Procestaal: Duits.
HvJ EU, 30-04-2025, nr. C-386/23
ECLI:EU:C:2025:304
- Instantie
Hof van Justitie van de Europese Unie
- Datum
30-04-2025
- Magistraten
I. Jarukaitis, D. Gratsias, E. Regan
- Zaaknummer
C-386/23
- Conclusie
A. rantos
- Roepnaam
Novel Nutriology
- Vakgebied(en)
EU-recht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:EU:C:2025:304, Uitspraak, Hof van Justitie van de Europese Unie, 30‑04‑2025
ECLI:EU:C:2024:897, Conclusie, Hof van Justitie van de Europese Unie, 17‑10‑2024
Uitspraak 30‑04‑2025
Inhoudsindicatie
Prejudiciële verwijzing — Consumentenbescherming — Verordening (EG) nr. 1924/2006 — Voedings- en gezondheidsclaims voor levensmiddelen — Artikel 10, leden 1 en 3 — Specifieke voorwaarden voor gezondheidsclaims — Artikelen 13 en 14 — Lijsten van toegestane gezondheidsclaims — Artikel 28, leden 5 en 6 — Overgangsmaatregelen — Reclame waarin een voedingssupplement wordt gepromoot aan de hand van gezondheidsclaims die verband houden met botanische substanties in dat supplement — Gezondheidsclaims waarvan de beoordeling door de Europese Commissie is opgeschort — Toepasselijkheid van verordening nr. 1924/2006
I. Jarukaitis, D. Gratsias, E. Regan
Partij(en)
In zaak C-386/23,*
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door het Bundesgerichtshof (hoogste federale rechter in civiele en strafzaken, Duitsland) bij beslissing van 1 juni 2023, ingekomen bij het Hof op 26 juni 2023, in de procedure
Novel Nutriology GmbH
tegen
Verband Sozialer Wettbewerb eV,
wijst
HET HOF (Vijfde kamer),
samengesteld als volgt: I. Jarukaitis, president van de Vierde kamer, waarnemend voor de president van de Vijfde kamer, D. Gratsias en E. Regan (rapporteur), rechters,
advocaat-generaal: A. Rantos,
griffier: N. Mundhenke, administrateur,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 20 juni 2024,
gelet op de opmerkingen van:
- —
Novel Nutriology GmbH, vertegenwoordigd door T. Büttner, Rechtsanwalt,
- —
Verband Sozialer Wettbewerb eV, vertegenwoordigd door D. Marquardt, Rechtsanwalt,
- —
de Griekse regering, vertegenwoordigd door V. Karra, E. Leftheriotou en A. Vasilopoulou als gemachtigden,
- —
de Franse regering, vertegenwoordigd door M. de Lisi, H. Nunes da Silva en B. Travard als gemachtigden,
- —
de Italiaanse regering, vertegenwoordigd door G. Palmieri als gemachtigde, bijgestaan door M. Di Benedetto, avvocato dello Stato,
- —
de Europese Commissie, vertegenwoordigd door B. Rous Demiri en E. Schmidt als gemachtigden,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 17 oktober 2024,
het navolgende
Arrest
1
Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 10, leden 1 en 3, en artikel 28, leden 5 en 6, van verordening (EG) nr. 1924/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 20 december 2006 inzake voedings- en gezondheidsclaims voor levensmiddelen (PB 2006, L 404, blz. 9, met rectificatie in PB 2007, L 12, blz. 3), zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 109/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 15 januari 2008 (PB 2008, L 39, blz. 14) (hierna: ‘verordening nr. 1924/2006’).
2
Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen Novel Nutriology GmbH en Verband Sozialer Wettbewerb eV (hierna: ‘VSW’) over de commerciële reclame die Novel Nutriology maakt om een voedingssupplement te promoten aan de hand van gezondheidsclaims die verband houden met botanische substanties in dat supplement.
Toepasselijke bepalingen
Unierecht
Richtlijn 2002/46
3
Artikel 2 van richtlijn 2002/46/EG van het Europees Parlement en de Raad van 10 juni 2002 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten inzake voedingssupplementen (PB 2002, L 183, blz. 51) bepaalt:
‘In deze richtlijn wordt verstaan onder:
- a)
‘voedingssupplementen’: als aanvulling op de normale voeding bedoelde voedingsmiddelen die een geconcentreerde bron van een of meer nutriënten of andere stoffen met een nutritioneel of fysiologisch effect vormen en in voorgedoseerde vorm op de markt worden gebracht, namelijk als capsules, pastilles, tabletten, pillen, en soortgelijke vormen, zakjes poeder, ampullen met vloeistof, druppelflacons, en soortgelijke vormen van vloeistoffen en poeders bedoeld voor inname in afgemeten kleine eenheidshoeveelheden;
[…]’
Verordening nr. 1924/2006
4
De overwegingen 1, 9, 14, 16, 17, 23, 24 en 35 van verordening nr. 1924/2006 luiden:
- ‘(1)
Er komen in de Gemeenschap steeds meer levensmiddelen waarvoor op het etiket of in reclameboodschappen voedings- en gezondheidsclaims worden gedaan. Om een hoog beschermingsniveau voor de consumenten te waarborgen en hun keuze te vergemakkelijken, dienen de in de handel gebrachte producten […] veilig en naar behoren geëtiketteerd te zijn. […]
[…]
- (9)
In een levensmiddel kunnen allerlei nutriënten en andere stoffen, met inbegrip van, maar niet beperkt tot, vitaminen, mineralen met inbegrip van spoorelementen, aminozuren, essentiële vetzuren, voedingsvezels, diverse planten- en kruidenextracten, met een nutritioneel of fysiologisch effect aanwezig zijn waarvoor een claim kan worden gedaan. Derhalve moeten er algemene beginselen voor alle claims inzake levensmiddelen worden vastgesteld om een hoog beschermingsniveau voor de consument te waarborgen, de consument de informatie te verstrekken die hij nodig heeft om geïnformeerde keuzes te kunnen maken, en gelijke concurrentievoorwaarden voor de levensmiddelenindustrie te scheppen.
[…]
- (14)
In de etikettering van en de reclame voor levensmiddelen worden in sommige lidstaten momenteel allerlei claims gebruikt betreffende stoffen waarvan niet bewezen is dat zij heilzaam zijn of waarover nog onvoldoende wetenschappelijke overeenstemming bestaat. Er moet voor worden gezorgd dat de stoffen waarvoor een claim wordt gedaan, een bewezen heilzaam nutritioneel of fysiologisch effect hebben.
[…]
- (16)
Claims inzake levensmiddelen moeten voor de consument begrijpelijk zijn en alle consumenten moeten tegen misleidende claims worden beschermd. […]
- (17)
Wetenschappelijke onderbouwing dient bij het gebruik van voedings- en gezondheidsclaims op de eerste plaats te komen; exploitanten van levensmiddelenbedrijven die claims gebruiken, moeten deze onderbouwen. Een claim wetenschappelijk onderbouwen dient te gebeuren door rekening te houden met alle beschikbare wetenschappelijke gegevens en door de bewijzen te wegen.
[…]
- (23)
Het gebruik van gezondheidsclaims in de Gemeenschap mag pas na een wetenschappelijke beoordeling volgens de strengst mogelijke normen worden toegestaan. Met het oog op een geharmoniseerde wetenschappelijke beoordeling van die claims dient de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid [(EFSA)] daarmee te worden belast. De aanvrager dient op verzoek inzage in zijn dossier te krijgen om de stand van de procedure te verifiëren.
- (24)
Psychologische en gedragsfuncties kunnen, behalve door de voeding, nog door tal van andere factoren worden beïnvloed. Dit is een uiterst complexe materie en daardoor is het niet eenvoudig om een volledige, correcte en zinvolle boodschap over te brengen in een korte claim die in de etikettering en reclame voor levensmiddelen kan worden gebruikt. Daarom dienen claims met betrekking tot psychologische of gedragsaspecten wetenschappelijk te worden onderbouwd.
[…]
- (35)
Toereikende overgangsmaatregelen zijn nodig om de exploitanten van levensmiddelenbedrijven in staat te stellen zich aan de eisen van deze verordening aan te passen.’
5
Artikel 1 (‘Onderwerp en toepassingsgebied’) van verordening nr. 1924/2006 bepaalt in de leden 1 en 2:
- ‘1.
Deze verordening harmoniseert de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten met betrekking tot voedings- en gezondheidsclaims, teneinde de goede werking van de interne markt te waarborgen en tevens een hoog niveau van consumentenbescherming te verwezenlijken.
- 2.
Deze verordening is van toepassing op voedings- en gezondheidsclaims die in commerciële mededelingen worden gedaan, hetzij in de etikettering en presentatie van levensmiddelen, hetzij in de daarvoor gemaakte reclame, indien het gaat om levensmiddelen die bestemd zijn om als zodanig aan de eindverbruiker te worden geleverd.
[…]’
6
In artikel 2 (‘Definities’) van die verordening wordt bepaald:
- ‘1.
Voor de toepassing van deze verordening:
[…]
- b)
geldt de definitie van ‘voedingssupplement’ van [richtlijn 2002/46];
[…]
- 2.
Daarnaast zijn de volgende definities van toepassing:
[…]
- 5)
gezondheidsclaim: een claim die stelt, de indruk wekt of impliceert dat er een verband bestaat tussen een levensmiddelencategorie, een levensmiddel of een bestanddeel daarvan en de gezondheid;
[…]’
7
Hoofdstuk II (‘Algemene beginselen’) van die verordening omvat de artikelen 3 tot en met 7.
8
Artikel 3 (‘Algemene beginselen voor alle claims’) van die verordening luidt:
‘Voedings- en gezondheidsclaims mogen in de etikettering en presentatie van levensmiddelen die in de Gemeenschap in de handel worden gebracht en in de daarvoor gemaakte reclame uitsluitend worden gebruikt indien zij in overeenstemming zijn met deze verordening.
Onverminderd [richtlijn 2000/13/EG van het Europees Parlement en de Raad van 20 maart 2000 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgeving der lidstaten inzake de etikettering en presentatie van levensmiddelen alsmede inzake de daarvoor gemaakte reclame (PB 2000, L 109, blz. 29) en richtlijn 84/450/EEG van de Raad van 10 september 1984 inzake misleidende reclame en vergelijkende reclame (PB 1984, L 250, blz. 17)] mogen voedings- en gezondheidsclaims niet:
- a)
onjuist, dubbelzinnig of misleidend zijn;
[…]’
9
Artikel 5 (‘Algemene voorwaarden’) van die verordening is als volgt verwoord:
- ‘1.
Voedings- en gezondheidsclaims mogen alleen worden gebruikt als aan de volgende voorwaarden is voldaan:
- a)
de aanwezigheid, de afwezigheid of de verlaagde hoeveelheid in een levensmiddel of levensmiddelencategorie van een nutriënt of andere stof waarvoor de claim wordt gedaan, heeft een bewezen heilzaam nutritioneel of fysiologisch effect, dat is vastgesteld aan de hand van algemeen aanvaard wetenschappelijk bewijs;
[…]
- 2.
Voedings- en gezondheidsclaims mogen alleen worden gebruikt als kan worden aangenomen dat de gemiddelde consument de heilzame effecten die in de claim worden beschreven, begrijpt.
[…]’
10
Artikel 6 (‘Wetenschappelijke onderbouwing van claims’) van die verordening bepaalt in de leden 1 en 2:
- ‘1.
Voedings- en gezondheidsclaims zijn gebaseerd op en onderbouwd door algemeen aanvaard wetenschappelijk bewijs.
- 2.
Een exploitant van een levensmiddelenbedrijf die gebruikmaakt van een voedings- of gezondheidsclaim, dient dit te rechtvaardigen.’
11
Hoofdstuk IV (‘Gezondheidsclaims’) van verordening nr.1924/2006 omvat de artikelen 10 tot en met 19.
12
Artikel 10 (‘Specifieke voorwaarden’) van die verordening bepaalt:
- ‘1.
Gezondheidsclaims zijn verboden, tenzij zij in overeenstemming zijn met de algemene voorschriften van hoofdstuk II en de specifieke voorschriften van dit hoofdstuk, en er overeenkomstig deze verordening een vergunning voor is verleend, en zij zijn opgenomen in de in de artikelen 13 en 14 bedoelde lijsten van toegestane claims.
[…]
- 3.
Verwijzingen naar algemene, niet-specifieke voordelen van de nutriënt of het levensmiddel voor de algemene gezondheid of voor het welzijn op het gebied van gezondheid zijn alleen toegestaan indien zij gepaard gaan met een specifieke gezondheidsclaim die is opgenomen in de in de artikelen 13 en 14 bedoelde lijsten.
[…]’
13
Artikel 13 (‘Gezondheidsclaims die niet over ziekterisicobeperking en de ontwikkeling en gezondheid van kinderen gaan’) van die verordening luidt:
- ‘1.
Gezondheidsclaims die het volgende beschrijven of waarin naar het volgende wordt verwezen:
- a)
de rol van een nutriënt of andere stof bij de groei en ontwikkeling en de functies van het lichaam, of
- b)
psychologische functies of gedragsfuncties, […]
[…]
en die staan vermeld op de in lid 3 bedoelde lijst, zijn toegestaan zonder dat zij aan de in de artikelen 15 tot en met 19 bedoelde procedures hoeven te worden onderworpen, indien zij:
- i)
zijn gebaseerd op algemeen aanvaard wetenschappelijk bewijs, en
- ii)
door de gemiddelde consument goed begrepen worden.
- 2.
De lidstaten verstrekken de [Europese] Commissie uiterlijk op 31 januari 2008 een lijst met claims als bedoeld in lid 1, tezamen met de voorwaarden die daarop van toepassing zijn en verwijzingen naar het desbetreffende wetenschappelijk bewijs.
- 3.
Na raadpleging van [EFSA], stelt de Commissie, volgens de in artikel 25, lid 3, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing, uiterlijk op 31 januari 2010 een communautaire lijst, die niet-essentiële onderdelen van deze verordening beoogt te wijzigen door haar aan te vullen, vast van toegestane claims als bedoeld in lid 1 en van alle noodzakelijke voorwaarden voor het gebruik van deze claims.
- 4.
Aanpassingen van de in lid 3 bedoelde lijst op basis van algemeen aanvaard wetenschappelijk bewijs, en die niet-essentiële onderdelen van deze verordening beogen te wijzigen door haar aan te vullen, worden volgens de in artikel 25, lid 3, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing, vastgesteld, na raadpleging van [EFSA], op initiatief van de Commissie of op verzoek van een lidstaat.
- 5.
Toevoegingen van claims aan de in lid 3 bedoelde lijst die gebaseerd zijn op nieuw wetenschappelijk bewijs en/of die een verzoek om bescherming van door eigendomsrechten beschermde gegevens inhouden, worden volgens de procedure van artikel 18 goedgekeurd, behalve claims die verband houden met de ontwikkeling en gezondheid van kinderen die volgens de procedure van de artikelen 15, 16, 17 en 19 worden goedgekeurd.’
14
Artikel 14 (‘Claims inzake ziekterisicobeperking en claims die verband houden met de ontwikkeling en de gezondheid van kinderen’) van die verordening bepaalt:
- ‘1.
Niettegenstaande artikel 2, lid 1, onder b), van [richtlijn 2000/13] mogen de volgende claims worden gedaan indien er volgens de procedure van de artikelen 15, 16, 17 en 19 van deze verordening een vergunning is verleend om ze op te nemen in een communautaire lijst van dergelijke toegestane claims, tezamen met alle noodzakelijke voorwaarden voor het gebruik van die claims:
- a)
claims inzake ziekterisicobeperking;
- b)
claims die verband houden met de ontwikkeling en de gezondheid van kinderen.
- 2.
Naast de algemene voorschriften van deze verordening en de specifieke voorschriften van lid 1 geldt bij claims inzake ziekterisicobeperking dat op de etikettering, of bij ontbreken daarvan, in de presentatie en de reclame, ook moet worden vermeld dat de ziekte waaraan de claim verwijst, meerdere risicofactoren heeft en dat verandering van een van die factoren al dan niet een heilzaam effect kan hebben.’
15
Artikel 15 (‘Aanvragen van een vergunning’) van verordening nr. 1924/2006 bepaalt in lid 3:
‘De aanvraag bevat het volgende:
[…]
- c)
een afschrift van de verrichte onderzoeken, met inbegrip van, voor zover beschikbaar, onafhankelijke collegiaal getoetste studies die met betrekking tot de gezondheidsclaim zijn verricht en alle andere gegevens aan de hand waarvan kan worden aangetoond dat de gezondheidsclaim aan de criteria van deze verordening voldoet;
[…]
- e)
een afschrift van andere wetenschappelijke studies die voor de gezondheidsclaim van belang zijn;
- f)
een voorstel voor de tekst van de gezondheidsclaim waarvoor een vergunning wordt aangevraagd, in voorkomend geval met inbegrip van specifieke voorwaarden voor het gebruik ervan;
[…]’
16
Artikel 16 (‘Advies van [EFSA]) van die verordening schrijft in de leden 3 en 5 ervan het volgende voor:
- ‘3.
Voor het opstellen van het advies zal [EFSA] verifiëren:
- a)
of de voorgestelde tekst van de gezondheidsclaim met wetenschappelijke staving is onderbouwd;
- b)
of de tekst van de gezondheidsclaim voldoet aan de criteria van deze verordening.
[…]
- 5.
[EFSA] zendt het advies aan de Commissie, de lidstaten en de aanvrager, tezamen met een rapport waarin haar beoordeling van de gezondheidsclaim wordt beschreven en het advies wordt gemotiveerd alsook de gegevens waarop het advies is gebaseerd.’
17
Artikel 17 (‘Communautaire vergunning’) van die verordening bepaalt in de leden 1 en 5:
- ‘1.
De Commissie legt binnen twee maanden na ontvangst van het advies van [EFSA] aan het in artikel 23, lid 2, bedoelde comité een ontwerpbesluit betreffende de lijsten van toegestane gezondheidsclaims voor, daarbij rekening houdend met het advies van [EFSA], de toepasselijke bepalingen van het Gemeenschapsrecht en andere factoren die ter zake een rol spelen. Indien het ontwerpbesluit niet in overeenstemming is met het advies van [EFSA], geeft de Commissie een verklaring voor de verschillen.
[…]
- 5.
Gezondheidsclaims die op de in de artikelen 13 en 14 bedoelde lijsten staan, kunnen overeenkomstig de daarvoor geldende voorwaarden door elke exploitant van een levensmiddelenbedrijf worden gebruikt, tenzij het gebruik ervan overeenkomstig artikel 21 is beperkt.
[…]’
18
In artikel 18 (‘In artikel 13, lid 5, genoemde gezondheidsclaims’) van die verordening wordt het volgende bepaald:
- ‘1.
Een exploitant van een levensmiddelenbedrijf die voornemens is gebruik te maken van een gezondheidsclaim die niet voorkomt in de lijst bedoeld in artikel 13, lid 3, kan een aanvraag indienen voor opname van de claim in deze lijst.
[…]
- 3.
De geldige aanvraag, in lijn met de in artikel 15, lid 5, genoemde richtsnoeren, en alle door de aanvrager verstrekte informatie worden onverwijld toegezonden aan [EFSA] voor een wetenschappelijke beoordeling en naar de Commissie en de lidstaten ter informatie. […]
[…]’
19
In artikel 28 (‘Overgangsmaatregelen’) van die verordening staat:
‘[…]
- 5.
De in artikel 13, lid 1, onder a), vermelde gezondheidsclaims kunnen vanaf de datum van inwerkingtreding van deze verordening tot de aanneming van de in artikel 13, lid 3, vermelde lijst onder de verantwoordelijkheid van bedrijfsexploitanten worden gedaan, mits zij stroken met deze verordening en met de toepasselijke nationale bepalingen en onverminderd de aanneming van de in artikel 24 bedoelde vrijwaringsmaatregelen.
- 6.
Ten aanzien van andere dan de in artikel 13, lid 1, onder a), en artikel 14, lid 1, onder a), genoemde gezondheidsclaims die, in overeenstemming met de nationale bepalingen, vóór de datum van inwerkingtreding van deze verordening zijn gebruikt, geldt het volgende:
- a)
gezondheidsclaims die in een lidstaat zijn beoordeeld en toegestaan, worden als volgt toegestaan:
- i)
de lidstaten doen de Commissie die claims uiterlijk op 31 januari 2008 toekomen, vergezeld van een verslag met de evaluatie van de wetenschappelijke gegevens ter staving van de claim;
- ii)
na raadpleging van [EFSA] neemt de Commissie volgens de in artikel 25, lid 3, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing een besluit met betrekking tot de gezondheidsclaims waaraan op die manier een vergunning werd verleend aan, dat niet-essentiële onderdelen van deze verordening beoogt te wijzigen door haar aan te vullen.
Gezondheidsclaims die niet worden toegestaan op grond van deze procedure, mogen tot uiterlijk zes maanden na de aanneming van het besluit worden gebruikt;
- b)
gezondheidsclaims die niet in een lidstaat zijn beoordeeld en toegestaan: deze claims kunnen verder worden gebruikt, mits voor 19 januari 2008 overeenkomstig deze verordening een aanvraag wordt ingediend; gezondheidsclaims die niet worden toegestaan op grond van deze procedure kunnen verder worden gebruikt tot uiterlijk zes maanden nadat overeenkomstig artikel 17, lid 3, een besluit is genomen.’
Verordening nr. 432/2012
20
De overwegingen 10 en 11 van verordening (EU) nr. 432/2012 van de Commissie van 16 mei 2012 tot vaststelling van een lijst van toegestane gezondheidsclaims voor levensmiddelen die niet over ziekterisicobeperking en de ontwikkeling en gezondheid van kinderen gaan (PB 2012, L 136, blz. 1) luiden:
- ‘(10)
De Commissie heeft een aantal voor evaluatie ingediende claims geïdentificeerd, die betrekking hebben op de effecten van planten- of kruidensubstanties, algemeen bekend als ‘botanische substanties’, waarvoor [EFSA] nog een wetenschappelijke evaluatie moet uitvoeren. Bovendien bestaan er gezondheidsclaims waarvoor een verdere evaluatie is vereist voordat de Commissie in staat is om de eventuele opname in de lijst van toegestane claims te bestuderen of die zijn geëvalueerd maar waarvan de bestudering door de Commissie op dit ogenblik wegens andere rechtmatige factoren niet kan worden voltooid.
- (11)
Claims waarvan de evaluatie door [EFSA] of de bestudering door de Commissie nog niet is voltooid, zullen op de website van de Commissie worden gepubliceerd en mogen verder gebruikt worden overeenkomstig artikel 28, leden 5 en 6, van [verordening nr. 1924/2006].’
Verordening nr. 536/2013
21
Overweging 9 van verordening (EU) nr. 536/2013 van de Commissie van 11 juni 2013 tot wijziging van verordening (EU) nr. 432/2012 tot vaststelling van een lijst van toegestane gezondheidsclaims voor levensmiddelen die niet over ziekterisicobeperking en de ontwikkeling en gezondheid van kinderen gaan (PB 2013, L 160, blz. 4) luidt:
‘Ter waarborging van de transparantie en de rechtszekerheid voor alle belanghebbenden wordt de bekendmaking van claims waarvan de bestudering nog niet is afgerond, op de website van de Commissie gehandhaafd, en mogen deze uit hoofde van artikel 28, leden 5 en 6, van [verordening nr. 1924/2006] blijven worden gebruikt.’
Duits recht
22
§ 3 van het Gesetz gegen den unlauteren Wettbewerb (wet inzake oneerlijke mededinging) van 3 juli 2004 (BGBl. 2004 I, blz. 1414), in de versie die van toepassing is op het hoofdgeding, heeft als opschrift ‘Verbod op oneerlijke handelspraktijken’ en bepaalt het volgende:
- ‘(1)
Oneerlijke handelspraktijken zijn ongeoorloofd.
- (2)
Handelspraktijken die gericht zijn op consumenten of die hen bereiken, zijn oneerlijk indien zij niet in overeenstemming zijn met de zorgvuldigheid die een ondernemer dient te betrachten, en het economisch gedrag van de consument aanzienlijk kunnen beïnvloeden.
[…]’
23
§ 3a van die wet heeft als opschrift ‘Schending van het recht’ en luidt:
‘Eenieder die handelt in strijd met een wettelijk voorschrift dat mede is vastgesteld om in het belang van de marktdeelnemers het marktgedrag te reguleren, maakt zich schuldig aan een oneerlijke handelspraktijk indien de inbreuk de belangen van consumenten, andere marktdeelnemers of concurrenten wezenlijk kan aantasten.’
Hoofdgeding en prejudiciële vraag
24
Novel Nutriology verkoopt een voedingssupplement (hierna: ‘betrokken product’) waarvoor zij met de volgende claims met betrekking tot de bestanddelen ‘saffraanextract’ en ‘meloensapextract’ reclame heeft gemaakt op haar website:
- ‘1.
Saffraanextract voor een positievere stemming.
- 2.
Het saffraanextract Safr'Inside in [het betrokken product] werd in het kader van een open onderzoek gedurende een periode van 30 dagen getest op 50 deelnemers. Bij een dosis van 30 mg Safr'Inside per dag voelde 77 % van de proefpersonen zich na slechts twee weken gebruik emotioneel beter in evenwicht, optimistischer en gelukkiger. 66 % voelde zich ook meer ontspannen en dynamisch. Na 30 dagen sliep 11 % van de proefpersonen beter.
- 3.
Onderzoek heeft aangetoond dat meloensapextract met superoxidedismutase na vier weken zorgde voor verminderde gevoelens van stress en uitputting. Bovendien verminderden prikkelbaarheid en vermoeidheid met 63 %, wat tot een aanzienlijke verbetering van de levenskwaliteit leidde.’
25
VSW, een beroepsvereniging naar Duits recht die volgens haar statuten met name tot doel heeft de commerciële belangen van haar leden te behartigen, meende dat die claims op grond van artikel 10 van verordening nr. 1924/2006 verboden waren en heeft Novel Nutriology bij brief van 23 oktober 2019 dan ook verzocht om een onthoudingsverklaring met betrekking tot het gebruik van die claims af te geven.
26
Novel Nutriology heeft aan dat verzoek geen gevolg gegeven, waarop VSW bij het Landgericht Hamburg (rechter in eerste aanleg Hamburg, Duitsland) een vordering heeft ingesteld om Novel Nutriology op straffe van een dwangsom te doen verbieden om in het handelsverkeer met de in het hoofdgeding aan de orde zijnde claims reclame te maken voor het betrokken product.
27
Nadat die rechter deze vordering had toegewezen, heeft Novel Nutriology tegen het vonnis van die rechter hoger beroep ingesteld bij het Oberlandesgericht Hamburg (hoogste rechterlijke instantie van de deelstaat Hamburg, Duitsland), dat is verworpen.
28
Novel Nutriology heeft tegen het arrest van die rechter beroep in Revision ingesteld bij het Bundesgerichtshof (hoogste federale rechter in burgerlijke en strafzaken, Duitsland), de verwijzende rechter.
29
Laatstgenoemde rechter wijst er ten eerste op dat gezondheidsclaims krachtens artikel 10, lid 1, van verordening nr. 1924/2006 verboden zijn, tenzij zij in overeenstemming zijn met de algemene voorschriften van hoofdstuk II en de specifieke voorschriften van hoofdstuk IV van die verordening, er overeenkomstig die verordening een vergunning voor is verleend en zij zijn opgenomen in de in de artikelen 13 en 14 ervan bedoelde lijsten van toegestane claims.
30
Ten tweede zijn krachtens artikel 10, lid 3, van verordening nr. 1924/2006 verwijzingen naar algemene, niet-specifieke voordelen van de nutriënt of het levensmiddel voor de algemene gezondheid of voor het welzijn op het gebied van gezondheid alleen toegestaan indien zij gepaard gaan met een specifieke gezondheidsclaim die is opgenomen in de in de artikelen 13 en 14 van die verordening bedoelde lijsten van toegestane claims.
31
Na te hebben opgemerkt dat het Oberlandesgericht Hamburg geen blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door ter zake te oordelen dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde claims ‘gezondheidsclaims’ in de zin van artikel 2, lid 2, punt 5, en artikel 10, leden 1 en 3, van verordening nr. 1924/2006 vormden, verklaart de verwijzende rechter niettemin dat er geen duidelijkheid is over de vraag of artikel 10, leden 1 en 3, van die verordening van toepassing is op gezondheidsclaims met betrekking tot botanische substanties zolang EFSA en de Commissie het onderzoek van die claims met het oog op hun eventuele opneming in de in de artikelen 13 en 14 van die verordening bedoelde lijsten niet hebben afgerond.
32
Het antwoord op die vraag is doorslaggevend om die rechter in staat te stellen in het hoofdgeding uitspraak te doen omdat, mocht artikel 10, leden 1 en 3, van verordening nr. 1924/2006 van toepassing zijn, de vordering van VSW om Novel Nutriology te doen verbieden met de in het hoofdgeding aan de orde zijnde claims voor het betrokken product reclame te maken, zijns inziens dan moet worden toegewezen op grond dat die claims krachtens die verordening verboden zijn.
33
De verwijzende rechter verklaart dat artikel 10, lid 3, van verordening nr. 1924/2006 volgens de uitlegging van een deel van de Duitse rechters niet van toepassing is in omstandigheden als die van het hoofdgeding. De Uniewetgever heeft namelijk slechts voorzien in een beperkt verbod op algemene en niet-specifieke gezondheidsclaims volgens hetwelk algemene verwijzingen naar de gezondheid alleen verboden zijn indien zij niet gepaard gaan met specifieke claims die zijn opgenomen in de in artikel 13 of artikel 14 van die verordening bedoelde lijsten, wat veronderstelt dat die lijsten zijn opgesteld.
34
Als gevolg van de opschorting door EFSA en de Commissie van het onderzoek van de gezondheidsclaims met betrekking tot ‘botanische substanties’ kan een exploitant van een levensmiddelenbedrijf evenwel geen beslissing verkrijgen over specifieke gezondheidsclaims en kan hij bijgevolg een algemene verwijzing naar de gezondheid niet gepaard doen gaan met dergelijke gezondheidsclaims.
35
De niet-toepasselijkheid van die bepalingen zolang de Commissie geen stappen onderneemt ziet ook op de situatie waarin de betrokkene niet om opname van gezondheidsclaims in de in artikel 13 of artikel 14 van verordening nr. 1924/2006 bedoelde lijsten heeft verzocht, aangezien een dergelijke aanvraag in de nabije toekomst geen kans van slagen zou hebben wegens de opschorting van het onderzoek van gezondheidsclaims met betrekking tot botanische substanties.
36
De verwijzende rechter ziet nog een ander argument voor de niet-toepasselijkheid van artikel 10, leden 1 en 3, van verordening nr. 1924/2006, namelijk dat het jarenlang stilzitten van de Commissie kan worden beschouwd als een onevenredige beperking van de vrijheid van ondernemerschap, zoals neergelegd in artikel 16 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: ‘Handvest’), en als een ongerechtvaardigd verschil in behandeling vergeleken met de reclamemogelijkheden van concurrenten wier aanvraag tot opname van gezondheidsclaims in de in artikel 13 of artikel 14 van die verordening bedoelde lijsten, op substanties zien die door EFSA zijn beoordeeld en door de Commissie zijn onderzocht.
37
Volgens een tweede uitlegging, die door de verwijzende rechter wordt omschreven als het ‘standpunt van de meerderheid’ van de Duitse rechters, is artikel 10, lid 3, van verordening nr. 1924/2006 van toepassing op botanische substanties. Aan de vereisten van die bepaling moet evenwel worden geacht te zijn voldaan wanneer een verwijzing naar de algemene voordelen van een dergelijke substantie gepaard gaat met een specifieke gezondheidsclaim die mag worden gebruikt onder de voorwaarden van artikel 28, leden 5 en 6, van die verordening.
38
Die uitlegging vindt steun in het feit dat de bewoordingen van artikel 10, leden 1 en 3, van die verordening geen onderscheid maken naargelang de gezondheidsclaims al dan niet verwijzen naar ‘botanische substanties’.
39
Bovendien staat een teleologische uitlegging eraan in de weg dat reclame met niet-specifieke gezondheidsclaims voor ‘botanische substanties’ volledig kan worden vrijgesteld van de beperkingen van artikel 10, leden 1 en 3, zolang er geen afgeronde wetenschappelijke beoordeling is van de specifieke gezondheidsclaims die met deze algemene claims gepaard moeten gaan. Het risico bestaat namelijk dat consumenten voedingssupplementen en kruidengeneesmiddelen niet van elkaar zouden kunnen onderscheiden en dat, in strijd met de bedoeling van de Uniewetgever, het gebruik van voedingssupplementen met niet-onderzochte gezondheidsclaims de gezondheid van patiënten in gevaar kan blijven brengen.
40
Voorts kan met de legitieme belangen van exploitanten van levensmiddelenbedrijven om gebruik te kunnen maken van gezondheidsclaims voor ‘botanische substanties’ voldoende rekening zijn gehouden doordat de Commissie er in overweging 11 van verordening nr. 432/2012 en in overweging 9 van verordening nr. 536/2013 op heeft gewezen dat gezondheidsclaims waarvan het onderzoek nog niet is afgerond op haar website blijven staan en uit hoofde van artikel 28, leden 5 en 6, van verordening nr. 1924/2006 verder kunnen worden gebruikt.
41
Ten slotte is de verwijzende rechter van oordeel dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde gezondheidsclaims, die betrekking hebben op psychologische functies in de zin van artikel 13, lid 1, onder b), van die verordening, niet verder kunnen worden gebruikt uit hoofde van artikel 28, lid 6, onder b), ervan, aangezien Novel Nutriology vóór 19 januari 2008 geen vergunning krachtens die verordening heeft aangevraagd met betrekking tot die claims. Het Oberlandesgericht Hamburg heeft namelijk vastgesteld, zonder dat dit in het kader van het beroep in Revision is betwist, dat die onderneming geen aanvraag had ingediend met betrekking tot het bestanddeel meloensapextract van het betrokken product en dat de aanvraag met betrekking tot het bestanddeel saffraanextract dateerde van 13 januari 2009.
42
In die omstandigheden heeft het Bundesgerichtshof de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vraag:
‘Mag voor kruidensubstanties (‘botanische substanties’) reclame worden gemaakt met gezondheidsclaims (artikel 10, lid 1, van [verordening nr. 1924/2006]) of met verwijzingen naar algemene, niet-specifieke voordelen van de nutriënt of het levensmiddel voor de algemene gezondheid of voor het welzijn op het gebied van gezondheid (artikel 10, lid 3, van [verordening nr. 1924/2006]), zonder dat die claims volgens deze verordening zijn toegestaan en in de in de artikelen 13 en 14 van die verordening bedoelde lijsten van toegestane claims zijn opgenomen (artikel 10, lid 1, van die verordening) of zonder dat deze verwijzingen gepaard gaan met een specifieke gezondheidsclaim die is opgenomen in de in artikelen 13 of 14 van [verordening nr. 1924/2006] bedoelde lijsten (artikel 10, lid 3, van [die] verordening), zolang de beoordeling door [EFSA] en het onderzoek door de Commissie met betrekking tot de opname van de voor ‘botanische substanties’ ingediende claims in de communautaire lijsten als bedoeld in de artikelen 13 en 14 van [verordening nr. 1924/2006] nog niet zijn voltooid?’
Beantwoording van de prejudiciële vraag
43
Met zijn vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 10, leden 1 en 3, van verordening nr. 1924/2006 aldus moet worden uitgelegd dat het eraan in de weg staat dat in het kader van commerciële reclame voor een voedingssupplement bestaande uit ‘botanische substanties’ in de zin van verordening nr. 432/2012 wordt toegestaan om specifieke gezondheidsclaims voor dergelijke substanties te gebruiken of te verwijzen naar de algemene, niet-specifieke voordelen van een dergelijke substantie voor de algemene gezondheid en het welzijn op het gebied van gezondheid zonder dat die verwijzing gepaard gaat met een in die lijsten opgenomen specifieke gezondheidsclaim, zolang de Commissie het onderzoek van de gezondheidsclaims voor de botanische substanties met het oog op de opneming ervan op de lijsten van toegestane gezondheidsclaims als bedoeld in de artikelen 13 en 14 van verordening nr. 1924/2006 niet heeft afgerond.
44
Krachtens artikel 1, lid 2, van verordening nr. 1924/2006 is die verordening van toepassing op voedings- en gezondheidsclaims die worden gedaan in commerciële mededelingen over levensmiddelen die bestemd zijn om als zodanig aan de eindverbruiker te worden geleverd, waaronder, zoals volgt uit artikel 2, lid 1, onder b), van die verordening, gelezen in samenhang met artikel 2, onder a), van richtlijn 2002/46, voedingssupplementen.
45
Overeenkomstig artikel 3, eerste alinea, van verordening nr. 1924/2006 mogen dergelijke claims in de etikettering en presentatie van levensmiddelen die in de Europese Unie in de handel worden gebracht en in de daarvoor gemaakte reclame uitsluitend worden gebruikt indien zij in overeenstemming zijn met die verordening.
46
In die context moet in de eerste plaats worden benadrukt dat de specifieke voorwaarden voor gezondheidsclaims zijn opgenomen in hoofdstuk IV van verordening nr. 1924/2006, waartoe artikel 10, lid 1, behoort, en dat op grond van die bepaling gezondheidsclaims verboden zijn, tenzij zij in overeenstemming zijn met de algemene voorschriften van hoofdstuk II en de specifieke voorschriften van hoofdstuk IV van die verordening, er overeenkomstig die verordening een vergunning voor is verleend en zij zijn opgenomen in de in de artikelen 13 en 14 ervan bedoelde lijsten van toegestane claims.
47
Artikel 10, lid 1, van verordening nr. 1924/2006 bevat dus een principieel verbod op gezondheidsclaims, met uitzondering van die welke zijn opgenomen in de in artikel 13 of artikel 14 bedoelde lijsten van toegestane claims (arrest van 30 januari 2020, Dr. Willmar Schwabe, C-524/18, EU:C:2020:60, punt 37).
48
Voorts bepaalt artikel 10, lid 3, van verordening nr. 1924/2006 dat verwijzingen naar algemene, niet-specifieke voordelen van de nutriënt of het levensmiddel op het gebied van gezondheid gepaard moeten gaan met een specifieke gezondheidsclaim die is opgenomen in de in artikelen 13 en 14 van die verordening bedoelde lijsten.
49
Artikel 10 van die verordening maakt dus onderscheid tussen twee categorieën gezondheidsclaims, te weten, enerzijds de in lid 1 van dat artikel bedoelde specifieke gezondheidsclaims en, anderzijds, de in lid 3 van dat artikel bedoelde ‘algemene’ gezondheidsclaims, die bestaan in een verwijzing naar algemene, niet-specifieke voordelen voor de algemene gezondheid (zie in die zin arrest van 30 januari 2020, Dr. Willmar Schwabe, C-524/18, EU:C:2020:60, punt 38 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
50
Uit de voorgaande overwegingen volgt dat een specifieke gezondheidsclaim slechts mag worden gebruikt indien deze is opgenomen in een van de in artikel 13, lid 3, en artikel 14, lid 1, van die verordening bedoelde lijsten van toegestane gezondheidsclaims, terwijl elke algemene gezondheidsclaim gepaard moet gaan met een dergelijke specifieke claim.
51
In de tweede plaats moet worden benadrukt dat voor de opname van specifieke gezondheidsclaims in die lijsten verschillende vergunningsprocedures gelden, die er met name toe strekken te waarborgen, zoals blijkt uit artikel 6 van die verordening, gelezen in samenhang met overweging 23 ervan, dat zij wetenschappelijk verantwoord zijn.
52
Wat in het bijzonder gezondheidsclaims betreft die psychologische of gedragsfuncties beschrijven of waarin naar dergelijke functies wordt verwezen en die volgens de verwijzende rechter de categorie claims zijn waartoe de in het hoofdgeding aan de orde zijnde claims behoren, is het op grond van artikel 13, lid 1, onder b), van verordening nr. 1924/2006, gelezen in samenhang met overweging 24 van die verordening, toegestaan om dergelijke claims te gebruiken, voor zover voldaan is aan bepaalde voorwaarden, waaronder dat die claims zijn gebaseerd op algemeen aanvaard wetenschappelijk bewijs en dat zij door de gemiddelde consument goed begrepen worden.
53
De voorwaarde dat toegestane gezondheidsclaims die psychologische of gedragsfuncties beschrijven of waarin naar dergelijke functies wordt verwezen zijn opgenomen op de in artikel 13 van verordening nr. 1924/2006 bedoelde lijst, wordt dus gerechtvaardigd door de noodzaak om te waarborgen dat dergelijke gezondheidsclaims die in commerciële mededelingen worden gedaan over levensmiddelen die bestemd zijn om als zodanig aan de eindverbruikers te worden geleverd, wetenschappelijk gefundeerd en goed begrepen zijn.
54
In de derde plaats zij opgemerkt dat de Commissie overeenkomstig artikel 13, lid 3, van die verordening verplicht was om EFSA te raadplegen met het oog op de vaststelling, uiterlijk op 31 januari 2010, van de lijst van toegestane gezondheidsclaims als bedoeld in lid 1 van dat artikel.
55
Zoals de Commissie ter terechtzitting voor het Hof evenwel heeft erkend, is de beoordeling van de gezondheidsclaims voor botanische substanties opgeschort en is de lijst van dergelijke claims nog niet vastgesteld.
56
Bovendien wordt in overweging 9 van verordening nr. 536/2013 in wezen verklaard dat gezondheidsclaims waarvan het onderzoek niet is afgerond, op de website van de Commissie blijven staan en verder mogen worden gebruikt overeenkomstig de overgangsmaatregelen van artikel 28, leden 5 en 6, van verordening nr. 1924/2006.
57
In het bijzonder vallen de in artikel 13, lid 1, onder b), van verordening nr. 1924/2006 bedoelde gezondheidsclaims die psychologische of gedragsfuncties beschrijven of waarin naar die functies wordt verwezen, onder artikel 28, lid 6, van verordening nr. 1924/2006, voor zover zij zijn gebruikt in overeenstemming met de vóór de datum van inwerkingtreding van die verordening geldende nationale bepalingen.
58
In casu gaat de verwijzende rechter, zoals blijkt uit punt 41 van het onderhavige arrest, ervan uit dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde specifieke gezondheidsclaims op grond van de overgangsregeling binnen de werkingssfeer van artikel 28, lid 6, onder b), van verordening nr. 1924/2006 vallen.
59
Krachtens die bepaling kunnen de met name in artikel 13, lid 1, onder b), van verordening nr. 1924/2006 bedoelde gezondheidsclaims die niet in een lidstaat zijn beoordeeld en toegestaan, verder worden gebruikt op voorwaarde dat vóór 19 januari 2008 overeenkomstig die verordening een aanvraag is ingediend.
60
In casu zet de verwijzende rechter, zoals blijkt uit punt 41 van het onderhavige arrest, evenwel uiteen dat voor een van de twee in het hoofdgeding aan de orde zijnde claims de aanvraag krachtens artikel 28, lid 6, onder b), van verordening nr. 1924/2006 te laat is ingediend, terwijl voor de andere claim geen aanvraag is ingediend.
61
Bijgevolg kan het gebruik van claims als die in het hoofdgeding niet worden toegestaan op grond van de overgangsregeling van artikel 28, lid 6, van verordening nr. 1924/2006, en is dat enkel mogelijk op grond van artikel 10, leden 1 en 3, van verordening nr. 1924/2006. Hieruit volgt dat het gebruik van dergelijke claims niet kan worden toegestaan zolang de Commissie het onderzoek ervan niet heeft afgerond.
62
Een dergelijke uitlegging is des te meer gerechtvaardigd daar de Uniewetgever in artikel 28 van die verordening uitdrukkelijk heeft voorzien in overgangsmaatregelen die, zoals in overweging 35 wordt verklaard, tot doel hebben exploitanten van levensmiddelenbedrijven in staat te stellen zich aan de eisen van die verordening aan te passen.
63
Voor die uitlegging is steun te vinden in de doelstelling van verordening nr. 1924/2006, die volgens artikel 1, lid 1, ervan beoogt de goede werking van de interne markt te waarborgen en tevens een hoog niveau van consumentenbescherming te verwezenlijken, met name tegen misleidende claims, door de keuze van de consument te vergemakkelijken door veilige en naar behoren geëtiketteerde producten in de handel te brengen. Bovendien is de bescherming van de gezondheid volgens de rechtspraak van het Hof ook een van de hoofddoelstellingen van voornoemde verordening (arrest van 30 januari 2020, Dr. Willmar Schwabe, C-524/18, EU:C:2020:60, punten 35 en 55 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
64
Teneinde te voldoen aan de doelstellingen om een hoog niveau van consumentenbescherming en bescherming van de menselijke gezondheid te waarborgen, moet aan de consumenten met name de informatie worden verstrekt die zij nodig hebben om geïnformeerde keuzes te maken (zie in die zin arrest van 14 juli 2016, Verband Sozialer Wettbewerb, C-19/15, EU:C:2016:563, punt 39 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
65
Zoals in overweging 23 van verordening nr. 1924/2006 wordt aangegeven, mag het gebruik van gezondheidsclaims in de Unie dus pas worden toegestaan na een wetenschappelijke beoordeling volgens de strengst mogelijke normen die, ter waarborging van een geharmoniseerde beoordeling, moet worden uitgevoerd door EFSA (zie in die zin arrest van 30 januari 2020, Dr. Willmar Schwabe, C-524/18, EU:C:2020:60, punt 55).
66
Artikel 10, leden 1 en 3, van verordening nr. 1924/2006 moet derhalve aldus worden uitgelegd dat het in de weg staat aan het gebruik van gezondheidsclaims voor botanische substanties door een exploitant van een levensmiddelenbedrijf zolang de Commissie het onderzoek van dergelijke claims met het oog op de opneming ervan in de lijsten van toegestane gezondheidsclaims niet heeft afgerond, tenzij een dergelijk gebruik is toegestaan op grond van de overgangsmaatregelen van die verordening.
67
Aan die uitlegging wordt niet afgedaan door het in artikel 16 van het Handvest neergelegde beginsel van vrijheid van ondernemerschap.
68
Dienaangaande zij er namelijk allereerst aan herinnerd dat dit beginsel, dat voorziet in bescherming van de vrijheid om een economische activiteit of een handelsactiviteit uit te oefenen, de vrijheid voor een onderneming om, binnen de grenzen van haar aansprakelijkheid voor haar eigen handelingen, de haar ter beschikking staande economische, technische en financiële middelen te gebruiken, alsmede de contractvrijheid (arrest van 27 juni 2024, Gestore dei Servizi Energetici, C-148/23, EU:C:2024:555, punt 62 en aldaar aangehaalde rechtspraak), geen absolute gelding heeft, maar in relatie tot zijn maatschappelijke functie moet worden beschouwd (zie in die zin arrest van 29 februari 2024, cdVet Naturprodukte, C-13/23, EU:C:2024:175, punt 38 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
69
Vervolgens is in artikel 52, lid 1, van het Handvest erkend dat aan de uitoefening van in het Handvest neergelegde rechten en vrijheden beperkingen kunnen worden gesteld voor zover bij wet in deze beperkingen is voorzien, de beperkingen de wezenlijke inhoud van die rechten en vrijheden eerbiedigen, en deze beperkingen, met inachtneming van het evenredigheidsbeginsel, noodzakelijk zijn en daadwerkelijk beantwoorden aan door de Unie erkende doelstellingen van algemeen belang of aan de eisen van de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.
70
Ten slotte, wanneer meerdere door de rechtsorde van de Unie beschermde rechten met elkaar in conflict komen, moeten bij een dergelijke beoordeling de vereisten inzake de bescherming van deze verschillende rechten met elkaar worden verzoend en moet een juist evenwicht tussen deze rechten worden verzekerd (arrest van 29 februari 2024, cdVet Naturprodukte, C-13/23, EU:C:2024:175, punt 40 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
71
In casu moet er ten eerste op worden gewezen dat het vereiste dat voor specifieke gezondheidsclaims vooraf een vergunning is verleend en dat zij zijn opgenomen op de in de artikelen 13 en 14 van verordening nr. 1924/2006 bedoelde lijsten, aan exploitanten van levensmiddelenbedrijven die levensmiddelen verkopen die botanische substanties bevatten, niet de mogelijkheid ontneemt om dergelijke levensmiddelen in de handel te brengen, maar hen enkel verbiedt om er reclame voor te maken met gezondheidsclaims die niet vooraf zijn beoordeeld en waarvoor geen vergunning overeenkomstig die verordening is verleend.
72
Bovendien heeft de omstandigheid dat voor gezondheidsclaims voor botanische substanties geen dergelijke vergunning kan worden verleend zolang de Commissie het onderzoek ervan met het oog op een eventuele opneming in de lijsten van toegestane gezondheidsclaims niet heeft afgerond, niet tot gevolg dat dergelijke claims helemaal niet kunnen worden gebruikt. Zoals blijkt uit de punten 57 tot en met 59 van het onderhavige arrest, heeft de Uniewetgever immers overgangsmaatregelen vastgesteld teneinde dergelijke exploitanten de mogelijkheid te bieden om van dergelijke claims gebruik te maken. Dit is met name het geval voor gezondheidsclaims die, zoals die in het hoofdgeding, psychologische of gedragsfuncties beschrijven of waarin naar dergelijke functies wordt verwezen en die uit hoofde van artikel 28, lid 6, van verordening nr. 1924/2006 verder mogen worden gebruikt mits de betrokken exploitant voldoet aan de in die bepaling gestelde voorwaarden.
73
Zoals de advocaat-generaal in punt 43 van zijn conclusie heeft opgemerkt, wordt in die omstandigheden door de toepassing van artikel 10, leden 1 en 3, van verordening nr. 1924/2006 op gezondheidsclaims voor botanische substanties die psychologische of gedragsfuncties beschrijven of waarin naar die functies wordt verwezen, de vrijheid van ondernemerschap in haar kern niet aangetast.
74
Ten tweede zij erop gewezen, zoals in de punten 63 tot en met 66 van het onderhavige arrest is uiteengezet, dat het verbod om reclame te maken voor levensmiddelen die botanische substanties bevatten met gezondheidsclaims die niet vooraf overeenkomstig die verordening zijn beoordeeld en toegestaan, beantwoordt aan de doelstelling om de menselijke gezondheid en de consument te beschermen.
75
Volgens vaste rechtspraak weegt het doel van bescherming van de gezondheid zwaarder dan economische belangen, zodat het belang van dat doel negatieve economische gevolgen kan rechtvaardigen, zelfs wanneer deze aanzienlijk zijn (arrest van 24 februari 2022, Agenzia delle dogane e dei monopoli et Ministero dell'Economia e delle Finanze, C-452/20, EU:C:2022:111, punt 50 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
76
In casu moet derhalve worden geoordeeld, zoals de advocaat-generaal in punt 44 van zijn conclusie in wezen heeft uiteengezet, dat door het verbod om voor levensmiddelen die botanische substanties bevatten reclame te maken met gezondheidsclaims die psychologische of gedragsfuncties beschrijven of waarin naar dergelijke functies wordt verwezen, die niet vooraf overeenkomstig verordening nr. 1924/2006 zijn beoordeeld en toegestaan en die evenmin zijn toegestaan op grond van de overgangsmaatregelen van die verordening, een juist evenwicht kan worden verzekerd tussen de met elkaar in overeenstemming te brengen grondrechten, zonder dat het legitieme recht van exploitanten van levensmiddelenbedrijven om hun ondernemersactiviteit uit te oefenen, onevenredig wordt aangetast.
77
Het beginsel van gelijke behandeling kan evenmin leiden tot een andere dan de in punt 66 van het onderhavige arrest gegeven uitlegging.
78
Dit beginsel, dat is neergelegd in artikel 20 van het Handvest, vereist immers dat vergelijkbare situaties niet verschillend en verschillende situaties niet gelijk worden behandeld, tenzij een dergelijke behandeling objectief gerechtvaardigd is. Een verschil in behandeling is gerechtvaardigd indien het berust op een objectief en redelijk criterium, dat wil zeggen wanneer het verband houdt met een door de betrokken regeling nagestreefd wettelijk toelaatbaar doel, en dit verschil in verhouding staat tot het met de betrokken behandeling nagestreefde doel (arrest van 23 november 2023, Seven.One Entertainment Group, C-260/22, EU:C:2023:900, punt 45 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
79
Volgens de rechtspraak van het Hof moet bij de beoordeling van de vergelijkbaarheid van situaties om te bepalen of dit algemene beginsel in acht is genomen, worden uitgegaan van het doel van de handeling waarvan de betrokken norm deel uitmaakt (zie in die zin arrest van 29 juli 2024, HDI Global en MS Amlin Insurance, C-771/22 en C-45/23, EU:C:2024:644, punt 84 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
80
Zoals in punt 63 van het onderhavige arrest is uiteengezet, heeft verordening nr. 1924/2006 tot doel een hoog niveau van consumentenbescherming en bescherming van de menselijke gezondheid te verwezenlijken. Artikel 10, leden 1 en 3, van die verordening draagt bij tot de verwezenlijking van die doelstelling door de consumenten te waarborgen dat gezondheidsclaims om levensmiddelen te promoten wetenschappelijk zijn onderzocht, teneinde hen in staat te stellen om geïnformeerde keuzes te maken.
81
Gelet op die doelstelling moeten exploitanten van levensmiddelenbedrijven die gezondheidsclaims wensen te gebruiken om reclame te maken voor de door hen in de handel gebrachte levensmiddelen, derhalve worden vergeleken in het licht van de wetenschappelijke gegrondheid van die claims.
82
83
Gelet op een en ander moet op de gestelde vraag worden geantwoord dat artikel 10, leden 1 en 3, van verordening nr. 1924/2006 aldus moet worden uitgelegd dat het eraan in de weg staat dat in het kader van commerciële reclame voor een voedingssupplement bestaande uit ‘botanische substanties’ in de zin van verordening nr. 432/2012 wordt toegestaan om specifieke gezondheidsclaims voor dergelijke substanties te gebruiken die psychologische of gedragsfuncties beschrijven of waarin naar dergelijke functies wordt verwezen, of te verwijzen naar de algemene, niet-specifieke voordelen van dergelijke substanties voor de algemene gezondheid en het welzijn op het gebied van gezondheid zonder dat die verwijzing gepaard gaat met een in de lijsten van toegestane gezondheidsclaims als bedoeld in de artikelen 13 en 14 van verordening nr. 1924/2006 opgenomen specifieke gezondheidsclaim, zolang de Commissie het onderzoek van de gezondheidsclaims voor de botanische substanties met het oog op de opneming ervan op die lijsten niet heeft afgerond, tenzij het gebruik van dergelijke claims is toegestaan op grond van artikel 28, lid 6, van die verordening.
Kosten
84
Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof (Vijfde kamer) verklaart voor recht:
Artikel 10, leden 1 en 3, van verordening (EG) nr. 1924/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 20 december 2006 inzake voedings-en gezondheidsclaims voor levensmiddelen, zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 109/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 15 januari 2008,
moet aldus worden uitgelegd dat
het eraan in de weg staat dat in het kader van commerciële reclame voor een voedingssupplement bestaande uit ‘botanische substanties’ in de zin van verordening (EU) nr. 432/2012 van de Commissie van 16 mei 2012 tot vaststelling van een lijst van toegestane gezondheidsclaims voor levensmiddelen die niet over ziekterisicobeperking en de ontwikkeling en gezondheid van kinderen gaan, wordt toegestaan om specifieke gezondheidsclaims voor dergelijke substanties te gebruiken die psychologische of gedragsfuncties beschrijven of waarin naar dergelijke functies wordt verwezen, of te verwijzen naar de algemene, niet-specifieke voordelen van dergelijke substanties voor de algemene gezondheid en het welzijn op het gebied van gezondheid zonder dat die verwijzing gepaard gaat met een in de lijsten van toegestane gezondheidsclaims als bedoeld in de artikelen 13 en 14 van verordening nr. 1924/2006, zoals gewijzigd, opgenomen specifieke gezondheidsclaim, zolang de Europese Commissie het onderzoek van de gezondheidsclaims voor de botanische substanties met het oog op de opneming ervan op die lijsten niet heeft afgerond, tenzij het gebruik van dergelijke claims is toegestaan op grond van artikel 28, lid 6, van die verordening.
ondertekeningen
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 30‑04‑2025
Conclusie 17‑10‑2024
Inhoudsindicatie
Prejudiciële verwijzing — Consumentenbescherming — Verordening (EG) nr. 1924/2006 — Voedings- en gezondheidsclaims voor levensmiddelen — Artikel 10, leden 1 en 3 — Specifieke voorwaarden met betrekking tot gezondheidsclaims — Artikel 28, leden 5 en 6 — Overgangsmaatregelen — ‘Botanische substanties’ waarvoor reclame wordt gemaakt met gezondheidsclaims — Lang uitblijven van de beoordeling door de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid (EFSA) en het onderzoek door de Europese Commissie met betrekking tot de opname van de voor ‘botanische substanties’ ingediende gezondheidsclaims in de lijsten als bedoeld in de artikelen 13 en 14 — Toepasselijkheid van verordening nr. 1924/2006
A. rantos
Partij(en)
Zaak C-386/231.
Novel Nutriology GmbH
tegen
Verband Sozialer Wettbewerb eV
[verzoek van het Bundesgerichtshof (hoogste federale rechter in burgerlijke en strafzaken, Duitsland) om een prejudiciële beslissing]
I. Inleiding
1.
In artikel 10, lid 1, van verordening (EG) nr. 1924/20062. inzake voedings- en gezondheidsclaims voor levensmiddelen wordt bepaald dat gezondheidsclaims die niet zijn opgenomen in de in de artikelen 13 en 14 van die verordening bedoelde lijsten van toegestane claims, verboden zijn. Daarnaast wordt in lid 3 van dit artikel bepaald dat verwijzingen naar algemene, niet-specifieke voordelen van een nutriënt of een levensmiddel voor de algemene gezondheid of voor het welzijn op het gebied van gezondheid alleen zijn toegestaan indien zij gepaard gaan met een specifieke gezondheidsclaim die is opgenomen in deze lijsten.
2.
Zijn gezondheidsclaims voor botanische substanties, die voor reclamedoeleinden worden gebruikt, toegestaan krachtens artikel 10, leden 1 en 3, van voornoemde verordening in een situatie waarin de Europese Commissie nog geen beslissing heeft genomen over de opname van dergelijke claims in de in de artikelen 13 en 14 bedoelde lijsten? Dit is in essentie de nog niet eerder behandelde vraag van het Bundesgerichtshof (hoogste federale rechter in burgerlijke en strafzaken, Duitsland).
3.
Het verzoek om een prejudiciële beslissing is ingediend in het kader van een geding tussen het Verband Sozialer Wettbewerb eV (hierna: ‘VSW’), een Duitse vereniging die volgens haar statuten tot doel heeft de commerciële belangen van haar leden te behartigen, en Novel Nutriology GmbH, een vennootschap met beperkte aansprakelijkheid naar Duits recht, betreffende een vordering tot staking van het gebruik van gezondheidsclaims voor botanische substanties op de website van die vennootschap om reclame te maken voor een voedingssupplement.
II. Toepasselijke bepalingen
A. Unierecht
1. Verordening nr. 1924/2006
4.
De overwegingen 9, 14, 16, 17, 23 en 35 van verordening nr. 1924/2006 luiden als volgt:
- ‘(9)
In een levensmiddel kunnen allerlei nutriënten en andere stoffen, met inbegrip van, maar niet beperkt tot, vitaminen, mineralen met inbegrip van spoorelementen, aminozuren, essentiële vetzuren, voedingsvezels, diverse planten- en kruidenextracten, met een nutritioneel of fysiologisch effect aanwezig zijn waarvoor een claim kan worden gedaan. Derhalve moeten er algemene beginselen voor alle claims inzake levensmiddelen worden vastgesteld om een hoog beschermingsniveau voor de consument te waarborgen, de consument de informatie te verstrekken die hij nodig heeft om geïnformeerde keuzes te kunnen maken, en gelijke concurrentievoorwaarden voor de levensmiddelenindustrie te scheppen.
[…]
- (14)
In de etikettering van en de reclame voor levensmiddelen worden in sommige lidstaten momenteel allerlei claims gebruikt betreffende stoffen waarvan niet bewezen is dat zij heilzaam zijn of waarover nog onvoldoende wetenschappelijke overeenstemming bestaat. Er moet voor worden gezorgd dat de stoffen waarvoor een claim wordt gedaan, een bewezen heilzaam nutritioneel of fysiologisch effect hebben.
[…]
- (16)
Claims inzake levensmiddelen moeten voor de consument begrijpelijk zijn en alle consumenten moeten tegen misleidende claims worden beschermd. Het Hof van Justitie van de Europese [Gemeenschappen] heeft het sinds de inwerkingtreding van richtlijn 84/450/EEG van de Raad van 10 september 1984 inzake misleidende reclame[3.], evenwel noodzakelijk geacht om bij uitspraken in zaken over reclamekwesties na te gaan wat de gevolgen voor een fictieve doorsneeconsument zijn. In overeenstemming met het evenredigheidsbeginsel, en om de op grond van dat beginsel geboden bescherming ook effectief te kunnen toepassen, wordt in deze verordening het door het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen ontwikkelde criterium van de gemiddelde consument (een redelijk goed geïnformeerde, redelijk oplettende en voorzichtige consument) als maatstaf genomen, en wordt er rekening gehouden met sociale, culturele en taalkundige factoren, maar wordt er tevens voorzien in bepalingen die voorkomen dat wordt geprofiteerd van consumenten die bijzonder kwetsbaar zijn voor misleidende claims. […]
- (17)
Wetenschappelijke onderbouwing dient bij het gebruik van voedings- en gezondheidsclaims op de eerste plaats te komen; exploitanten van levensmiddelenbedrijven die claims gebruiken, moeten deze onderbouwen. Een claim wetenschappelijk onderbouwen dient te gebeuren door rekening te houden met alle beschikbare wetenschappelijke gegevens en door de bewijzen te wegen.
- (23)
Het gebruik van gezondheidsclaims in de Gemeenschap mag pas na een wetenschappelijke beoordeling volgens de strengst mogelijke normen worden toegestaan. Met het oog op een geharmoniseerde wetenschappelijke beoordeling van die claims dient [EFSA] daarmee te worden belast. De aanvrager dient op verzoek inzage in zijn dossier te krijgen om de stand van de procedure te verifiëren.
[…]
- (35)
Toereikende overgangsmaatregelen zijn nodig om de exploitanten van levensmiddelenbedrijven in staat te stellen zich aan de eisen van deze verordening aan te passen.’
5.
Hoofdstuk I van de verordening heeft als opschrift ‘Onderwerp, toepassingsgebied en definities’ en omvat de artikelen 1 en 2 van de verordening. Artikel 1 van de verordening heeft als opschrift ‘Onderwerp en toepassingsgebied’ en bepaalt in de leden 1 en 2:
- ‘1.
Deze verordening harmoniseert de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten met betrekking tot voedings- en gezondheidsclaims, teneinde de goede werking van de interne markt te waarborgen en tevens een hoog niveau van consumentenbescherming te verwezenlijken.
- 2.
Deze verordening is van toepassing op voedings- en gezondheidsclaims die in commerciële mededelingen worden gedaan, hetzij in de etikettering en presentatie van levensmiddelen, hetzij in de daarvoor gemaakte reclame, indien het gaat om levensmiddelen die bestemd zijn om als zodanig aan de eindverbruiker te worden geleverd.
[…]’
6.
Artikel 2 van dezelfde verordening, met het opschrift ‘Definities’, bepaalt:
- ‘1.
Voor de toepassing van deze verordening:
[…]
- b)
geldt de definitie van ‘voedingssupplement’ van richtlijn 2002/46/EG[4.];
[…]
- 2.
Daarnaast zijn de volgende definities van toepassing:
[…]
- 5)
gezondheidsclaim: een claim die stelt, de indruk wekt of impliceert dat er een verband bestaat tussen een levensmiddelencategorie, een levensmiddel of een bestanddeel daarvan en de gezondheid;
[…]’
7.
Hoofdstuk II van verordening nr. 1924/2006 heeft als opschrift ‘Algemene beginselen’ en bevat de artikelen 3 tot en met 7 van de verordening. Artikel 3 heeft als opschrift ‘Algemene beginselen voor alle claims’ en bepaalt:
‘Voedings- en gezondheidsclaims mogen in de etikettering en presentatie van levensmiddelen die in de Gemeenschap in de handel worden gebracht en in de daarvoor gemaakte reclame uitsluitend worden gebruikt indien zij in overeenstemming zijn met deze verordening.
Onverminderd richtlijn 2000/13/EG[5.] en richtlijn [84/450] mogen voedings- en gezondheidsclaims niet:
- a)
onjuist, dubbelzinnig of misleidend zijn;
[…]’
8.
Artikel 6 van de verordening heeft als opschrift ‘Wetenschappelijke onderbouwing van claims’. De leden 1 en 2 van dit artikel luiden als volgt:
- ‘1.
Voedings- en gezondheidsclaims zijn gebaseerd op en onderbouwd door algemeen aanvaard wetenschappelijk bewijs.
- 2.
Een exploitant van een levensmiddelenbedrijf die gebruikmaakt van een voedings- of gezondheidsclaim, dient dit te rechtvaardigen.’
9.
Hoofdstuk IV van de verordening heeft als opschrift ‘Gezondheidsclaims’ en omvat de artikelen 10 tot en met 19 ervan. Artikel 10 van verordening nr. 1924/2006 heeft als opschrift ‘Specifieke voorwaarden’ en bepaalt in de leden 1 tot en met 3:
- ‘1.
Gezondheidsclaims zijn verboden, tenzij zij in overeenstemming zijn met de algemene voorschriften van hoofdstuk II en de specifieke voorschriften van dit hoofdstuk, en er overeenkomstig deze verordening een vergunning voor is verleend, en zij zijn opgenomen in de in de artikelen 13 en 14 bedoelde lijsten van toegestane claims.
- 2.
Gezondheidsclaims zijn alleen toegestaan als op de etikettering of, bij ontbreken daarvan, in de presentatie en de reclame, de volgende informatie wordt aangebracht:
- a)
een bewering waarin wordt gewezen op het belang van een gevarieerde, evenwichtige voeding en een gezonde levensstijl;
- b)
de benodigde hoeveelheid van het levensmiddel en het vereiste consumptiepatroon om het geclaimde heilzame effect te bereiken;
- c)
indien van toepassing, een vermelding voor mensen die het gebruik van het levensmiddel dienen te vermijden; en
- d)
een passende waarschuwing voor producten die bij overmatig gebruik een gezondheidsrisico kunnen inhouden.
- 3.
Verwijzingen naar algemene, niet-specifieke voordelen van de nutriënt of het levensmiddel voor de algemene gezondheid of voor het welzijn op het gebied van gezondheid zijn alleen toegestaan indien zij gepaard gaan met een specifieke gezondheidsclaim die is opgenomen in de in de artikelen 13 en 14 bedoelde lijsten.’
10.
Artikel 13 van deze verordening heeft als opschrift ‘Gezondheidsclaims die niet over ziekterisicobeperking en de ontwikkeling en gezondheid van kinderen gaan’ en bepaalt in de leden 1 tot en met 3:
- ‘1.
Gezondheidsclaims die het volgende beschrijven of waarin naar het volgende wordt verwezen:
- a)
de rol van een nutriënt of andere stof bij de groei en ontwikkeling en de functies van het lichaam, of
- b)
psychologische functies of gedragsfuncties, […]
[…]
en die staan vermeld op de in lid 3 bedoelde lijst, zijn toegestaan zonder dat zij aan de in de artikelen 15 tot en met 19 bedoelde procedures hoeven te worden onderworpen, indien zij:
- i)
zijn gebaseerd op algemeen aanvaard wetenschappelijk bewijs, en
- ii)
door de gemiddelde consument goed begrepen worden.
- 2.
De lidstaten verstrekken de Commissie uiterlijk op 31 januari 2008 een lijst met claims als bedoeld in lid 1, tezamen met de voorwaarden die daarop van toepassing zijn en verwijzingen naar het desbetreffende wetenschappelijk bewijs.
- 3.
Na raadpleging van [EFSA], stelt de Commissie, volgens de in artikel 25, lid 3, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing, uiterlijk op 31 januari 2010 een communautaire lijst, die niet-essentiële onderdelen van deze verordening beoogt te wijzigen door haar aan te vullen, vast van toegestane claims als bedoeld in lid 1 en van alle noodzakelijke voorwaarden voor het gebruik van deze claims.’
11.
Hoofdstuk V van de verordening heeft als opschrift ‘Algemene bepalingen en slotbepalingen’ en omvat de artikelen 20 tot en met 29 van de verordening. Artikel 28 heeft als opschrift ‘Overgangsmaatregelen’ en bepaalt in de leden 5 en 6:
- ‘5.
De in artikel 13, lid 1, onder a), vermelde gezondheidsclaims kunnen vanaf de datum van inwerkingtreding van deze verordening tot de aanneming van de in artikel 13, lid 3, vermelde lijst onder de verantwoordelijkheid van bedrijfsexploitanten worden gedaan, mits zij stroken met deze verordening en met de toepasselijke nationale bepalingen en onverminderd de aanneming van de in artikel 24 bedoelde vrijwaringsmaatregelen.
- 6.
Ten aanzien van andere dan de in artikel 13, lid 1, onder a), en artikel 14, lid 1, onder a), genoemde gezondheidsclaims die, in overeenstemming met de nationale bepalingen, vóór de datum van inwerkingtreding van deze verordening zijn gebruikt, geldt het volgende:
- a)
gezondheidsclaims die in een lidstaat zijn beoordeeld en toegestaan, worden als volgt toegestaan:
- i)
de lidstaten doen de Commissie die claims uiterlijk op 31 januari 2008 toekomen, vergezeld van een verslag met de evaluatie van de wetenschappelijke gegevens ter staving van de claim;
- ii)
na raadpleging van [EFSA] neemt de Commissie volgens de in artikel 25, lid 3, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing een besluit met betrekking tot de gezondheidsclaims waaraan op die manier een vergunning werd verleend aan, dat niet-essentiële onderdelen van deze verordening beoogt te wijzigen door haar aan te vullen.
Gezondheidsclaims die niet worden toegestaan op grond van deze procedure, mogen tot uiterlijk zes maanden na de aanneming van het besluit worden gebruikt;
- b)
gezondheidsclaims die niet in een lidstaat zijn beoordeeld en toegestaan: deze claims kunnen verder worden gebruikt, mits voor 19 januari 2008 overeenkomstig deze verordening een aanvraag wordt ingediend; gezondheidsclaims die niet worden toegestaan op grond van deze procedure kunnen verder worden gebruikt tot uiterlijk zes maanden nadat overeenkomstig artikel 17, lid 3, een besluit is genomen.’
2. Verordening nr. 432/2012
12.
De overwegingen 10 en 11 van verordening (EU) nr. 432/20126. luiden als volgt:
- ‘(10)
De Commissie heeft een aantal voor evaluatie ingediende claims geïdentificeerd, die betrekking hebben op de effecten van planten- of kruidensubstanties, algemeen bekend als ‘botanische substanties’, waarvoor de EFSA nog een wetenschappelijke evaluatie moet uitvoeren. Bovendien bestaan er gezondheidsclaims waarvoor een verdere evaluatie is vereist voordat de Commissie in staat is om de eventuele opname in de lijst van toegestane claims te bestuderen of die zijn geëvalueerd maar waarvan de bestudering door de Commissie op dit ogenblik wegens andere rechtmatige factoren niet kan worden voltooid.
- (11)
Claims waarvan de evaluatie door de EFSA of de bestudering door de Commissie nog niet is voltooid, zullen op de website van de Commissie worden gepubliceerd en mogen verder gebruikt worden overeenkomstig artikel 28, leden 5 en 6, van verordening [nr. 1924/2006].’
3. Verordening nr. 536/2013
13.
De overwegingen 4, 5 en 9 van verordening (EU) nr. 536/20137. luiden als volgt:
- ‘(4)
De Commissie heeft haar bestudering van alle ter evaluatie ingediende gezondheidsclaims afgerond, met uitzondering van vier categorieën claims voor specifieke groepen levensmiddelen of een van de bestanddelen ervan. Deze categorieën omvatten claims voor planten- of kruidensubstanties, die bekend staan als ‘botanische substanties’, claims voor specifieke levensmiddelen — te weten levensmiddelen bestemd om in diëten met een zeer laag caloriegehalte te worden genuttigd en levensmiddelen met een verlaagd lactosegehalte, claims voor cafeïne en een claim voor koolhydraten.
- (5)
Wat botanische substanties betreft, hebben de lidstaten en belanghebbenden bezorgdheid geuit over de uiteenlopende inaanmerkingneming van bewijsmateriaal inzake ‘traditioneel gebruik’ ingevolge enerzijds verordening [nr. 1924/2006], en anderzijds richtlijn 2001/83/EG van het Europees Parlement en de Raad van 6 november 2001 tot vaststelling van het communautair wetboek betreffende geneesmiddelen voor menselijk gebruik[8.] wat het gebruik van traditionele kruidengeneesmiddelen betreft. Aangezien de Commissie van mening is dat deze bezorgdheid gegrond is en tot verdere bestudering en overleg noopt, wordt een besluit over claims betreffende botanische substanties alleen genomen zodra deze stappen zijn voltooid.
[…]
- (9)
Ter waarborging van de transparantie en de rechtszekerheid voor alle belanghebbenden wordt de bekendmaking van claims waarvan de bestudering nog niet is afgerond, op de website van de Commissie gehandhaafd, en mogen deze uit hoofde van artikel 28, leden 5 en 6, van verordening [nr. 1924/2006] blijven worden gebruikt.’
B. Duits recht
14.
§ 3 van het Gesetz gegen den unlauteren Wettbewerb (wet inzake oneerlijke mededinging) van 3 juli 20049., in de versie die van toepassing is op het hoofdgeding (hierna: ‘UWG’) heeft als opschrift ‘Verbod op oneerlijke handelspraktijken’ en bepaalt het volgende:
- ‘(1)
Oneerlijke handelspraktijken zijn ongeoorloofd.
- (2)
Handelspraktijken die gericht zijn op consumenten of die hen bereiken, zijn oneerlijk indien zij niet in overeenstemming zijn met de zorgvuldigheid die een ondernemer dient te betrachten, en het economisch gedrag van de consument aanzienlijk kunnen beïnvloeden.
[…]’
15.
§ 3a van deze wet heeft als opschrift ‘Schending van het recht’ en bepaalt:
‘Eenieder die handelt in strijd met een wettelijk voorschrift dat mede is vastgesteld om in het belang van de marktdeelnemers het marktgedrag te reguleren, maakt zich schuldig aan een oneerlijke handelspraktijk indien de inbreuk de belangen van consumenten, andere marktdeelnemers of concurrenten wezenlijk kan aantasten.’
III. Hoofdgeding, prejudiciële vraag en procedure bij het Hof
16.
Novel Nutriology verkoopt het voedingssupplement ‘o'gænics Adapto-Genie ANTI-STRESS-KOMPLEX’ (hierna: ‘betrokken product’). Op haar website heeft zij met de volgende claims met betrekking tot de bestanddelen ‘saffraanextract’ en ‘meloensapextract’ (hierna: ‘aan de orde zijnde claims’) reclame voor dit product gemaakt:
- ‘1.
Saffraanextract voor een positievere stemming.
- 2.
Het saffraanextract Safr'Inside in Adapto-Genie werd in het kader van een open onderzoek gedurende een periode van 30 dagen getest op 50 deelnemers. Bij een dosis van 30 mg Safr'Inside per dag voelde 77 % van de proefpersonen zich na slechts twee weken gebruik emotioneel beter in evenwicht, optimistischer en gelukkiger. 66 % voelde zich ook meer ontspannen en dynamisch. Na 30 dagen sliep 11 % van de proefpersonen beter.
- 3.
Onderzoek heeft aangetoond dat meloensapextract met superoxidedismutase na vier weken zorgde voor verminderde gevoelens van stress en uitputting. Bovendien verminderden prikkelbaarheid en vermoeidheid met 63 %, wat tot een aanzienlijke verbetering van de levenskwaliteit leidde.’
17.
Volgens het VSW zijn de aan de orde zijnde claims niet-toegestane gezondheidsclaims in de zin van artikel 10 van verordening nr. 1924/2006. Bij brief van 23 oktober 2019 heeft deze vereniging Novel Nutriology verzocht een onthoudingsverklaring af te geven met betrekking tot het gebruik van deze claims. Deze onderneming heeft niet aan dit verzoek voldaan.
18.
Het VSW heeft een vordering ingesteld bij het Landgericht Hamburg (rechter in eerste aanleg Hamburg, Duitsland) en de rechter verzocht Novel Nutriology op straffe van een dwangsom te verbieden om in het handelsverkeer met de aan de orde zijnde claims reclame te maken voor het betrokken product.10. Deze rechter heeft die vordering toegewezen. Novel Nutriology is tegen dit vonnis in beroep gegaan bij het Oberlandesgericht Hamburg (hoogste rechterlijke instantie van de deelstaat Hamburg, Hamburg, Duitsland), dat het beroep heeft verworpen.
19.
Novel Nutriology heeft tegen de uitspraak van de appelrechter beroep in Revision ingesteld bij het Bundesgerichtshof, de verwijzende rechter, die heeft opgemerkt dat volgens zijn rechtspraak het feit dat de in de artikelen 13 en 14 van verordening nr. 1924/2006 bedoelde lijsten van toegestane claims nog niet volledig zijn opgesteld, in beginsel niet in de weg staat aan de toepassing van artikel 10, leden 1 en 3, van deze verordening. Desalniettemin zou er geen duidelijkheid zijn over de vraag of, wanneer voor ‘botanische substanties’ reclame wordt gemaakt door middel van gezondheidsclaims of met verwijzingen naar algemene, niet-specifieke voordelen van een nutriënt of een levensmiddel voor de algemene gezondheid of voor het welzijn op het gebied van gezondheid, artikel 10, leden 1 en 3, van de verordening van toepassing is zolang de evaluatie door EFSA en het onderzoek door de Commissie betreffende de opname in de in de artikelen 13 en 14 van de verordening bedoelde lijsten11. voor botanische substanties niet zijn afgerond. Dit punt zou doorslaggevend zijn voor de beslechting van het hoofdgeding voor zover volgens deze rechter de vorderingen van het VSW gegrond zouden zijn indien artikel 10, leden 1 en 3, van verordening nr. 1924/2006 van toepassing is, omdat de aan de orde zijnde claims een schending vormen van deze bepalingen.
20.
Dienaangaande merkt deze rechter op dat artikel 10, lid 3, van deze verordening volgens een eerste uitlegging12. niet van toepassing zou moeten zijn op een geval als dat in het hoofdgeding. De Uniewetgever zou namelijk slechts hebben voorzien in een beperkt verbod op algemene en niet-specifieke gezondheidsclaims. Hieruit zou volgen dat algemene verwijzingen naar de gezondheid slechts verboden zouden zijn indien zij niet gepaard gaan met specifieke claims die zijn opgenomen in de in artikel 13 of artikel 14 van de verordening bedoelde lijsten, wat veronderstelt dat die lijsten zouden zijn opgesteld. Anders zou, in strijd met de bedoeling van de Uniewetgever, die ook duidelijk tot uitdrukking komt in de overgangsbepalingen van artikel 28 van de verordening, de verordening aanvankelijk voorzien in een strengere regel dan de regel die later van toepassing wordt. Als gevolg van de opschorting door EFSA en de Commissie van de beoordeling van claims met betrekking tot ‘botanische substanties’ zou een exploitant van een levensmiddelenbedrijf geen beslissing kunnen verkrijgen over specifieke gezondheidsclaims en zou hij bijgevolg een algemene verwijzing naar de gezondheid niet gepaard kunnen doen gaan van dergelijke gezondheidsclaims. De enkele omstandigheid dat de in de artikelen 13 en 14 van verordening nr. 1924/2006 bedoelde lijsten niet worden opgesteld en dat de registratieaanvragen voor kruidensubstanties niet worden behandeld, zou dus een rechtssituatie doen ontstaan die niet overeenstemt met de bedoeling van de Uniewetgever. Het beginsel dat deze verordening niet van toepassing is zolang de Commissie geen stappen onderneemt, zou ook betrekking hebben op de situatie waarin degene tegen wie een verbodsactie is ingesteld niet heeft verzocht om opname van specifieke claims in de lijsten, aangezien een dergelijke aanvraag in de nabije toekomst geen kans van slagen zou hebben wegens de opschorting van het onderzoek van gezondheidsclaims met betrekking tot botanische substanties.
21.
De verwijzende rechter ziet nog een andere factor die ervoor pleit dat artikel 10, leden 1 en 3, van de verordening niet van toepassing is: het feit dat de Commissie jarenlang niets heeft ondernomen, zou kunnen worden beschouwd als een onevenredige beperking van de vrijheid van ondernemerschap, zoals neergelegd in artikel 16 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: ‘Handvest’), en als een ongerechtvaardigd verschil in behandeling met betrekking tot de reclamemogelijkheden van concurrenten wier aanvragen tot opname van gezondheidsclaims in de communautaire lijsten betrekking hebben op levensmiddelen die door EFSA zijn beoordeeld en door de Commissie zijn onderzocht.
22.
Volgens een tweede uitlegging, die door de verwijzende rechter wordt omschreven als het ‘standpunt van de meerderheid’13., moet artikel 10, lid 3, van verordening nr. 1924/2006 van toepassing zijn op botanische substanties, wanneer een algemene, niet-specifieke verwijzing in de zin van deze bepaling gepaard gaat met een specifieke gezondheidsclaim die ‘on hold’ is gezet en overeenkomstig de voorwaarden van artikel 28, leden 5 en 6, van de verordening verder mag worden gebruikt. Deze uitlegging wordt erdoor ondersteund dat de bewoordingen van artikel 10, leden 1 en 3, van de verordening geen onderscheid maken naargelang de claims al dan niet verwijzen naar ‘botanische substanties’.
23.
Bovendien lijkt het doel van dit artikel 10, leden 1 en 3, zich ertegen te verzetten dat reclame met niet-specifieke gezondheidsclaims voor ‘botanische substanties’ volledig kan worden vrijgesteld van de beperkingen van deze bepalingen zolang er geen afgeronde wetenschappelijke beoordeling is van de specifieke gezondheidsclaims die met deze algemene claims gepaard moeten gaan. Het risico zou bestaan dat consumenten voedingssupplementen en kruidengeneesmiddelen niet van elkaar kunnen onderscheiden en dat, in strijd met de bedoeling van de Uniewetgever, het gebruik van voedingssupplementen met niet-onderzochte gezondheidsclaims de gezondheid van patiënten in gevaar kan blijven brengen.14. Ook heeft de Commissie er in overweging 11 van verordening nr. 432/2012 en overweging 9 van verordening nr. 536/2013 op gewezen dat claims waarvan het onderzoek nog niet is afgerond op haar website blijven staan en uit hoofde van artikel 28, leden 5 en 6, van verordening nr. 1924/2006 verder mogen worden gebruikt. Het is mogelijk dat hiermee voldoende rekening is gehouden met de legitieme belangen van ondernemingen die reclame maken, bij het gebruik van gezondheidsclaims voor ‘botanische substanties’.
24.
Ten slotte vermeldt de verwijzende rechter dat Novel Nutriology geen aanvraag in de zin van artikel 28, lid 6, onder b), van deze verordening heeft ingediend vóór 19 januari 2008. In dit verband heeft de appelrechter vastgesteld, zonder dat dit in het beroep in Revision werd betwist, dat de onderneming geen aanvraag had ingediend met betrekking tot het meloensapextract en dat de aanvraag met betrekking tot het saffraanextract dateerde van 13 januari 2009.
25.
In deze omstandigheden heeft het Bundesgerichtshof besloten de behandeling van de zaak te schorsen en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vraag:
‘Mag voor kruidensubstanties (‘botanische substanties’) reclame worden gemaakt met gezondheidsclaims (artikel 10, lid 1, van [verordening nr. 1924/2006]) of met verwijzingen naar algemene, niet-specifieke voordelen van de nutriënt of het levensmiddel voor de algemene gezondheid of voor het welzijn op het gebied van gezondheid (artikel 10, lid 3, van [verordening nr. 1924/2006]), zonder dat die claims volgens deze verordening zijn toegestaan en in de in de artikelen 13 en 14 van die verordening bedoelde lijsten van toegestane claims zijn opgenomen (artikel 10, lid 1, van de verordening) of zonder dat deze verwijzingen gepaard gaan met een specifieke gezondheidsclaim die is opgenomen in de in artikel 13 of artikel 14 van de verordening bedoelde lijsten (artikel 10, lid 3, van de verordening), zolang de beoordeling door [EFSA] en het onderzoek door de Commissie met betrekking tot de opname van de voor ‘botanische substanties’ ingediende claims in de communautaire lijsten als bedoeld in de artikelen 13 en 14 van [verordening nr. 1924/2006] nog niet zijn voltooid?’
26.
Novel Nutriology, het VSW, de Griekse en de Italiaanse regering en de Commissie hebben schriftelijke opmerkingen ingediend. Het VSW, de Griekse en de Franse regering en de Commissie hebben ook mondelinge opmerkingen gemaakt tijdens de terechtzitting van 20 juni 202415..
IV. Analyse
27.
Met zijn prejudiciële vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of verordening nr. 1924/2006 aldus moet worden uitgelegd dat zij zich verzet tegen het toestaan van reclame voor ‘botanische substanties’ waarbij gebruik wordt gemaakt van specifieke gezondheidsclaims in de zin van artikel 10, lid 1, van deze verordening of van verwijzingen naar de algemene, niet-specifieke voordelen van een nutriënt of levensmiddel voor de algemene gezondheid of voor het welzijn op het gebied van gezondheid, in de zin van artikel 10, lid 3, van deze verordening, zonder dat die specifieke gezondheidsclaims zijn opgenomen in de lijsten van toegestane gezondheidsclaims als bedoeld in de artikelen 13 en 14 van deze verordening, of zonder dat die verwijzing gepaard gaat met een in die lijsten opgenomen specifieke gezondheidsclaim, zolang de Commissie haar onderzoek naar de opname van gezondheidsclaims voor botanische substanties in die lijsten niet heeft afgerond.
28.
Om te beginnen moet worden opgemerkt dat artikel 10, lid 1, van verordening nr. 1924/2006, dat is opgenomen in hoofdstuk IV van deze verordening, bepaalt dat gezondheidsclaims verboden zijn tenzij zij in overeenstemming zijn met de algemene voorschriften van hoofdstuk II en de specifieke voorschriften van hoofdstuk IV en er overeenkomstig deze verordening een vergunning voor is verleend en zij zijn opgenomen in de in de artikelen 13 en 14 van de verordening bedoelde lijsten van toegestane claims.16. Zo voorziet artikel 10, lid 1, van de verordening in een principieel verbod op gezondheidsclaims, met uitzondering van claims die zijn opgenomen in de lijsten van toegestane claims als bedoeld in de artikelen 13 en 14 van die verordening.17.
29.
Bovendien mag krachtens artikel 10, lid 3, van verordening nr. 1924/2006 alleen naar de algemene, niet-specifieke voordelen van een nutriënt of levensmiddel voor de algemene gezondheid of voor het welzijn op het gebied van gezondheid worden verwezen als deze verwijzing gepaard gaat met een specifieke gezondheidsclaim die is opgenomen in de in artikel 13 of artikel 14 van de verordening bedoelde lijsten. Volgens de rechtspraak van het Hof maakt deze bepaling dus een onderscheid tussen twee categorieën gezondheidsclaims, te weten, ten eerste, ‘specifieke’ gezondheidsclaims die zijn opgenomen in de betrokken lijsten overeenkomstig het in artikel 10, lid 1, van voornoemde verordening vastgelegde beginsel, en ten tweede, ‘algemene’ gezondheidsclaims, die bestaan in een verwijzing naar algemene, niet-specifieke voordelen, die gepaard moet gaan met een in diezelfde lijsten opgenomen gezondheidsclaim.18.
30.
Het Hof heeft eveneens geoordeeld dat artikel 10, lid 3, van verordening nr. 1924/2006, dat een afwijking invoert van het in artikel 10, lid 1, van deze verordening vastgelegde beginsel dat gezondheidsclaims verboden zijn tenzij zij op de in de verordening bedoelde lijsten van toegestane claims voorkomen, dus eng moet worden uitgelegd en dat hieruit volgt dat een algemene gezondheidsclaim in de zin van deze bepaling moet voldoen aan de bewijsvereisten van die verordening.19. Het volstaat daartoe echter dat de verwijzingen naar algemene, niet-specifieke voordelen van een nutriënt of een levensmiddel voor de algemene gezondheid of voor het welzijn op het gebied van gezondheid gepaard gaan met specifieke gezondheidsclaims die worden ondersteund door algemeen aanvaard wetenschappelijk bewijs dat is getoetst en goedgekeurd, wanneer laatstgenoemde claims voorkomen op de lijsten bedoeld in de artikelen 13 en 14 van voornoemde verordening.20.
31.
Artikel 28 van verordening nr. 1924/2006 voorziet van zijn kant in overgangsmaatregelen die, zoals in overweging 35i van deze verordening is vermeld, tot doel hebben de exploitanten van levensmiddelenbedrijven in staat te stellen zich aan de eisen van deze verordening aan te passen. Wat gezondheidsclaims betreft, zijn deze overgangsmaatregelen vastgesteld in artikel 28, leden 5 en 6, van de verordening.21. In dit verband blijkt uit de overwegingen 10 en 11 van verordening nr. 432/2012 dat gezondheidsclaims waarvan de beoordeling is opgeschort, met name wegens het ontbreken van een wetenschappelijke beoordeling door EFSA, nog mogen worden gebruikt overeenkomstig de overgangsmaatregelen van artikel 28, leden 5 en 6, van verordening nr. 1924/2006.
32.
Volgens de rechtspraak van het Hof kunnen de toegestane gezondheidsclaims en de gezondheidsclaims waarvan de beoordeling is opgeschort, die onder de overgangsregeling vallen, weliswaar in beginsel worden gebruikt voor de verkoop van levensmiddelen, maar dat neemt niet weg dat die twee categorieën gezondheidsclaims aan verschillende eisen zijn onderworpen en dat daarvoor niet dezelfde voorwaarden gelden.22. Het is immers zo dat, terwijl het iedere exploitant van een levensmiddelenbedrijf op grond van artikel 17, lid 5, van verordening nr. 1924/2006 in beginsel is toegestaan gebruik te maken van de toegestane gezondheidsclaims die zijn opgenomen in de voornoemde voor de gehele Unie geldende definitieve lijst, de gezondheidsclaims waarvan de beoordeling is opgeschort, die onder de overgangsregeling vallen, op grond van artikel 28, leden 5 en 6, van die verordening met name moeten stroken met die verordening en met de toepasselijke nationale bepalingen.23. Dit betekent met name in de eerste plaats dat, overeenkomstig artikel 3, tweede alinea, onder a), en artikel 6, lid 1, van deze verordening, gezondheidsclaims niet dubbelzinnig of misleidend mogen zijn en gebaseerd moeten zijn op algemeen aanvaard wetenschappelijk bewijs. In de tweede plaats moeten gezondheidsclaims waarvan de beoordeling is opgeschort, ook in iedere lidstaat voldoen aan de eisen van de desbetreffende nationale regeling.24.
33.
Nog volgens de rechtspraak van het Hof voldoet een dergelijke overgangssituatie, die voor onbepaalde tijd is verlengd na afloop van de periode die krachtens artikel 13, lid 3, van verordening nr. 1924/2006 uiterlijk op 31 januari 2010 eindigde, niet aan de eisen van deze laatste verordening, zoals vastgesteld in overweging 23 van die verordening, volgens welke, met het oog op een geharmoniseerde wetenschappelijke beoordeling van gezondheidsclaims volgens de strengst mogelijke normen, EFSA daarmee dient te worden belast.25. Het Hof heeft echter gepreciseerd dat noch artikel 10, noch artikel 28, lid 5, noch een andere bepaling van de verordening bepaalt dat artikel 10, lid 2, over de verplichting om informatie te verstrekken alleen van toepassing is na de vaststelling van de lijsten van toegestane claims als bedoeld in die verordening.26. Het Hof heeft eveneens geoordeeld dat het feit dat de in artikel 13 van verordening nr. 1924/2006 bedoelde lijst van toegestane claims nog niet is vastgesteld, bovendien niet rechtvaardigt dat een exploitant van een levensmiddelenbedrijf wordt ontslagen van zijn verplichting om de consument de in artikel 10, lid 2, van die verordening bedoelde informatie te verstrekken.27. Volgens de in artikel 28, lid 5, van verordening nr. 1924/2006 vastgestelde overgangsmaatregel moest een exploitant die besloot een gezondheidsclaim te gebruiken, onder zijn verantwoordelijkheid immers de gevolgen van het betrokken levensmiddel voor de gezondheid kennen en bijgevolg reeds beschikken over de krachtens artikel 10, lid 2, van die verordening vereiste informatie.28.
34.
In casu moet om te beginnen worden vastgesteld dat verordening nr. 1924/2006 betrekking heeft op gezondheidsclaims voor ‘levensmiddelen’ en in het bijzonder, krachtens artikel 2, lid 1, onder b), van de verordening, gezondheidsclaims voor ‘voedingssupplementen’ als omschreven in richtlijn 2002/46.29. In het onderhavige geval wordt niet betwist dat het betrokken product een dergelijk voedingssupplement is. Bovendien wordt in overweging 9 van de verordening gesteld dat deze gericht is op ‘diverse planten- en kruidenextracten’. In die zin is verordening nr. 1924/2006, zoals bevestigd door de overwegingen 10 en 11 van verordening nr. 432/2012, de overwegingen 4 en 5 van verordening nr. 536/2013 en de rechtspraak van het Hof30., van toepassing op ‘botanische substanties’31., die extracten van saffraan en meloensap bevatten.
35.
Daarnaast zijn de aan de orde zijnde claims volgens de verwijzende rechter gezondheidsclaims in de zin van artikel 2, lid 2, punt 5, van verordening nr. 1924/2006, hetgeen evenmin wordt betwist. In zijn verwijzingsbeslissing preciseert deze rechter dat de appelrechter weliswaar heeft geoordeeld dat de aan de orde zijnde claims binnen de werkingssfeer van artikel 10, lid 3, van deze verordening vallen, maar dat hijzelf in het midden liet of deze claims binnen de werkingssfeer van artikel 10, lid 1, dan wel lid 3, van deze verordening vallen. Het staat aan de verwijzende rechter om te bepalen tot welke van deze categorieën de aan de orde zijnde claims behoren. In elk geval merk ik op dat in de leden 1 en 3 geen onderscheid wordt gemaakt naargelang dergelijke claims al dan niet betrekking hebben op botanische substanties.
36.
De zaak in het hoofdgeding vloeit voort uit het lang uitblijven van de beoordeling door EFSA en het onderzoek door de Commissie met betrekking tot de opname van botanische substanties in de lijsten van toegestane claims als bedoeld in de artikelen 13 en 14 van verordening nr. 1924/2006, terwijl artikel 10, leden 1 en 3, van die verordening net vereist dat gezondheidsclaims in die lijsten zijn opgenomen als voorwaarde voor de verlening van een vergunning voor deze claims. Het uitblijven van de beoordeling en het onderzoek gedurende zo'n lange periode32. lijkt zeker vatbaar voor kritiek en kan aanleiding zijn voor een beroep wegens nalatigheid tegen de Commissie33., blijft de door de verwijzende rechter opgeworpen vraag te beantwoorden of, in afwachting van de opname in deze lijsten van gezondheidsclaims voor botanische substanties, een exploitant van een levensmiddelenbedrijf dergelijke claims mag gebruiken om reclame te maken voor zijn producten.
37.
Zoals bepaald in artikel 3, eerste alinea, van verordening nr. 1924/2006 mogen gezondheidsclaims alleen worden gebruikt in de etikettering en presentatie van en reclame voor levensmiddelen die in de Unie in de handel worden gebracht als zij voldoen aan de bepalingen van deze verordening. Volgens een eerste uitlegging van de verwijzende rechter34. is het zo dat, zolang de beoordeling door EFSA en het onderzoek door de Commissie met betrekking tot de opname van claims voor ‘botanische substanties’ in de lijsten van toegestane claims als bedoeld in de artikelen 13 en 14 van die verordening niet zijn afgerond, artikel 10 van deze verordening niet van toepassing is op dergelijke gezondheidsclaims.
38.
Volgens een tweede, eveneens door de verwijzende rechter aangegeven uitlegging35., en zoals blijkt uit de in punt 33 van deze conclusie aangehaalde rechtspraak, bevat verordening nr. 1924/2006 echter geen bepaling volgens welke artikel 10, lid 2, ervan, betreffende de verplichting om informatie te verstrekken, pas van toepassing is na de vaststelling van de in deze verordening bedoelde lijsten van toegestane claims. Ook blijkt uit de ondubbelzinnige bewoordingen van artikel 10, leden 1 en 3, van deze verordening dat gezondheidsclaims die niet zijn opgenomen in de in de artikelen 13 en 14 van de verordening bedoelde lijsten van toegestane claims, verboden zijn. De verlening van een vergunning voor een gezondheidsclaim impliceert derhalve dat de in die artikelen bedoelde lijsten zijn vastgesteld en gepubliceerd.36. Zolang gezondheidsclaims voor botanische substanties niet in deze lijsten zijn opgenomen, is artikel 10 van verordening nr. 1924/2006 van toepassing en zijn deze claims in principe verboden.
39.
Deze uitlegging wordt ondersteund door de doelstellingen van verordening nr. 1924/2006. Zoals het Hof heeft opgemerkt, is het doel van de verordening, zoals vastgesteld in artikel 1, lid 1, ervan, de goede werking van de interne markt te waarborgen en tevens een hoog niveau van consumentenbescherming te verwezenlijken. In dit opzicht is de bescherming van de gezondheid een van de hoofddoelen van deze verordening en daartoe moeten consumenten de nodige informatie krijgen om weloverwogen keuzen te kunnen maken. In deze context wordt in overweging 16 van deze verordening vermeld dat het belangrijk is dat claims met betrekking tot levensmiddelen begrijpelijk zijn en dat alle consumenten tegen misleidende claims moeten worden beschermd, waarbij wordt gepreciseerd dat de verordening als beoordelingscriterium onder meer de gemiddelde, redelijk goed geïnformeerde, redelijk oplettende en voorzichtige consument neemt, rekening houdend met sociale, culturele en taalkundige factoren.37.
40.
In het algemeen kan de consument, gelet op het positieve imago dat wordt verleend aan levensmiddelen waarvoor gezondheidsclaims worden gedaan, worden beïnvloed in zijn consumptiekeuze, zodat het gebruik van deze claims strikt moet worden gereglementeerd, met name door ze te baseren op en te motiveren aan de hand van algemeen aanvaard wetenschappelijk bewijs, zoals vastgesteld in artikel 6, lid 1, van verordening nr. 1924/2006. Deze vaststelling lijkt met name te gelden voor claims voor botanische substanties, voor zover in de hoofden van de consumenten een verband kan worden gelegd tussen de plantaardige oorsprong van een levensmiddel en het feit dat het product goed is voor hun gezondheid.
41.
Volgens de rechtspraak van het Hof houdt het gebruik van de uitdrukking ‘algemeen aanvaard wetenschappelijk bewijs’ in dat een dergelijk bewijs niet beperkt mag blijven tot overtuigingen, geruchten afkomstig uit de volkswijsheid of de waarnemingen of ervaringen van personen die niet tot de wetenschappelijke gemeenschap behoren. Integendeel, het gebruik van een dergelijke uitdrukking impliceert dat gezondheidsclaims gebaseerd moeten zijn op objectief en wetenschappelijk bewijs en dat met name over de voordelen van de stoffen waarop deze gezondheidsclaims betrekking hebben, zoals vermeld in overweging 14 van verordening nr. 1924/2006, voldoende wetenschappelijke overeenstemming moet bestaan. Bovendien, zo voegt het Hof daaraan toe, moeten gezondheidsclaims, zoals overweging 17 van deze verordening vereist, ‘wetenschappelijk [worden onderbouwd] […] door rekening te houden met alle beschikbare wetenschappelijke gegevens en door de bewijzen te wegen’.38. Het standpunt dat artikel 10, leden 1 en 3, van de verordening niet van toepassing is op gezondheidsclaims voor botanische substanties, zou erop neerkomen dat het gebruik wordt toegestaan van claims die niet wetenschappelijk zijn bewezen en die consumenten kunnen misleiden en hun gezondheid in gevaar kunnen brengen.
42.
In haar schriftelijke opmerkingen voert Novel Nutriology aan dat het verbod voor exploitanten van levensmiddelenbedrijven om gezondheidsclaims voor botanische substanties te gebruiken een onevenredige inbreuk vormt op hun grondrechten, met name op de vrijheid van ondernemerschap en de vrijheid van meningsuiting, die respectievelijk zijn verankerd in de artikelen 16 en 11 van het Handvest. In dit verband moet eraan worden herinnerd dat volgens vaste rechtspraak van het Hof de grondrechten geen absolute gelding hebben, maar beperkingen kunnen bevatten, mits deze werkelijk beantwoorden aan de doeleinden van algemeen belang die met de betrokken maatregel worden nagestreefd, en, het nagestreefde doel in aanmerking genomen, niet zijn te beschouwen als een onevenredige en onduldbare ingreep, waardoor de gewaarborgde rechten in hun kern worden aangetast.39.
43.
Artikel 16 van het Handvest voorziet in bescherming van de vrijheid om een economische activiteit of een handelsactiviteit uit te oefenen, de vrijheid voor een onderneming om, binnen de grenzen van haar aansprakelijkheid voor haar eigen handelingen, de haar ter beschikking staande economische, technische en financiële middelen te gebruiken, alsmede de contractvrijheid.40. Het is echter belangrijk om te benadrukken dat exploitanten van levensmiddelenbedrijven die botanische substanties in de handel brengen, niet worden beroofd van hun vrijheid om een handelsactiviteit uit te oefenen en hun producten prima kunnen blijven verkopen. Verordening nr. 1924/2006 voorziet niet in een verbod op het in de handel brengen van botanische substanties, maar alleen in een verbod op reclame waarin gezondheidsclaims worden gebruikt die, bij gebreke van onderzoek door de Commissie, niet wetenschappelijk bewezen zijn. In die omstandigheden wordt de vrijheid van ondernemerschap niet in haar kern aangetast.
44.
De vrijheid van meningsuiting omvat, in de zin van artikel 11 van het Handvest, de vrijheid een mening te hebben en de vrijheid kennis te nemen en te geven van informatie of ideeën, zonder inmenging van enig openbaar gezag en ongeacht grenzen.41. Nogmaals, hoewel een exploitant van een levensmiddelenbedrijf die botanische substanties in de handel brengt geen gezondheidsclaims in de zin van verordening nr. 1924/2006 mag gebruiken die nog niet door EFSA zijn beoordeeld en door de Commissie zijn onderzocht, wordt hem niet het recht ontnomen om met andere middelen dan dergelijke claims reclame te maken voor zijn producten. Bovendien moet eraan worden herinnerd dat volgens artikel 35 van het Handvest bij de bepaling en de uitvoering van het beleid en het optreden van de Unie een hoog niveau van bescherming van de menselijke gezondheid wordt verzekerd, en dat volgens artikel 38 van het Handvest in het beleid van de Unie zorg wordt gedragen voor een hoog niveau van consumentenbescherming. Bijgevolg lijkt de toepassing van artikel 10, leden 1 en 3, van verordening nr. 1924/2006 op gezondheidsclaims voor botanische substanties een juist evenwicht te verzekeren tussen de met elkaar in overeenstemming te brengen grondrechten.
45.
Verordening nr. 1924/2006 voorziet overigens niet in een volledig en absoluut verbod op het gebruik van gezondheidsclaims met betrekking tot botanische substanties. Aangezien de Commissie nog geen standpunt heeft ingenomen over de aanvragen tot opneming van de aan de orde zijnde gezondheidsclaims in de in artikel 13 van verordening nr. 1924/2006 bedoelde lijst, vallen deze claims volgens de rechtspraak van het Hof onder de overgangsregeling van artikel 28, leden 5 en 6, van deze verordening42., waardoor transparantie en rechtszekerheid voor alle belanghebbenden kunnen worden gewaarborgd. Dit lid 5 verwijst naar de gezondheidsclaims als bedoeld in artikel 13, lid 1, onder a), van de verordening, namelijk gezondheidsclaims die de rol van een nutriënt of andere stof bij de groei en ontwikkeling en de functies van het lichaam beschrijven of vermelden. Lid 6 van dit artikel 28 heeft met name betrekking op de in artikel 13, lid 1, onder b), van de verordening bedoelde claims, die betrekking hebben op psychologische functies of gedragsfuncties.
46.
In casu blijkt uit de verwijzingsbeslissing dat de verwijzende rechter de voorkeur geeft aan de uitlegging dat de functies waarvoor met de aan de orde zijnde claims reclame wordt gemaakt psychologische functies zijn in de zin van artikel 13, lid 1, onder b), van verordening nr. 1924/2006, en geen functies van het lichaam in de zin van artikel 13, lid 1, onder a), op grond dat alle functies die aan bod komen in de reclame gemeen hebben dat zij betrekking hebben op gevoelens. Het staat aan deze rechter om dit definitief te beoordelen met het oog op de beslissing in het hoofdgeding.
47.
Indien deze rechter na deze definitieve beoordeling van mening is dat de aan de orde zijnde claims uiteindelijk onder artikel 28, lid 5, van verordening nr. 1924/2006 vallen, wijs ik erop dat de gezondheidsclaims als bedoeld in artikel 13, lid 1, onder a), van die verordening krachtens die bepaling mogen worden gedaan vanaf de datum van inwerkingtreding van die verordening tot de aanneming van de in artikel 13, lid 3, van die verordening bedoelde lijst, onder de verantwoordelijkheid van de exploitanten van levensmiddelenbedrijven, mits zij stroken met verordening nr. 1924/2006 en de toepasselijke nationale bepalingen, en onverminderd de aanneming van de in artikel 24 bedoelde vrijwaringsmaatregelen. Uit de bewoordingen van artikel 28, lid 5, van die verordening volgt derhalve dat een exploitant van een levensmiddelenbedrijf onder zijn verantwoordelijkheid en onder de vastgestelde voorwaarden gezondheidsclaims kon gebruiken in de periode tussen de inwerkingtreding van die verordening en de vaststelling van de in artikel 13 van verordening nr. 1924/2006 bedoelde lijst.43. Bijgevolg worden in het kader van de overgangsregeling van artikel 28, lid 5, van de verordening de bewijslast en het vereiste bewijsniveau inzake de in artikel 13, lid 1, onder a), van die verordening bedoelde gezondheidsclaims geregeld, waarbij de verordening vereist dat de betrokken exploitant van een levensmiddelenbedrijf de door hem gebruikte claims met algemeen aanvaard wetenschappelijk bewijs kan onderbouwen, en waarbij dergelijke claims moeten zijn gebaseerd op objectief bewijs waarover voldoende wetenschappelijke overeenstemming bestaat.44. Als aan deze voorwaarden wordt voldaan, mag een exploitant gezondheidsclaims voor botanische substanties blijven gebruiken zolang de in artikel 13 van verordening nr. 1924/2006 bedoelde lijst voor deze substanties niet is vastgesteld.45.
48.
Artikel 28, lid 6, van verordening nr. 1924/2006 betreft claims die vóór de datum van inwerkingtreding van de verordening in overeenstemming met nationale bepalingen zijn gebruikt. Aangezien de verwijzingsbeslissing geen informatie over dit gebruik bevat, staat het aan de nationale rechter om te bepalen of in casu aan deze voorwaarde is voldaan.
49.
Indien dat het geval is, volgt uit artikel 28, lid 6, onder a), van verordening nr. 1924/2006 dat indien de gezondheidsclaims in een lidstaat zijn beoordeeld en toegestaan en die lidstaat deze claims uiterlijk op 31 januari 2008 aan de Commissie heeft doen toekomen46., de claims waarvoor de Commissie volgens de aangegeven procedure geen vergunning heeft verleend (wat het geval is voor claims voor botanische substanties) nog gedurende een periode van zes maanden na de vaststelling van het besluit van de Commissie mogen worden gebruikt. Voor zover lid 6, anders dan lid 5 van dat artikel 28, geen melding maakt van de voorwaarde dat de claims ‘stroken met […] verordening [nr. 1924/2006]’, ben ik net als de Commissie van mening dat het verdere gebruik van een gezondheidsclaim voor botanische substanties uitsluitend onder het nationale recht valt. Gezondheidsclaims die niet in een lidstaat zijn beoordeeld en toegestaan, kunnen krachtens artikel 28, lid 6, onder b), van deze verordening verder worden gebruikt, mits vóór 19 januari 2008 overeenkomstig de verordening een aanvraag is ingediend, en gezondheidsclaims die niet worden toegestaan op grond van deze procedure kunnen verder worden gebruikt tot uiterlijk zes maanden nadat overeenkomstig artikel 17, lid 3, van de verordening een besluit is genomen.
50.
Uit de verwijzingsbeslissing blijkt dat in het hoofdgeding de gezondheidsclaims met betrekking tot het bestanddeel ‘meloensapextract’ niet aan de Commissie zijn meegedeeld in de zin van artikel 28, lid 6, onder a), van verordening nr. 1924/2006, en dat vóór 19 januari 2008 dienaangaande geen aanvraag krachtens artikel 28, lid 6, onder b), van deze verordening is ingediend.47. Onder voorbehoud van verificatie door de verwijzende rechter lijken deze claims op het eerste gezicht dan ook niet te voldoen aan de voorwaarden voor voortgezet gebruik van artikel 28, lid 6, van deze verordening.
51.
Wat de gezondheidsclaims voor het bestanddeel ‘saffraanextract’ betreft, blijkt ook uit de verwijzingsbeslissing dat deze niet het voorwerp lijken te zijn geweest van een mededeling aan de Commissie in de zin van artikel 28, lid 6, onder a), van verordening nr. 1924/2006, en dat een aanvraag krachtens artikel 28, lid 6, onder b), van deze verordening is ingediend op 13 januari 200948., d.w.z. na de in die bepaling voor voortgezet gebruik van die claims vastgestelde termijn.
52.
53.
Gelet op al het voorgaande ben ik van mening dat verordening nr. 1924/2006 aldus moet worden uitgelegd dat zij zich verzet tegen het toestaan van reclame voor ‘botanische substanties’ waarbij specifieke gezondheidsclaims in de zin van artikel 10, lid 1, van deze verordening worden gebruikt, of waarbij wordt verwezen naar de algemene, niet-specifieke voordelen van een nutriënt of een levensmiddel voor de algemene gezondheid of voor het welzijn op het gebied van gezondheid in de zin van artikel 10, lid 3, van deze verordening, zonder dat deze specifieke gezondheidsclaims zijn opgenomen in de lijsten van toegestane gezondheidsclaims als bedoeld in de artikelen 13 en 14 van deze verordening of zonder dat deze verwijzing gepaard gaat met een specifieke gezondheidsclaim die in die lijsten is opgenomen, zolang de Commissie haar onderzoek met betrekking tot de opname in die lijsten van gezondheidsclaims voor botanische substanties niet heeft afgerond, behalve indien deze claims bij wijze van overgangsmaatregel verder mogen worden gebruikt en mits is voldaan aan de voorwaarden van artikel 28, lid 5 of lid 6, van die verordening.
V. Conclusie
54.
Gelet op het voorgaande geef ik het Hof in overweging de prejudiciële vraag van het Bundesgerichtshof te beantwoorden als volgt:
‘Verordening (EG) nr. 1924/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 20 december 2006 inzake voedings- en gezondheidsclaims voor levensmiddelen, zoals gewijzigd bij verordening (EU) nr. 109/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 15 januari 2008,
moet aldus worden uitgelegd dat
zij zich verzet tegen het toestaan van reclame voor ‘botanische substanties’ waarbij specifieke gezondheidsclaims in de zin van artikel 10, lid 1, van deze verordening worden gebruikt, of waarbij wordt verwezen naar de algemene, niet-specifieke voordelen van een nutriënt of een levensmiddel voor de algemene gezondheid of voor het welzijn op het gebied van gezondheid in de zin van artikel 10, lid 3, van deze verordening, zonder dat deze specifieke gezondheidsclaims zijn opgenomen in de lijsten van toegestane gezondheidsclaims als bedoeld in de artikelen 13 en 14 van deze verordening of zonder dat deze verwijzing gepaard gaat met een specifieke gezondheidsclaim die in die lijsten is opgenomen, zolang de Commissie haar onderzoek met betrekking tot de opname in die lijsten van gezondheidsclaims voor botanische substanties niet heeft afgerond, behalve indien deze claims bij wijze van overgangsmaatregel verder mogen worden gebruikt en mits is voldaan aan de voorwaarden van artikel 28, lid 5 of lid 6, van die verordening.’
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 17‑10‑2024
Oorspronkelijke taal: Frans.
Verordening van het Europees Parlement en de Raad van 20 december 2006 (PB 2006, L 404, blz. 9, met rectificatie in PB 2007, L 12, blz. 3), zoals gewijzigd bij verordening (EU) nr. 109/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 15 januari 2008 (PB 2008, L 39, blz. 14) (hierna: ‘verordening nr. 1924/2006’).
Richtlijn van de Raad van 10 september 1984 inzake misleidende reclame (PB 1984, L 250, blz. 17).
Richtlijn van het Europees Parlement en de Raad van 10 juni 2002 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten inzake voedingssupplementen (PB 2002, L 183, blz. 51).
Richtlijn van het Europees Parlement en de Raad van 20 maart 2000 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgeving der lidstaten inzake de etikettering en presentatie van levensmiddelen alsmede inzake de daarvoor gemaakte reclame (PB 2000, L 109, blz. 29).
Verordening van de Commissie van 16 mei 2012 tot vaststelling van een lijst van toegestane gezondheidsclaims voor levensmiddelen die niet over ziekterisicobeperking en de ontwikkeling en gezondheid van kinderen gaan (PB 2012, L 136, blz. 1).
Verordening van de Commissie van 11 juni 2013 tot wijziging van verordening (EU) nr. 432/2012 tot vaststelling van een lijst van toegestane gezondheidsclaims voor levensmiddelen die niet over ziekterisicobeperking en de ontwikkeling en gezondheid van kinderen gaan (PB 2013, L 160, blz. 4).
PB 2001, L 311, blz. 67.
BGBl. 2004 I, blz. 1414.
Het VSW heeft ook terugbetaling gevorderd van de forfaitaire aanmaningskosten van 178,50 EUR, vermeerderd met rente.
Artikel 14 van verordening nr. 1924/2006 betreft claims inzake ziekterisicobeperking en claims die verband houden met de ontwikkeling en de gezondheid van kinderen. Dit artikel lijkt niet relevant te zijn in de context van het hoofdgeding, aangezien de zaak geen betrekking heeft op de ontwikkeling en de gezondheid van kinderen.
De verwijzende rechter verwijst in dit verband naar een arrest van het Oberlandesgericht Karlsruhe (hoogste rechterlijke instantie van de deelstaat Baden-Württemberg, Karlsruhe, Duitsland) van 27 februari 2019 in zaak nr. 6 U 87/18.
De verwijzende rechter verwijst in dit verband onder meer naar een uitspraak van het Oberlandesgericht Celle (hoogste rechterlijke instantie van de deelstaat Nedersaksen, Celle, Duitsland) van 28 oktober 2020 in zaak nr. 13 U 44/20.
In dit verband verwijst de verwijzende rechter onder meer naar een beslissing van de Bundesrat (Bondsraad, Duitsland) van 12 februari 2021, BR-Drs. 36/21.
Ik wil graag hulde brengen aan rechter Marko Ilešič, die de rechter-rapporteur was in de onderhavige zaak en die aanwezig was tijdens die terechtzitting, de laatste voor zijn plotselinge en voortijdige overlijden.
Zoals advocaat-generaal Wathelet in zijn conclusie in de zaak Ehrmann (C-609/12, EU:C:2013:746, punt 87) heeft opgemerkt, stelt artikel 10, lid 1, van verordening nr. 1924/2006 een reeks voorwaarden vast die, aangezien niets in die bepaling op het tegendeel wijst, cumulatief en even belangrijk lijken te zijn.
Zie arrest van 30 januari 2020, Dr. Willmar Schwabe (C-524/18, EU:C:2020:60, punt 37; hierna: ‘arrest Dr. Willmar Schwabe’).
Zie arrest Dr. Willmar Schwabe (punt 38).
Zie arrest Dr. Willmar Schwabe (punten 56 en 57).
Zie arrest Dr. Willmar Schwabe (punt 58).
Zie arrest van 10 april 2014, Ehrmann (C-609/12, EU:C:2014:252, punt 31; hierna: ‘arrest Ehrmann’).
Zie arrest van 23 november 2017, Bionorica en Diapharm/Commissie (C-596/15 P en C-597/15 P, EU:C:2017:886, punt 87; hierna: ‘arrest Bionorica’).
Zie arrest Bionorica (punt 88).
Zie arrest Bionorica (punt 89).
Zie arrest Bionorica (punt 91 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Zie arrest Ehrmann (punt 39).
Zie arrest Ehrmann (punt 42).
Zie arrest Ehrmann (punt 43).
In artikel 2, onder a), van deze richtlijn worden ‘voedingssupplementen’ omschreven als ‘als aanvulling op de normale voeding bedoelde voedingsmiddelen die een geconcentreerde bron van een of meer nutriënten of andere stoffen met een nutritioneel of fysiologisch effect vormen en in voorgedoseerde vorm op de markt worden gebracht, namelijk als capsules, pastilles, tabletten, pillen, en soortgelijke vormen, zakjes poeder, ampullen met vloeistof, druppelflacons, en soortgelijke vormen van vloeistoffen en poeders bedoeld voor inname in afgemeten kleine eenheidshoeveelheden’.
Zie arrest Bionorica (met name de punten 56 en 57). Zie eveneens arrest van 10 september 2020, Konsumentombudsmannen (C-363/19, EU:C:2020:693, met name punt 37; hierna: ‘arrest Konsumentombudsmannen’).
Meer precies wordt in overweging 4 van verordening nr. 536/2013 uitdrukkelijk verwezen naar ‘planten- of kruidensubstanties, die bekendstaan als ‘botanische substanties’’.
In het arrest Bionorica heeft het Hof geoordeeld dat de door Bionorica en Diapharm ingestelde beroepen wegens nalatigheid moesten worden verworpen wegens gebrek aan procesbelang.
Zie de punten 20 en 21 van deze conclusie.
Zie punt 22 van deze conclusie.
Zie in die zin arrest Ehrmann (punt 26). Zoals de Italiaanse regering in haar schriftelijke opmerkingen heeft opgemerkt, maakt artikel 10 van verordening nr. 1924/2006 geen onderscheid tussen de verschillende oorzaken van de niet-opneming in de in de artikelen 13 en 14 van die verordening bedoelde lijsten, namelijk bijvoorbeeld of die niet-opneming voortvloeit uit het onderzoek van een claim door de Commissie na een wetenschappelijk onderzoek, dan wel of deze instelling nog geen onderzoek heeft uitgevoerd naar een algemene categorie van claims, zoals in het geval van botanische substanties.
Zie in die zin Dr. Willmar Schwabe (punt 35 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Zie arrest Konsumentombudsmannen (punten 46 en 47).
Zie arrest van 13 juni 2024, C (Bewindvoerders en curatoren) (C-696/22, EU:C:2024:499, punt 111 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Zie arrest van 27 juni 2024, Gestore dei Servizi Energetici (C-148/23, EU:C:2024:555, punt 62 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Zie arrest van 12 januari 2023, Migracijos departamentas (Vervolgingsgronden op basis van politieke overtuiging) (C-280/21, EU:C:2023:13, punt 29 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Zie in die zin arrest Konsumentombudsmannen (punt 40 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Zie ook overweging 11 van verordening nr. 432/2012 en overweging 9 van verordening nr. 536/2013.
Zie arrest Ehrmann (punt 33).
Zie arrest Konsumentombudsmannen (punt 54).
Ik merk op dat Novel Nutriology in haar schriftelijke opmerkingen verwijst naar het arrest Bionorica (punt 96), volgens hetwelk zelfs de afwijzing van een gezondheidsclaim een marktdeelnemer die van plan is toe te treden tot de markt voor levensmiddelen of voedingssupplementen, een voordeel kan verschaffen in termen van rechtszekerheid, aangezien een eenduidige vaststelling van de juridische status van de gezondheidsclaims waarvan de beoordeling tot nu toe is opgeschort, die marktdeelnemer de mogelijkheid biedt om zijn marktstrategie aan te passen. Novel Nutriology voegt hieraan toe dat artikel 28, lid 5, van verordening nr. 1924/2006 in dit verband een passende oplossing biedt.
Ter illustratie heeft de Griekse regering tijdens de terechtzitting verklaard dat de Helleense Republiek vóór 31 januari 2008 drie gezondheidsclaims betreffende Chios mastiek bij de Commissie had ingediend, die in de EFSA-databank zijn opgenomen als ‘on hold’.
In dit verband moet worden opgemerkt, zoals alle deelnemers aan de terechtzitting hebben gedaan, dat de uiterste data van 19 en 31 januari 2008 waarnaar in artikel 28, lid 6, van verordening nr. 1924/2006 wordt verwezen, niet louter indicatieve data zijn die verband houden met het feitelijke begin van de evaluatie van gezondheidsclaims voor botanische substanties, maar data met een bindend karakter.
In dit verband hebben de Italiaanse regering en de Commissie met betrekking tot saffraan in hun schriftelijke opmerkingen aangegeven dat onder identificatienummer 2038 een gezondheidsclaim met betrekking tot ‘Crocus Sativus L.’, namelijk ‘Contributes to emotional balance; Helps to support the relaxation; Helps to maintain a positive mood’, nog moet worden beoordeeld, onder verwijzing naar een tabel van EFSA (alleen beschikbaar in het Engels), gepresenteerd in de vorm van een excel-tabel en getiteld ‘Questions-on-hold-botanical-claims’, beschikbaar op het volgende adres: https://www.efsa.europa.eu/en/topics/topic/general-function-health-claims-under-article-13. Zoals de verwijzende rechter opmerkt, kan de vraag of de betrokken claims overeenstemmen met deze gezondheidsclaim in dit stadium van het hoofdgeding onbeantwoord blijven. Hoe dan ook behoort een dergelijke beoordeling tot de uitsluitende bevoegdheid van de verwijzende rechter.