Het algemene opschortingsrecht
Einde inhoudsopgave
Het algemene opschortingsrecht (R&P nr. CA27) 2024/5.1:5.1 Inleiding
Het algemene opschortingsrecht (R&P nr. CA27) 2024/5.1
5.1 Inleiding
Documentgegevens:
G.J. Boeve, datum 01-02-2024
- Datum
01-02-2024
- Auteur
G.J. Boeve
- JCDI
JCDI:ADS950388:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Met een beroep op het algemene opschortingsrecht beoogt een schuldenaar zijn wederpartij onder meer tot nakoming van zijn vordering te bewegen.1 Om dit doel te kunnen bereiken, zal de wederpartij wel bekend moeten zijn met een beroep op het opschortingsrecht en de reden waarom de schuldenaar zich daarop beroept. Vanwege de rechtsgevolgen van een beroep op opschorting is de kenbaarheid van dat beroep ook van belang voor de wederpartij zelf.2 Een opschortingsbevoegdheid leidt immers tot niet-opeisbaarheid van de verbintenis en mogelijk tot schuldeisersverzuim, terwijl een ongegrond beroep op een opschortingsrecht zonder nadere ingebrekestelling leidt tot verzuim van de schuldenaar, zodat de wederpartij naast nakoming eventueel tevens schadevergoeding en ontbinding kan vorderen.3 Over het algemeen wordt dan ook aangenomen dat de uitoefening van een in beginsel gerechtvaardigde opschorting naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is als de wederpartij niet bekend is met de opschorting en de grond waarop die opschorting plaatsvindt (§ 5.3). De schuldenaar kan daarom gehouden zijn mede te delen dat en waarom hij de nakoming van zijn verbintenis uitstelt. Deze mededelingsplicht wordt wel gegrond op de aanvullende werking van de maatstaven van redelijkheid en billijkheid (§ 5.4). Dat gaat er mijns inziens ten onrechte aan voorbij dat de uitoefening van een opschortingsrecht een rechtshandeling is, waarvoor vereist is dat een op een rechtsgevolg gerichte wil zich door een verklaring heeft geopenbaard en deze verklaring de wederpartij heeft bereikt. Op grond daarvan is de schuldenaar steeds verplicht zijn wederpartij mede te delen dat hij de nakoming van zijn verbintenis uitstelt. Tevens kan de schuldenaar gehouden zijn nadere mededelingen te doen over de redenen van dit uitstel (§ 5.2). Hoewel de grondslag van deze mededelingsplicht een andere is, is de slotsom voor die gevallen waarin ook op basis van de werking van de maatstaven van redelijkheid en billijkheid een mededelingsplicht wordt aangenomen, niet of nauwelijks verschillend: de rechtsgevolgen van het algemene opschortingsrecht treden niet in. Het grondslagverschil kan wel van invloed zijn op de verdeling van stelplicht en bewijslast (§ 5.4). Dit hoofdstuk rondt af met een samenvatting en conclusie (§ 5.5).