Einde inhoudsopgave
Parallelle procedures en misbruik van procesrecht onder de EEX-Verordening II (BPP nr. XVI) 2015/18
18 Drie gevaltypen ‘misbruik van bevoegdheid’
mr. J.F. Vlek, datum 30-10-2014
- Datum
30-10-2014
- Auteur
mr. J.F. Vlek
- JCDI
JCDI:ADS505218:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht / Europees burgerlijk procesrecht
Internationaal privaatrecht / Internationaal bevoegdheidsrecht
Voetnoten
Voetnoten
Parl. Gesch. Boek 3 (Inv. 3, 5 en 6), p. 1048-1049.
Parl. Gesch. Boek 3 (Inv. 3, 5 en 6), p. 1046. Zie voor kritiek op het derde lid van art. 3:13 BW: Rodenburg 1985, p. 25, die twijfelt of het derde lid wel strikt noodzakelijk is.
Van der Wiel 2004, p. 90.
Zie V.C.A. Lindijer, De goede procesorde. Een onderzoek naar de betekenis van de goede procesorde als normatief begrip in het burgerlijk procesrecht (Diss RUG), Deventer: Kluwer 2006, p. 557; Van der Wiel 2004, p. 90-91; Rodenburg 1985, p. 25.
Art. 3:13 BW bepaalt:
Degene aan wie een bevoegdheid toekomt, kan haar niet inroepen, voor zover hij haar misbruikt.
Een bevoegdheid kan onder meer worden misbruikt door haar uit te oefenen met geen ander doel dan een ander te schaden of met een ander doel dan waarvoor zij is verleend of in geval men, in aanmerking nemende de onevenredigheid tussen het belang bij de uitoefening en het belang dat daardoor wordt geschaad, naar redelijkheid niet tot die uitoefening had kunnen komen.
Uit de aard van een bevoegdheid kan voortvloeien dat zij niet kan worden misbruikt.
De wetgever onderscheidt in art. 3:13 lid 2 BW drie gevaltypen ‘misbruik van bevoegdheid’ die zich voor zouden kunnen doen. In de eerste plaats kan een bevoegdheid worden misbruikt door haar uit te oefenen met geen ander doel dan een ander te schaden. Ten tweede kan een bevoegdheid worden misbruikt indien zij wordt gebruikt met een ander doel dan waarvoor zij is verleend en tot slot kan een bevoegdheid worden misbruikt indien, in aanmerking nemende de onevenredigheid tussen het belang bij de uitoefening van de bevoegdheid en het belang dat daardoor wordt geschaad, in redelijkheid niet tot de uitoefening had kunnen worden gekomen. De flexibele aard van de rechtsfiguur ‘misbruik van bevoegdheid’ brengt mee dat deze opsomming uitdrukkelijk niet limitatief is bedoeld.1 Met de keuze om in art. 3:13 BW lid 2 de woorden ‘onder meer’ op te nemen heeft de wetgever in de eerste plaats uitdrukking gegeven aan het algemene en open karakter van de norm. De rechtsontwikkeling krijgt vrij baan om het leerstuk nader in te vullen. Het derde lid van art. 3:13 BW bepaalt dat uit de aard van de bevoegdheid kan voortvloeien dat deze niet kan worden misbruikt. Deze wat theoretische toevoeging ziet op bevoegdheden waarvan het gebruik geheel is overgelaten aan het oordeel van hem aan wie zij toekomen en die derhalve niet kunnen worden misbruikt (‘discretionaire bevoegdheden’).2 Terecht is erop gewezen dat een generieke erkenning als ‘niet te misbruiken bevoegdheid’ met zich meebrengt dat zich op een gegeven moment een onvoorzien praktijkgeval kan voordoen waarbij toetsing aan de misbruikcriteria toch wenselijk is.3Art. 3:13 lid 3 BW speelt echter in de praktijk een ondergeschikte rol, veel problemen levert het niet op.4