Einde inhoudsopgave
Vastgoedtransacties in de Europese btw (FM nr. 169) 2021/8.2.4.1.3.3
8.2.4.1.3.3 Ruime uitleg ‘verwerving als belastingplichtige’
mr. dr. M.D.J. van der Wulp, datum 01-07-2021
- Datum
01-07-2021
- Auteur
mr. dr. M.D.J. van der Wulp
- JCDI
JCDI:ADS291537:1
- Vakgebied(en)
Toeslagen (V)
Omzetbelasting / Aftrek en teruggaaf
Omzetbelasting / Belastingplichtige en -schuldige
Europees belastingrecht / Belastingen EU
Omzetbelasting / Levering van goederen en diensten
Omzetbelasting / Vrijstelling
Europees belastingrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Conclusie A-G Kokott 19 april 2018, zaak C-140/17, BNB 2019/32, punten 32 t/m 42 (Gmina Ryjewo).
HvJ EU 25 juli 2018, zaak C-140/17, BNB 2019/32, m.nt. Swinkels, r.o. 54 (Gmina Ryjewo).
Hoewel in de Nederlandse vertaling van dit arrest wordt gesproken over ‘gebruik voor belaste en niet-belaste handelingen’ blijkt uit r.o. 48 dat gebruik voor belastbare en onbelastbare handelingen is bedoeld. Dit blijkt ook uit de Engelse vertaling van dit arrest waarin wordt gesproken over het gebruik voor ‘taxable activities and for non-taxable activities’.
HvJ EU 25 juli 2018, zaak C-140/17, BNB 2019/32, m.nt. Swinkels, r.o. 59 en dictum (Gmina Ryjewo).
HR 20 september 2019, nr. 17/04489, BNB 2020/97, m.nt. Blokland.
In (soort)gelijke zin: Cornielje, noot bij HR 20 september 2019, nr. 17/04489, FED 2019/143, Redactie V-N, aantekening bij HR 20 september 2019, nr. 17/04489, V-N 2019/44.13, Soltysik, noot bij HR 20 september 2019, nr. 17/04489, NLF 2019/1351, Toet, commentaar bij HR 20 september 2019, nr. 17/04489, NTFR 2019/2798 en Blokland, noot bij HR 20 september 2019, nr. 17/04489, BNB 2020/97. Zie ook: E.H.C. Bakx en A.M. de Wit, ‘Vermogensetikettering in de btw voor gevorderden: nieuwe inzichten ‘etikettering’ door publiekrechtelijke lichamen’, MBB 2019/10, p. 98-99.
Op grond van het leerstuk van de vermogensetikettering in de btw heeft een belastingplichtige die een investeringsgoed aanschaft dat zowel voor bedrijfs- als privédoeleinden wordt gebruikt, de keuze om dit goed voor de btw hetzij volledig tot zijn bedrijfsvermogen te rekenen, hetzij volledig tot zijn privévermogen te rekenen (waardoor het dus volledig buiten het btw-stelsel wordt gehouden), hetzij het slechts voor het gedeelte waarvoor het daadwerkelijk voor bedrijfsdoeleinden wordt gebruikt tot zijn bedrijfsvermogen te rekenen (zie bijv. HvJ EG 14 juli 2005, zaak C-434/03, BNB 2005/284, m.nt. Van Zadelhoff, r.o. 23 (Charles/Charles-Tijmens)). Dit leerstuk geeft een belastingplichtige de mogelijkheid om een investeringsgoed dat zowel voor bedrijfs- als privédoeleinden wordt gebruikt volledig of voor zover het voor privédoeleinden wordt gebruikt uit te sluiten van het btw-stelsel en daarmee van de aftrekregeling (HvJ EG 4 oktober 1995, zaak C-291/92, BNB 1996/62, m.nt. Hilten, r.o. 19 en 20 (Armbrecht)). Heeft een belastingplichtige voor die volledige of gedeeltelijke uitsluiting gekozen, dan is geen respectievelijk in zoverre geen sprake van een aanschaf als belastingplichtige (HvJ EG 23 april 2009, zaak C-460/07, V-N 2009/25.17, r.o. 43 en 44 (Puffer)). Een belastingplichtige die niet voor een dergelijke uitsluiting heeft gekozen, handelt bij de aanschaf van het gemengd gebruikte investeringsgoed wel als belastingplichtige. Naar mijn mening is deze jurisprudentie te verzoenen met het Gmina Ryjewo-arrest indien wordt aangenomen dat bij de aanschaf van een investeringsgoed dat zowel voor bedrijfsdoeleinden als privé- of niet-bedrijfsdoeleinden wordt gebruikt sprake is van een aanschaf als belastingplichtige en dat dit slechts uitzondering lijdt indien of voor zover de belastingplichtige ervoor kiest het goed van het btw-stelsel (en daarmee van de aftrekregeling) uit te sluiten (in soortgelijke zin: Blokland, noot bij HR 20 september 2019, nr. 17/04489, BNB 2020/97; anders: conclusie A-G Ettema 23 april 2019, nr. 17/04489, V-N 2019/30.15, punt 3.12 en Cornielje, noot bij HR 20 september 2019, nr. 17/04489, FED 2019/143). Steun voor die opvatting is naar mijn mening te vinden in de omstandigheid dat het Hof in het Gmina Ryjewo-arrest een groot gewicht toekent aan de omstandigheid dat de gemeente niet uitdrukkelijk heeft verklaard niet voornemens te zijn het dorpshuis te gaan gebruiken voor belast(bar)e handelingen.
Een belastingplichtige die een goed of dienst waarop btw drukt heeft afgenomen als niet-belastingplichtige staat voor een gesloten ‘aftrekpoort’ indien hij het goed of de dienst nadien gaat gebruiken voor belaste handelingen. Het finale causaliteitscriterium kan dus tot gevolg hebben dat er btw drukt op het gebruik voor belaste handelingen, hetgeen in strijd is met de ratio van het aftrekrecht (zie paragraaf 8.2.3). De zaak Gmina Ryjewo vormt hiervan een treffende illustratie. In deze zaak ging het om een dorpshuis dat in 2010 belast was (op)geleverd aan de Poolse gemeente Ryjewo, een belastingplichtige, en door deze gemeente aanvankelijk uitsluitend was gebruikt voor onbelastbare handelingen. In de loop van 2014 heeft de gemeente het voornemen geuit om het dorpshuis ook te gaan gebruiken voor belaste verhuur en heeft zij de Poolse fiscus verzocht om antwoord te geven op de vraag of deze verhuur herziening van de btw-aftrek tot gevolg heeft. De Poolse fiscus heeft die vraag ontkennend beantwoord, omdat de gemeente het dorpshuis als niet-belastingplichtige heeft verworven.
In haar conclusie heeft A-G Kokott het Hof geadviseerd om dit onwenselijke gevolg van het finale causaliteitscriterium weg te nemen en herziening van btw-aftrek toe te staan in de situatie dat een onroerend goed door een belastingplichtige in zijn hoedanigheid van niet-belastingplichtige is verworven, maar na de aanschaf alsnog voor belaste handelingen wordt aangewend.1 Het Hof van Justitie is A-G Kokott hierin niet gevolgd. Het Hof volstaat met het verzachten van de ‘neutraliteitspijn’ door, onder verwijzing naar de ratio van het aftrekrecht, te oordelen dat het noodzakelijk is dat ‘verwerving als belastingplichtige’ ruim moet worden uitgelegd.2 Op grond van die ruime uitleg achtte het Hof het niet uitgesloten dat de gemeente Ryjewo het dorpshuis heeft aangeschaft als belastingplichtige indien:
het onroerend goed naar zijn aard zowel voor belastbare als onbelastbare handelingen kan worden gebruikt, maar in eerste instantie voor onbelastbare handelingen is gebruikt3;
de belastingplichtige niet uitdrukkelijk heeft verklaard dat hij voornemens was om het onroerend goed te gaan gebruiken voor belaste handelingen, maar ook niet heeft uitgesloten dat het daarvoor zou worden gebruikt.
Of, gelet op alle feitelijke omstandigheden, voldaan is aan de eis dat het dorpshuis als belastingplichtige is afgenomen dient de nationale rechter te beoordelen, aldus het Hof van Justitie.4
De Hoge Raad heeft, onder verwijzing naar het Gmina Ryjewo-arrest, geoordeeld dat een gemeente bij de aanschaf van gymnastieklokalen die van meet af zijn gebruikt voor belastbare (terbeschikkingstelling tegen vergoeding aan derden) en onbelastbare handelingen (terbeschikkingstelling om niet aan scholen voor primair onderwijs) voldaan is aan de eis dat de gymnastieklokalen als belastingplichtige zijn verworven.5 Naar mijn mening is dit oordeel niet verrassend te noemen.6 In de zaak Gmina Ryjewo was immers sprake van een voornemen om het dorpshuis na enkele jaren van gebruik voor onbelastbare handelingen ook voor belast(bar)e handelingen te gaan gebruiken. In het voorgenomen gebruik voor zowel onbelastbare als belastbare handelingen heeft het Hof van Justitie kennelijk geen beletsel gezien voor een aanschaf als belastingplichtige.7