Einde inhoudsopgave
Redelijkheid en billijkheid als gedragsnorm (R&P nr. CA6) 2012/3.3.2
3.3.2 De Haviltex-norm
mr. P.S. Bakker, datum 01-12-2012
- Datum
01-12-2012
- Auteur
mr. P.S. Bakker
- JCDI
JCDI:ADS586125:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Vermogensrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie bijv. Eggens 1951, p. 264 voor wat betreft het voor uitleg van testamenten met art. 1378 (oud) BW corresponderende art. 932 (oud) BW. Zie ook Pitlo 1964, p. 199.
Nader hierover: Lankhorst 1988, p. 12-18.
HR 13 maart 1981, NJ 1981, 635 (m. nt. C.J.H. Brunner).
Nadat zulks eerder al in de literatuur was geschied, zie bijv. Pitlo 1964, p. 199 e.v. en Eggens 1951, p. 257-279. Zie ook Asser-Rutten 4-11(5' druk), p. 209, waarin wordt gewezen op eerdere rechtspraak van de Hoge Raad, waarin is overwogen dat het criterium voor het duidelijk zijn van de overeenkomst niet uitsluitend gelegen is in de taalkundige betekenis van de gebruikte bewoordingen. Zie ook Veenstra 2009, p. 62.
Zie bijv. De Vries 2009, p. 9, Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-BI* 2010, nr. 364, Drion/Van Wechem 2008, p. 934 en Hijma/Olthof 2008, p. 348.
Daarmee staat de Haviltex-maatstaf dicht bij de leer van de geobjectiveerde gemeenschappelijke partijbedoeling, zoals deze in België wordt gehanteerd. Zie hierover nader Smits 2005, p. 3. Vgl. voorts Van der Heijden 1933, p. 11.
Vgl. Van der Werf 1982, p. 62 en Valk 1994, p. 112. Een andere opvatting lijkt Tjittes (Tjittes 2009, p. 14) te huldigen, waar deze opmerkt dat het bij de Haviltex-maatstaf 'gaat om de gerechtvaardigde verwachtingen van de desbetreffende contractspartijen (cursivering in tekst) en niet van redelijke personen (in dezelfde omstandigheden als partijen of in het algemeen).' Door aldus de verwachtingen van de contractspartijen en die van redelijke mensen tegenover elkaar te plaatsen, lijkt Tjittes voorbij te zien aan de uit art. 6:2 lid 1 BW voortvloeiende, voortdurende gehoudenheid van contractspartijen om zich als redelijke mensen te gedragen. Op deze gehoudenheid mogen partijen ook bij de uitleg van het overeengekomene ten volle worden afgerekend. Zie over deze gehoudenheid ook de hierna in noot 278 genoemde literatuur. Vgl. voorts HR 19 oktober 2007, NI 2007, 565 (Vodafone/ETC) en Van der Heijden 1933, t.a.p.
Zie o.m. Grosheide 2000, p. 100 e.v. en Snijder-Kuipers 2010, p. 172.
Dit leerde reeds P. Scholten; zie Scholten 1909, p. 310. Zie in dezelfde zin nadien o.m. Eggen 1951, p. 257-279, Bregstein 1951, p. 250 en Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-BI* 2010, nr. 370371 met verwijzing naar verdere literatuur en jurisprudentie.
Fish 1980, p. 284.
Vgl. De Vooys 1925, p. 410. De Vooys merkt in zijn artikel 'Vaktaal en volkstaal' op:
Als geciteerd in Nerlich/Clarke 1996, p. 244.
Zie hierover ook Noordegraaf 2006, p. 205-216. Zie in dezelfde zin Nieuwenhuis 2007, p. 380. Vgl. voorts Janssen 2006, p. 13, waar deze opmerkt dat de voor een taaluiting vereiste mate van specificiteit afhankelijk is van de mate waarin spreker en toegesprokene een gedeeld referentiekader hebben.
Uitleg geschiedde vóór invoering van het nieuwe Burgerlijk Wetboek lange tijd met inachtneming van een aantal in de artt. 1378-1387 (oud) BW neergelegde bepalingen voor de uitleg van contracten. Veranderde inzichten over belang en functie van de goede trouw in het verbintenissenrecht en de moeizame, soms innerlijk tegenstrijdige1 formulering van deze artikelen leidden er echter toe dat deze artikelen in de loop der tijd van regels veranderden in min of meer vrijelijk door de rechter te hanteren gezichtspunten.2 De culminatie van deze ontwikkelingen vormde in 1981 het Haviltex arrest.3 In dat inmiddels klassieke uitlegarrest nam de Hoge Raad afstand van de op art. 1378 (oud) BW steunende gedachte dat aan de hand van enkel een taalkundige uitleg van de in een overeenkomst gebruikte bewoordingen zou kunnen worden vastgesteld of deze bewoordingen duidelijk zijn respectievelijk of het overeengekomene een leemte laat die aanvulling behoeft.4 De kernoverweging van dit arrest, dat tot op de huidige dag door velen maatgevend5 wordt geacht voor de uitleg van overeenkomsten, is intussen overbekend en luidt als volgt:
"De vraag hoe in een schriftelijk contract de verhouding van pp. is geregeld en of dit contract een leemte laat die moet worden aangevuld, kan niet worden beantwoord op grond van alleen maar een zuiver taalkundige uitleg van de bepalingen van dat contract. Voor de beantwoording van die vraag komt het immers aan op de zin die pp. in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan deze bepalingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Daarbij kan mede van belang zijn tot welke maatschappelijke kringen pp. behoren en welke rechtskennis van zodanige pp. kan worden verwacht."
Ergo: niet de bewoordingen sec, maar de in de gegeven omstandigheden redelijke verwachtingen en in redelijkheid aan die bewoordingen gegeven betekenissen zijn voor de uitleg van het overeengekomene bepalend. De dubbele verwijzing naar de redelijkheid in de hierboven geciteerde overweging wijst op het sterk objectiverende element in de Haviltex-maatstaf: het komt niet aan op de feitelijke vraag hoe partijen het overeengekomene hebben opgevat, maar op de normatieve vraag hoe partijen in de gegeven omstandigheden het overeengekomene over en weer in redelijkheid behoorden op te vatten.6 Subjectief is de Haviltex-maatstaf slechts in die zin dat dit behoren wordt afgemeten aan wat van deze partijen in deze omstandigheden mocht worden verwacht.7
Wat de Haviltex-formule door haar verwijzing naar de omstandigheden van het geval tevens duidelijk maakt is dat (in tegenstelling tot wat soms lijkt te worden gedacht)8 woorden op zichzelf nooit duidelijk zijn en steeds (redelijke) uitleg behoeven.9 Stanley Fish zegt over dit fenomeen:
"A sentence is never not in a context. We are never not in a situation. A statute is never not read in the light of some purpose. A set of interpretative assumptions is always in force. A sentence that seems to need no interpretation is already the product of one."10
Anders gezegd: uitleg is een onontkoombare schakel in het proces om tot begrip van willekeurig welke tekst te komen. Bij die uitleg spelen de omstandigheden van het geval steeds een rol. De noodzaak om steeds de context te betrekken bij de uitleg van taaluitingen heeft alles te maken met de vaagheid of meerduidigheid die nu eenmaal intrinsiek met taal verbonden is.11 Deze eigenschap van taal vormt evenwel geen beletsel voor zinvolle communicatie, zolang tijdens het interpreteren van de taalhandeling maar op bedoelde context acht wordt geslagen, aldus onder meer de befaamde taalkundige Michel Bréal:
"One fact which dominates the whole subject is that by a necessity, the reasons for which will appear, our languages are condemned to a perpetual lack of proportion between the word and the thing. Expression is sometimes too wide, sometimes too narrow. We do not notice this want of accuracy because for the speaker, expression adapts itself to the thing through the circumstances, the place, the moment and the obvious intention of discourse. At the same time, the attention of the hearer, who counts for half in all language, goes straight to the thought behind the word, without dwelling on its literal bearing, and so restricts or extends it according to the intention of the speaker. (...)•12
Vanwege genoemde "want of accuracy" behoeven woorden, kortom, steeds interpretatie aan de hand van de context waarin die woorden worden gebruikt.13 De Haviltexformule sluit bij dit inzicht aan door met de woorden "in de gegeven omstandigheden" de contextualiteit van het uitlegproces te benadrukken.