en
- het bepalen dat die [benadeelde ] diefstallen moest gaan plegen.”
2.3
Deze bewezenverklaring steunt op de bewijsmiddelen die zijn opgenomen in (de aanvulling op) het arrest van het hof. Verder heeft het hof in zijn arrest een bewijsoverweging opgenomen zoals weergegeven in de conclusie van de plaatsvervangend advocaat-generaal onder 3.4.
2.4
Voor zover het cassatiemiddel berust op de opvatting dat voor een op artikel 273f van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) toegesneden bewezenverklaring uit de bewijsvoering moet kunnen worden afgeleid “dat de slachtoffers daadwerkelijk een materieel nadeel hebben geleden”, faalt het omdat die opvatting in haar algemeenheid geen steun vindt in het recht. De bewezenverklaring is, ook voor zover het hof heeft geoordeeld dat sprake was van uitbuiting, toereikend gemotiveerd.
2.5
Het cassatiemiddel faalt.
3. Beoordeling van het derde cassatiemiddel
3.1
Het cassatiemiddel klaagt over de toewijzing door het hof van de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer ] en over de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van [slachtoffer ] . Het voert daartoe aan dat [slachtoffer ] tijdens het hoger beroep was overleden en dat namens haar nabestaanden op de terechtzitting in hoger beroep is verklaard dat de vordering niet wordt gehandhaafd.
3.2.1
De verdachte is in hoger beroep veroordeeld voor onder meer, kort gezegd, de jegens [slachtoffer ] begane feiten 1. poging tot doodslag, 2. mishandeling, en 5. mensenhandel.
3.2.2
De stukken houden in dat:i) [slachtoffer ] zich in eerste aanleg als benadeelde partij in het strafgeding heeft gevoegd met een vordering tot schadevergoeding tot een bedrag van € 4.269,44, bestaande uit € 269,44 aan materiële schade en € 4.000 aan immateriële schade,ii) de rechtbank deze vordering op 14 april 2022 geheel heeft toegewezen en ten behoeve van het slachtoffer aan de verdachte een schadevergoedingsmaatregel heeft opgelegd, eniii) [slachtoffer ] op 30 juni 2022 is overleden.
3.2.3
Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 6 juli 2023 houdt onder meer in:
“De voorzitter deelt mede dat het hof in het procesdossier als nieuwe stukken heeft aangetroffen: (...)
- een mailbericht d.d. 5 juli 2023 van de raadsvrouw mr. Geraads waarin zij (...) namens de nabestaanden van de benadeelde partij [slachtoffer ] te kennen geeft dat de vordering in hoger beroep niet wordt gehandhaafd. (...)
Mr. Geraads verklaart desgevraagd dat het klopt dat de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer ] niet langer wordt gehandhaafd.”
3.2.4
Het hof heeft de vordering van de benadeelde partij toegewezen en aan de verdachte de schadevergoedingsmaatregel opgelegd. Daartoe heeft het onder meer overwogen:
“Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer ]
De benadeelde partij [slachtoffer ] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 4.269,44, bestaande uit een bedrag van € 269,44 ter zake materiële schade zijnde daggeldvergoeding van € 93,- voor verblijf in het ziekenhuis, en een bedrag van € 176,44,- ter zake eigen risico van de zorgverzekering. Daarnaast is aan immateriële schade een bedrag gevorderd van € 4.000,-. Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen.
(...)
Het hof overweegt dienaangaande als volgt.
De benadeelde partij [slachtoffer ] is inmiddels overleden. Bij mail van 5 juli 2023 heeft de raadsvrouw mr. N.D. Geraads namens de nabestaanden van de benadeelde partij [slachtoffer ] bericht dat de vordering niet wordt gehandhaafd. Ter terechtzitting in hoger beroep is door het hof aan de raadsvrouw gevraagd of de vordering wordt ingetrokken of niet langer wordt gehandhaafd. De raadsvrouw heeft daarop geantwoord dat de vordering niet langer wordt gehandhaafd maar niet wordt ingetrokken.
Nu de vordering benadeelde partij niet is ingetrokken en deze vordering in eerste aanleg in zijn geheel is toegewezen, duurt deze van rechtswege in hoger beroep voort zodat het hof daarop heeft te beslissen.
Het hof stelt daarbij voorop dat de omstandigheid dat een benadeelde partij ten tijde van de op haar vordering te nemen beslissing is overleden aan toewijzing van de vordering niet in de weg staat, ook niet indien zij strekt tot vergoeding van immateriële schade.
(...)
Schadevergoedingsmaatregel
Op grond van het onderzoek ter terechtzitting heeft het hof in rechte vastgesteld dat door het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade aan het [slachtoffer ] is toegebracht tot een bedrag van € 4.269,44. De verdachte is daarvoor jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk.”
3.3
De volgende bepalingen zijn van belang.
“1. Aan degene die bij rechterlijke uitspraak wegens een strafbaar feit wordt veroordeeld tot een straf of aan wie bij rechterlijke uitspraak een maatregel wordt opgelegd dan wel ten aanzien van wie met toepassing van artikel 2.3, onderdeel 1°, 2° of 4°, van de Wet forensische zorg een zorgmachtiging is afgegeven, of waarbij door de rechter bij de strafoplegging rekening is gehouden met een strafbaar feit, waarvan in de dagvaarding is meegedeeld dat het door de verdachte is erkend en ter kennis van de rechtbank wordt gebracht dan wel jegens wie een strafbeschikking wordt uitgevaardigd, kan de verplichting worden opgelegd tot betaling aan de staat van een som gelds ten behoeve van het slachtoffer of de personen genoemd in artikel 51f, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering. De staat keert een ontvangen bedrag onverwijld uit aan het slachtoffer of de personen genoemd in artikel 51f, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering.
2. De maatregel kan worden opgelegd indien en voor zover de verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht.”
- Artikel 51a lid 1, aanhef en onder a, van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv):
“In deze titel wordt verstaan onder:
a. slachtoffer:
1°. degene die als rechtstreeks gevolg van een strafbaar feit vermogensschade of ander nadeel heeft ondervonden. Met het slachtoffer wordt gelijkgesteld de rechtspersoon die als rechtstreeks gevolg van een strafbaar feit vermogensschade of ander nadeel heeft ondervonden;
2°. nabestaande: familieleden van een persoon wiens overlijden rechtstreeks veroorzaakt is door een strafbaar feit.”
“1. Degene die rechtstreeks schade heeft geleden door een strafbaar feit, kan zich terzake van zijn vordering tot schadevergoeding als benadeelde partij voegen in het strafproces.
2. Indien de in het eerste lid genoemde persoon ten gevolge van het strafbare feit is overleden, kunnen zich voegen diens erfgenamen ter zake van hun onder algemene titel verkregen vordering en de personen, bedoeld in artikel 108, eerste tot en met vierde lid, van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek ter zake van de daar bedoelde vorderingen. Indien de in het eerste lid genoemde persoon ten gevolge van het strafbare feit letsel heeft, kunnen zich voegen de personen, bedoeld in artikel 107, eerste lid, onder a en b, van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek ter zake van de daar bedoelde vorderingen.”
- Artikel 361 leden 1 en 4 Sv, welke bepaling op grond van artikel 415 lid 1 Sv in hoger beroep van overeenkomstige toepassing is:
“1. Indien over de vordering van de benadeelde partij gelijktijdig met de strafzaak uitspraak dient te worden gedaan, beraadslaagt de rechtbank mede over de ontvankelijkheid van de benadeelde partij, over de gegrondheid van haar vordering en over de verwijzing in de kosten door die partij, de verdachte en, in het in artikel 51g, vierde lid bedoelde geval, diens ouders of voogd gemaakt. De beraadslaging over de verwijzing in de kosten vindt ook plaats indien artikel 333 toepassing heeft gevonden.
4. Het vonnis houdt, tenzij de rechtbank met toepassing van artikel 333 zonder nader onderzoek van de zaak de niet-ontvankelijkheid van de benadeelde partij heeft uitgesproken, ook in de beslissing van de rechtbank over de vordering van de benadeelde partij. Deze beslissing is met redenen omkleed.”
“1. De benadeelde partij die zich niet overeenkomstig artikel 51g, eerste of derde lid, in het geding in eerste aanleg heeft gevoegd, is daartoe onbevoegd in het geding in hoger beroep.
2. Heeft de voeging in eerste aanleg plaats gehad, dan duurt zij, voor zover de gevorderde schadevergoeding is toegewezen, van rechtswege voort in hoger beroep.
3. Voor zover de gevorderde schadevergoeding niet is toegewezen kan de benadeelde partij zich binnen de grenzen van haar eerste vordering in hoger beroep voegen. Titel IIIa van het Eerste Boek is, met uitzondering van artikel 51f, eerste tot en met derde lid, van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat voor de ingevolge artikel 51g vereiste opgave kan worden volstaan met een verwijzing naar de opgave van de eerste vordering, indien deze ongewijzigd is gebleven.”
3.4.1
Het strafgeding voorziet niet in de mogelijkheid dat in geval van overlijden van de benadeelde partij de erfgenaam zich in het geding voegt en de (proces)positie van de benadeelde partij overneemt. Dit betekent dat ook als de persoon die zich op grond van artikel 51f lid 1 Sv als benadeelde partij in het strafgeding heeft gevoegd, is overleden, de rechter op grond van artikel 361 lid 4 Sv moet beslissen op de betreffende vordering. (Vgl. HR 15 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:917.) Als de voeging in eerste aanleg heeft plaatsgehad, dan duurt zij, voor zover de gevorderde schadevergoeding is toegewezen, ook in zo’n geval op grond van artikel 421 lid 2 Sv van rechtswege voort in hoger beroep.
3.4.2
Op grond van artikel 36f lid 2 Sr kan de schadevergoedingsmaatregel worden opgelegd als en voor zover de verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht. Die aansprakelijkheid van de verdachte jegens het slachtoffer eindigt niet door het overlijden van het slachtoffer. (Vgl. HR 13 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL9105.)
3.5
Het hof heeft vastgesteld dat de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer ] in eerste aanleg integraal is toegewezen. In het licht hiervan heeft het hof geoordeeld dat de voeging in hoger beroep van rechtswege voortduurt “zodat het hof daarop heeft te beslissen”, en dat de omstandigheid dat de benadeelde partij ten tijde van de over haar vordering te nemen beslissing was overleden, aan toewijzing van de vordering niet in de weg staat, ook niet als die vordering strekt tot vergoeding van immateriële schade. Verder heeft het hof geoordeeld dat in een geval als dit – waarin het slachtoffer is overleden nadat de verdachte hoger beroep had ingesteld – een schadevergoedingsmaatregel kan worden opgelegd ten behoeve van het slachtoffer. Deze oordelen zijn tegen de achtergrond van wat onder 3.4 is vooropgesteld, juist.
3.6
Het cassatiemiddel faalt.
4. Beoordeling van het vierde cassatiemiddel
4.1
Het cassatiemiddel klaagt dat in de cassatiefase de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) is overschreden omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.
4.2
Het cassatiemiddel is gegrond. Bovendien doet de Hoge Raad in deze zaak waarin de verdachte zich in voorlopige hechtenis bevindt, uitspraak nadat meer dan zestien maanden zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Een en ander brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van zeven jaren.
5. Beoordeling van de overige cassatiemiddelen
De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
6. Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;
- vermindert deze in die zin dat deze zes jaren en acht maanden beloopt;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren T. Kooijmans en C.N. Dalebout, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 1 april 2025.
Conclusie 11‑02‑2025
Inhoudsindicatie
Conclusie plv. AG. Poging doodslag (art. 287 jo. 45 Sr), mishandeling (art. 300 Sr) en mensenhandel door twee kwetsbare vrouwen in huis te nemen, te mishandelen en strafbare activiteiten te laten verrichten (art. 273f.1.1, 273f.1.4 en 273f.1.6 Sr). 1. Bewijsklacht voorwaardelijk opzet op de dood. 2. Bewijsklacht mensenhandel. Opvatting dat voor ‘uitbuiting’ uit bewijsvoering moet blijken dat slachtoffer daadwerkelijk materieel nadeel heeft geleden, vindt volgens plv. AG geen steun in het recht. Oordeel hof dat sprake is van (oogmerk van) uitbuiting, getuigt ook overigens niet van onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. 3. Vordering van tussen e.a. en h.b. overleden benadeelde partij. Hof heeft geoordeeld dat door rechtbank toegewezen vordering na overlijden benadeelde partij o.g.v. art. 421.2 Sv van rechtswege voortduurt in h.b. en dat hof daarop moest beslissen. Dat oordeel is volgens plv. AG juridisch juist. Dat erfgenamen op tz. in h.b. zouden hebben aangegeven de vordering niet te willen handhaven, doet daar niet aan af. Die opmerking stond volgens plv. AG ook niet in de weg aan toewijzing van vordering aan inmiddels overleden benadeelde partij. 4. Vordering benadeelde partijen t.z.v. immateriële schadevergoeding. 5. Overschrijding inzendtermijn. Conclusie strekt tot strafvermindering wegens overschrijding redelijke termijn en tot verwerping voor het overige.
Partij(en)
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 23/02843
Zitting 11 februari 2025
CONCLUSIE
V.M.A. Sinnige
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1968,
hierna: de verdachte.
1. Inleiding
1.1
De verdachte is bij arrest van 20 juli 2023 door het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch wegens
- onder 1 “Poging tot doodslag”,
- onder 2 en 5 “de eendaadse samenloop van mishandeling, meermalen gepleegd; en mensenhandel”, en
- onder 3 en 6 “de eendaadse samenloop van mishandeling, meermalen gepleegd; en mensenhandel”
veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zeven jaren, met aftrek van voorarrest. Daarnaast heeft het hof een vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38v Sr opgelegd, bestaande uit een contactverbod voor de duur van vijf jaren. Tot slot heeft het hof een beslissing genomen op de vorderingen van de benadeelde partijen en aan de verdachte een schadevergoedingsmaatregel opgelegd, een en ander zoals nader in het arrest omschreven.
1.2
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. J. Kuijper en S.J. van der Woude, beiden advocaat in Amsterdam, hebben bij schriftuur vier middelen van cassatie voorgesteld. Bij aanvullende schriftuur heeft J. Kuijper nog een vijfde middel voorgesteld.1.Mr. N.D. Geraads, advocaat in ’s-Hertogenbosch, heeft namens de benadeelde partij [slachtoffer 2] een verweerschrift ingediend.
1.3
Het eerste middel richt zich tegen de onder 1 bewezen verklaarde poging tot doodslag op [slachtoffer 1] en klaagt in het bijzonder dat het hof ontoereikend heeft gemotiveerd dat de verdachte voorwaardelijk opzet had op haar dood. Het tweede middel gaat over de onder 5 en 6 bewezen verklaarde mensenhandel ten aanzien van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] . Het derde middel ziet op de door het hof toegewezen vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] en het vierde middel klaagt over de schending van de inzendtermijn in cassatie. Het bij aanvullende schriftuur voorgestelde vijfde middel, dat ik omwille van de materie na het derde middel zal bespreken, klaagt over de door het hof aan [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] toegewezen immateriële schade.
2. Het eerste middel
2.1
Het middel bevat klachten over het oordeel van het hof dat de verdachte voorwaardelijk opzet had op de dood van [slachtoffer 1] , zoals bewezen verklaard onder 1. In de eerste plaats wordt geklaagd dat uit de bewijsmiddelen niet kan blijken dat de verdachte [slachtoffer 1] tegen de (linker)slaap heeft geslagen en evenmin dat hij haar keel heeft dichtgeknepen “op zodanige wijze dat hierdoor bewezen kan worden dat de aanmerkelijke kans dat de dood van het slachtoffer had kunnen volgen en/of verzoeker deze kans willens en wetens heeft aanvaard”. In de tweede plaats wordt geklaagd dat het hof de bewijsoverweging van de rechtbank heeft overgenomen en daarmee ook betekenis heeft toegekend aan de omstandigheid dat de verdachte ter terechtzitting zou hebben verklaard dat hij “bozer dan boos” was op [slachtoffer 1] , terwijl dat uit de processen-verbaal van de terechtzittingen in eerste aanleg niet blijkt.
2.2
Ten laste van de verdachte is onder 1 bewezenverklaard dat:
“hij op 3 juli 2021 te Eindhoven ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer 1] opzettelijk van het leven te beroven, genoemde [slachtoffer 1] met een hard houten slagvoorwerp, tegen het hoofd heeft geslagen, en met kracht de keel van die [slachtoffer 1] heeft dichtgeknepen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid”
2.3
De bewezenverklaring is gebaseerd op de in de aanvulling op het arrest opgenomen bewijsmiddelen, die in totaal 19 pagina’s beslaan. Nu het arrest een uitgebreide bewijsoverweging van het hof bevat, zal ik de bewijsmiddelen niet integraal overnemen. Daar waar dat relevant is, zal ik de bewijsmiddelen – of onderdelen daarvan – bij de bespreking van het middel citeren.
2.4
Het hof heeft ten aanzien van de onder 1 ten laste gelegde poging tot doodslag in zijn arrest het volgende overwogen:
“Onder feit 1 is onder meer - kort weergegeven - aan verdachte ten laste gelegd de poging tot doodslag op [slachtoffer 1] .
De verdediging heeft het standpunt ingenomen dat verdachte van deze poging tot doodslag dient te worden vrijgesproken. Als in eerste aanleg is daartoe aangevoerd dat verdachte geen opzet had, ook niet in voorwaardelijke zin, op de dood van [slachtoffer 1] .
Het hof overweegt dienaangaande als volgt.
De rechtbank heeft omtrent dit standpunt het navolgende vastgesteld (p.6):
“De rechtbank stelt vast dat verdachte en aangeefster [slachtoffer 1] [hierna: aangeefster] op 03 juli 2021 met elkaar in conflict zijn gekomen en verdachte daarbij geweld tegen die [slachtoffer 1] heeft gebruikt. Verdachte en aangeefster hadden op dat moment een relatie en woonden samen in de woning van verdachte aan de [a-straat 1] , [plaats] .
Aangeefster heeft verklaard dat verdachte haar uit het niets met zijn handen en een knuppel meerdere malen heeft geslagen. Deze verklaring vindt steun in het objectief vastgestelde letsel bij aangeefster. Door de forensisch arts is bevestigd dat het letsel op het aangezicht door het slaan met een houten slagvoorwerp is veroorzaakt. Ook heeft de arts aangegeven dat de verwondingen van recente origine zijn, te weten van de datum waarop de letselopnamen door de forensisch ondersteuner zijn gemaakt, en dat de letsels zoals gefotografeerd op de buik grote hematomen betreffen die zijn veroorzaakt door uitwendig trauma. De rechtbank wijst er bovendien op dat aangeefster meteen na het incident, toen zij door een voorbijganger naar de ambulance was gebracht, tegen de ambulancemedewerker heeft gezegd dat zij in elkaar was geslagen door haar vriend. Tevens is het bloed van aangeefster op het houten slagwapen aangetroffen, op de plek waar het wapen haar logischerwijs zou hebben geraakt. Op de andere zijde van het wapen, waar dat logischerwijs zou zijn vastgehouden bij het slaan, is DNA van verdachte aangetroffen. Ook in de woning van verdachte is op meerdere plekken bloed aangetroffen. De rechtbank acht de verklaring van aangeefster, dat zij die dag door verdachte meerdere malen met het houten slagwapen op haar hoofd en lichaam is geslagen, gelet op al het voorgaande, betrouwbaar en bruikbaar voor het bewijs.”
Het hof heeft geen reden anders te overwegen neemt vorenstaande overwegingen over en maakt deze tot de zijne en vult deze als volgt aan.
Ter terechtzitting in hoger beroep op 6 juli 2023 heeft verdachte – wat in eerste aanleg nog wel het geval was – niet langer verklaard dat het bij aangeefster waargenomen letsel afkomstig is geweest van een val van de trap. Verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat op enig moment bij hem “de stoppen” doorsloegen en dat hij daarop op 3 juli 2021 te Eindhoven [slachtoffer 1] met een hard houten slagvoorwerp heeft geslagen.
Vervolgens heeft de rechtbank het navolgende overwogen en beslist (p. 7):
“De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld hoe dit handelen van verdachte moet worden gekwalificeerd.
De vraag die voorligt, is of er sprake is van voorwaardelijk opzet op de dood van aangeefster. Voor de bewezenverklaring van voorwaardelijk opzet op een poging tot doodslag is vereist dat de verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat aangeefster als gevolg van het door verdachte aangewende geweld zou komen te overlijden. Voor de vaststelling hiervan is niet alleen vereist dat verdachte de wetenschap heeft van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden, maar ook dat hij die kans ten tijde van zijn gedraging bewust heeft aanvaard. De beantwoording van deze vraag is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard en de omstandigheden waaronder de gedraging is verricht. Bepaalde gedragingen kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zozeer te zijn gericht op een bepaald gevolg, dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het gevolg heeft aanvaard.
De rechtbank overweegt hieromtrent als volgt. Verdachte heeft aangeefster meerdere malen met een houten slagwapen geslagen, waarbij hij haar ook tegen het hoofd heeft geslagen. Aangeefster heeft hierdoor letsel opgelopen op de linkerzijde van haar hoofd. Het is een feit van algemene bekendheid dat het hoofd één van de meest kwetsbare delen van het menselijk lichaam is. Op het hoofd bevinden zich immers zeer kwetsbare delen, zoals de slaap. Slaan met een hard (zwaar) voorwerp op het hoofd ter hoogte van de slaap kan dan ook naar algemene ervaringsregels leiden tot de dood van het slachtoffer, zeker als het slaan met kracht gebeurt. Hoewel aangeefster niet verklaard heeft over de kracht waarmee is geslagen, is de rechtbank desalniettemin van oordeel dat in het dossier, alsmede uit de verklaring van verdachte ter zitting dat hij bozer dan boos was op haar, voldoende kan worden afgeleid dat verdachte met de nodige kracht heeft geslagen. Het letsel van aangeefster, ook op andere delen van haar lichaam, toont aan dat het geweld dat verdachte op aangeefster heeft uitgeoefend excessief moet zijn geweest. Verdachte heeft meerdere malen, naar het oordeel van de rechtbank in blinde woede, met een houten slagwapen op het lichaam en het hoofd van aangeefster geslagen terwijl zij hulpeloos op bed lag. Daarbij heeft hij haar ten minste éénmaal op haar hoofd, ter hoogte van haar slaap geraakt. Naar uiterlijke verschijningsvorm kan het gebruik van dit excessieve geweld dat mede gericht moet zijn geweest op het hoofd van aangeefster aangemerkt worden als zozeer te zijn gericht op het toebrengen van potentieel dodelijk letsel, dat de verdachte door zo te handelen die aanmerkelijke kans op het gevolg heeft aanvaard. De rechtbank heeft in het procesdossier geen aanwijzingen gevonden die contra-indicaties opleveren. De rechtbank stelt dan ook vast dat de verdachte voorwaardelijk opzet had op de dood van aangeefster. De rechtbank acht dan ook bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een poging tot doodslag.”
Het hof neemt vorenstaande overwegingen en beslissing van de rechtbank over en maakt deze tot de zijne en vult deze overwegingen aan met het navolgende.
Dat verdachte – zoals de rechtbank hiervoor heeft overwogen – in blinde woede met een hard houten slagwapen heeft geslagen volgt tevens uit zijn eigen verklaring ter terechtzitting in hoger beroep – zoals hiervoor weergegeven – dat bij hem op dat moment “de stoppen” doorsloegen en hem brachten tot zijn handelen.
Verder betrekt het hof bij het oordeel dat verdachte voorwaardelijk opzet heeft gehad op de dood van [slachtoffer 1] dat verdachte daarbij tevens met kracht de keel van die [slachtoffer 1] heeft dichtgeknepen waarover zij ook heeft verklaard (dos. p.98): zij was bang dat zij zou verstikken en dat zij geen of minder lucht kreeg.
Alles overziende komt het hof met de rechtbank tot een bewezenverklaring van de poging tot doodslag als onder feit 1 ten laste is gelegd en verwerpt het andersluidende standpunt van de verdediging.”
2.5
Ik begin met de klacht over de door het hof overgenomen overweging van de rechtbank dat de verdachte op de terechtzitting zou hebben verklaard dat hij “bozer dan boos” was op de aangeefster. Dat de verdachte ten tijde van het slaan met het houten slawapen “bozer dan boos” was, is een van de omstandigheden op basis waarvan de rechtbank heeft geoordeeld dat de verdachte met de nodige kracht heeft geslagen. Ook het oordeel van de rechtbank dat het slaan met het houten slagwapen door de verdachte is gebeurd “in blinde woede”, is kennelijk gebaseerd op deze verklaring van de verdachte.
2.6
Het hof heeft deze overwegingen van de rechtbank overgenomen. Het hof heeft in aanvulling daarop echter ook nog overwogen dat de omstandigheid dat de verdachte “in blinde woede” met een hard houten slagwapen heeft geslagen, tevens volgt uit de verklaring van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep. Die verklaring op de terechtzitting van 6 juli 2023 heeft het hof gebruikt als bewijsmiddel 11 en houdt het volgende in:
“Op 3 juli 2021 sloegen bij mij de stoppen door en heb ik haar (hof: [slachtoffer 1] ) bij de keel gepakt en met een hard houten voorwerp geslagen.”
2.7
Dat uit de processen-verbaal in eerste aanleg – inderdaad – niet blijkt dat de verdachte heeft verklaard dat hij “bozer dan boos” was op [slachtoffer 1] , doet – gelet op deze verklaring van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep – naar mijn oordeel niet af aan de door het hof overgenomen overwegingen van de rechtbank. Uit de verklaring dat bij de verdachte “de stoppen” doorsloegen, heeft het hof kunnen afleiden dat de verdachte “in blinde woede” heeft geslagen. Voorts lijkt deze verklaring mij op dezelfde manier redengevend voor het oordeel dat de verdachte met de nodige kracht heeft geslagen als de verklaring dat hij “bozer dan boos” was. Dat de verdachte in blinde woede heeft geslagen, wordt overigens ook ondersteund door de aangifte van [slachtoffer 1] , waarin zij heeft verklaard dat de verdachte “heel erg kwaad” was (bewijsmiddel 1).
2.8
De klacht faalt bij gebrek aan belang.
2.9
Dan de klacht dat uit de bewijsmiddelen niet zou volgen dat de verdachte [slachtoffer 1] tegen de slaap heeft geslagen. Volgens de steller van het middel volgt uit de bewijsmiddelen slechts dat sprake was van enig letsel aan de linkerzijde van het hoofd, maar niet van enig – laat staan ernstig – letsel ter hoogte van de slaap.
2.10
De voor het bewijs gebruikte verklaring van [slachtoffer 1] (bewijsmiddel 2) houdt onder meer in dat zij “ongeveer 4 of 5 keer” door de verdachte met een stuk hout van ongeveer een meter lang is geslagen en dat zij op de vraag “Waar ben je geraakt?” heeft geantwoord: “Op mijn ribben en aan de linker zijkant van mijn hoofd. Ook sloeg hij op mijn rechterbeen.”
2.11
Over het letsel dat bij [slachtoffer 1] is ontstaan, houden de bewijsmiddelen het volgende in:
“1. Het proces-verbaal van aangifte d.d. 3 juli 2021 (p. 79-80 van het politiedossier), voor zover inhoudende:
(…)
- als relaas van eigen waarneming(en) en/of bevinding(en) van verbalisant [verbalisant 1]
Ik zag dat het gezicht van de benadeelde [VS: ik begrijp aangeefster [slachtoffer 1] ] volledig opgezwollen was.
[…]
4. Een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef en onder 5 Wetboek van Strafvordering, te weten (een fotokopie van) een Aanvraagformulier medische informatie betreffende [slachtoffer 1], opgemaakt d.d. 4 juli 2021 door [verbalisant 2] , (p. 91 -94 van het politiedossier), voor zover - zakelijk weergegeven –
Verzoek om medische informatie over [slachtoffer 1] , geboren op [geboortedatum] 1979, adres [a-straat 1] te [plaats] .
In te vullen door de arts
Medische informatie betreffende betrokkene Datum onderzoek 3-7-2021
Omschrijving van het letsel
- hematoom aangezicht + wondjes;
- ribbreuk links, zowel oud als nieuw;
- blauwe plekken buik en zij;
- blauwe plekken kuit rechts.
5. Het proces-verbaal van bevindingen (‘forensisch onderzoek persoon’) d.d. 6 juli 2021, met bijlage (p. 101-124 van het politiedossier), voor zover inhoudende als relaas van eigen waarneming(en) en/of bevinding(en) van verbalisant [verbalisant 3] :
Op 6 juli 2021 om 15:00 uur kwam ik, naar aanleiding van een zware mishandeling, voor forensisch onderzoek aan in het Catharina ziekenhuis op de locatie Michelangelolaan 2 te Eindhoven.
Slachtoffer
Achternaam : [slachtoffer 1]
Voornamen : [...]
Geboortedatum : [geboortedatum] 1979
Tijdens het onderzoek maakte ik foto’s.
Het onderzoek vond plaats op de verpleegafdeling in het Catharina ziekenhuis.
Aan mij, verbalisant, werd verzocht de forensisch arts drs. E.C. Swaminathan, werkzaam bij de GGD Brabant Zuid-Oost, te ondersteunen en het maken van foto’s van de door hem aangewezen letsels.
De gemaakte foto’s zijn door mij aan hem overgedragen, voor een letselinterpretatie. Het verslag wordt als bijlage gevoegd bij dit proces-verbaal.
(p. 103-124: 29 foto-opnames van het letsel van [slachtoffer 1] , met daarbij als beschrijving van drs. E.C. Swaminatan voornoemd:)
Aangetroffen verwondingen: oppervlakkige verwondingen aan het gelaat, bloeduitstorting [hematoom] aan de rechter bovenzijde van de oogkas, bloeduitstorting aan de rechterzijde van de hals ter hoogte van de rechter onderkaak, parallel verlopende verwondingen met puntbloedingen aan de linkerzijde van het gelaat ter hoogte van de linkerwang, bloeduitstorting achter de linker oorschelp, bloeduitstorting aan de linkerzijde van de hals, onder de linker kaak, huidbeschadiging aan de bovenrand van de bovenlip, bloeduitstortingen voorzijde van de buik, hematoom linker buitenzijde bovenarm, krasverwondingen over de gehele rug, bloeduitstorting linkerzijde lichaam, hematoom rechterzijde buik, schaafverwondingen rechterheup, horizontaal verwondingen en bloeduitstortingen aan de rechter onderbeen ter hoogte van de rechter kuit en een oppervlakkige verwonding aan de linkerarm.
6. Het aanvullend proces-verbaal van bevindingen d.d. 8 september 2021, voor zover inhoudende als relaas van eigen waarneming(en) en/of bevinding(en) van [officier van justitie] , officier van justitie:
In het strafrechtelijk onderzoek tegen verdachte [verdachte] (parketnr 01/175603-21) is door mij contact gezocht met de forensisch arts drs. E. Swaminatan. Ik heb de forensisch arts gevraagd of hij de letsels van [slachtoffer 1] nader kon duiden. Hierop heeft de forensisch arts mij het volgende laten weten:
“De verwonding op het aangezicht van slachtoffer is door het slaan met een houten slagwapen veroorzaakt. De verwondingen zijn van recente origine (de datum of dag waarop de letselopnamen door de forensisch ondersteuner zijn gemaakt). Ten tweede zijn de letsels zoals gefotografeerd op de buik een grote hematoom, De hematomen zijn veroorzaakt door uitwendig trauma toegebracht op de desbetreffende lichaamsdeel..’
2.12
De stellers van het middel kan worden toegegeven dat uit de voor het bewijs gebruikte letselbeschrijving niet zonder meer kan worden afgeleid dat er sprake was van enig letsel ter hoogte van de slaap. De letselbeschrijving houdt in dit verband namelijk slechts in dat er bij [slachtoffer 1] parallel verlopende verwondingen met puntbloedingen ter hoogte van de linkerwang en een bloeduitstorting achter de linkeroorschelp zijn geconstateerd. Ook uit de verklaring van [slachtoffer 1] blijkt slechts dat zij tegen de linkerzijkant van het hoofd is geslagen, maar niet dat zij op haar slaap is geraakt. Uit de bewijsvoering van het hof kan daarom niet zonder meer worden afgeleid dat [slachtoffer 1] ter hoogte van haar slaap is geraakt.
2.13
Naar mijn oordeel doet die omstandigheid evenwel niet af aan de begrijpelijkheid van het oordeel dat de verdachte voorwaardelijk opzet had op de dood van [slachtoffer 1] . Daarbij merk ik in de eerste plaats op dat het hof niet heeft bewezenverklaard dat sprake zou zijn van letsel op of ter hoogte van de slaap en dat ook niet in de bewijsvoering heeft betrokken. Het hof heeft vastgesteld dat de verdachte meerdere malen – in blinde woede en met de nodige kracht – met een houten slagwapen op het lichaam en het hoofd van [slachtoffer 1] heeft geslagen, terwijl zij hulpeloos op bed lag. Bij het oordeel dat de verdachte daarmee bewust de aanmerkelijke kans op de dood heeft aanvaard, heeft het hof mede in aanmerking genomen dat het een feit van algemene bekendheid is dat zich op het hoofd zeer kwetsbare delen bevinden, zoals de slaap, en dat het met een hard (zwaar) voorwerp slaan op het hoofd ter hoogte van de slaap naar algemene ervaringsregels kan leiden tot de dood van het slachtoffer. Dat de verdachte bewust de aanmerkelijke kan heeft aanvaard op de dood van [slachtoffer 1] , lijkt me daarmee vooral voort te vloeien uit de vaststelling van het hof dat de verdachte met een houten slagwapen en in blinde woede op (onder meer) het hoofd van [slachtoffer 1] heeft geslagen, en niet zozeer uit de omstandigheid dat [slachtoffer 1] daarbij daadwerkelijk op haar slaap is geraakt. Of [slachtoffer 1] daadwerkelijk op haar slaap is geraakt of – zoals wel uit de bewijsvoering kan worden afgeleid – op een andere plek aan de linkerzijkant van haar hoofd, is daarom niet bepalend voor de begrijpelijk van het oordeel van het hof.
2.14
Het middel faalt in zoverre.
2.15
Ook voor zover wordt geklaagd dat uit de letselbeschrijving niet kan blijken dat het slaan door de verdachte is gebeurd “met een grote kracht”, faalt het middel. Anders dan de stellers van het middel, meen ik dat het hof op grond van de hiervoor geciteerde bewijsmiddelen over het letsel en de verklaring van de verdachte dat hij “bozer dan boos” was (of “de stoppen doorsloegen”; zie 2.7 van deze conclusie) heeft kunnen oordelen dat het uitgeoefende geweld excessief moet zijn geweest. Het oordeel dat de verdachte “met de nodige kracht” heeft geslagen, is ook niet onbegrijpelijk.
2.16
Tot slot bespreek ik de klacht over het dichtknijpen van de keel. De stellers van het middel betogen dat uit de bewijsvoering niet kan blijken dat het dichtknijpen zodanig krachtig en langdurig is geweest dat zich daardoor de aanmerkelijke kans bestond dat [slachtoffer 1] daardoor het leven zou verliezen. Daarvoor zouden volgens hen meer vaststellingen nodig zijn over de tijd die het dichtknijpen heeft geduurd en de hoeveelheid uitgeoefende kracht.
2.17
Hier is van belang dat het hof zijn oordeel over het voorwaardelijk opzet – zoals hiervoor al uitgebreid aan de orde is geweest – primair heeft gebaseerd op de vaststelling dat de verdachte meerdere malen, in blinde woede en met de nodige kracht, met een houten slagwapen op het lichaam en het hoofd heeft geslagen. Dat het hof bij zijn oordeelsvorming over de vraag of de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard op de dood van [slachtoffer 1] daarnaast ook nog heeft betrokken dat de verdachte de keel van [slachtoffer 1] heeft dichtgeknepen, acht ik niet onbegrijpelijk. Ook zonder nadere vaststellingen over het dichtknijpen van de keel, heeft het hof die omstandigheid in het kader van de vraag of de verdachte voorwaardelijk opzet had in zijn afweging kunnen betrekken. Overigens heeft het hof – anders dan waarvan de stellers van het middel kennelijk uitgaan – wel vastgesteld dat de verdachte “met kracht” de keel van [slachtoffer 1] heeft dichtgeknepen. Gelet op de hiervoor geciteerde letselbeschrijving waaruit blijkt dat er bij [slachtoffer 1] sprake was van bloeduitstortingen aan de linker- en rechterzijde van de hals, is dat oordeel evenmin onbegrijpelijk.
2.18
Ook de laatste klacht faalt.
2.19
Het middel faalt in al zijn onderdelen.
3. Het tweede middel
3.1
Het middel richt zich tegen de onder 5 en 6 bewezen verklaarde mensenhandel en klaagt dat uit de bewijsvoering van het hof niet kan worden afgeleid dat de slachtoffers daadwerkelijk een materieel nadeel hebben geleden en zijn uitgebuit.
3.2
Ten laste van de verdachte is onder 5 en 6 bewezenverklaard dat:
“5. hij in de periode van 1 april 2020 tot en met 2 juli 2021 te Eindhoven en/of Aalst en/of Geldrop en/of Nuenen en/of elders in Nederland, een ander, genaamd [slachtoffer 1] , (telkens) met één of meer van de onder lid 1, sub 1° van artikel 273f Wetboek van Strafrecht genoemde middelen, te weten door dwang en geweld en dreiging met geweld, door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en door misbruik van een kwetsbare positie,
- heeft geworven, gehuisvest en opgenomen met het oogmerk van uitbuiting (sub 1), en
- heeft gedwongen of bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van arbeid of diensten (van criminele aard) dan wel enige handeling heeft ondernomen waarvan hij, verdachte, wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat die [slachtoffer 1] zich daardoor beschikbaar zou stellen tot het verrichten van arbeid of diensten (van criminele aard) (sub 4), en
(telkens) opzettelijk voordeel heeft getrokken uit de uitbuiting van die [slachtoffer 1] (sub 6),
waarbij dat geweld of een andere feitelijkheid en/of die dreiging met geweld of een andere feitelijkheid heeft/hebben bestaan uit:
- het mishandelen van die [slachtoffer 1] (onder andere door die [slachtoffer 1] te slaan en/of aan/bij de keel te grijpen en of te wurgen) en
- het zich op boze en/of agressieve en/of (anderszins) dreigende en/of overheersende en/of denigrerende toon/wijze te uiten tegen die [slachtoffer 1] en
- het bedreigen van die [slachtoffer 1] dat hij, verdachte, die [slachtoffer 1] in een container zou stoppen en in de zee zou gaan dumpen en
- het brengen en houden van die [slachtoffer 1] in een positie waar zij afhankelijk was van hem, verdachte, voor het hebben van onderdak en
- het brengen en houden van die [slachtoffer 1] in een positie waar zij niet over haar eigen financiële middelen en/of bankpas kon beschikken
waarbij voornoemde (onder sub 4) “enige handeling” heeft bestaan uit:
- het aangaan en onderhouden van een liefdesrelatie en seksuele relatie met die [slachtoffer 1] en
- het laten verblijven van die [slachtoffer 1] in zijn, verdachtes, woning en
- het verschaffen van alcoholische drank aan die [slachtoffer 1] , waarmee hij, verdachte, die [slachtoffer 1] in haar alcoholverslaving heeft voorzien en
- het bepalen dat die [slachtoffer 1] op de uitkijk moest staan, wanneer hij, verdachte, diefstallen pleegde en
- het bepalen dat die [slachtoffer 1] behulpzaam moest zijn bij het plegen van diefstallen en
- het bepalen dat die [slachtoffer 1] diefstallen moest gaan plegen”
6. hij in de periode van 1 juni 2018 tot en met 31 januari 2019 te Eindhoven en Mierlo en Geldrop en Vught en/of elders in Nederland en/of in België, een ander, genaamd [slachtoffer 2] ,2.met één of meer van de onder lid 1, sub 1° van artikel 273f Wetboek van Strafrecht genoemde middelen, te weten door dwang en geweld en dreiging met geweld, door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en door misbruik van een kwetsbare positie,
- heeft geworven, gehuisvest en opgenomen met het oogmerk van uitbuiting (sub 1), en
- heeft gedwongen of bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van arbeid of diensten (van criminele aard) dan wel enige handeling heeft ondernomen waarvan hij, verdachte, wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat die [slachtoffer 2] zich daardoor beschikbaar zou stellen tot het verrichten van arbeid of diensten (van criminele aard) (sub 4), en
(telkens) opzettelijk voordeel heeft getrokken uit de uitbuiting van die [slachtoffer 2] (sub 6),
waarbij dat geweld of een andere feitelijkheid en die dreiging met geweld of een andere feitelijkheid hebben bestaan uit:
- het mishandelen van die [slachtoffer 2] (onder andere door die [slachtoffer 2] met handen en/of gebalde vuisten te slaan) en
- het zich op boze en agressieve en dreigende en overheersende en denigrerende toon/wijze te uiten tegen die [slachtoffer 2] en
- het bedreigen van die [slachtoffer 2] dat hij, verdachte, die [slachtoffer 2] zou gaan snijden en een pistool op haar hoofd zou zetten en
- het innemen en bij zich houden van het identiteitsbewijs van die [slachtoffer 2] , waardoor die [slachtoffer 2] hier zelf niet over kon beschikken
waarbij voornoemde (onder sub 4) “enige handeling” heeft bestaan uit:
- het aangaan en onderhouden van een liefdesrelatie en seksuele relatie met die [slachtoffer 2] en
- het laten verblijven van die [slachtoffer 2] in zijn, verdachtes, woning en
- het verschaffen van alcoholische drank en/of verdovende middelen aan die [slachtoffer 2] , waarmee hij, verdachte, die [slachtoffer 2] verslaafd heeft gemaakt aan alcohol en verdovende middelen en waarmee hij, verdachte, in de verslaving van die [slachtoffer 2] heeft voorzien en
- het bepalen dat die [slachtoffer 2] op de uitkijk moest staan, wanneer hij, verdachte, één of meerdere diefstallen pleegde en
- het bepalen dat die [slachtoffer 2] behulpzaam moest zijn bij het plegen van diefstallen en
- het bepalen dat die [slachtoffer 2] diefstallen moest gaan plegen”
3.3
De bewezenverklaring is gebaseerd op de in de aanvulling op het arrest opgenomen bewijsmiddelen, die in totaal 19 pagina’s beslaan. Nu het arrest een uitgebreide bewijsoverweging van het hof bevat, zal ik de bewijsmiddelen niet integraal overnemen. Daar waar dat relevant is, zal ik de bewijsmiddelen – of onderdelen daarvan – bij de bespreking van het middel citeren.
3.4
Het hof heeft ten aanzien de bewezenverklaring onder 5 en 6 in zijn arrest het volgende overwogen:
“Onder de feiten 5 en 6 is onder meer – kort weergegeven – aan verdachte ten laste gelegd mensenhandel gepleegd jegens [slachtoffer 1] respectievelijk [slachtoffer 2] .
De verdediging heeft het standpunt ingenomen dat verdachte van beide feiten dient te worden vrijgesproken.
Het hof overweegt dienaangaande als volgt:
De rechtbank heeft omtrent dit standpunt onder meer het navolgende vastgesteld en overwogen (P. 9 e.v.):
“Steun en schakelbewijs
De rechtbank komt tot een bewezenverklaring van het aan verdachte onder feiten 5 en 6 ten laste gelegde mensenhandel in de vorm van criminele uitbuiting, mede op basis van schakelbewijs. Uit vaste rechtspraak van de Hoge Raad volgt dat het gebruik van aan andere bewezen verklaarde, soortgelijke, feiten ten grondslag liggende bewijsmiddelen als ondersteunend bewijs (schakelbewijs) is toegelaten. Daarbij moet het gaan om bewijsmateriaal dat op essentiële punten belangrijke overeenkomsten vertoont met het bewijsmateriaal van het te bewijzenfeit en dat duidt op een specifiek patroon in het gedrag van verdachte, welk patroon herkenbaar aanwezig is in de voor de te bewijzen feiten voorhanden zijnde bewijsmiddelen. Voor een dergelijke bewijsvoering hoeft niet te worden vastgesteld dat tot de bewezenverklaring van in elk geval één van de feiten kan worden gekomen zonder dat daarvoor mede bewijsmiddelen worden gebezigd die betrekking hebben op een ander feit.
De rechtbank overweegt dat de gedragingen van verdachte ten aanzien van aangeefster [slachtoffer 1] en aangeefster [slachtoffer 2] op essentiële punten belangrijke overeenkomsten vertonen.
Verdachte is met zowel aangeefster [slachtoffer 1] als aangeefster [slachtoffer 2] een relatie aangegaan. Beide vrouwen waren zeer kwetsbaar toen hij ze ontmoette. Zo had [slachtoffer 1] geen onderdak: hij had haar ontmoet bij [A] , de daklozenopvang in [plaats] en haar een douche en onderdak aangeboden. [slachtoffer 2] had een licht verstandelijke beperking (IQ van 52) en functioneerde volgens haar moeder op het niveau van een 8 tot 10 jarige. Zij was bovendien met haar leeftijd van negentienjaren een stuk jonger dan verdachte die de vijftig reeds was gepasseerd toen hij haar leerde kennen. Beide vrouwen waren voor of gedurende hun relatie verslaafd aan alcohol of verdovende middelen, gebruikten die met verdachte en hij voorzag de vrouwen in hun behoeftes aan alcohol en die verdovende middelen. Verdachte was op de hoogte van de kwetsbaarheid van beide vrouwen.
Hij liet deze kwetsbare vrouwen in zijn woning verblijven en zorgde dat zij zich inschreven op zijn adres, zodat ze een gezamenlijke uitkering konden aanvragen die op de bankrekening van verdachte werd gestort. Van deze gezamenlijke uitkering werden de vaste lasten betaald.
Beide vrouwen hebben verklaard door verdachte gebruikt te zijn voor criminele activiteiten. Veelal moesten zij op de uitkijk staan wanneer verdachte aan het stelen was of moesten zij zelf voor verdachte diefstallen plegen. Als de vrouwen dit niet deden of op een andere manier niet naar verdachte luisterden, dreigde hij met geweld. Daarbij heeft verdachte dit geweld op beide vrouwen meerdere keren toegepast. Beide vrouwen waren, hoewel niet is gebleken dat de woning op slot was en dat zij feitelijk de woning van verdachte niet konden verlaten, afhankelijk van verdachte. Zij konden nergens naartoe en uit hun verklaringen blijkt dat zij zich, door hun afhankelijkheid, de bedreigingen en de mishandelingen, ook geestelijk gedwongen voelden om bij verdachte te blijven. De rechtbank overweegt voorts dat sprake is van soortgelijke feiten.
Daarnaast blijkt dat verdachte in de periode tussen juni 2019 en april 2021 steeds vaker rondhing bij de daklozenopvang [A] en bij de opvang [B] , rond de tijd dat de daklozen naar buiten kwamen ’s ochtends, en dat hij dan contact legde met labiele vrouwen.
Zo heeft hij onder andere contact gehad met [betrokkene 1] . Bovendien hebben medewerkers van [A] (van de nachtopvang [A] ) aan de politie verklaard dat de vrouwen, die verbleven bij [A] hebben aangegeven dat verdachte hen bedreigde, mishandelde en uitbuitte. Hoewel aan verdachte alleen de uitbuiting van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] wordt verweten, neemt de rechtbank het voorgaande mee in haar overtuiging dat verdachte een zekere modus operandi had, die eruit bestond dat hij actief op zoek ging naar kwetsbare - vaak dakloze en verslaafde - vrouwen, die hij onderdak bood, waarna hij ze op nagenoeg identieke wijze uitbuitte.
(…).
Artikel 273f, eerste lid, sub 1.
Uit de wetgeschiedenis van artikel 273f van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) en de jurisprudentie volgt dat mensenhandel gericht is op uitbuiting. Het belang van het individu (het slachtoffer) staat bij de strafbaarstelling van mensenhandel steeds voorop. Hei belang dat beschermd wordt door de strafbaarstelling van mensenhandel is het behoud van de lichamelijke en geestelijke integriteit en persoonlijke vrijheid van het individu.
Om tot een bewezenverklaring te komen van het delict mensenhandel, moet sprake zijn van (een) gedraging(en), (een) dwangmiddel(en) en het oogmerk van uitbuiting.
De dwangmiddelen t.a.v. [slachtoffer 1]
De rechtbank stelt voorop dat een dwangmiddel ertoe dient te leiden dat iemand in een uitbuitingssituatie belandt, dan wel dat iemand wordt belet zich aan een uitbuitingssituatie te onttrekken. De uitbuiting kan ook bestaan in een combinatie van verschillende dwangmiddelen. De instemming van het slachtoffer met de beoogde of bestaande uitbuiting is niet relevant indien een van de dwangmiddelen is gebruikt. Een beperking van de keuzevrijheid van het slachtoffer is voldoende om het gedwongen karakter van de criminele diensten aan te nemen.
De rechtbank acht bewezen dat verdachte gebruik heeft gemaakt van de volgende, elkaar deels overlappende, dwangmiddelen: geweld, dreiging met geweld, misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en misbruik van een kwetsbare positie.
Verdachte dwong bij aangeefster af dat zij goederen zou stelen. Als zij dit niet zou doen en niet naar verdachte zou luisteren, dreigde hij met geweld. Daarnaast is uit de gebezigde bewijsmiddelen gebleken dat verdachte op meerdere momenten dit geweld heeft toegepast op aangeefster.
Misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht kan veelal uit de omstandigheden worden afgeleid. Een eerste omstandigheid waaruit het misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht blijkt, is dat aangeefster van verdachte afhankelijk was voor onderdak Verdachte wist dat aangeefster voor de relatie met verdachte in een daklozenopvang verbleef. Verdachte bood haar een plek aan in zijn woning.
Verdachte en aangeefster kregen in deze situatie met elkaar een relatie. Een andere omstandigheid is dat aangeefster niet over haar eigen geld kon beschikken. De uitkering die voor haar was aangevraagd, werd door verdachte beheerd. Door aldus te handelen heeft verdachte misbruikgemaakt van het overwicht dat hij op aangeefster had. Een aan drank of verdovende middelen verslaafde verkeert meestal niet in een situatie waarin een onafhankelijke, zelfstandige opstelling mogelijk is. Aangeefster was verslaafd aan alcohol en, gelet op de bovenstaande omstandigheden, afhankelijk van verdachte.
Met een kwetsbare positie wordt een situatie bedoeld waarin betrokkene geen andere werkelijke of aanvaardbare keuze heeft dan het misbruik te ondergaan. De keuzemogelijkheden voor het slachtoffer ontbreken of zijn verminderd. Ook hiervan is naar het oordeel van de rechtbank sprake geweest. Aangeefster woonde, zoals hiervoor is overwogen, op het moment dat zij verdachte leerde kennen in een daklozenopvang. Aangeefster was verslaafd aan alcohol. Verdachte heeft aangeefster in huis genomen en voorzien in haar verslaving. Hiermee is aangeefster van verdachte afhankelijk geworden voor huisvesting, eten en drinken.
De dwangmiddelen t.a.v. [slachtoffer 2]
De rechtbank acht bewezen dat verdachte gebruik heeft gemaakt van de volgende, elkaar deels overlappende, dwangmiddelen: geweld, dreiging met geweld, misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en misbruik van een kwetsbare positie.
Uit de bewijsmiddelen blijkt dat aangeefster meerdere keren door verdachte is mishandeld. Aangeefster heeft verklaard dat als zij niet zou doen wat verdachte wilde, er klappen zouden volgen. Verdachte heeft gedreigd met geweld en geweld gebruikt op aangeefster.
Verdachte heeft misbruik gemaakt van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht bij aangeefster. Verdachte en aangeefster hadden een relatie met elkaar. Verdachte heeft aangeefster in huis genomen toen zij bij hem in huis kwam poetsen. Aangeefster was op dat moment 19 jaar oud, terwijl verdachte 51 jaar oud was. Bovendien heeft aangeefster een licht verstandelijke beperking, met een IQ van 52, waardoor zij functioneert op het niveau van een 8 tot 10 jarige. Verdachte is hierover door de moeder van aangeefster geïnformeerd. Aangeefster is door verdachte in aanraking gebracht met verdovende middelen waaraan zij verslaafd raakte en waardoor zij tevens afhankelijk werd en bleef van verdachte.
Verdachte heeft tevens misbruik gemaakt van de kwetsbare positie van aangeefster. Aangeefster is immers, zoals, hiervoor reeds is overwogen, een zeer kwetsbare vrouw.
De gedragingen t.a.v. [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] .
De rechtbank stelt op grond van het voorgaande vast dat verdachte door het gebruik van bovengenoemde dwangmiddelen aangeefsters heeft geworven. Zij zijn door het gebruik van dwangmiddelen immers overgehaald, bewogen en gedwongen om voor verdachte criminele activiteiten te verrichten. Meermaals hebben aangeefsters voor verdachte op de uitkijk moeten staan wanneer hij diefstallen pleegde of pleegden zij zelf in opdracht van verdachte diefstallen. Aangeefster [slachtoffer 1] is door verdachte geworven toen zij in een daklozenopvang verbleef. Aangeefster [slachtoffer 2] is bij verdachte in huis gaan poetsen, waarna ze door hem is opgenomen in huis. Beide aangeefsters zijn aldus door verdachte gehuisvest en opgenomen in zijn woning.
Oogmerk van uitbuiting t.a.v. [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] .
Mensenhandel is gezicht op uitbuiting. Het oogmerk van uitbuiting is in de wet niet gedefinieerd, anders dan in het tweede lid van voornoemd artikel door de opsomming van een aantal vormen van uitbuiting. Uitbuiting veronderstelt altijd een zekere mate van onvrijwilligheid of onderwerping van degene die wordt uitgebuit. Het aanwenden van dwangmiddelen levert niet reeds uitbuiting op, maar het oogmerk van uitbuiting brengt met zich mee dat sprake moet zijn van een (voorgenomen) ernstige inbreuk op de lichamelijke en/of geestelijke integriteit en/of de persoonlijke vrijheid. Ten aanzien van het oogmerk van uitbuiting overweegt de rechtbank dat hiervoor is vereist dat het handelen van verdachte, naar hij moet hebben beseft, als noodzakelijk en dus door hem gewild gevolg meebracht dat de ander werd of zou kunnen worden uitgebuit.
Dat verdachte daadwerkelijk handelde met het oogmerk van uitbuiting, vloeit naar het oordeel van de rechtbank voort uit hetgeen reeds is overwogen ten aanzien van de dwangmiddelen. Het op deze wijze voordeel behalen uit criminele diensten die door een ander worden verricht terwijl er sprake is van dwang, leidt tot uitbuiting. De rechtbank heeft daarbij acht geslagen op de aard van de werkzaamheden, het feit dat aangeefsters door verdachte waren ondergebracht in zijn woning, de kwetsbare situatie van aangeefsters en het geweld dat op hen is toegepast.
Van de opbrengsten uit de criminele activiteiten hebben aangeefsters niet kunnen profiteren. Verdachte heeft slechts voorzien in eten en drinken voor de vrouwen. Aangeefsters hebben geen zicht gehad op hun eigen financiën en (vrijwel) niet de beschikking gehad over hun eigen geld.
De rechtbank overweegt dat de omstandigheid dat in het dossier geen aangiftes van specifieke strafbare feiten zijn aangetroffen, het voorgaande niet anders maakt. Ten aanzien van [slachtoffer 1] zijn twee verhoren van [slachtoffer 1] als verdachte van heling in het dossier opgenomen. In beide verklaringen geeft zij aan dat zij op de gestolen fiets reed op verzoek van verdachte. In de verklaring van 27 juni 2021 verklaard zij daarnaast nog dat hij haar, na een paar maanden relatie, begon te slaan en dat ze bang van hem is. Hij zou haar voortdurend uitschelden en mishandelen. Als zij de fiets niet mee zou nemen voor hem, dan zou ze klappen krijgen. Bovendien acht de rechtbank de verklaringen van aangeefsters betrouwbaar, nu deze op essentiële punten steun vinden in overige bewijsmiddelen. De rechtbank ziet niet in waarom de verklaringen van aangeefsters op dit punt niet naar waarheid zouden zijn.
(…).
Artikel 273f, eerste lid, sub 4 en 6
De rechtbank acht bewezen dat verdachte met de dreiging met geweld, het geweld, het misbruik van uit feitelijk omstandigheden voortvloeiend overwicht en het misbruik van een kwetsbare positie aangeefsters heeft bewogen zich beschikbaar te stellen voor diensten van criminele aard. Ook heeft verdachte opzettelijk voordeel getrokken uit de uitbuiting van aangeefsters.
Gelet op het voorgaande kan worden bewezen dat verdachte zich, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, schuldig heeft gemaakt aan de hem onder feit 5 en feit 6 ten laste gelegde mensenhandel.”
Het hof neemt vorenstaande overwegingen en beslissing van de rechtbank over en maakt deze tot de zijne en is met de rechtbank van oordeel dat hetgeen onder feit 5 en 6 aan verdachte is ten laste gelegd is bewezen.
Ten aanzien van vorenstaande overwegingen van de rechtbank heeft de verdediging in het hoger beroep nog het navolgende aanvullend naar voren gebracht.
Ten aanzien van de mensenhandel van [slachtoffer 1]
De verdediging heeft gesteld (p. 10 van de pleitnota) dat voor wat betreft het plegen van diefstallen ten onrechte door de rechtbank is overwogen dat de omstandigheid dat in het dossier geen aangiftes van specifieke feiten zijn opgenomen, dit er niet aan in de weg staat dat er sprake is van voordeel behaald uit criminele diensten omdat [slachtoffer 1] – kort weergegeven – over twee helingzaken door de politie gehoord. Volgens de verdediging mogen deze verklaringen niet bij het bewijs worden betrokken omdat [slachtoffer 1] niet voor die helingzaken is vervolgd en veroordeeld en verdachte voor die zaken niet door de politie is gehoord dan wel is vervolgd.
Het hof volgt de verdediging niet in dit standpunt omdat de omstandigheid dat [slachtoffer 1] voor die zaken niet is vervolgd of veroordeeld en verdachte daaromtrent niet is gehoord er niet aan in de weg staat deze voor het bewijs te bezigen.
Ten aanzien van het steun- en schakelbewijs
De verdediging heeft gesteld (p. 13 van de pleitnota) dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de gedragingen van verdachte ten aanzien van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] belangrijke overeenkomsten vertoonden. Ter onderbouwing wordt gewezen op de omstandigheid dat [slachtoffer 2] toen ze verdachte ontmoette in tegenstelling tot [slachtoffer 1] niet verslaafd en dakloos was. [slachtoffer 2] woonde nog gewoon bij haar ouders. Het hof volgt de verdediging niet in dit standpunt en is van oordeel dat de rechtbank in vorenstaande overwegingen voldoende duidelijk heeft gemaakt waarom de gedragingen van verdachte ten aanzien van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] belangrijke overeenkomsten vertoonden. Een onderdeel wat in het licht van het ingenomen standpunt van de verdediging van belang is, is dat zowel [slachtoffer 1] als [slachtoffer 2] kwetsbare personen waren. [slachtoffer 1] was dakloos en verslaafd en [slachtoffer 2] was zwakbegaafd.”
Juridisch kader
3.5
De feitelijke gang van zaken die aan de bewezenverklaring van het onder 5 en 6 ten laste gelegde ten grondslag ligt is – zeer kort samengevat – dat de verdachte met twee zeer kwetsbare vrouwen een relatie is aangegaan en in zijn woning heeft laten verblijven, terwijl hij hen vervolgens heeft gebruikt om voor hem criminele activiteiten te verrichten (zoals het plegen van diefstallen of het op de uitkijk staan terwijl de verdachte diefstallen pleegde). Dat heeft geleid tot een tenlastelegging ten aanzien van beide vrouwen waarin de verdachte wordt verweten dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan de onderdelen 1°, 4° en 6° van artikel 237f lid 1 Sr. Artikel 273f lid 1 en 2 luiden – voor zover van belang – als volgt:
“1. Als schuldig aan mensenhandel wordt met gevangenisstraf van ten hoogste twaalf jaren of geldboete van de vijfde categorie gestraft:
1°. degene die een ander door dwang, geweld of een andere feitelijkheid of door dreiging met geweld of een andere feitelijkheid, door afpersing, fraude, misleiding dan wel door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht, door misbruik van een kwetsbare positie of door het geven of ontvangen van betalingen of voordelen om de instemming van een persoon te verkrijgen die zeggenschap over die ander heeft, werft, vervoert, overbrengt, huisvest of opneemt, met inbegrip van de wisseling of overdracht van de controle over die ander, met het oogmerk van uitbuiting van die ander of de verwijdering van diens organen;
[…]
4°. degene die een ander met een van de onder 1° genoemde middelen dwingt of beweegt zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van arbeid of diensten of zijn organen beschikbaar te stellen dan wel onder de onder 1° genoemde omstandigheden enige handeling onderneemt waarvan hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat die ander zich daardoor beschikbaar stelt tot het verrichten van arbeid of diensten of zijn organen beschikbaar stelt;
[…]
6°. degene die opzettelijk voordeel trekt uit de uitbuiting van een ander;
[…]
2. Uitbuiting omvat ten minste uitbuiting van een ander in de prostitutie, andere vormen van seksuele uitbuiting, gedwongen of verplichte arbeid of diensten, met inbegrip van bedelarij, slavernij en met slavernij te vergelijken praktijken, dienstbaarheid en uitbuiting van strafbare activiteiten.”
3.6
In een arrest van 13 februari 20243.stelde de Hoge Raad ten aanzien van het bestanddeel ‘uitbuiting’ het volgende voorop:
“Het in artikel 273f lid 1 Sr voorkomende bestanddeel ‘uitbuiting’ is in de wet niet gedefinieerd, anders dan door de opsomming in het tweede lid van een aantal vormen van uitbuiting, waaronder gedwongen of verplichte arbeid of diensten. De vraag of – en zo ja, wanneer – sprake is van ‘uitbuiting’ in de zin van deze bepaling, is niet in algemene termen te beantwoorden, maar is sterk verweven met de omstandigheden van het geval. Bij de beantwoording van die vraag komt in een geval als dit onder meer betekenis toe aan de aard en duur van de tewerkstelling, de beperkingen die zij voor de betrokkene meebrengt, en het economisch voordeel dat daarmee door de tewerksteller wordt behaald. Bij de weging van deze en andere relevante factoren dienen de in de Nederlandse samenleving geldende maatstaven als referentiekader te worden gehanteerd (vgl. HR 27 oktober 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI7099, rechtsoverweging 2.6.1).
In dit verband is nog van belang dat ‘uitbuiting’ moet worden aangemerkt als een impliciet bestanddeel van artikel 273f lid 1, aanhef en onder 4º, Sr, nu de in die bepaling bedoelde gedragingen eerst dan als ‘mensenhandel’ kunnen worden bestraft indien uit de bewijsvoering volgt dat is voldaan aan de voorwaarde dat zij zijn begaan onder omstandigheden waarbij uitbuiting kan worden verondersteld (vgl. HR 5 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:556).”
3.7
Daaraan moet worden toegevoegd dat in ieder geval voor de vervulling van de delictsomschrijving van artikel 273f lid 1, aanhef en onder 1º, Sr niet nodig is dat de ander daadwerkelijk wordt uitgebuit; het oogmerk van uitbuiting van die ander volstaat.4.
3.8
Uit het arrest van de Hoge Raad van 21 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:672, r.o. 4.3, kan worden afgeleid dat voornoemde criteria ook het richtinggevend kader vormen voor de beoordeling of sprake is van mensenhandel in de zin van criminele uitbuiting, met dien verstande dat de beoordeling van voornoemde factoren in geval van minderjarige slachtoffers tot een andere uitkomst kan leiden dan in het geval het slachtoffer meerderjarig is.5.
3.9
In zijn conclusie voorafgaand aan HR 19 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:383, NJ 2019/207, m.nt. Reijntjes heeft toenmalig advocaat-generaal Vegter nader aandacht besteed aan de vraag wanneer er in het kader van het verrichten van arbeid of diensten kan worden gesproken van uitbuiting.6.Hij onderscheidt allereerst een categorie zaken waarin de uitbuiting reeds gegeven kan zijn door de bewezenverklaring van de wettelijke in artikel 273f lid 1 onderdeel 1° Sr genoemde middelen en omstandigheden. Daarbij kan worden gedacht aan situaties waarin iemand wordt gedwongen tot het verrichten van arbeid of diensten door middel van – gelet op de hevigheid, frequentie of stelselmatigheid – min of meer ernstige verschijningsvormen van de in de wet genoemde middelen, bijvoorbeeld dwang tot arbeid door hevig en structureel geweld. In die gevallen ligt uitbuiting volgens Vegter in de bewezenverklaarde dwang en de daarvoor gebezigde bewijsmiddelen besloten.
3.10
Daarnaast wijst Vegter op een categorie zaken waarin de aard van het middel niet al op zichzelf bepalend is en waarin de vraag of sprake is van uitbuiting dus moeilijker te beantwoorden is. Hij schrijft daarover het volgende (de voetnoten heb ik weggelaten):
“21. […] Het gaat dan bijvoorbeeld om gevallen waarin sprake is van misbruik van degene die de (beoogde) arbeid verricht of de (beoogde) dienst verleent. Is er een concrete maatstaf voor het verschil tussen gebruik en misbruik te geven of voor de vereiste mate van misbruik? Met Knigge meen ik dat excessief misbruik niet is vereist, maar een enkel incidenteel misbruik is niet toereikend. Het komt aan op weging van indicaties en contra-indicaties. Daarbij zijn onder meer de volgende vragen relevant:
- Wijkt de (aard van de) arbeid en wijken de arbeidsomstandigheden aanzienlijk af van hetgeen hier te lande gebruikelijk is of slechts in beperkte mate?
- Vindt het misbruik van de degene die de arbeid verricht gedurende enige tijd en met een min of meer stelselmatig karakter plaats of gaat het om een incident?
- Levert de arbeid onevenredig voordeel op of gaat de opdrachtgever in commerciële zin beperkt over de rand?
- Is degene die de arbeid verricht ook buiten de arbeidssituatie afhankelijk van degene voor wie het de arbeid verricht of niet?
- Wijkt die eventuele afhankelijkheid sterk af van hetgeen in Nederland gebruikelijk is?
- Is degene die de arbeid verricht voor zijn inkomen volledig afhankelijk van de persoon voor wie hij werkt?
- Ondervindt degene die de arbeid verricht nadeel?
- Kan redelijkerwijs van de tewerkgestelde niet worden gevergd dat hij een andere keus maakt?
- Leveren de arbeid en de daarbij behorende omstandigheden een schending van de mensenrechten op in de zin van art. 3 (onmenselijk of vernederende behandeling), art. 4 (verbod van slavernij, gedongen of verplichte arbeid) of art. 8 EVRM (in het bijzonder een onevenredige aantasting van de persoonlijke levenssfeer)?
22. Het antwoord op deze vragen kan in onderling verband en samenhang dienen om de vraag of er sprake is van uitbuiting te beantwoorden. Niet uitgesloten is dat beantwoording van één of twee vragen al de doorslag geeft. Als er sprake is van onmenselijke of vernederende behandeling kan dat reeds als doorslaggevend worden aangemerkt. Maar het kan ook zijn dat bijvoorbeeld vaststaat dat zowel de opdrachtgever als degene die de arbeid verricht financieel voordeel hebben, terwijl er desondanks op andere gronden van uitbuiting sprake is. Er moet dus van geval tot geval worden gewogen of uitbuiting aan de orde is. Een absolute maatstaf is niet te geven en dat vindt een verklaring in de omstandigheid dat uitbuiting tot op zekere hoogte een relatief begrip is. Niet bij ernstige vormen, maar er zijn nogal wat grensgevallen.”
3.11
Van belang is wel dat deze beschouwing is gericht op min of meer reguliere vormen arbeid of diensten.7.Denk daarbij bijvoorbeeld aan iemand die taken in het huishouden verricht8.of het tewerkstellen van iemand in een fabriek9.. In de onderhavige zaak gaat het echter om een bijzondere vorm van het verrichten van arbeid dan wel diensten, namelijk het verrichten van strafbare activiteiten.10.Lestrade schrijft daarover in haar proefschrift op dat verschillende zaken aantonen dat uitbuiting eerder aan de orde is indien het gaat om het uitvoeren van strafbare activiteiten dan het verrichten van reguliere arbeid.11.Dat standpunt onderschrijf ik en sluit – zoals Lestrade terecht opmerkt – aan op de rechtspraak van de Hoge Raad over het begrip uitbuiting waarin de aard van de tewerkstelling als een van de relevante beoordelingsfactoren wordt genoemd. Daarbij geldt wat mij betreft wel dat deze bijzondere aard van de tewerkstelling moet worden gezien als één van de mogelijke indicaties voor uitbuiting. De rechter zal ook in die gevallen oog moeten houden voor de overige relevante beoordelingsfactoren, zoals de omvang en duur van de tewerkstelling, de beperkingen voor het slachtoffer en het voordeel voor de verdachte. Lestrade schrijft in dat verband: “Zeker gelet op de zware kwalificatie mensenhandel en de hoge strafbedreiging is het de vraag of het wenselijk is dat één enkele diefstal, die waarschijnlijk niet langer dan een half uur heeft geduurd, waarbij het economische gewin niet buitengewoon was en geen sprake was van een harde vorm van dwang, voldoende is om van uitbuiting te spreken.” Van belang is dat de rechter bij de beoordeling van de vraag of sprake is van uitbuiting rekening houdt met het feit dat het in artikel 273f Sr strafbaar gestelde delict van mensenhandel een zeer ernstige vorm van criminaliteit betreft waar (inmiddels) een maximale gevangenisstraf van twaalf jaren tegen is bedreigd, en dat tegen die achtergrond niet elke situatie waarin iemand wordt gedwongen of verplicht tot het verrichten van – al dan niet illegale – arbeid of diensten moet worden aangemerkt als mensenhandel.12.
Bespreking van het middel
3.12
Het middel houdt in dat uit de bewijsvoering niet kan worden afgeleid dat de slachtoffers “daadwerkelijk een materieel nadeel hebben geleden”. Uit de bewijsvoering blijkt volgens de stellers van het middel wel dat de verdachte [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] als zijn tijdelijke partners dwong om samen met hem goederen te stelen en dat hij daarvan voordeel trok, maar niet dat hij hen niet in de opbrengst daarvan liet delen op een wijze die bij levenspartners niet ongebruikelijk is. Nu het hof niet zou hebben vastgesteld dat sprake is geweest van het oogmerk tot uitbuiting, berust de bewezenverklaring volgens hen op een onjuiste rechtsopvatting, althans is zij ontoereikend gemotiveerd.
3.13
Voor zover de stellers van het middel betogen dat van uitbuiting slechts sprake kan zijn als uit de bewijsvoering blijkt dat degene die de arbeid verricht daardoor daadwerkelijk materieel nadeel heeft geleden, faalt het middel omdat die opvatting – gelet op hetgeen ik hiervoor heb vooropgesteld – geen steun vindt in het recht.13.Bij de vraag of er sprake is van uitbuiting gaat het immers om een afweging van alle concrete omstandigheden van het geval. Of degene die de arbeid verricht daarvan niet of slechts in zeer beperkte mate profiteert, is in dit verband zeker een in die afweging te betrekken relevante omstandigheid,14.maar is op zichzelf geen doorslaggevend vereiste. Zelfs als vast zou staan dat degene die de arbeid verricht daarvan wél financieel voordeel heeft genoten, kan er desondanks op andere gronden nog steeds sprake zijn van uitbuiting.15.Kortom, dat het hof niet heeft vastgesteld dat [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] daadwerkelijk materieel nadeel hebben gehad, maakt niet dat het oordeel van het hof dat sprake is van uitbuiting getuigt van een onjuiste rechtsopvatting. En dat uit de bewijsvoering van het hof niet zou volgen dat de verdachte [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] niet lieten delen in de opbrengst van hun criminele activiteiten en dat – zoals de stellers van het middel betogen – de bewijsvoering zelfs aanwijzingen bevat dat zij daar wel in deelden, maakt het oordeel van het hof dat er sprake was van uitbuiting ten aanzien van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] op zichzelf nog niet onbegrijpelijk.
3.14
De vraag is uiteindelijk of het hof op grond van de door het hof wél vastgestelde feiten en omstandigheden heeft kunnen oordelen dat ten aanzien van zowel [slachtoffer 1] als [slachtoffer 2] sprake was van (een oogmerk tot) uitbuiting. Daarover merk ik het volgende op.
3.15
Het hof heeft geoordeeld dat de verdachte ten aanzien van beide vrouwen gebruik heeft gemaakt van een aantal, elkaar deels overlappende, dwangmiddelen. Voor zowel [slachtoffer 1] als [slachtoffer 2] heeft het hof vastgesteld dat er door de verdachte werd gedreigd met geweld als zij niet zouden doen wat hij wilde. Uit de bewijsmiddelen blijkt verder dat de verdachte hen meerdere keren ook daadwerkelijk heeft mishandeld. Daarnaast heeft de verdachte misbruik gemaakt van een uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht op beide vrouwen en van hun kwetsbare positie. Het hof heeft in dat verband – kort samengevat – vastgesteld dat het in beide gevallen ging om zeer kwetsbare vrouwen die de verdachte in huis heeft genomen en die vervolgens afhankelijk zijn geworden van de verdachte.
3.16
Het hof heeft vervolgens geoordeeld dat [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] door het gebruik van deze dwangmiddelen zijn overgehaald, bewogen en gedwongen om voor de verdachte criminele activiteiten te verrichten. Beiden moesten voor de verdachte op de uitkijk staan wanneer hij diefstallen pleegde en pleegden zelf ook diefstallen in opdracht van de verdachte. Dat het hier niet ging om enkele diefstallen, maar om frequente criminele activiteiten over een langere periode, blijkt zonder meer uit de bewijsvoering. Ter illustratie wijs ik op de volgende bewijsmiddelen:
“17. Het proces-verbaal van aangifte d.d. 13 juli 2021 (p. 185-191 van het politiedossier), voor zover inhoudende als verklaring van de aangeefster [slachtoffer 1]:
(V = vraag verbalisanten; A = antwoord getuige)
[…]
A: […]
Hij vroeg mij om met hem mee te gaan omdat hij een fiets wilde ophalen. Dit bleek een gestolen fiets te zijn. [verdachte] wist dat deze fietsen gestolen waren.
Ik heb ook gestolen in de winkels. Ik heb spareribs gestolen en deed dingen in mijn zak. Hij nam het initiatief om te stelen. We gingen meestal voornamelijk vlees stelen. Als je een vriezer vol hebt met veel vlees zou je zeggen we stoppen ermee maar dat gebeurde niet. We gingen ook vaak bier stelen.
Er werd voornamelijk in werkbusjes ingebroken van de gemeente. Je kijkt dan in de bus die open staat en ziet gereedschap of radio in liggen en steelt dan deze dingen. Ik stond dan op de uitkijk en hij ging naar het busje om iets te stelen. Ik moest dan zwaaien of roepen als er iemand kwam. Ik zat dan op de scooter op hem te wachten. Ik deed dit toch omdat ik bang was voor de consequenties wat er achter aan komt.
Hij heeft uitspraken gedaan van ‘Ik doe je in een kliko en ga er gaatjes in boren. Ik zal de kliko dan in Zeeland in zee dumpen’.
V: Wat kan je vertellen de periode waarin je diefstal heb gepleegd met [verdachte] ?
A: Dit was in de hele periode vanaf met moment dat ik bij hem ging wonen tot zijn aanhouding.
V: Hoe vaak is gebeurd?
A: Het was wanneer het hem uitkwam. Het was wel wekelijks en soms meerdere keren in de week.
[…]
29. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 10 augustus 2021 (p. 238-240 van het politiedossier), voor zover inhoudende als relaas van eigen waarneming(en) en/of bevinding(en) van de verbalisant [verbalisant 4]:
Op 10 augustus 2021, om 10.17 uur, deed [slachtoffer 2] , geboren op [geboortedatum] 1999 te [geboorteplaats] , aangifte van mensenhandel tegen verdachte [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1968 te [geboorteplaats] . Het verhoor vond plaats in de kindervriendelijke verhoorstudio gevestigd in het politiebureau aan de [b-straat 1] te [plaats] . Ik bevond mij in de regieruimte en ik zag en ik hoorde [slachtoffer 2] . Hieronder een weergave van het verhoor.
Toen aan [slachtoffer 2] gevraagd werd om alles over [verdachte] te vertellen zag ik dat [slachtoffer 2] begon te huilen.
Ik hoorde dat [slachtoffer 2] verklaarde:
[…]
- dat ze met [verdachte] diefstallen pleegden in België en Nederland, net over de grens in België. Ook bij een camping in Mierlo en bij mensen thuis. Zo ook diefstallen van fietsen in Oirschot.
Ze reden dan samen op de scooter.
Ze gingen dan het terrein op en hielden mensen in de gaten. Als de mensen hun chalet verlieten dan haalden ze de chalets leeg. [slachtoffer 2] moest mee om spullen te pakken uit die chalets.
Ze ging dan samen met [verdachte] het chalet binnen. [slachtoffer 2] vond het niet leuk voor die mensen maar ze moest het doen. [verdachte] zei dat het een kick was. [slachtoffer 2] deed het voor hem. [slachtoffer 2] verklaarde: “Ik wil ook niet ergens dood liggen in de berm”;”
3.17
Onder het kopje “Oogmerk van uitbuiting t.a.v. [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] ” heeft het hof geoordeeld dat het op deze wijze voordeel behalen uit criminele diensten die door een ander worden verricht terwijl sprake is van dwang, leidt tot uitbuiting. Gelet op het hiervoor door mij geschetste juridisch kader, getuigt dat oordeel niet van een onjuiste rechtsopvatting. Het is bovendien toereikend gemotiveerd, nu het hof daarbij – mede in het licht van de omstandigheden die in het kader van de toegepaste dwangmiddelen zijn vastgesteld – acht heeft geslagen op de (strafbare) aard van de werkzaamheden, het feit dat de aangeefsters door de verdachte waren ondergebracht in zijn woning, de kwetsbare situatie van de aangeefsters en het geweld dat op hen is toegepast.
3.18
Het middel faalt.
4. Het derde middel
4.1
Het middel klaagt dat het hof de vordering benadeelde partij van [slachtoffer 1] heeft toegewezen en de schadevergoedingsmaatregel heeft opgelegd, terwijl [slachtoffer 1] zelf reeds overleden was en de advocaat van de nabestaanden schriftelijk en ter zitting heeft verklaard dat de vordering niet langer wordt gehandhaafd.
4.2
In eerste aanleg vorderde [slachtoffer 1] als benadeelde partij een bedrag van € 4.269,44, bestaande uit € 4.000 aan vergoeding voor immateriële schade en € 269,44 aan materiële schadevergoeding. In het vonnis van 14 april 2022 heeft de rechtbank die vordering in zijn geheel toegewezen en voor hetzelfde bedrag een schadevergoedingsmaatregel aan de verdachte opgelegd.
4.3
Uit een akte van overlijden die door de gemeente Veldhoven is opgemaakt, blijkt dat [slachtoffer 1] op 1 juni 2022 is overleden. Op 5 juli 2023 heeft mr. Geraads namens de nabestaanden van [slachtoffer 1] een e-mail gestuurd naar het hof waarin zij onder meer het volgende heeft geschreven:
“T.a.v. de nabestaanden van mw. [slachtoffer 1] ligt e.e.a. complexer. De nalatenschap van [slachtoffer 1] bestaat voornamelijk uit schulden. Bij leven stond zij onder bewind. Zij heeft een thans nog minderjarige zoon, die haar erfgenaam zou zijn. Gelet op de financiële situatie is er, in overleg met de bewindvoerder en de wettelijk vertegenwoordiger van de zoon van cliënte, voor gekozen geen verklaring van erfrecht te laten opmaken. Ik kan u namens de nabestaanden dan ook berichten dat de vordering benadeelde partij in hoger beroep niet wordt gehandhaafd. De nabestaanden van [slachtoffer 1] zullen ook niet ter zitting aanwezig zijn.”
4.4
Mr. Geraads is vervolgens – zoals aangekondigd in de hiervoor bedoelde e-mail – verschenen op de terechtzitting in hoger beroep van 6 juli 2023. Het proces-verbaal van die terechtzitting houdt onder meer het volgende in:
“De voorzitter deelt mede dat het hof in het procesdossier als nieuwe stukken heeft aangetroffen:
[…]
- een mailbericht d.d. 5 juli 2023 van de raadsvrouw mr. Geraads waarin zij namens de benadeelde partij [slachtoffer 2] te kennen geeft dat de vordering in volle omvang wordt gehandhaafd en namens de nabestaanden van de benadeelde partij [slachtoffer 1] te kennen geeft dat de vordering in hoger beroep niet wordt gehandhaafd.
[…]
Mr. Geraads verklaart desgevraagd dat het klopt dat de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] niet langer wordt gehandhaafd.”
4.5
Het bestreden arrest van het hof houdt over dit specifieke punt het volgende in:
“De benadeelde partij [slachtoffer 1] is inmiddels overleden. Bij mail van 5 juli 2023 heeft de raadsvrouw mr. N.D. Geraads namens de nabestaanden van de benadeelde partij [slachtoffer 1] bericht dat de vordering niet wordt gehandhaafd. Ter terechtzitting in hoger beroep is door het hof aan de raadsvrouw gevraagd of de vordering wordt ingetrokken of niet langer wordt gehandhaafd. De raadsvrouw heeft daarop geantwoord dat de vordering niet langer wordt gehandhaafd maar niet wordt ingetrokken.
Nu de vordering benadeelde partij niet is ingetrokken en deze vordering in eerste aanleg in zijn geheel is toegewezen, duurt deze van rechtswege in hoger beroep voort zodat het hof daarop heeft te beslissen.”
4.6
Bij de beoordeling van het middel is artikel 421 Sv van belang, waarin is geregeld hoe in hoger beroep met een vordering benadeelde partij moet worden omgegaan. Artikel 421 luidt – voor zover van belang – als volgt:
“1. De benadeelde partij die zich niet overeenkomstig artikel 51g, eerste of derde lid, in het geding in eerste aanleg heeft gevoegd, is daartoe onbevoegd in het geding in hoger beroep.
2. Heeft de voeging in eerste aanleg plaats gehad, dan duurt zij, voor zover de gevorderde schadevergoeding is toegewezen, van rechtswege voort in hoger beroep.
3. Voor zover de gevorderde schadevergoeding niet is toegewezen kan de benadeelde partij zich binnen de grenzen van haar eerste vordering in hoger beroep voegen. Titel IIIa van het Eerste Boek is, met uitzondering van artikel 51f, eerste tot en met derde lid, van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat voor de ingevolge artikel 51g vereiste opgave kan worden volstaan met een verwijzing naar de opgave van de eerste vordering, indien deze ongewijzigd is gebleven.”
4.7
In de onderhavige zaak is de benadeelde partij kort na het vonnis van de rechtbank overleden. Zij heeft zich in hoger beroep niet opnieuw kunnen voegen. De eerste vraag is of het hof – gelet op de hiervoor geciteerde mededelingen van (kennelijk) de erfgenamen van de benadeelde partij – op grond van artikel 421 lid 2 Sv was gehouden te beslissen over de vordering van de (inmiddels overleden) benadeelde partij.
4.8
In een arrest van 15 april 2014 moest de Hoge Raad oordelen over een zaak waarin de benadeelde partij in de fase van hoger beroep was overleden en waarin het hof vervolgens de in eerste aanleg integraal toegewezen vordering tot immateriële schadevergoeding toewees aan haar erfgenaam en niet aan de benadeelde partij.16.De Hoge Raad oordeelde dat het hof die vordering niet had mogen aanmerken als een vordering van haar erfgenaam, maar dat het hof de vordering had moeten toewijzen aan de overleden benadeelde partij. De Hoge Raad gebruikte in dat arrest de volgende vooropstelling:
“Het strafgeding voorziet niet in de mogelijkheid dat in geval van overlijden van de benadeelde partij de erfgenaam zich in het geding voegt en de (proces)positie van benadeelde partij overneemt. Dit betekent dat ook indien degene die zich op de voet van art. 51f, eerste lid, Sv als benadeelde partij in het strafgeding heeft gevoegd, is overleden, de rechter ingevolge art. 361, vierde lid, Sv dient te beslissen op diens vordering. (Vgl. ook HR 13 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL9105, NJ 2001/259).”17.
4.9
In de feitenrechtspraak wordt veelvuldig naar dit arrest en deze vooropstelling verwezen in gevallen waarin het hof overweegt dat – en dit zijn mijn eigen woorden – er geen rekening kan worden gehouden met de wensen en opmerkingen van de erfgenaam van een overleden benadeelde partij. Ik noem een arrest van het hof ‘s-Hertogenbosch als voorbeeld.18.In die zaak was de vordering van de benadeelde partij, bestaande uit een totaalbedrag van € 5.363,21, in eerste aanleg toegewezen tot een bedrag van € 1.094,05. Daarna overleed de benadeelde partij en gaven de erfgenamen te kennen de gehele vordering in hoger beroep te handhaven. Het hof oordeelde onder verwijzing naar het hiervoor genoemde arrest van de Hoge Raad dat de erfgenaam niet de (proces)positie van de benadeelde partij kan overnemen en dat de vordering daarom op grond van artikel 421 lid 2 Sv slechts kan worden beoordeeld voor zover deze in eerste aanleg was toegewezen. Daarin ligt als oordeel van het hof besloten dat het voor een erfgenaam niet mogelijk is om de vordering van de overleden benadeelde partij in hoger beroep te handhaven. Dat lijkt me een juiste toepassing van de rechtsregel uit het arrest van de Hoge Raad van 15 april 2014.19.
4.10
In deze zaak van het hof ’s-Hertogenbosch gaat het – overigens net als in alle andere zaken die ik na een korte zoekslag op rechtspraak.nl vond – steeds om de situatie waarin de vordering in eerste aanleg geheel of gedeeltelijk is afgewezen en waarin de erfgenamen van de inmiddels overleden benadeelde partij aangeven de vordering in hoger beroep te willen handhaven. In de onderhavige zaak gaat het om een precies omgekeerde geval, namelijk een geval waarin de vordering in eerste aanleg volledig is toegewezen en waarin de erfgenamen van de overleden benadeelde partij aangeven dat zij de vordering in hoger beroep niet willen handhaven. Een vergelijkbaar geval ben ik noch in de rechtspraak van de Hoge Raad, noch in de feitenrechtspraak op rechtspraak.nl tegengekomen.
4.11
Ook in dit specifieke geval lijkt me de vooropstelling uit het arrest van 15 april 2014 bruikbaar. Dat de erfgenaam de (proces)positie van de overleden benadeelde partij niet kan overnemen, brengt naar mijn idee niet alleen mee dat de erfgenaam de vordering in hoger beroep niet kan handhaven, maar – breder – dat de erfgenaam in het geheel geen zeggenschap toekomt over de vordering van de overleden benadeelde partij. De erfgenaam kan tegen die achtergrond dus ook niet besluiten om de vordering in hoger beroep in te trekken, dan wel niet te handhaven.
4.12
Het hof heeft geoordeeld dat de vordering van de benadeelde partij van [slachtoffer 1] van rechtswege in hoger beroep voortduurt, omdat die vordering in eerste aanleg geheel is toegewezen, zodat het hof daarop moest beslissen. Gelet op artikel 421 lid 2 Sv en gelet hetgeen ik hiervoor heb opgemerkt, is dat oordeel – wat er verder ook zij van de door het hof gegeven motivering van dat oordeel en van de klacht dat uit het proces-verbaal niet zou blijken dat de raadsvrouw van de erfgenamen op de terechtzitting van 6 juli 2023 zou hebben gezegd dat de vordering niet wordt ingetrokken – juridisch juist.
4.13
Voor zover de stellers van het middel betogen dat er geen vordering van de benadeelde partij meer was waarop het hof gehouden was op de vordering van de benadeelde partij te beslissen, faalt het daarom.20.
4.14
Ik heb me vervolgens nog afgevraagd of de opmerking van de raadsvrouw van de erfgenamen, zoals het hof die in zijn arrest heeft weergegeven, misschien in de weg staat aan een toewijzing van de vordering. Dat het hof – zoals ik hiervoor heb uitgelegd – moest beslissen over de vordering, wil immers nog niet zeggen dat het hof die vordering ook heeft kunnen toewijzen.
4.15
Ik meen echter dat het hof de vordering van de toen inmiddels overleden [slachtoffer 1] kon toewijzen. Omdat de vordering in eerste aanleg was toegewezen, duurde deze op grond van artikel 421 lid 2 Sv van rechtswege voort in hoger beroep. Het overlijden van [slachtoffer 1] betekent niet dat haar vordering teloor ging en stond ook anderszins niet aan toewijzing in de weg.21.Ook brengt het overlijden van [slachtoffer 1] niet mee dat de vordering kan worden aangemerkt als een vordering van haar erfgenaam; het blijft de vordering van [slachtoffer 1] waar het hof op moest beslissen.22.Nu het hof heeft geoordeeld dat [slachtoffer 1] als rechtstreeks gevolg van de bewezen verklaarde feiten materiële en immateriële schade heeft geleden, kon het hof die vordering toewijzen aan [slachtoffer 1] . Dat de rechten die daarmee samenhangen vatbaar zijn voor overgang onder algemene titel op de erfgenamen en dat het – gelet op de opmerking van de raadsvrouw van de erfgenamen – nog maar de vraag is of die erfgenamen die rechten ook daadwerkelijk zullen gaan uitoefenen, maakt niet dat het hof de vordering van de toen inmiddels overleden [slachtoffer 1] niet kon toewijzen.23.Dat is immers een kwestie van erfrecht, die los moet worden gezien van de vraag of de vordering van de benadeelde partij kan worden toegewezen en waarin de strafrechter zich – naar het mij voorkomt – bovendien niet te veel kan (en moet) verdiepen.24.
4.16
Al met al moest het hof dus op de vordering van [slachtoffer 1] beslissen en stond het overlijden van [slachtoffer 1] niet in de weg aan toewijzing.
4.17
Het middel faalt.
5. Het vijfde middel
5.1
Het middel klaagt over de toewijzing van de vordering tot immateriële schadevergoeding van de benadeelde partijen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] . In het bijzonder wordt geklaagd over het oordeel van het hof dat de benadeelde partijen als rechtstreeks gevolg van het bewezen verklaarde handelen van de verdachte geestelijk letsel hebben opgelopen, ook voor zover hun vorderingen betrekking hebben op de onder 5 en 6 ten laste gelegde mensenhandel.
5.2
Het hof heeft over de vorderingen tot immateriële schadevergoeding van de benadeelde partijen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] in zijn arrest het volgende overwogen:
“Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]
[…]
Immateriële schade komt in dit geval slechts dan voor vergoeding in aanmerking indien deze schade valt onder het bereik van artikel 6:106, eerste lid, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek.25.Het ligt op de weg van de benadeelde partij om voldoende concrete gegevens aan te voeren waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval geestelijk letsel is ontstaan, waartoe nodig is dat naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel is of had kunnen zijn vastgesteld.
Immateriële schadevergoeding kan in uitzonderlijke gevallen ook worden toegewezen in verband met de bijzondere ernst van de normschending en de gevolgen hiervan voor het slachtoffer, waardoor kan worden gesproken van aantasting van de persoon op andere wijze.
Verdachte heeft gepoogd om de benadeelde partij [slachtoffer 1] van het leven te beroven door haar met een hard houten slagvoorwerp tegen het hoofd te slaan en met kracht haar keel dicht te knijpen en verder is sprake van mishandeling en criminele uitbuiting gedurende langere periode. Uit de vordering blijkt dat de gevolgen van dit handelen voor [slachtoffer 1] enorm zijn geweest. Gelet op de aard en de ernst van de normschending neemt het hof hier aantasting in de persoon op andere wijze aan is de gevorderde immateriële schade eveneens toewijsbaar.
De omstandigheid dat – zoals de verdediging heeft gesteld – de bij het voegingsformulier gevoegde rechterlijke uitspraken hoofdzakelijk zien op seksuele uitbuiting en daarvan hier geen sprake is, doet aan dit oordeel niet af omdat er overduidelijk elementen zijn die overeenkomen met de onderhavige bewezenverklaarde feiten zoals het toegepaste geweld, bedreiging met geweld, intimidatie en vernedering en beperking van de vrijheden van het slachtoffer en het dwingen van het slachtoffer om handelingen te verrichten, in casu criminele uitbuiting, die de benadeelde partij niet wilde verrichten.
[…]
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2]
Immateriële schade komt in dit geval slechts dan voor vergoeding in aanmerking indien deze schade valt onder het bereik van artikel 6:106, eerste lid, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek. Het ligt op de weg van de benadeelde partij om voldoende concrete gegevens aan te voeren waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval geestelijk letsel is ontstaan, waartoe nodig is dat naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel is of had kunnen zijn vastgesteld.
Immateriële schadevergoeding kan in uitzonderlijke gevallen ook worden toegewezen in verband met de bijzondere ernst van de normschending en de gevolgen hiervan voor het slachtoffer, waardoor kan worden gesproken van aantasting van de persoon op andere wijze.
Verdachte heeft de benadeelde partij gedurende langere tijd mishandeld en gedurende langere tijd crimineel uitgebuit. Uit de vordering blijkt dat gevolgen van dit handelen voor [slachtoffer 2] enorm zijn geweest. Gelet op de aard en de ernst van de normschending neemt het hof hier aantasting in de persoon op andere wijze aan en wijst de gevorderde immateriële schade in zijn geheel toe.
De omstandigheid dat – zoals de verdediging heeft gesteld – de bij het voegingsformulier gevoegde rechterlijke uitspraken hoofdzakelijk op seksuele uitbuiting zien, doet aan dit oordeel niet af omdat er overduidelijk elementen zijn die overeenkomen met de onderhavige bewezenverklaarde feiten zoals het toegepaste geweld, bedreiging met geweld, intimidatie en vernedering en beperking van de vrijheden van het slachtoffer en het dwingen van het slachtoffer om handelingen te verrichten, in casu criminele uitbuiting, die zij niet wilde verrichten.
De andersluidende standpunten van de verdediging worden verworpen.”
5.3
In zijn overzichtsarrest van 28 mei 2019 over de vordering van de benadeelde partij heeft de Hoge Raad het volgende overwogen (de voetnoten heb ik weggelaten):
“b) Ander nadeel dat voor vergoeding in aanmerking komt: immateriële schade(art. 6:106 BW)
2.4.4.
Art. 6:106 BW geeft een limitatieve opsomming van gevallen waarin deze bepaling recht geeft op vergoeding van immateriële schade als gevolg van onrechtmatig handelen, te weten in geval van:
a. oogmerk om zodanige schade toe te brengen, bijvoorbeeld indien de verdachte iemand heeft gedood met het oogmerk aan de benadeelde partij immateriële schade toe te brengen;
b. aantasting in de persoon: 1) door het oplopen van lichamelijk letsel, 2) door schade in zijn eer of goede naam of 3) op andere wijze;
c. bepaalde gevallen van aantasting van de nagedachtenis van een overledene.
2.4.5
Van de onder b.3) bedoelde aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ is in ieder geval sprake indien de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen. Degene die zich hierop beroept, zal voldoende concrete gegevens moeten aanvoeren waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval psychische schade is ontstaan. Daartoe is vereist dat naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel kan worden vastgesteld. Ook als het bestaan van geestelijk letsel in voornoemde zin niet kan worden aangenomen, is niet uitgesloten dat de aard en de ernst van de normschending en van de gevolgen daarvan voor de benadeelde, meebrengen dat van de in art. 6:106, aanhef en onder b, BW bedoelde aantasting in zijn persoon ‘op andere wijze’ sprake is. In zo een geval zal degene die zich hierop beroept de aantasting in zijn persoon met concrete gegevens moeten onderbouwen. Dat is slechts anders indien de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. Van een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ als bedoeld inart. 6:106, aanhef en onder b, BW is niet reeds sprake bij de enkele schending van een fundamenteel recht.”26.
5.4
Het middel is gebaseerd op de veronderstelling dat het hof ten aanzien van de benadeelde partijen het bestaan van geestelijk letsel heeft aangenomen. Die veronderstelling getuigt van een onjuiste lezing van het arrest van het hof. Uit de hiervoor geciteerde overwegingen van het hof blijkt immers dat het hof de aantasting in de persoon op andere wijze voor zowel [slachtoffer 1] als [slachtoffer 2] niet heeft gebaseerd op het bestaan van geestelijk letsel, maar op de aard en ernst van de normschending.
5.5
Het middel mist feitelijke grondslag en faalt om die reden.
6. Het vierde middel
6.1
Het middel klaagt over de schending van de inzendtermijn.
6.2
Op 21 juli 2023 is namens de verdachte cassatie ingesteld. De stukken van het geding zijn op 19 april 2024 bij de griffie van de Hoge Raad binnengekomen. Dat betekent dat de in dit geval geldende inzendtermijn van zes maanden met ongeveer drie maanden is overschreden. Het middel is terecht voorgesteld.
6.3
Daarnaast merk ik ambtshalve op dat er sinds het instellen van het cassatieberoep reeds zestien maanden zijn verstreken. Dat betekent dat ook in dit opzicht inbreuk is gemaakt op het in artikel 6 lid 1 EVRM neergelegde recht om binnen een redelijke termijn te worden berecht.
6.4
Het voorgaande dient te leiden tot strafvermindering.
7. Slotsom
7.1
Het eerste, tweede, derde en vijfde middel falen en kunnen – met uitzondering van het derde middel – worden afgedaan met de aan artikel 81 lid 1 RO ontleende motivering. Het vierde middel slaagt.
7.2
Naast hetgeen ik hiervoor onder 6.3 heb opgemerkt over de overschrijding van de redelijke termijn, heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
7.3
Deze conclusie strekt tot vernietiging van de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan naar de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
plv. AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 11‑02‑2025
VS: bedoeld zal zijn [slachtoffer 2] .
HR 13 februari 2024, ECLI:NL:HR:2024:156, r.o. 2.4
Vgl. HR 27 oktober 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI7099, NJ 2010/598, r.o. 2.6.1 en HR 6 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2771, r.o. 2.3. Zie ook de noot van Van Kempen onder HR 5 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:554, NJ 2016/315, onder 10.
Zie eerder ook HR 5 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:554, NJ 2016/315 m.nt. Van Kempen en HR 24 november 2015, ECLI:NL:HR:2015:3309. Uit de memorie van toelichting bij het thans bij de Tweede Kamer aanhangige wetsvoorstel Wijziging van het Wetboek van Strafrecht en het Wetboek van Strafrecht BES en andere wetten in verband met de modernisering van de strafbaarstelling van mensenhandel en de introductie van de zelfstandige strafbaarstelling van ernstige benadeling en van voordeeltrekking (Wet modernisering en uitbreiding strafbaarstelling mensenhandel) wordt geëxpliciteerd dat naar het oordeel van de regering ook van belang is in welke mate de keuzevrijheid van de ander beperkt; “hoe indringender de beïnvloeding - te denken valt aan het uitoefenen van druk op die ander door (het dreigen met) toepassing van ernstig geweld tegen diegene - hoe eerder sprake is van criminele uitbuiting. In zo’n dwangsituatie kan sprake zijn van criminele uitbuiting, ook als slechts eenmalig een strafbaar feit is gepleegd. Tegelijk is het antwoord op de vraag of zich een situatie van criminele uitbuiting voordoet sterk verweven met de omstandigheden van het geval. Zo kan over het algemeen bezwaarlijk van criminele uitbuiting worden gesproken wanneer een strafbare activiteit in verband staat met pressie die binnen een criminele organisatie jegens groepsleden is uitgeoefend. In het algemeen wordt hier verder benadrukt dat kinderen bijzondere strafrechtelijke bescherming wordt geboden tegen criminele uitbuiting.” Zie Kamerstukken II 2023/24, 36 547, nr. 3, p. 17.
ECLI:NL:PHR:2018:1514, onder 20 e.v.
In de zaak die ten grondslag lag aan de conclusie van Vegter was sprake van mensenhandel door een groot aantal seizoenarbeiders uit Oost-Europa in dienst te hebben bij een aardbeienkwekerij en deze stelselmatig substantieel onder te betalen en te voorzien van slechte, veel te dure huisvesting. Zie HR 19 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:383, NJ 2019/207, m.nt. J.M. Reijntjes.
HR 15 januari 2019, ECLI:NL:HR:2019:39, waarin sprake was van mensenhandel door een minderjarig nichtje uit Turkije illegaal in huis te nemen en haar jarenlang buitensporig en excessief te belasten met huishoudelijke taken en de verzorging van kinderen.
HR 24 maart 2020, ECLI:NL:HR:2020:492, waarin het ging om mensenhandel door een ex-verslaafde in het kader van opvang en zorgverlening twee jaren lang zonder betaling te laten werken in een keukenbladenfabriek.
Zie bijvoorbeeld HR 24 november 2015, ECLI:NL:HR:2015:3309, NJ 2016/313, m.nt. P.H.P.H.M.C. van Kempen en HR 21 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:672.
S.J.A. Lestrade, De strafbaarstelling van arbeidsuitbuiting in Nederland (diss. Groningen), Deventer: Wolters Kluwer 2018, p. 68-69.
Vgl. HR 5 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:554, NJ 2016/315, m.nt. Van Kempen, r.o. 2.4.2 en 2.5.2. Zie ook P.H.P.H.M.C. van Kempen, “Mensenhandel?”, DD 2017/39, p. 401 e.v., waarin hij pleit voor restrictieve interpretaties van de strafbaarstelling van mensenhandel.
Vgl. ook het onderscheid dat Lestrade maakt tussen harmful exploitation en mututally advantageous exploitation, S.J.A. Lestrade, De strafbaarstelling van arbeidsuitbuiting in Nederland (diss. Groningen), Deventer: Wolters Kluwer 2018, p. 69-71.
Zie HR 16 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1946, NJ 2019/271, m.nt. N. Rozemond, r.o. 2.5, waarin de Hoge Raad bij de verwerping van de OM-cassatie tegen de door het hof gegeven vrijspraak voor mensenhandel betrok dat de verdachten ten tijde van de tewerkstelling wel salaris hebben betaald. Zie voor zaken waarin de Hoge Raad in aanmerking nam dat iemand niet of zeer slecht betaald wordt HR 19 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:383, NJ 2019/207, m.nt. J.M. Reijntjes, r.o. 2.5.1 en HR 24 maart 2020, ECLI:NL:HR:2020:492, r.o. 2.5.
Vgl. de eerder besproken conclusie van AG Vegter, ECLI:NL:PHR:2018:1514, onder 22.
HR 15 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:917.
HR 15 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:917, r.o. 3.4.
Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch 22 juni 2022, ECLI:NL:GHSHE:2022:2982. Zie in dezelfde zin Gerechtshof Amsterdam 29 december 2020, ECLI:NL:GHAMS:2020:3673 en Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 24 september 2021, ECLI:NL:GHARL:2021:9172.
Vgl. ook HR 26 maart 2024, ECLI:NL:HR:2024:439, NJ 2024/191, m.nt. A.J. Machielse, r.o. 3.4.2.
Zie A.J.A. van Dorst & M.J. Borgers, Cassatie in strafzaken, Deventer: Wolters Kluwer 2022, p. 68.
HR 13 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL9105, NJ 2011/259, m.nt. C.P.M. Cleiren, r.o. 2.6 en 2.7.
Vgl. HR 15 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:917, r.o. 3.4.
Vgl. de aan HR 13 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL9105, NJ 2011/259, m.nt. C.P.M. Cleiren voorafgaande conclusie van AG Hofstee, ECLI:NL:PHR:2010:BL9105, onder 15.
Vgl. in dezelfde zin de conclusie van toenmalig AG Knigge, ECLI:NL:PHR:2014:277, onder 5.2, die voorafging aan HR 15 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:917.
VS: Sinds 1 januari 2019 is het tweede lid van artikel 6:106 BW vervallen, zodat – ook hierna – bedoeld zal zijn “artikel 6:106, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek”.
HR 28 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:793, NJ 2019/379, m.nt. W.H. Vellinga.
Beroepschrift 30‑07‑2024
De Hoge Raad der Nederlanden
Griffienummer: S 23/02843
AANVULLENDE SCHRIFTUUR VAN CASSATIE
in de zaak van [verdachte], geboren op [geboortedatum] 1968, verzoeker van cassatie van een hem betreffende uitspraak van 20 juli 2023 van het gerechtshof 's‑Hertogenbosch met parketnummer 20-000907-22, en van alle onder dat parketnummer door het hof genomen (tussen)beslissingen.
Naar aanleiding van de op verzoek van ondergetekende in het digitaal portaal geplaatste aanvullende stukken betrekking hebbend op de vorderingen van de benadeelde partijen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] wordt de op 29 juli 2024 ingediende cassatieschriftuur aangevuld met het volgende middel:
Middel V:
Het recht is geschonden en/of er zijn vormen verzuimd waarvan niet-naleving met nietigheid is bedreigd of zodanige nietigheid voortvloeit uit de aard van de niet in acht genomen vormen. In het bijzonder betreft dit de artikelen 36f Sr, 51f, 51g, 361, 415 en 421 Sv en 6:106 BW, doordat het gerechtshof de vorderingen van de benadeelde partijen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] met betrekking tot de immateriële schade telkens geheel heeft toegewezen op de grond dat de benadeelde partijen als rechtstreeks gevolg van het bewezenverklaarde handelen van de verdachte geestelijk letsel hebben opgelopen, ook voor zover die vorderingen betrekking hebben op de aan verzoeker verweten mensenhandel, zulks terwijl een onderbouwing van dat geestelijk letsel als gevolg die mensenhandel ontbreekt en — anders dan het gerechtshof overweegt -
- —
(ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]) dat geestelijk letsel niet reeds kan worden aangenomen op grond van het feit dat de aan verzoeker verweten mensenhandel gepaard ging met ‘geweld, bedreiging met geweld, intimidatie en vernedering en beperking van de vrijheden van het slachtoffer en het dwingen van het slachtoffer om handelingen te verrichten, in casu criminele uitbuiting’ nu het in het kader van de mensenhandel verweten geweld in het geval van [slachtoffer 1] ziet op dezelfde handelingen als die vallen onder de onder 1. bewezenverklaarde poging tot doodslag en de onder 2. bewezenverklaarde mishandeling waarvoor het gerechtshof de vordering eveneens heeft toegewezen en de aard, en de ernst van de overigens in het kader van de mensenhandel verweten normschending (bedreiging met geweld, intimidatie en vernedering en beperking van de vrijheden van het slachtoffer en het dwingen van het slachtoffer om handelingen te verrichten) niet, althans niet zonder meer, als aantasting in de persoon op andere wijze is aan te merken en concrete gegevens dat daarvan sprake is ontbreken, en/of
- —
(ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2]) dat geestelijk letsel niet reeds kan worden aangenomen op grond van het feit dat de aan verzoeker verweten mensenhandel gepaard ging met ‘geweld, bedreiging met geweld, intimidatie en vernedering en beperking van de vrijheden van het slachtoffer en het dwingen van het slachtoffer om handelingen te verrichten, in casu criminele uitbuiting’ nu het in het kader van de mensenhandel verweten geweld in het geval van [slachtoffer 2] ziet op dezelfde handelingen als die vallen onder de onder 3. bewezenverklaarde mishandeling waarvoor het gerechtshof de vordering eveneens heeft toegewezen, en de aard en de ernst van de overigens in het kader van de mensenhandel verweten normschending (bedreigen met geweld en intimidatie en vernedering en beperking van de vrijheden van het slachtoffer en het dwingen van het slachtoffer om handelingen te verrichten) niet, althans niet zonder meer, als aantasting in de persoon op andere wijze is aan te merken en concrete gegevens dat daarvan sprake is ontbreken.
Het oordeel van het gerechtshof met betrekking tot de vorderingen van de benadeelde partijen getuigt daarmee telkens van een onjuiste rechtsopvatting en/of is onbegrijpelijk en/of ontoereikend gemotiveerd. Ten gevolge hiervan zijn de toewijzing van de vorderingen van benadeelde partijen voor een bedrag van, in het geval van [slachtoffer 1], € 4.000,= resp., in het geval van [slachtoffer 2], € 6.000,= alsook de (onder meer) voor deze resp. bedragen opgelegde schadevergoedingsmaatregelen, onbegrijpelijk en/of ontoereikend gemotiveerd en/of getuigen deze beslissingen van een onjuiste rechtsopvatting.
Het arrest lijdt hierdoor aan nietigheid.
Toelichting:
1.
Uit het oordeel van het hof volgt dat het art. 6:106, aanhef en onder b, BW heeft toegepast. Deze bepaling luidt:
‘Voor nadeel dat niet in vermogensschade bestaat, heeft de benadeelde recht op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding:
- (…) b.
indien de benadeelde lichamelijk letsel heeft opgelopen, in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast’
(onderstreping JK en DS)
2.
In HR 13 juli 2021, ECLI:NL:HR:2021:1127 heeft uw Raad geoordeeld:
‘3.3.3
In zijn arrest van 28 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:793 heeft de Hoge Raad, onder verwijzing naar HR 15 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:376, het volgende overwogen:
‘Van de [in art. 6:106, aanhef en onder b, BW] bedoelde aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ is in ieder geval sprake indien de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen. Degene die zich hierop beroept, zal voldoende concrete gegevens moeten aanvoeren waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval psychische schade is ontstaan. Daartoe is vereist dat naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel kan worden vastgesteld. Ook als het bestaan van geestelijk letsel in voornoemde zin niet kan worden aangenomen, is niet uitgesloten dat de aard en de ernst van de normschending en van de gevolgen daarvan voor de benadeelde, meebrengen dat van de in art. 6:106, aanhef en onder b, BW bedoelde aantasting in zijn persoon ‘op andere wijze’ sprake is. In zo een geval zal degene die zich hierop beroept de aantasting in zijn persoon met concrete gegevens moeten onderbouwen. Dat is slechts anders indien de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. Van een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ als bedoeld in art. 6:106, aanhef en onder b, BW is niet reeds sprake bij de enkele schending van een fundamenteel recht.’ (onderstrepingen JK)’
3.
Het hof heeft bij de benadeelde partijen het bestaan van ‘geestelijk letsel’ aangenomen. Concrete gegevens waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval psychische schade is ontstaan, waarbij vereist is dat naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel kan worden vastgesteld, zijn door de benadeelde partijen niet aangedragen. In zijn overwegingen met betrekking tot de resp. vorderingen van de benadeelde partijen oordeelt het hof dat daaruit blijkt dat de gevolgen van het handelen van verzoeker voor hen enorm zijn en wijst het de gevorderde immateriële schade toe op de grond dat gelet op de aard en de ernst van de normschending sprake is van aantasting in de persoon ‘op andere wijze’.
4.
Naar aanleiding van het verweer van de verdediging tegen toewijzing van de vorderingen van de benadeelde partijen voor zover het gaat om immateriële schade met betrekking tot de aan verzoeker verweten mensenhandel nu die in casu geen betrekking heeft op seksuele uitbuiting overweegt het hof:
‘De omstandigheid dat — zoals de verdediging heeft gesteld — de bij het voegingsformulier gevoegde rechterlijke uitspraken hoofdzakelijk zien op seksuele uitbuiting en daarvan hier geen sprake is, doet aan dit oordeel niet af omdat er overduidelijk elementen zijn die overeenkomen met de onderhavige bewezenverklaarde feiten zoals het toegepaste geweld, bedreiging met geweld, intimidatie en vernedering en beperking van de vrijheden van het slachtoffer en het dwingen van het slachtoffer om handelingen te verrichten, in casu criminele uitbuiting, die de benadeelde partij niet wilde verrichten.’
5.
Hieruit volgt dat het hof de vordering tot vergoeding van immateriële schade ook toewijst voor zover die ziet op de mensenhandel. Dat oordeel is onbegrijpelijk en/of onvoldoende met redenen omkleed.
6.
Volgens het schadeformulier van de benadeelde partij [slachtoffer 1] heeft de immateriële schade in haar geval bestaan uit ‘lichamelijk letsel en psychische schade’. Ten aanzien van de uitbuiting beroept de benadeelde partij zich voor wat betreft de grondslag van de vordering op aantasting in haar persoon ‘op andere wijze’, waarbij naast inbreuk op de lichamelijke en geestelijke integriteit ook de schending van de persoonlijke levenssfeer wordt genoemd. In verband met dit laatste wordt onder verwijzing naar jurisprudentie aangevoerd:
‘De Hoge Raad heeft bepaald dat op dit uitgangspunt uitzonderingen kunnen worden aanvaard indien de gedraging kan worden aangemerkt als een ernstige schending van de persoonlijke levenssfeer en/of de bijzondere ernst van de normschending en de gevolgen daarvan voor het slachtoffer een toewijzing rechtvaardigen. In dat geval kan ook zonder gediagnosticeerd geestelijk letsel worden gesproken van aantasting in de persoon in verband met de bijzondere ernst van de normschending en de gevolgen daarvan voor het slachtoffer.’
7.
Volgens de vordering is daarvan in het geval van de benadeelde partij [slachtoffer 1] sprake. Genoemd wordt ‘dat verdachte haar meerdere keren (heeft) mishandeld’ en dat hij ‘haar gedurende een periode van een jaar crimineel (heeft) uitgebuit’. Deze ernstige strafbare feiten hebben, aldus de vordering,
‘een forse impact op het leven van cliënte (gehad). Cliënte is op de momenten van de mishandeling heel angstig geweest. Verdachte was vaak zó boos en was zo agressief, dat cliënte dacht dat zij het op een dag met de dood zou bekopen. Zeker op 3 juli 2021 dacht zij dat zij het niet zou overleven: zij heeft op haar laatste krachten de woning kunnen ontvluchten. Het leven onder de continue druk die verdachte met zijn intimiderende, kleinerende en agressieve gedrag op haar uitoefende, was voor cliënte heel zwaar. Zij kreeg steeds minder zelfvertrouwen en zelfrespect en was ervan overtuigd dat zij compleet afhankelijk was van verdachte en nergens heen kon. Ze leefde een steeds geïsoleerder leven en had niet tot nauwelijks meer contact met haar zoon en haar familie. Ze schaamde zich ontzettend voor het leven wat ze leidde: natuurlijk voor haar alcoholverslaving, maar ook voor de uitbuiting en de mishandelingen. Deze schaamte voelt cliënte nog steeds.’
8.
In de vordering wordt verder onder meer genoemd dat de psychische gevolgen van het handelen van de verdachte niet verdwenen zijn, de benadeelde partij angstig is voor verdachte en zijn zoons, op een geheim adres woont en de deur niet uit durft. Verder komt daarin tot uitdrukking dat ‘(t)ot op heden cliënte geen psychologische behandeling (heeft).’ Volgens de vordering is het ‘evident, dat er in deze sprake is van een ernstige normschending van zowel de lichamelijke als de geestelijke integriteit, zodat een direct persoonsbelang is geraakt en er derhalve een aanspraak is op smartengeld.’
9.
De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] kent een vergelijkbare onderbouwing van de immateriële schade. Voor een groot deel komen daarin verwijten aan de orde die worden geplaatst in het kader van de ‘uitbuiting’ door verdachte maar die niet ten laste van hem zijn bewezen verklaard. In zijn algemeenheid is in de vordering opgemerkt dat wat er gebeurd is gedurende de maanden dat de benadeelde partij [slachtoffer 2] een relatie met verdachte had, voor haar ‘een ware nachtmerrie is geweest’ en dat ze ‘vaker (heeft) gedacht dat zij het niet zou overleven en is weggevlucht op het enige moment dat dit kon, in de wetenschap dat ze zichzelf in veiligheid moest brengen om erger te voorkomen.’
10.
Ook bij deze vordering wordt als grondslag de aantasting in haar persoon ‘op andere wijze’ genoemd, waarbij naast inbreuk op de lichamelijke en geestelijke integriteit de schending van de persoonlijke levenssfeer wordt genoemd. Er is, aldus de vordering, ‘sprake van een ernstige inbreuk op haar lichamelijke en geestelijke integriteit’ en zij heeft ‘bij de politie gesproken over de gevolgen die de door verdachte gepleegde strafbare feiten voor haar hebben gehad’.
11.
Verwezen is voorts naar bij de vordering gevoegd een verslag van een contact met een psychiater van de crisisdienst nadat de benadeelde partij de relatie met verdachte had beëindigd, die als eerste inschatting geeft ‘suïcidale Intenties bij 19 jarige vrouw met IQ van 52 na verbreken van ongezonde relatie met veel oudere man’. Uit dat bij de vordering gevoegde verslag blijkt echter ook dat bij de benadeelde partij sprake is (geweest) van een acht maanden durend ‘loverboycircuit’ waar zij in zat, en komt onder ‘Beschrijvende conclusie’ naar voren dat er een ‘acute stressreactie wordt gezien als gevolg van de vele traumata in die periode.’ (onderstreping JK).
12.
Een behandeling is de benadeelde partij nadien niet aangegaan, zo blijkt uit de vordering, omdat zij dat te moeilijk vond en er teveel onrust was in haar leven. Een daarop betrekking hebbende, van de GGzE afkomstige brief aan de huisarts die aan de vordering is gehecht, dateert van 26 augustus 2021, ruim anderhalf jaar na de bewezenverklaarde feiten. Vermeld wordt dat sprake zou zijn van PTSS, maar behoudens de vermelding dat de benadeelde partij ‘veel (heeft) meegemaakt’ in haar leven, kan in die brief geen verband worden ontwaard tussen die diagnose en de bewezenverklaarde feiten.
13.
Uit de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] blijkt verder nog dat zij een EMDR-therapie is gestart, maar uit de bij de vordering gevoegde korte brief van 22 april 2022 waarnaar wordt verwezen wordt niet gespecificeerd wat daarvoor de aanleiding is en/of dat (alleen) de bewezenverklaarde feiten daarvoor de aanleiding zijn.
14.
In de vordering wordt verder beschreven dat het op dit moment ‘niet goed gaat met cliënte’ omdat zij bang is voor de verdachte en ervan overtuigd is dat hij wraak op haar komt nemen. Verder vertrouwt zij niemand meer, heeft last van herbelevingen en nachtmerries waardoor zij uitgeput raakt en veel spanning heeft. Geconcludeerd wordt dat het ‘evident (is), dat er in deze sprake is van een ernstige normschending van zowel de lichamelijke als de geestelijke integriteit bij een vrouw met een verstandelijke beperking, zodat een direct persoonsbelang is geraakt en er derhalve een aanspraak is op smartengeld’.
15.
In zoverre de immateriële schade betrekking heeft op de poging tot doodslag en de mishandelingen die zijn bewezen verklaard (de feiten onder 1, 2 en 3), wordt die niet betwist. Van de vorderingen van de benadeelde partijen maken echter ook deel uit de gevolgen van de onder 5. en 6. bewezenverklaarde feiten. Gelet op het feit dat de in dat verband bewezenverklaarde mishandelingen betrekking hebben op hetzelfde feitencomplex als de bewezenverklaringen onder 1, 2 en 31. kan de immateriële schade die in verband daarmee is toegewezen niet ook de grond vormen voor de toewijzing van de gevorderde immateriële schade in verband met de onder 5. en 6. bewezenverklaarde feiten gevorderde immateriële schade. Voor zover de vorderingen tot vergoeding van immateriële schade op die laatste feiten betrekking heeft, kunnen zij daarom alleen worden toegewezen als is voldaan aan de vereisten voor ‘aantasting in de persoon op andere wijze’.
16.
Dat brengt mee dat voldoende concrete gegevens moeten zijn aangevoerd waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval door het daarop betrekking hebbende handelen van verzoeker psychische schade is ontstaan. Zie in dat verband A-G Keulen, conclusie ECLI:NL:PHR:2020:936 onder 18, in een zaak waarin de benadeelde partij in een schriftelijke slachtofferverklaring had verklaard dat de gebeurtenissen hem dermate hebben beschadigd dat het hem veel tijd heeft gekost zich weer onder de mensen te begeven, dat hij bang was gepest te worden, dat hij ten opzichte van zijn stage/werkplek imagoschade heeft opgelopen, dat hij sommige sociale contacten heeft moeten beëindigen, dat de gebeurtenissen tot gevolg hebben dat hij te voorzichtig is met het aangaan van een nieuwe relatie omdat hij het vertrouwen heeft verloren en dat hij na de verbroken relatie met de verdachte geen nieuwe relatie heeft gehad. De A-G concludeert:
‘(…) Daaruit kan evenwel niet volgen dat benadeelde partij voldoende concrete gegevens heeft aangevoerd waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval psychische schade is ontstaan. In het bijzonder kan uit de slachtofferverklaring niet volgen dat is voldaan aan het vereiste dat ‘naar objectieve maatstaven’ het bestaan van geestelijk letsel kan worden vastgesteld. Ook de inhoud van het schadeonderbouwingsformulier biedt daarvoor onvoldoende grond. Ik neem hierbij in aanmerking dat in dat formulier en de bijlage niet is aangegeven dat een psychiater of psycholoog heeft vastgesteld dat bij de benadeelde partij in enigerlei vorm psychische schade is ontstaan of dat de vordering van de benadeelde partij anderszins is onderbouwd aan de hand van medische of gedragskundige expertise.’
(onderstreping JK)
17.
Voor zover de vorderingen van de benadeelde partijen zien op immateriële schade als gevolg van de onder 5. en 6. bewezenverklaarde feiten en los van de in dat verband bewezenverklaarde mishandelingen, zijn onvoldoende concrete gegevens aangevoerd waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval psychische schade is ontstaan, en is daardoor niet voldaan aan het vereiste dat ‘naar objectieve maatstaven’ het bestaan van geestelijk letsel kan worden vastgesteld.
18.
Niet alleen bij de benadeelde partij [slachtoffer 1], maar ook bij de benadeelde partij [slachtoffer 2] is er geen sprake van een psychiater of psycholoog die dergelijk letsel heeft vastgesteld. Het enkele feit dat in het geval van de benadeelde partij [slachtoffer 2], er contact is geweest op enig moment met de crisisdienst en de GGzE en van een EMDR-therapie sprake is geweest is daartoe niet voldoende gelet op het feit dat daarbij psychische schade niet is vastgesteld en/of niet kan blijken dat de oorzaak van die schade is gelegen in het handelen van verzoeker als bewezenverklaard onder 5. en 6..
19.
Een en ander brengt mee dat de beslissingen tot toewijzing van de vorderingen tot immateriële schadevergoeding en de oplegging in verband daarmee van de schadevergoedingsmaatregelen (telkens) blijk geven van een onjuiste rechtsopvatting en/of zijn onbegrijpelijk en/of onvoldoende met redenen omkleed. Het arrest lijdt daarmee aan nietigheid.
Deze aanvullende schriftuur wordt ondertekend en ingediend door mr. J. Kuijper, advocaat te Amsterdam, aldaar kantoorhoudende aan de Amstel 326, 1017 AR Amsterdam die verklaart tot deze ondertekening en indiening bepaaldelijk te zijn gevolmachtigd door verzoeker van cassatie.
Amsterdam, 29 juli 2024
J. Kuijper
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 30‑07‑2024
Volgens het hof is sprake van ‘eendaadse samenloop’, zie pp. 17 en 18 van het arrest.
Beroepschrift 29‑07‑2024
De Hoge Raad der Nederlanden
Griffienummer: S 23/02843
SCHRIFTUUR VAN CASSATIE
in de zaak van [verdachte], geboren op [geboortedatum] 1968, verzoeker van cassatie van een hem betreffende uitspraak van 20 juli 2023 van het gerechtshof 's‑Hertogenbosch met parketnummer 20-000907-22, en van alle onder dat parketnummer door het hof genomen (tussen)beslissingen.
Verzoeker van cassatie dient hierbij de navolgende middelen in:
Middel I
Het recht is geschonden en/of er zijn vormen verzuimd, waarvan niet-naleving nietigheid meebrengt. In het bijzonder zijn de artikelen 45 en 287 Sr en de artikelen 341, 350, 358, 359, en 415 Sv geschonden, doordat het hof onder 1. bewezen heeft verklaard dat
‘hij op 3 juli 2021 te Eindhoven ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer 1] opzettelijk van het leven te beroven, genoemde [slachtoffer 1] met een hard houten slagvoorwerp, tegen het hoofd heeft geslagen, en met kracht de keel van die [slachtoffer 1] heeft dichtgeknepen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;’
waarbij het hof het voorwaardelijk opzet op de dood van het slachtoffer blijkens zijn bewijsmotivering heeft ontleend aan
- a.
het feit dat verzoeker deze [slachtoffer 1] meerdere malen met een hard houten voorwerp heeft geslagen, en haar ‘bozer dan boos’ ten minste één maal met de nodige kracht op het hoofd ter hoogte van de linker slaap heeft geraakt, welk geweld aangemerkt kan worden als zozeer gericht op het toebrengen van potentieel dodelijk letsel, dat verzoeker door zo te handelen de aanmerkelijke kans op het gevolg — de dood — geeft aanvaard;
- b.
het feit dat verzoeker met kracht de keel van het slachtoffer heeft dichtgeknepen waarbij zij bang was dat zij zou stikken en minder of geen lucht kreeg.
zulks terwijl uit de, in het aanvullende arrest vermelde, feiten en omstandigheden die zijn ontleend aan de gebezigde bewijsmiddelen niet kan blijken dat verzoeker het slachtoffer tegen de (linker) slaap heeft geslagen, en evenmin kan blijken dat hij haar keel heeft dichtgeknepen op zodanige wijze dat hierdoor bewezen kan worden dat de aanmerkelijke kans dat de dood van het slachtoffer had kunnen volgen en/of verzoeker deze kans willens en wetens heeft aanvaard.
Hier komt bij dat het hof blijkens het overnemen van de nadere bewijsoverweging van de rechtbank op p. 10 van het arrest voor het bewijs betekenis heeft toegekend aan de omstandigheid dat verzoeker (bij de rechtbank) zou hebben verklaard dat hij ‘bozer dan boos’ was op het slachtoffer, terwijl zulks niet kan blijken uit de processen-verbaal van de terechtzittingen van de rechtbank, zodat het hof de verklaringen van verzoeker heeft gedenatureerd.
De bewezenverklaring is om deze redenen ontoereikend gemotiveerd zodat het arrest aan nietigheid lijdt.
Toelichting:
1.
De verdediging heeft aangevoerd dat de verwondingen zich niet bevonden op de meest kwetsbare delen van het lichaam, zoals de slaap, en dat niet hard kan zijn geslagen omdat dit anders tot ernstige verwondingen had moeten leiden die er niet zijn, zodat verzoeker met zijn handelen niet de aanmerkelijke kans op de dood heeft aanvaard.
2.
Uit bewijsmiddel 2 van de aanvulling op het arrest blijkt dat het slachtoffer [slachtoffer 1] heeft verklaard dat verzoeker haar 4 of 5 maal met een stuk hout heeft geraakt op haar ribben en de linker zijkant van haar hoofd en ook op het rechterbeen. Over de kracht waarmee hij heeft geslagen blijkt niets uit haar verklaring. Verder heeft zij verklaard dat verzoeker haar met een hand bij de keel vast had terwijl hij haar met een andere hand sloeg, waarbij zij angst had dat ze zou verstikken en dat zij minder of geen lucht kreeg.
3.
Uit bewijsmiddel 5, de letselbeschrijving door een forensisch arts, blijkt dat op het slachtoffer de volgende letsels zijn aangetroffen: oppervlakkige verwondingen aan het gelaat, bloeduitstorting aan de rechter bovenzijde van de oogkas, een bloeduitstorting aan de rechter zijde van de hals ter hoogte van de rechter onderkaak, parallel verlopende verwondingen met puntbloedingen aan de linkerzijde van het gelaat ter hoogte van de linkerwang, een bloeduitstorting achter de linker oorschelp, een bloeduitstorting aan de linker zijde van de hals onder de linker kaak, alsmede een aantal letsels op andere plaatsen dan hoofd en hals.
4.
Uit bewijsmiddel 6 , een nadere toelichting van dezelfde forensische arts, kan slechts blijken dat de verwondingen op het aangezicht zijn veroorzaakt met een houten slagwapen en dat zij van recente origine zijn.
5.
Uit de letselbeschrijving en toelichting kan verder volgen dat sprake is geweest van enig letsel aan (de linkerzijde van) het hoofd van het slachtoffer [slachtoffer 1], maar niet van enig — laat staan enigermate ernstig — letsel ter hoogte van de linker slaap. Deze bevindt zich immers zoals algemeen bekend tussen de linker oogkas en het linker oor. Er kan ook uit blijken dat sprake is geweest van het slaan met een houten voorwerp. Er kan niet uit blijken dat dit slaan is geschied met een grote kracht, waarbij ook van belang is dat kennelijk geen enkele breuk is aangetroffen en alle verwondingen kennelijk oppervlakkig waren
6.
Uit de letselverklaring van de arts kan daarnaast worden afgeleid dat zowel links als rechts bloeduitstortingen aan de hals zijn waargenomen, hetgeen redengevend geacht kan worden voor de conclusie dat sprake was van het met enige kracht dichtknijpen van de keel. Uit dit bewijsmiddel en uit de gebruikte verklaring van het slachtoffer kan echter niet blijken dat dit dichtknijpen zodanig krachtig en langdurig was dat zich daardoor de aanmerkelijke kans voordeed dat het slachtoffer het leven zou verliezen. Wel blijkt van haar angst hiervoor, maar niet van het daadwerkelijk risico dat zij het leven zou verliezen. Zo blijkt niet dat:
- —
het dichtknijpen van de keel langere tijd heeft geduurd, dus langer dan enkele seconden;
- —
dat met grote kracht is geknepen;
- —
dat het slachtoffer in het geheel niet meer kon ademen (‘minder of geen lucht’ houdt de mogelijkheid open dat slechts sprake was van minder lucht);
- —
dat het slachtoffer (bijna) het bewustzijn heeft verloren;
7.
Het dichtknijpen van de keel gedurende enkele momenten en met onbekende kracht rechtvaardigt niet zonder meer de conclusie dat sprake is van een aanmerkelijke kans op de dood van het slachtoffer, daarvoor is meer tijd en een vaststelling (bij benadering) van de hoeveelheid uitgeoefende kracht nodig. Het enkele feit dat de keel werd dichtgeknepen en dat het slachtoffer angst kreeg dat zij het leven zou verliezen is onvoldoende om aan de zijde van verzoeker het (voorwaardelijke) opzet op de dood aan te nemen.
8.
Het voorgaande brengt mee dat uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen redelijkerwijs niet kan volgen dat verzoeker het voorwaardelijke opzet had op de dood van slachtoffer [slachtoffer 1] toen hij haar met een stuk hout sloeg en haar keel dichtkneep.
9.
Hier komt nog het volgende bij.
10.
Uit de van de rechtbank overgenomen bewijsoverweging (p. 10 van het arrest) blijkt dat het hof voor wat betreft de kracht waarmee verzoeker met het hout zou hebben geslagen, betekenis heeft toegekend aan de verklaring die verzoeker ter terechtzitting van de rechtbank zou hebben afgelegd, inhoudende dat hij ‘bozer dan boos’ was op het slachtoffer. Juist op grond van deze uitlating heeft het hof aangenomen dat verzoeker ‘met de nodige kracht heeft geslagen’. Dat verzoeker dit heeft verklaard is echter niet terug te vinden in enig proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg (en overigens ook niet in hoger beroep). Verzoeker heeft daar omtrent de mate van zijn boosheid slechts verklaard:
‘Ik ben wel boos geworden en heb een telefoon tegen haar hoofd aan gegooid.’
(pv zitting rechtbank van 31 maart 2022, p. 2)
11.
Opgemerkt wordt dat wanneer er verschil bestaat in de weergave van een verklaring van een getuige tussen het proces-verbaal van de terechtzitting en het bestreden arrest (of vonnis), in cassatie moet worden uitgegaan van hetgeen in het proces-verbaal is vermeld (HR 22-11-2005, ECLI:NL:HR:2005:AU1993).
12.
Waar rechtbank en hof in hun bewijsoverweging hebben opgenomen dat verzoeker heeft gezegd dat hij ‘bozer dan boos’ was op het slachtoffer in plaats van gewoon ‘boos’, is de verklaring van verzoeker die hij ter zitting van de rechtbank heeft afgelegd, dan ook gedenatureerd. Het is onbegrijpelijk dat het hof de bewezenverklaring voor wat betreft het opzet op de dood mede heeft gebaseerd op deze woorden.
13.
Gelet op het voorgaande heeft het hof — in navolging van de rechtbank — de bewezenverklaring ten aanzien van het eerste feit ontoereikend gemotiveerd, hetgeen nietigheid van het bestreden arrest meebrengt.
Middel II
Het recht is geschonden en/of er zijn vormen verzuimd, waarvan niet-naleving nietigheid meebrengt. In het bijzonder zijn de artikelen 350, 358, 359, en 415 Sv geschonden, doordat het hof onder 5 en 6 bewezen heeft verklaard dat verzoeker:
‘5.
in de periode van 1 april 2020 tot en met 2 juli 2021 te Eindhoven en/of Aalst en/of Geldrop en/of Nuenen en/of elders in Nederland, een ander, genaamd [slachtoffer 1], (telkens) met één of meer van de onder lid 1, sub 1o van artikel 273f Wetboek van Strafrecht genoemde middelen, te weten door dwang en geweld en dreiging met geweld, door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en door misbruik van een kwetsbare positie,
- —
heeft geworven, gehuisvest en opgenomen met het oogmerk van uitbuiting (sub 1), en
- —
heeft gedwongen of bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van arbeid of diensten (van criminele aard) dan wel enige handeling heeft ondernomen waarvan hij, verdachte, wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat die [slachtoffer 1] zich daardoor beschikbaar zou stellen tot het verrichten van arbeid of diensten (van criminele aard) (sub 4), en
(telkens) opzettelijk voordeel heeft getrokken uit de uitbuiting van die [slachtoffer 1] (sub 6), waarbij dat geweld of een andere feitelijkheid en/of die dreiging met geweld of een andere feitelijkheid heeft/hebben bestaan uit:
- —
het mishandelen van die [slachtoffer 1] (onder andere door die [slachtoffer 1] te slaan en/of aan/bij de keel te grijpen en of te wurgen) en
- —
het zich op boze en/of agressieve en/of (anderszins)dreigende en/of overheersende en/of denigrerende toon/wijze te uiten tegen die [slachtoffer 1] en
- —
het bedreigen van die [slachtoffer 1] dat hij, verdachte, die [slachtoffer 1] in een container zou stoppen en in de zee zou gaan dumpen en
- —
het brengen en houden van die [slachtoffer 1] in een positie waar zij afhankelijk was van hem, verdachte, voor het hebben van onderdak en
- —
het brengen en houden van die [slachtoffer 1] in een positie waar zij niet over haar eigen financiële middelen en/of bankpas kon beschikken
waarbij voornoemde (onder sub 4) ‘enige handeling’ heeft bestaan uit:
- —
het aangaan en onderhouden van een liefdesrelatie en seksuele relatie met die [slachtoffer 1]
- —
en het laten verblijven van die [slachtoffer 1] in zijn, verdachtes, woning én
- —
het verschaffen van alcoholische drank aan die [slachtoffer 1], waarmee hij, verdachte, die [slachtoffer 1] in haar alcoholverslaving heeft voorzien en
- —
het bepalen dat die [slachtoffer 1] op de uitkijk moest staan, wanneer hij, verdachte, diefstallen pleegde en
- —
het bepalen dat die [slachtoffer 1] behulpzaam moest zijn bij het plegen van diefstallen en
- —
het bepalen dat die [slachtoffer 1] diefstallen moest gaan plegen;
6.
in de periode van 1 juni 2018 tot en met 31 januari 2019 te Eindhoven en Mierlo en Geldrop en Vught en/of elders in Nederland en/of in België, een ander, genaamd [slachtoffer 2], met één of meer van de onder lid 1, sub 1o van artikel 273f Wetboek van Strafrecht genoemde middelen, te weten door dwang en geweld en dreiging met geweld, door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en door misbruik van een kwetsbare positie,
- —
heeft geworven, gehuisvest en opgenomen met het oogmerk van uitbuiting (sub 1), en
- —
heeft gedwongen of bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van arbeid of diensten (van criminele aard) dan wel enige handeling heeft ondernomen waarvan hij, verdachte, wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat die [slachtoffer 2] zich daardoor beschikbaar zou stellen tot het verrichten van arbeid of diensten (van criminele aard) (sub 4), en
- —
(telkens) opzettelijk voordeel heeft getrokken uit de uitbuiting van die [slachtoffer 2] (sub 6),
waarbij dat geweld of eén andere feitelijkheid en die dreiging met geweld of een andere feitelijkheid hebben bestaan uit:
- —
het mishandelen van die [slachtoffer 2] (onder andere door die [slachtoffer 2] met handen en/of gebalde vuisten te slaan) en .
- —
het zich op boze en agressieve en dreigende en overheersende en denigrerende toon/wijze te uiten tegen die [slachtoffer 2] en
- —
het bedreigen van die [slachtoffer 2] dat hij, verdachte, die [slachtoffer 2] zou gaan snijden en een pistool op haar hoofd zou zetten en ’
- —
het innemen en bij zich houden van het identiteitsbewijs van die [slachtoffer 2], waardoor die [slachtoffer 2] hier zelf niet over kon beschikken
waarbij voornoemde (onder sub 4) ‘enige handeling’ heeft bestaan uit:
- —
het aangaan en onderhouden van een liefdesrelatie en seksuele relatie met die [slachtoffer 2] en
- —
het laten verblijven van die [slachtoffer 2] in zijn, verdachtes, woning en
- —
het verschaffen van alcoholische drank en/of verdovende middelen aan die [slachtoffer 2], waarmee hij, verdachte, die [slachtoffer 2] verslaafd heeft gemaakt aan alcohol en verdovende middelen en waarmee hij, verdachte, in de verslaving van die [slachtoffer 2] heeft voorzien en
- —
het bepalen dat die [slachtoffer 2] op dé uitkijk moest staan, wanneer hij, verdachte, één of meerdere diefstallen pleegde en
- —
het bepalen dat die [slachtoffer 2] behulpzaam moest zijn bij het plegen van diefstallen en
- —
het bepalen dat die [slachtoffer 2] diefstallen moest gaan plegen’
zulks terwijl uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen niet kan blijken dat de slachtoffers daadwerkelijk een materieel nadeel hebben geleden en zijn uitgebuit.
Toelichting:
1.
Aan verzoeker wordt in de kern verweten dat hij de slachtoffers [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] in een dwangpositie heeft gebracht waarbij sprake was van haar uitbuiting.
2.
Ook al is het in artikel 273f, in onder meer 4e niet met zoveel woorden vermeld, toch zal ook bij het zich beschikbaar stellen tot arbeid of diensten, zoals bewezen is verklaard, sprake moeten zijn van uitbuiting en niet van min of meer normale arbeidsverhoudingen dan wel diensten die vrienden of partners onderling plegen te verrichten. Hierbij is mede van belang dat op de in artikel 273f Sv omschreven strafbare feiten een gevangenisstraf is gesteld van 12 jaar (vgl. ECLI:NL:HR:2009:BI7099 voor arbeidsuitbuiting, HR 17 mei 2016, ECLI:NL:HR:2016:857 voor het onder 273f eerste lid onder 3. strafbaar gestelde, en HR 25 juni 2019 ECLI:NL:HR:2019:1026 voor het onder 273f eerste lid onder 9. strafbaar gestelde).
3.
Uitbuiting veronderstelt niet alleen eigen voordeel aan de zijde van de uitbuiter maar vooral ook (onevenredig) nadeel aan de zijde van degene die uitgebuit is, zoals, bijvoorbeeld, het gedurende lange dagen gedwongen werken voor geen of een hongerloon.
4.
Het nadeel van de slachtoffers zou er in dit geval uit hebben kunnen bestaan dat zij niet voldoende hebben kunnen profiteren van de criminele activiteiten die zij voor verzoeker moesten plegen, met name: het deelnemen aan diefstallen.
5.
Daarvan blijkt echter niet, althans onvoldoende, uit de bewijsvoering. Daaruit blijkt wel dat verzoeker hen er als zijn tijdelijke partners toe dwong om samen met hem goederen te stelen en dat hij daarvan zelf voordeel trok, maar niet dat hij hen niet in de opbrengst daarvan liet delen op een wijze die bij levenspartners niet ongebruikelijk kan worden genoemd. Zij kregen van hem immers onderdak, te eten en te drinken en ook voorzag verzoeker hen van drank en drugs. Uit bewijsmiddel 16 (verklaring van slachtoffer [slachtoffer 1]) blijkt dat zij voornamelijk vlees stalen en ook vaak bier, goederen die in een huishouding worden gebruikt. Uit haar verklaringen die voor het bewijs zijn gebruikt blijkt niet dat zij materieel iets tekort kwam. Ook slachtoffer [slachtoffer 2] verklaart dat zij met verzoeker uit stelen moest gaan. Ook zij verklaart dat zij veel drank en drugs gebruikte in die tijd, terwijl slechts sprake was van een zeer kleine gemeenschappelijke uitkering van € 400,- per maand, die door verzoeker werd beheerd. Uit de bewijsmiddelen blijkt niet dat het oogmerk van verzoeker was om eenzijdig voordeel te behalen ten koste van de slachtoffers, noch dat dit in werkelijkheid is gebeurd.
6.
Dat zij geen materieel nadeel hebben geleden kan wellicht ook blijken uit het feit dat beide slachtoffers blijkens de vorderingen die zij hebben ingesteld geen schadevergoeding hebben gevorderd voor wat betreft enig materieel door de uitbuiting geleden nadeel, maar — afgezien van enkele kleine post — alleen voor daarmee verband houdende immateriële schade.
7.
Nu het hof niet heeft vastgesteld dat er sprake is geweest van (het oogmerk tot) uitbuiting berust de bewezenverklaring op een onjuiste rechtsopvatting althans is zij onvoldoende gemotiveerd. Het arrest lijdt als gevolg daarvan aan nietigheid.
Middel III
Het recht is geschonden en/of er zijn vormen verzuimd, waarvan niet-naleving nietigheid meebrengt. In het bijzonder zijn de artikelen 36f Sr, 361 en 421 Sv geschonden, doordat het hof aan de benadeelde partij [slachtoffer 1] een bedrag van € 4.269,44 (verhoogd met rente) heeft toegekend als vergoeding van de door deze geleden schade en voor hetzelfde bedrag de schadevergoedingsmaatregel heeft opgelegd,
zulks terwijl [slachtoffer 1] zelf reeds overleden was en de advocaat die namens de nabestaanden (de enige erfgenaam) optrad schriftelijk en ter zitting heeft verklaard dat de vordering niet langer wordt gehandhaafd. Het arrest, waaronder de toewijzing van de betreffende vordering tot vernoemd bedrag en de daarbij opgelegde schadevergoedingsmaatregel, lijdt daarmee aan nietigheid.
Toelichting:
1.
Het proces-verbaal van de terechtzitting maakt melding van een brief van de advocaat van de benadeelde partijen [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1], mr. Geraads, waarin deze namens [slachtoffer 2] meedeelt dat de vordering in volle omvang wordt gehandhaafd en ten aanzien van de nabestaanden van [slachtoffer 1] te kennen geeft dat de vordering niet langer wordt gehandhaafd. De brief is op verzoek ook in het digitaal portaal geplaatst en bevat de volgende passage:
‘T.a.v. de nabestaanden van mw. [slachtoffer 1] ligt e.e.a. complexer. De nalatenschap van mw. [slachtoffer 1] bestaat voornamelijk uit schulden. Bij leven stond zij onder bewind. Zij heeft een thans nog minderjarige zoon, die haar erfgenaam zou zijn. Gelet op de financiële situatie is er, in overleg met de bewindvoerder en de wettelijk vertegenwoordiger van de zoon van cliënte, voor gekozen geen verklaring van erfrecht te laten opmaken. Ik kan u namens de nabestaanden dan ook berichten dat de vordering benadeelde partij in hoger beroep niet wordt gehandhaafd. De nabestaanden van mw. [slachtoffer 1] zullen ook niet ter zitting aanwezig zijn.’
2.
Blijkens het proces-verbaal van de zitting van 6 juli 2023 (p. 2) heeft mr. Geraads aldaar namens de nabestaanden van [slachtoffer 1] herhaald dat de vordering niet langer wordt gehandhaafd.
3.
Blijkens het arrest (p, 21) zou mr. Geraads bovendien hebben gezegd dat de vordering niet wordt ingetrokken. Nu het proces-verbaal van de terechtzitting van 6 juli 2023 een niet de mededeling bevat dat de vordering niet wordt ingetrokken en ook overigens uit enig stuk niet kan blijken dat een dergelijke mededeling is gedaan, moet er in cassatie evenwel van worden uitgegaan dat deze nadere mededeling niet is gedaan.
4.
Het niet langer handhaven door de benadeelde partij van haar vordering dient in beginsel te worden gelijkgesteld aan het intrekken van die vordering. Het niet handhaven van een vordering is immers het tegenovergestelde van het wèl handhaven ervan. Dit behoort in het belang van een behoorlijke procesorde ook te gelden wanneer de benadeelde partij haar vordering (materieel) niet langer handhaaft doch nalaat of weigert deze uitdrukkelijk in te trekken.
5.
Het hof kon de vordering van de benadeelde partij in elk geval niet toewijzen, zoals het heeft gedaan. De uitlating van de raadsvrouw van de benadeelde partij kan niet anders worden begrepen dan dat de benadeelde partij niet langer enig belang heeft bij het behandelen en toewijzen van deze vordering. Bij gebreke van belang dient de vordering te worden afgewezen, althans moet de benadeelde partij daarin niet-ontvankelijk worden geacht te zijn. Toewijzing van de vordering behoort in die situatie niet tot de mogelijkheden.
6.
Het enkele feit dat de toegewezen vordering van de benadeelde partij in hoger beroep van rechtswege voortduurt op grond van artikel 421 Sv maakt dit niet anders aangezien de vordering ook dan kan worden afgewezen, dan wel bij gebrek aan belang niet-ontvankelijk moet worden verklaard.
7.
Indien de vordering van de benadeelde partij geheel is ingetrokken dan wel niet langer wordt gehandhaafd, bestaat er ook geen aanleiding om de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f Sv op te leggen. Weliswaar is de strafrechter bij het opleggen van de schadevergoedingsmaatregel niet gebonden aan het lot van de civiele vordering in het strafproces en kan hij de vordering zelfs toewijzen indien de benadeelde partij geen vordering heeft ingesteld of om formele redenen niet ontvankelijk is (HR 28-05-2019, ECLI:NL:HR:2019:379), maar die vrijheid van de strafrechter kan niet zover gaan dat hij óók een schadevergoedingsmaatregel mag opleggen ten behoeve van een benadeelde partij, wiens vordering is afgewezen of niet-ontvankelijk is verklaard omdat hij deze vordering niet langer handhaafde. Dat zou immers neerkomen op het treffen van de maatregel tegen de wil van deze benadeelde partij en daartoe strekt de schadevergoedingsmaatregel niet.
8.
Het voorgaande leidt tot nietigheid van het bestreden arrest op dit punt.
Middel IV
Het recht is geschonden en/of er zijn vormen verzuimd, waarvan niet-naleving met nietigheid is bedreigd of zodanige nietigheid voortvloeit uit de aard van de niet in acht genomen vormen. In het bijzonder zijn de artikelen 14 IVBPR en 6 EVRM, 348, 349, 350, 359a, 409 en 415 Sv geschonden, nu de berechting van verzoeker niet heeft plaats gevonden binnen een redelijke termijn.
Toelichting:
1.
Namens verzoeker is op 21 juli 2023 beroep in cassatie aangetekend tegen het arrest van het gerechtshof 's‑Hertogenbosch van 20 juli 2023.
2.
Bij bericht van 21 mei 2024 heeft de strafgriffie van Uw Raad meegedeeld dat de stukken op 19 april 2024 aldaar zijn ontvangen.
3.
Dit betekent dat tussen het instellen van het cassatieberoep en de datum van de binnenkomst van de stukken op de strafgriffie van Uw Raad 8 maanden en 28 dagen zijn verstreken en dat de redelijke termijn, die in casu vanwege het feit dat verzoeker ten tijde van het wijzen van het arrest gedetineerd was 6 maanden bedraagt, met ruim 2 maanden is overschreden.
4.
Dit tijdsverloop brengt schending van de in het middel genoemde verdragsrechtelijke bepalingen met zich mee, in aanmerking genomen dat niet is gebleken van bijzondere omstandigheden die een dergelijk tijdsverloop voor inzending van de stukken aan de griffie van de Hoge Raad zouden kunnen rechtvaardigen. Dit dient consequenties te hebben voor de strafoplegging. In deze wordt verwezen naar HR 3 oktober 2000, LJN AA7309, NJ 2000, 721, HR 17 juni 2008, LJN BD2578 en HR 19 april 2011, LJN BP536.
Deze schriftuur wordt ondertekend en ingediend door mr. J. Kuijper en mr. S.J. van der Woude, beiden advocaat te Amsterdam, aldaar kantoorhoudende aan de Amstel 326, 1017 AR Amsterdam die verklaren tot deze ondertekening en indiening bepaaldelijk te zijn gevolmachtigd door verzoeker van cassatie.
Amsterdam, 29 juli 2024
J. Kuijper
S.J. van der Woude