Deze weergave bevat transcripties van de door het hof gebruikte bewijsmiddelen.
HR, 08-07-2025, nr. 23/05123
ECLI:NL:HR:2025:1116
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
08-07-2025
- Zaaknummer
23/05123
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Materieel strafrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2025:1116, Uitspraak, Hoge Raad, 08‑07‑2025; (Cassatie)
In cassatie op: ECLI:NL:GHAMS:2023:3566
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2025:413
ECLI:NL:PHR:2025:413, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 08‑04‑2025
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2025:1116
Beroepschrift, Hoge Raad, 22‑08‑2024
- Vindplaatsen
SR-Updates.nl 2025-0237
Uitspraak 08‑07‑2025
Inhoudsindicatie
Medeplegen voorbereiding van moord (art. 289 Sr) door vuurwapen, (gestolen) voertuigen en PGP-toestellen voorhanden te hebben. Bewijsklacht medeplegen. Hebben verdachte en zijn mededaders zo nauw en bewust samengewerkt dat sprake is van medeplegen? HR herhaalt relevante overwegingen uit HR:2016:1316 m.b.t. medeplegen en in het bijzonder afbakening tussen medeplegen en medeplichtigheid en uit HR:2021:1938 m.b.t. eisen aan bewezenverklaring van medeplegen voorhanden hebben van voorwerp a.b.i. art. 46 Sr. Hof heeft vastgesteld dat op 3-10-2015 voorbereidingshandelingen zijn verricht ter uitvoering van plan om A die dag van leven te beroven. Daartoe waren o.m. auto en motor voorhanden. Beoogd schutter wachtte A op toen deze sporthal bezocht. Met PGP-toestellen werden berichten uitgewisseld tussen mededaders, o.m. over signalement van A en moment waarop men verwachtte dat hij naar buiten zou komen. Uit berichten volgt dat beoogd schutter die avond vanaf brug de uitgang van sporthal observeerde, maar A niet zag. Mededader B vroeg aan beoogd schutter toen nog even te wachten en dan weg te gaan. Beoogd schutter stuurde daarna bericht aan verdachte, waarin hij klaagde over manier waarop observatie was verlopen. Later die avond en dagen erna zijn nog verschillende keren berichten verzonden over o.m. verloop van mislukte observatie. Daarbij stuurde mededader C “boze berichten” aan verdachte over manier waarop beoogd schutter observatie had uitgevoerd. C schreef daarin o.m. dat beoogd schutter op verkeerde plaats had gestaan omdat je vanaf brug niemand kan zien “om te vegen”. Ook vroeg C aan verdachte of beoogd schutter misschien “bang” was en droeg verdachte op om aan beoogd schutter te zeggen: “als die wil werken werk maar kom niet steeds met shit”. Verdachte gaf vervolgens te kennen dat hij beoogd schutter ter verantwoording had geroepen. Op 5-10-2015 hebben beoogd schutter en C vervolgens contact over ontmoeting met elkaar, in bijzijn van verdachte, kennelijk om te praten over mislukte observatie. Hof heeft o.b.v. deze vaststellingen en in reactie op verweer van verdediging dat verdachte alleen berichten heeft doorgestuurd maar “geen enkel eigen initiatief” heeft genomen, overwogen dat verdachte als tussenpersoon bij betreffende observatie een coördinerende rol heeft vervuld in contact met beoogd schutter en geoordeeld dat verdachte daarmee een substantiële en wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan voorbereiding van voorgenomen liquidatie van A. Bij die waardering van bijdrage van verdachte heeft hof kennelijk erop acht geslagen dat beoogd schutter direct na gebeurtenissen bij sporthal aanleiding zag om verdachte zijn klachten over verloop daarvan kenbaar te maken, terwijl verdachte (mede op aangeven van C) beoogd schutter daarna aansprak op zijn verrichtingen en er daarnaast aanleiding bestond om mede in aanwezigheid van verdachte te praten over observatie. Daaraan doet niet af dat hof zich hierbij baseert op berichten die direct volgend op dan wel enige tijd na gebeurtenissen bij sporthal zijn verzonden, nu hof uit inhoud van deze berichten een en ander heeft kunnen afleiden over coördinerende rol van verdachte al op moment van en in relatie tot die gebeurtenissen. In vaststellingen van hof ligt verder besloten dat verdachte zich bewust was van (waarschijnlijke) aanwezigheid van de in bewezenverklaring vermelde voorbereidingsmiddelen en dat verdachte samen met mededaders feitelijke macht hierover heeft kunnen uitoefenen. O.b.v. dit een en ander is oordeel hof dat verdachte en mededaders zo nauw en bewust hebben samengewerkt dat sprake is van medeplegen van voorbereiding van moord, toereikend gemotiveerd. Volgt verwerping. CAG: anders. Samenhang met 23/05033, 24/00023, 24/00081 en 24/00085.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 23/05123
Datum 8 juli 2025
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 22 december 2023, nummer 23-000190-22, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1976,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat D.N. de Jonge bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal T.N.B.M. Spronken heeft geconcludeerd tot vernietiging van de uitspraak van het hof en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof te Amsterdam, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.
2. Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
2.1
Het cassatiemiddel klaagt dat de bewezenverklaring van het medeplegen van voorbereiding van moord niet uit de bewijsvoering kan worden afgeleid.
2.2.1
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:
“hij op 3 oktober 2015 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met anderen, ter voorbereiding van het misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven te beroven (zijnde moord, strafbaar gesteld in artikel 289 Wetboek van Strafrecht), waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld, opzettelijk
- een vuurwapen en
- (gestolen) voertuigen en
- PGP toestellen,
bestemd tot het begaan van dat misdrijf voorhanden heeft gehad.”
2.2.2
Deze bewezenverklaring steunt op onder meer de volgende bewijsmiddelen1.:
“3. Bijlage bij proces-verbaal van bevindingen van 22 april 2016 met daarin de uitwerkingen van e-mailberichten (map 9a, pagina’s 189-195, specifiek pagina 198, 205, 207):
Foto | Datum | Tijd toestel | Tijd mail | Van | Aan | Inhoud |
3851 | 03-10-2015 | 14:06 | 14:05 | [naam 1] | Jaaa blood je ap niet zei zeg teeg [naam 7] wat voor trilmachien ben jij hahaahahahhahaha | |
3829 | 03-10-2015 | 14:14 | 14:13 | [naam 1] | Hey toppe hoe is het? Alles lekker die mati van [naam 7] de vriend | |
3762 | 03-10-2015 | 14:27 | 14:26 | [naam 1] | Beee bitch zei heb teeg [naam 7] gezet wat voor grapje dit hahahhahahahahaha |
Foto | Datum | Tijd toestel | Tijd mail | Van | Aan | Inhoud |
3224 | 03-10-2015 | 18:59 | 18:59 | [naam 1] | Net klaar met douchen effe ete met [naam 7] en richt A dm komen |
Foto | Datum | Tijd toestel | Tijd mail | Van | Aan | Inhoud |
3049 | 03-10-2015 | 20:10 | 20:09 | [naam 1] | Negresn blood ik zit in roffa surii eet tent moet ik iest hier hallen voor jou e bregen zeg me nu bestel ik gelijk nu nu | |
3045 | 03-10-2015 | 20:12 | 20:11 | [naam 1] | Tjauwming nasssi bami roti Soep enzo | |
3040 | 03-10-2015 | 20:13 | 20:13 | [naam 1] | Alle tenten zijn dicht blood ? Hode Wilde net trein pakken Oke ik ga terug dan , pppfff Neem maar van alles mee blood 2 grote nasi en 2 bami enzo | |
3036 | 03-10-2015 | 20:14 | 20:14 | [naam 1] | Ja is goed blood mix maar | |
3029 | 03-10-2015 | 20:18 | 20:17 | [naam 1] | Oke 45 mint ben ik daar |
4. Een proces-verbaal van bevindingen van 21 juni 2016, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar (map 9a, pagina’s 367-77).
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van verbalisant:
Hieronder zijn e-mailberichten opgenomen uit de mobiele telefoon met goednummer 5098321 (het hof begrijpt: de onder [medeverdachte 2] in beslag genomen Blackberry).
03-okt-15
18:18 | [naam 8] | Oke bro Zie ik je voor ik weg ga of niet ? En is kleine [naam 9] ? | |
18:29 | [naam 9] | Bo ta [naam 9] si blood ?! (ben je wel klaar blood?) | |
18:32 | [naam 9] | Klabu klabu blood (Super vriend/makker/kanjer) zo ga ik die auto zette en daarna na oost die motro (motor) hallen en daar naar toe rijden en ik hoop dat zo donker werden bro | |
18:35 | [naam 9] | Oke blood Weest wel op tijd Anto kwida blood ! (En wees voorzichtig blood!) | |
18:35 | [naam 9] | Zowiezo | |
21:02 | [naam 8] | Ewa bro geen nieuws ? | |
20:59 | [naam 8] | W8 bro mail je zo Mail dit aub ook aan hem bro voordat die verkeerd doet Blauwe adidas trainings pak Adidas schoenen Loui vuiton tasje Hij is dikke jongen Ik heb hem ook al gezegd 3 keer voor zekerheid | |
21:04 | [naam 9] | Blauwe adidas trainings pak Adidas schoenen Loui vuiton tasje Wa Bon (kijk goed) | |
21:04 | [naam 8] | Heb je hem gezegd bro want hij kan elke moment na buiten komen | |
21:09 | [naam 8] | Heb gestuurd Hoezo heb je niet eerder gestuurd hoop die het gelezen heb | |
21:05 | [naam 8] | Bro heb al 5 keer gestuurd bro dus hij moet gelezen hebben maar extra snap je stuurde hem al 20 uur wat die aan heeft | |
21:11 | [naam 8] | Oke bro | |
21:14 | [naam 8] | (leeg) doorgestuurd bericht ----origineel bericht---- Aan: [naam 9] Onderwerp: Re: Verzonden: 3 Okt 2015 21:17 Hij is niet met brommer bro dus let goed op bro hij is er ook let op goed kijken | |
21:24 | [naam 1] | Awo (begroeting) blood | |
21:24 | [naam 1] | 10 mint blood | |
21:25 | [naam 1] | Oke blood | |
21:30 | [naam 8] | Nog niks bro man misschien is die al weg | |
21:36 | [naam 8] | Achteruitgang is daar ookKom die niet meer shicha ? En is iedereen weg dan ? | |
21:38 | [naam 8] | Ik zei blijf nog even bro er is links uitgang maar nood uitgang | |
21:49 | [naam 8] | Oke bro heb niemand meer zicht binnen ? | |
21:46 | [naam 8] | Nee die gast reageerde ook traag man | |
21:51 | [naam 8] | Pppff oke oke dus nu weer focus op fisha launge nu dus | |
22:10 | [naam 8] | Hij reageert bniet meer kleine | |
22:14 | [naam 1] | (leeg) doorgestuurd bericht ----origineel bericht---- Van: [betrokkene 2] Aan: [naam 11] Onderwerp: Re: Verzonden: 3 Okt 2015 21:38 Blood ik neem risic voor niks ik moet die motro heele maal naar oost brengen ik ga niet meer zo werken ik werk op 100 prosent geen risico voor niks snap je ik ga zelf me die man van last ff maile blood ----origineel bericht---- Aan: [naam 12] Onderwerp: Re Verzonden 3 Okt 2015 21:36 ----origineel bericht---- Van: [naam 10] Aan: [naam 11] Onderwerp: Re: Verzonden: 3 Okt 2015 21:30 Weet niet bro hij is al weg die mattie bro hij zei die bolle is nog binnen wacht nog even en ga dan maar weg oke ----origineel bericht---- Van: [naam 9] Aan: [naam 11] Onderwerp: Re: Verzonden: 3 Okt 2015 21:32 Awo bro hijis nog of wat bro vraag je matty nu ff ----origineel bericht---- Van: [naam 10] Aan: [naam 11] Onderwerp: Re: Verzonden: 3 Okt 2015 21:26 Oke bro is goed hij is niet te missen hij is dik met trainingspak bro misschien douchen ze nog oke bro ----origineel bericht---- Van: [naam 9] Aan: [naam 11] Onderwerp: Re: Verzonden: 3 Okt 2014 21.23 Ik sta voor deur op die brug ik zie iedereen die naar buite kom bro ----origineel bericht---- Van: [naam 10] Aan: [naam 11] Onderwerp: Re: Verzonden: 3 Okt 2015 21:18 Nee ik zei niet hij is met scooter ik zei hij is er bro en hij komt lopen bro nog beter dan scooter of loopt na auto of loopt weg ----origineel bericht---- Van: [naam 9] Aan: [naam 11] Onderwerp: Re: Verzonden: 3 Okt 2015 21:20 Bro hoe kan ik zie van veer want bij die deur ga ik ----origineel bericht afgekapt---- | |
22:20 | [naam 8] | Die mail para beetje para nuDat die op 100% werk Dat je hem buiten zei nog wachten en niemand is verschenen Ga hem nu zelf ook ff mailen Maar kifesh wat is mis gegaan dan ?? | |
22:16 | [naam 8] | Bro er is geen moer mis gegaan ga je alles laten lezen en dan volgende keer niet via mij dan bro als die zo wilt doen | |
22:17 | [naam 8] | (leeg) doorgestuurd bericht ----origineel bericht---- Van: [naam 13] Aan: [naam 11] Onderwerp: Fw: Verzonden 3 Okt 2015 21:13 ----origineel bericht---- Van: [naam 14] Aan: [naam 15] Onderwerp: Verzonden: 3 Okt 2015 21:13 Je hebt daar 1 ingang en uitgang. Alleen kan je aan de linkerkant ook eruit. Soort nood uitgang | |
22:18 | [naam 8] | Heb 10000 keer gezegd dit bro wat moet ik anders | |
22:25 | [naam 1] | Lees zelf | |
22:25 | [naam 1] | (leeg) doorgestuurd bericht ----origineel bericht---- Van: [naam 8] Aan: [naam 16] Onderwerp: Fw: Verzonden: 3 Okt 2015 22:17 ----origineel bericht---- Van: [naam 9] Aan: [naam 11] Onderwerp: Re: Verzonden: 3 Okt 2015 21:16 Awo ik zie andere scoore die bolle niete ----origineel bericht------ Van: [naam 10] Aan: [naam 11] Onderwerp: Re: Verzonden: 3 Okt 2015 21:08 Rustig bro hij is in kleed kamer kan niet lang duren meer bro dat die komt blauwe traings pak adidas adidas schoenen loui vuiton tasje en hij is dik bro let goed op ----origineel bericht----- Van: [naam 9] Aan: [naam 11] Onderwerp: Re: Verzonden: 3 Okt 2015 21:10 Awo bro nog niks ? ----origineel bericht---- Aan: [naam 10] Onderwerp: Re: Verzonden: 3 Okt 2015 21:08 Oke bor ----origineel bericht— Van: [naam 10] Aan: [naam 11] Onderwerp: Verzonden: 3 Okt 2015 21:02 Hij komt zo na buiten kan elke moment bro ze zijn klaar let goed op ze kleren he en hij is dik | |
22:27 | [naam 1] | Tanto be Ta splike ku no let op riba scooter Dus bisa e no keda hasi bitch so no Jora serka bo blood wat is dat ?? Ki mas e ke pa nos buta e guy pafo jame tambe ?? (Vaak tegen hem uitgelegd/gezegd om niet op scooter te letten. Dus vertel aan haar om niet alleen bitch te lopen doen. Huilen bij jou(w) blood wat is dat? Wat wil ze/hij nog meer dat wij de kerel buiten zetten en hem ook bellen/roepen?) | |
22:38 | [naam 1] | Ik heb gelezen ook hem gezegt |
04-okt-15
20:54 | [naam 1] | Blood L zeg steeds hij stond bij brug kijken naar die man maar die brug waar die man is gaan staan kk ver blood Is die man bang of wat ? | |
20:55 | [naam 1] | Hahhahahahhaha bo sa hode blood (je bent me er wel één blood) Hahhahahahhahahaahhah | |
20:56 | [naam 1] | Hij zegt dat hij ziet alles van daar maar ik weet niet als het ver is miss hij heb een verrekijker tochhahhahhahahahahahahahaha | |
21:00 | [naam 1] | Ja man nervia mi blood (Ja, werkt op mijn zenuwen blood) Heb mensen binnen zitten alles Die man durf nog te zeggen Op 100 procent bla bla En die man staat op brug kk brug kan je niemand zien om te vegen blood ! Vanaf brug je ziet niemand naar buiten lopen Dus die man spoor niet Stond zeker bij de verkeerde plaatst weer | |
21:02 | [naam 1] | Blood die man lul geen moer zie je Als je bij Brug staat zie niks Is met als je bij die hotel hier kom Jij staat bij die paal en jij gaat mij zeggen je ziet mij hier naar buiten lopen Zeg die man als die wil werken werk maar kom niet steeds met shit blood ! | |
21:16 | [naam 8] | (leeg) doorgestuurd bericht van [naam 1] | |
21:17 | [naam 8] | (leeg) doorgestuurd bericht van [naam 1] | |
21:16 | [naam 8] | Die man moet gewn serieus of ja of nee zo niet halen we alles bij hem op geen tijd voor die onzin man of gaan of niet elke keer iets man wordt er niet goed van nu is die waggie ook weer weg of iets elke keer iets geen speel tijd | |
21:25 | [naam 1] | Unda bo ta blood (Waar ben je blood?) | |
21:33 | [naam 1] | Roffaa aki (in Rotterdam) ik heb hem Gezegt hoe kan die man weg gaan zonder je heb hem niet gezien |
05-okt-15
14:12 | [naam 9] | Bon siman blood (Een goede week toegewenst blood) ben je nog dan kom ik met [naam 2] maar jou dan praatte we beeter bro Bijlage: Blood gasss E-mail: [e-mailadres 5] | |
14:14 | [naam 9] | Bon siman blood (Een goede week toegewenst) Ja ben er zie die man straks gaan we praten | |
14:15 | [naam 9] | Oke blood | |
22:21 | [naam 8] | Ewa wat zegt [naam 2] nu eigenlijk bro wilt die wel wilt die niet wat is er nu | |
22:27 | [naam 8] | Zie hem morgen bro |
06-okt-15
20:08 | [naam 9] | Awo bro die shafur zeg me die politie heb die auto ge pakt die b m w want we praat niet op tel ik was vandaag bij hem die pipas op hallen hij vertel me politie heb die auto me genomen ,maar die golf is daar nog bij hem in de buurt | |
20:09 | [naam 8] | ----origineel bericht----- Van: [naam 9] Aan: [naam 16] Onderwerp: Re: Verzonden: 6 Okt 2015 20:08 Awo bro die shafur zeg me die politie heb die auto ge pakt die b m w want we praat niet op tel ik was vandaag bij hem die pipas op hallen hij vertel me politie heb die auto me genomen ,maar die golf is daar nog bij hem in de buurt | |
20:06 | [naam 8] | Ja zei je toch bro nakken ze voor spek en bonnen zo gaan sleutels en chips op |
5. Een proces-verbaal van bevindingen (onderzoek Ennetcomdata (kader A)) van 3 september 2019, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar (map 9a, pagina’s 303-322).
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van verbalisant:
3. Onderzoek 13REEK
De gebruiker van het e-mailadres [e-mailadres 1] is geïdentificeerd als [medeverdachte 3] .
In de zogenoemde Ennetcomdata is onderzoek gedaan naar de volgende e-mailadressen:
• [e-mailadres 1]
• [e-mailadres 2]
• [e-mailadres 3]
7.6. 9
[e-mailadres 4]
In het adresboek van het e-mailadres [e-mailadres 4] zijn de volgende contacten aanwezig onder de eveneens weergegeven namen.
Volgnr. | Naam | E-mailadres / telefoonnummer | Created |
13 | [betrokkene 2] | [e-mailadres 3] | 2015-06-12 18:56 |
39 | [naam 17] | [e-mailadres 5] | 2015-04-13 23:10 |
Hieronder is een overzicht gegeven van het voorkomen van [e-mailadres 4] in de adresboeken van toestellen met de weergegeven e-mailadressen.
Herkomst naam | Voorkomen naam in telefoon | Created |
[...] | [naam 1] | 2015-10-08 12:55 |
[...] | [naam 2] | 2015-09-02 17:24 |
[...] | [naam 2] | 2015-07-03 16:29 |
[...] | [naam 2] | 2015-08-27 01:28 |
[...] | [naam 3] | 2015-08-29 07:06 |
[...] | [naam 2] | 2015-02-15 21:15 |
7.8. 800720
[e-mailadres 6]
Van het e-mailadres [e-mailadres 6] is een adresboek aanwezig in de dataset. Hieronder is een overzicht gegeven van de aanwezige contacten in dit adresboek.
Volgnr. | Naam | E-mailadres / telefoonnummer | Created |
19 | [naam 10] | [e-mailadres 1] | 2015-08-24 14:31 |
Hieronder is een overzicht weergegeven van het voorkomen van dit adres in andere adresboeken.
Herkomst naam | Voorkomen naam in telefoon | Created |
[...] | [naam 9] | 2015-10-08 12:56 |
[...] | [naam 9] | 2015-10-22 22:16 |
[...] | [betrokkene 2] | 2015-06-12 8:56 |
9. De verklaring van de getuige [medeverdachte 3] , afgelegd ter terechtzitting in eerste aanleg van 11 oktober 2021.
Deze verklaring houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:
Ik ken [verdachte] . [verdachte] was een vriend van [medeverdachte 2] . Ik heb hen meerdere keren samen gezien. U bespreekt met mij het onderzoek Reek. Het was de bedoeling om [slachtoffer] van het leven te beroven. De berichten in map 9a gaan hierover. Ik maakte gebruik van de naam ‘ [naam 8] ’ en werd ook door anderen zo genoemd. In [A] zat een jongen die aan mij zou doorgeven of [slachtoffer] aanwezig was in de sporthal en wat voor kleding hij droeg. Die informatie zou ik vervolgens doorsturen naar [medeverdachte 2] en een vriend van [medeverdachte 2] , in het dossier aangeduid als ‘ [naam 9] ’, van wie ik een e-mailadres had. Dat heb ik ook gedaan. Aan ‘ [naam 9] ’ is ook een motorscooter afgegeven. Die had hij nodig voor de liquidatie van [slachtoffer] . Voor zover ik weet zou ‘ [naam 9] ’ de schutter zijn en stond hij op de brug.”
2.2.3
Het hof heeft over de bewezenverklaring van het medeplegen verder overwogen:
“Uit de bewijsmiddelen volgt dat op 3 oktober 2015 voorbereidingshandelingen zijn verricht om [slachtoffer] op die dag van het leven te beroven. Het hof dient de vraag te beantwoorden of de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen hiervan en overweegt hiertoe als volgt.
Het hof stelt voorop dat voor de kwalificatie medeplegen is vereist dat sprake is van nauwe en bewuste samenwerking. Die kwalificatie is slechts gerechtvaardigd als de bewezenverklaarde - intellectuele en/of materiële - bijdrage aan het delict van de verdachte van voldoende gewicht is. Een en ander brengt mee dat indien het tenlastegelegde medeplegen in de kern niet bestaat uit een gezamenlijke uitvoering, maar uit gedragingen die met medeplichtigheid in verband plegen te worden gebracht (zoals het verstrekken van inlichtingen, op de uitkijk staan, helpen bij de vlucht), op de rechter de taak rust om in het geval dat hij toch tot een bewezenverklaring van het medeplegen komt, in de bewijsvoering - dus in de bewijsmiddelen en zo nodig in een afzonderlijke bewijsoverweging - dat medeplegen nauwkeurig te motiveren. Bij de vorming van zijn oordeel dat sprake is van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking, kan de rechter rekening houden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip. (vgl. Hoge Raad 20 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2126, NJ 2016/420, met noot N. Rozemond)
Op basis van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting stelt het hof het volgende vast.
Op 3 oktober 2015 had [medeverdachte 3] contact met een persoon in [A] te Amsterdam, alwaar [slachtoffer] aanwezig was. [medeverdachte 3] gaf aan de schutter, die op een brug stond, meerdere keren door hoe [slachtoffer] gekleed was en dat hij bijna naar buiten zou komen. Ook gaf hij aan de schutter door dat [slachtoffer] niet met de brommer/scooter, maar lopend zou zijn. [medeverdachte 3] had hierover contact met [medeverdachte 2] en hield hem op de hoogte. Ook de verdachte communiceerde met [medeverdachte 2] . Aan de schutter was een motorscooter afgegeven.
Om 22.14 uur stuurt de verdachte een mailwisseling door aan [medeverdachte 2] . Uit deze mailwisseling blijkt dat de verdachte contact heeft met ‘ [betrokkene 2] ’. Het hof stelt op basis van de bewijsmiddelen vast dat ‘ [betrokkene 2] ’ de beoogd schutter is.
Om 21.04 uur stuurt [medeverdachte 2] een signalement (blauw Adidastrainingspak, Adidasschoen en een Louis Vuittontasje) dat hij even daarvoor van [medeverdachte 3] heeft gekregen door aan ‘ [naam 9] !’.
‘ [betrokkene 2] ’ stuurt om 21.38 uur aan de verdachte dat hij risico voor niets neemt, dat hij de motor helemaal naar oost moet brengen en zo niet meer gaat werken. Verder stuurt hij dat hij werkt op honderd procent en geen risico voor niets neemt. ‘ [betrokkene 2] ’ stuurt een berichtenwisseling met [medeverdachte 3] door aan de verdachte. Het hof leidt uit het dossier af dat ‘ [betrokkene 2] ’ in de telefoon van [medeverdachte 3] stond opgeslagen als ‘ [naam 9] !’. Uit deze berichtenwisseling, vanaf 21.18 uur, blijkt dat ‘ [naam 9] !’ op dat moment voor de deur op de brug stond en iedereen zag die naar buiten kwam. [medeverdachte 3] gaf aan dat hij niet te missen is en dat hij dik is, met een trainingspak. ‘ [naam 9] !’ vraagt aan [medeverdachte 3] of hij zijn vriend kan vragen of hij er nog is. [medeverdachte 3] geeft daarop aan dat zijn vriend (het hof begrijpt: de persoon in de sporthal) al weg is, maar dat hij had gezegd dat ‘die bolle’ nog binnen is. [medeverdachte 3] schrijft aan ‘ [naam 9] !’ dat hij nog even moet wachten en dan maar weg moet gaan.
[medeverdachte 2] stuurt de verdachte om 22.25 uur een berichtenwisseling door tussen [medeverdachte 3] ( [naam 8] ) en ‘ [naam 9] !’. Uit deze berichtenwisseling, vanaf 21.08 uur, blijkt dat [medeverdachte 3] - die in de telefoon van ‘ [naam 9] !’ staat opgeslagen als ‘ [naam 10] ’ - aan ‘ [naam 9] !’ een signalement (blauw Adidastrainingspak, Adidasschoen, een Louis Vuittontasje en dik) heeft doorgegeven en heeft aangegeven goed op te letten omdat hij ieder moment naar buiten kan komen. ‘ [naam 9] !’ antwoordt dat hij die bolle niet ziet.
[medeverdachte 2] stuurt om 22.27 uur een bericht aan de verdachte waarvan de vertaling luidt: “vaak tegen hem uitgelegd/gezegd om niet op scooter te letten. Dus vertel aan haar om niet alleen bitch te lopen doen. Huilen bij jou(w) blood wat is dat? Wat wilt ze/hij nog meer dat wij de kerel buiten zetten en hem ook bellen/roepen?”. De verdachte antwoordt “Ik heb gelezen ook hem gezegt”.
Op 4 oktober 2015 communiceren de verdachte en [medeverdachte 2] weer met elkaar. Ook uit deze communicatie blijkt dat de verdachte contact heeft met de beoogde schutter die op de brug heeft gestaan. Volgens de verdachte heeft deze persoon gezegd dat hij alles kon zien. [medeverdachte 2] reageert met boze berichten. Volgens [medeverdachte 2] kan je op die brug niemand zien “om te vegen”. Vanaf die brug zie je niemand naar buiten lopen. De verdachte moet tegen die man zeggen dat als hij wil werken, hij moet werken en niet met shit moet komen. De verdachte geeft aan [medeverdachte 2] aan dat hij heeft gezegd “hoe kan die man weg gaan zonder dat je hem hebt gezien”.
Op 5 oktober 2015 stuurt ‘ [naam 9] !’ om 14.12 uur aan [medeverdachte 2] : “ben je nog dan kom ik met [naam 2] maar jou dan praatte we beeter bro”. [medeverdachte 2] stuurt terug dat hij er is, dat hij die man zo ziet en dat ze straks gaan praten. [medeverdachte 3] vraagt om 22.21 uur aan [medeverdachte 2] wat [naam 2] zegt en vraagt hem wat [naam 2] wel en niet wil. [medeverdachte 2] stuurt terug dat hij hem (het hof begrijpt: [naam 2] ) morgen ziet.
Op 6 oktober 2015 stuurt ‘ [naam 9] !’ een bericht aan [medeverdachte 2] waarin hij meedeelt dat hij vandaag bij ‘shafur’ die ‘pipas’ (het hof begrijpt: vuurwapens) op heeft gehaald en van hem hoorde dat die auto, die BMW, door de politie is meegenomen. Eerder, op 3 oktober 2015 om 18.32 uur, had ‘ [naam 9] !’ aan [medeverdachte 2] bericht: “zo ga ik die auto zette en daarna na oost die motro (motor) hallen”. Het hof leidt hieruit af dat er naast een motor - waarvan verdere gegevens onbekend zijn gebleven - ook een BMW voorhanden was om bij de liquidatie te worden gebruikt. In de nacht van 3 op 4 oktober 2015 is in Amsterdam een BMW met valse kentekenplaten inbeslaggenomen.
Het hof stelt op basis van het voorgaande het volgende vast.
Zowel de beoogd schutter als [medeverdachte 2] houden tijdens de op [slachtoffer] gerichte observatie op 3 oktober 2015 contact met de verdachte. De schutter beklaagt zich tegen de verdachte over hoe de observatie loopt en meldt dat hij zo niet wil werken. [medeverdachte 2] stuurt de verdachte een bericht waaruit blijkt dat hij “hem” (het hof begrijpt: de schutter) heeft gezegd dat hij niet op de scooter moet letten en vraagt de verdachte wat het is dat hij bij de verdachte komt uithuilen. De verdachte geeft aan dat hij het “hem” ook heeft gezegd. Ook op 4 oktober 2015 zijn er berichten verstuurd waaruit blijkt dat de verdachte contact heeft met de beoogd schutter. De verdachte zegt tegen [medeverdachte 2] dat hij heeft gezegd “hoe kan die man weg gaan zonder dat je hem hebt gezien”. Het hof leidt hieruit af dat de verdachte verantwoording verwachtte van de schutter. Op 5 oktober 2015 hebben de schutter en [medeverdachte 2] vervolgens contact over een ontmoeting met elkaar en ‘ [naam 2] ’, de verdachte. Het hof leidt hieruit af dat de schutter, [medeverdachte 2] en de verdachte met elkaar zouden gaan praten over de mislukte liquidatie.
Op grond van het voorgaande is het hof van oordeel dat de verdachte als tussenpersoon een coördinerende rol heeft gehad in het contact met de schutter, waarmee hij een substantiële en wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan de voorbereiding van de liquidatie van [slachtoffer] . Hiermee is de voor medeplegen vereiste voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en de medeverdachten komen vast te staan. Hoewel geen sprake is van een gezamenlijke uitvoering, is de bijdrage van de verdachte aan het tenlastegelegde naar het oordeel van het hof van zodanig gewicht dat deze kan worden aangemerkt als medeplegen. Daarmee acht het hof het primair tenlastegelegde bewezen.
Het hof overweegt ten overvloede - anders dan het Openbaar Ministerie - van oordeel te zijn dat op basis van de berichten niet valt vast te stellen dat de verdachte de beoogd schutter heeft geregeld. Dit maakt het oordeel van het hof evenwel niet anders.”
2.2.4
Volgens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 7, 8, 9, 14, 16, 17, 21 en 23 november 2023 en 22 december 2023 heeft de raadsman van de verdachte daar het woord gevoerd overeenkomstig de bij de stukken gevoegde pleitnota. Deze pleitnota houdt onder meer in:
“Zowel het OM als de Rechtbank menen uit de berichten te kunnen reconstrueren en vaststellen dat [naam 1] de schutter ( [naam 9] ) heeft geregeld en daarmee een wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan het medeplegen van de voorbereiding moord. Die vaststelling wordt voornamelijk gegrond op de berichten van [naam 9] naar [naam 1] waarin hij stelt niet meer op deze wijze te willen werken. Op deze wijze wordt [naam 1] een centrale rol toegekend in verband met de beoogde schutter.
In de visie van de verdediging kan een wezenlijke bijdrage echter in het geheel niet worden vastgesteld nu er uitsluitend sprake is van het doorsturen van berichten, maar geen enkel eigen initiatief tot wat dan ook van [e-mailadres 4] kan uit de bewijsmiddelen volgen.
Dat blijkt met name als alle berichten nog eens worden nagelopen vanaf pag. 196 9a dossier.
- [naam 9] heeft zelf direct contact met [naam 18] op 3 oktober 2015 (zie pag. 203).
- [naam 9] heeft direct contact met [naam 18] over ophalen motor
- [naam 8] heeft direct contact met [naam 18] en met [naam 9]
- In de vooravond is [naam 1] bezig met eten regelen etc (pag. 207).
- Directe contactlijnen liggen helder waarin schutter en spotter contact hebben met [naam 8] die weer brieft aan [naam 18] en niet aan [naam 1] .
- Nergens blijkt uit dat [naam 1] direct belang heeft in of bij schutter die hij geregeld heeft
- Ook niet als het allemaal niet gelukt is en men klaagt over de schutter.
Een wezenlijke bijdrage van [naam 1] kan dan ook niet worden vastgesteld. Vrijspraak feit 1.”
2.3
Voor de kwalificatie medeplegen is vereist dat sprake is van nauwe en bewuste samenwerking. Die kwalificatie is alleen gerechtvaardigd als de bewezenverklaarde – intellectuele en/of materiële – bijdrage van de verdachte aan het delict van voldoende gewicht is. Een en ander brengt mee dat wanneer het tenlastegelegde medeplegen in de kern niet bestaat uit een gezamenlijke uitvoering, maar uit gedragingen die met medeplichtigheid in verband plegen te worden gebracht (zoals het verstrekken van inlichtingen, op de uitkijk staan, helpen bij de vlucht), op de rechter de taak rust om in het geval dat hij toch tot een bewezenverklaring van het medeplegen komt, in de bewijsvoering – dus in de bewijsmiddelen en zo nodig in een afzonderlijke bewijsoverweging – dat medeplegen nauwkeurig te motiveren. Bij de vorming van zijn oordeel dat sprake is van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking, kan de rechter rekening houden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip. (Vgl. HR 5 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1316.)De vraag of aan de bovenstaande eisen is voldaan, laat zich niet in algemene zin beantwoorden, maar vergt een beoordeling van het concrete geval. De Hoge Raad kan hieromtrent geen algemene regels geven, maar slechts tot op zekere hoogte duidelijkheid verschaffen door het formuleren van aandachtspunten alsook door het beslissen van concrete gevallen, waarbij de toetsing in cassatie overigens sterk wordt gekleurd door de precieze bewijsvoering van de feitenrechter, waaronder begrepen een eventuele op het medeplegen toegesneden nadere motivering.Voor een veroordeling voor het – als medepleger – voorhanden hebben van een voorwerp als bedoeld in artikel 46 van het Wetboek van Strafrecht, moet komen vast te staan dat sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking door de verdachte met een of meer anderen die was gericht op het voorhanden hebben van zo’n voorwerp. Vereist is dat de verdachte zich bewust was van de (waarschijnlijke) aanwezigheid van dat voorwerp, zonder dat die bewustheid zich hoeft uit te strekken tot de specifieke eigenschappen en kenmerken van dat voorwerp of tot de exacte locatie daarvan. Daarnaast moet vaststaan dat de verdachte tezamen met de mededader(s) feitelijke macht over het voorwerp heeft kunnen uitoefenen in de zin dat hij daarover kan beschikken. Daarvoor hoeft het voorwerp zich niet noodzakelijkerwijs in de directe nabijheid van de verdachte te bevinden. (Vgl. over het medeplegen van het voorhanden hebben van een wapen of munitie, HR 21 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1938.)
2.4.1
De vaststellingen van het hof houden het volgende in. Op 3 oktober 2015 zijn er voorbereidingshandelingen verricht ter uitvoering van het plan om [slachtoffer] die dag van het leven te beroven. Daartoe waren onder meer een auto en een motor voorhanden. De beoogd schutter, met de bijnaam [naam 9] , wachtte [slachtoffer] op toen deze ’s avonds in Amsterdam een sporthal bezocht. Met PGP-toestellen werden berichten uitgewisseld tussen verschillende mededaders, onder meer over het signalement van [slachtoffer] en het moment waarop men verwachtte dat [slachtoffer] naar buiten zou komen.Uit de berichten die op 3 oktober 2015 vanaf 21.18 uur zijn gewisseld, volgt over de gebeurtenissen bij de sporthal dat [naam 9] die avond vanaf een brug de uitgang van de sporthal observeerde, maar hij [slachtoffer] niet zag. Vervolgens vroeg mededader [medeverdachte 3] aan [naam 9] om nog even te wachten en dan weg te gaan. [naam 9] stuurde daarna, om 21.38 uur, een bericht aan de verdachte, waarin hij klaagde over de manier waarop de observatie was verlopen.Later die avond en de dagen erna zijn nog verschillende keren berichten verzonden over onder meer het verloop van de mislukte observatie. Daarbij stuurde de mededader [medeverdachte 2] “boze berichten” aan de verdachte over de manier waarop [naam 9] de observatie had uitgevoerd. [medeverdachte 2] schreef daarin onder meer dat [naam 9] op de verkeerde plaats had gestaan omdat je vanaf de brug niemand kan zien “om te vegen”. Ook vroeg [medeverdachte 2] aan de verdachte of [naam 9] misschien “bang” was en droeg hij de verdachte op om aan [naam 9] te zeggen: “als die wil werken werk maar kom niet steeds met shit”. De verdachte gaf vervolgens te kennen dat hij [naam 9] ter verantwoording had geroepen. Op 5 oktober 2015 hebben [naam 9] en [medeverdachte 2] vervolgens contact over een ontmoeting met elkaar, in het bijzijn van de verdachte, kennelijk om te praten over de mislukte observatie.
2.4.2
Het hof heeft op basis van deze vaststellingen en in reactie op het verweer van de verdediging dat de verdachte alleen berichten heeft doorgestuurd maar “geen enkel eigen initiatief” heeft genomen, overwogen dat de verdachte als tussenpersoon bij de betreffende observatie een coördinerende rol heeft vervuld in het contact met de beoogd schutter ( [naam 9] ) en geoordeeld dat de verdachte daarmee een substantiële en wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan de voorbereiding van de voorgenomen liquidatie van [slachtoffer] . Bij die waardering van de bijdrage van de verdachte heeft het hof kennelijk erop acht geslagen dat [naam 9] direct na de gebeurtenissen bij de sporthal aanleiding zag om aan de verdachte zijn klachten over het verloop daarvan kenbaar te maken, terwijl de verdachte – mede op aangeven van [medeverdachte 2] – [naam 9] daarna aansprak op zijn verrichtingen en er daarnaast aanleiding bestond om mede in aanwezigheid van de verdachte te praten over de observatie. Daaraan doet – anders dan het cassatiemiddel aanvoert – niet af dat het hof zich hierbij baseert op berichten die direct volgend op dan wel enige tijd na de gebeurtenissen bij de sporthal zijn verzonden, nu het hof uit de inhoud van deze berichten een en ander heeft kunnen afleiden over de coördinerende rol van de verdachte al op het moment van en in relatie tot die gebeurtenissen.In de vaststellingen van het hof ligt verder besloten dat de verdachte zich bewust was van de (waarschijnlijke) aanwezigheid van de in de bewezenverklaring vermelde voorbereidingsmiddelen en dat de verdachte samen met zijn mededaders feitelijke macht hierover heeft kunnen uitoefenen. Op basis van dit een en ander is – mede gelet op wat onder 2.3 is vooropgesteld – het oordeel van het hof dat de verdachte en zijn mededaders zo nauw en bewust hebben samengewerkt dat sprake is van het medeplegen van de bewezenverklaarde voorbereiding van moord, toereikend gemotiveerd.
2.5
Het cassatiemiddel faalt.
3. Beoordeling van de overige cassatiemiddelen
De Hoge Raad heeft ook de overige klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
4. Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
De verdachte bevindt zich in voorlopige hechtenis. De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan zestien maanden zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van zeven jaren.
5. Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;
- vermindert deze in die zin dat deze zes jaren en tien maanden beloopt;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en M. Kuijer, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 8 juli 2025.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 08‑07‑2025
Conclusie 08‑04‑2025
Inhoudsindicatie
Conclusie AG. Medeplegen voorbereiding moord (art. 46 jo. 289 Sr). Middel 2 betreft een bewijsklacht medeplegen voorbereidingshandeling moord en is volgens AG terecht voorgesteld. Uit de bewijsvoering blijkt niet dat verdachte betrokken was bij feitelijke uitvoering en blijkt ook niet dat verdachte eerder al op de hoogte was van het moordplan. De door het hof vastgestelde gedragingen van verdachte hebben plaatsgevonden nadat bewezen verklaarde feit reeds was voltooid. Mede tegen de achtergrond van de verzwaarde motiveringsplicht die geldt in dit soort gevallen, vindt AG het oordeel van het hof dat sprake was van medeplegen niet zonder meer begrijpelijk. Middel 1 (over ontoelaatbare gevolgtrekking verbalisant in bewijsmiddel) en middel 3 (over redelijke termijn in hoger beroep) falen volgens de AG. Conclusie strekt tot vernietiging en terugwijzing. Samenhang met 23/05033, 24/00023, 24/00081 en 24/00085.
Partij(en)
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 23/05123
Zitting 8 april 2025
CONCLUSIE
T.N.B.M. Spronken
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1976,
hierna: de verdachte.
1. Het cassatieberoep
1.1
De verdachte is bij arrest van 22 december 2023 door het gerechtshof Amsterdam, parketnummer: 23-000190-22, wegens primair “medeplegen van voorbereiding van moord” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zeven jaren, met aftrek van voorarrest.
1.2
Er bestaat samenhang met de zaken tegen [medeverdachte 1] (23/05033), [medeverdachte 2] (24/00023), [medeverdachte 3] (24/00081) en [medeverdachte 4] (24/00085). In deze zaken zal ik vandaag ook concluderen.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. D.N. de Jonge, advocaat in Rotterdam, heeft drie middelen van cassatie voorgesteld.
2. Het eerste middel
2.1
Het middel bevat de klacht dat de bewezenverklaring niet steunt op de inhoud van de bewijsmiddelen en/of dat het hof een proces-verbaal van bevindingen van een verbalisant voor het bewijs heeft gebruikt die een voor het bewijs ontoelaatbare gevolgtrekking bevat.
2.2
Ten laste van de verdachte is bewezen verklaard dat:
“hij op 3 oktober 2015 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met anderen, ter voorbereiding van het misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven te beroven (zijnde moord, strafbaar gesteld in artikel 289 Wetboek van Strafrecht), waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld, opzettelijk
- een vuurwapen en
- (gestolen) voertuigen en
- PGP toestellen,
bestemd tot het begaan van dat misdrijf voorhanden heeft gehad.”
2.3
Uit de toelichting op het middel leid ik af dat het de steller van het middel gaat om het oordeel van het hof dat de verdachte gebruik maakte van het Ennetcom-account [account 1] en dan in het bijzonder voor zover het hof er in zijn motivering van dat oordeel op heeft gewezen dat de bijnamen van de verdachte die bij de politie bekend zijn, nagenoeg overeenkomen met de namen waaronder het account [account 1] door anderen wordt opgeslagen.
2.4
Over de identificatie van de gebruiker van het acoount [account 1] , heeft het hof het volgende overwogen:
“5.3.1 Identificatie van de gebruiker van het Ennetcomadres [account 1]
Op 5 december 2015 is er tijdens een doorzoeking in het door medeverdachte [medeverdachte 2] bewoonde appartement in [plaats] (Spanje) een Blackberry in beslag genomen. In deze telefoon stond hete-mailadres [e-mailadres 1] opgeslagen als “ [...] ”. Het hof stelt vast dat [medeverdachte 2] de gebruiker is geweest van het e-mailadres [e-mailadres 1] . In de telefoon zijn meerdere e-mailberichten tussen [medeverdachte 2] en het account [account 1] aangetroffen. Het account [account 1] staat in de telefoon van [medeverdachte 2] opgeslagen onder “ [naam 1] ”.
Bij de beoordeling van de vraag of de verdachte kan worden geïdentificeerd als de gebruiker van het account [account 1] zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang:
- Het account [account 1] heeft op 3 oktober 2015 PGP-contact met [medeverdachte 2] , onder meer over de vraag of [account 1] iets voor [medeverdachte 2] moet halen bij een eettent en langsbrengen. De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat [medeverdachte 2] een kennis van hem is. De medeverdachte [medeverdachte 3] noemt de verdachte een vriend van [medeverdachte 2] .
- Een deel van de communicatie tussen [medeverdachte 2] en [account 1] vindt plaats in het Papiaments. De verdachte is geboren op [geboorteplaats] , waar Papiaments een officiële taal is.
- In telefoons van andere Ennetcomgebruikers staat account [account 1] opgeslagen onder de namen [naam 2] en [naam 3] . Uit de politiesystemen is gebleken dat de verdachte gebruik maakt van de bijnamen [naam 2] , [naam 4] , [naam 5] en [naam 6] . De verdachte had in 2015 rastahaar. Het hof constateert dat de bijnamen van de verdachte die bij de politie bekend zijn, nagenoeg overeenkomen met de namen waaronder het account [account 1] door anderen wordt opgeslagen. Daarbij kent het hof vooral betekenis toe aan de naam [naam 3] / [naam 4] / [naam 5] / [naam 6] .
- Op 3 oktober 2015 stuurt [account 1] naar [medeverdachte 2] : “Jaaa blood je ap niet zei zeg teeg [naam 7] wat voor tril machien ben jij”, “Alles lekker die mati van [naam 7] de vriend” en “Nee bitch zei heb teeg [naam 7] gezet wat voor grapje dit”. Enkele uren later stuurt [account 1] : “Net klaar met douchen effe ete met [naam 7] en richt A dm komen”. Op 4 oktober 2015 stuurt [account 1] aan [medeverdachte 2] : “Helemaal niets [naam 7] hier op mij vast geklampt”.
De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij destijds een relatie had en nog steeds heeft met [betrokkene 1] . Tevens is de verdachte op 5 oktober 2015, twee dagen na de geplande liquidatie op [slachtoffer] , in het bijzijn van [betrokkene 1] in een auto gecontroleerd.
Zowel de verdachte als de gebruiker van [account 1] hebben aldus (nauw) contact met iemand die zij [naam 7] noemen. Het hof constateert dat de naam ‘ [naam 7] ’ nagenoeg overeenkomt met de naam ‘ [betrokkene 1] ’. Het hof verwijst verder naar het proces-verbaal van verhoor van de verdachte van 1 maart 2012, waarin de verbalisant naar aanleiding van de verklaring van de verdachte heeft gerelateerd dat hij zijn sleutels van het huis en de auto aan ‘ [naam 7] ’ heeft gegeven, dat ‘ [naam 7] ’ in gesprek ging met een politieagent en in welke verklaring de verdachte het voorts heeft over een vriendin van ‘ [naam 7] ’. Het hof constateert dat de verbalisant tot drie maal toe de naam ‘ [naam 7] ’ heeft opgeschreven en gaat ervan uit dat de verbalisant dit heeft gedaan omdat de verdachte die naam heeft genoemd. Daaruit leidt het hof af dat de verdachte zijn vriendin [naam 7] noemt.
Het hof concludeert op basis van het voorgaande – in onderling verband en samenhang bezien – dat de verdachte de gebruiker is geweest van het account [account 1] .”
2.5
De vaststelling van het hof dat “uit de politiesystemen is gebleken dat de verdachte gebruik maakt van de bijnamen [naam 2] , [naam 4] , [naam 5] en [naam 6] ”, is gebaseerd op bewijsmiddel 6. Dat bewijsmiddel houdt – voor zover van belang – het volgende in:
“6. Een proces-verbaal van bevindingen van 27 juli 2016, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar (map 9a, pagina 349-351).
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van verbalisant:
Ik heb onderzoek verricht naar de communicatie die heeft plaatsgevonden tussen [medeverdachte 2] en de
gebruiker die wordt aangeduid met [naam 1] Deze communicatie is gevoerd met de Blackberry
van [medeverdachte 2] met goednummer 5098321. Een groot deel van de communicatie tussen [medeverdachte 2] en [naam 1] is gevoerd in de taal Papiamento. Deze communicatie is door een beëdigd tolk vertaald. Indien in dit proces-verbaal vertaalde e-mailberichten zijn gebruik, zijn deze gemarkeerd met een (*).
ONDERZOEK COMMUNICATIE MET [naam 1]
Op 4 oktober 2015 om 23:14 uur stuurt [naam 1] een bericht naar [medeverdachte 2] met de tekst:
Helemaal niets [naam 7] hier op mij vast geklampt (*)
RELATIE [medeverdachte 2] - [verdachte]
Uit een eerder onderzoek en uit onderzoek in de politiesystemen is gebleken dat er een relatie
bestaat tussen [medeverdachte 2] en [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1976 te [geboorteplaats] .
[verdachte] was onder andere samen met [medeverdachte 2] aanwezig op het Waterfrontfeest in het
Scheepvaartmuseum op 26 mei 2013. Dit onderzoek is bekend onder de naam 13INGOOIEN.
Verder is [verdachte] op 27 juli 2013 gecontroleerd in een huurauto. Op het huurcontract stond als tweede bestuurder vermeld: [medeverdachte 2] .
Op 12 januari 2014 worden [verdachte] en [medeverdachte 2] in Rotterdam staande gehouden in een
auto. En op 14 januari 2012 worden [medeverdachte 2] en [verdachte] wederom samen in een auto door
de politie staande gehouden. [verdachte] als bestuurder en [medeverdachte 2] als passagier.
In onderzoek 131NGOOIEN is tevens een mobiele telefoon van het merk Samsung in beslag
genomen onder [medeverdachte 2] . Op de telefoon waren foto’s aanwezig waarop [verdachte] was
afgebeeld.
ONDERZOEK POLITIESYSTEMEN [verdachte]
Uit dit onderzoek is gebleken dat [verdachte] op 5 oktober 2015 wordt gecontroleerd in een auto
op het pompeiland van tankstation [A] . [verdachte] is dan in bijzijn van :
* * * [betrokkene 1] * * *
Geboren op [geboortedatum] 1993 te [geboorteplaats]
Uit de politiesystemen is gebleken dat [verdachte] de navolgende bijnamen gebruikt: [naam 4] , [naam 6] , [naam 5] en [naam 2] .”
2.6
De steller van het middel betoogt dat dit bewijsmiddel een ontoelaatbare conclusie/gevolgtrekking van de verbalisant bevat over wat uit de inhoud van de politiesystemen blijkt ten aanzien van de door de verdachte gebruikte bijnamen. Het gaat hier volgens haar niet om een conclusie/gevolgtrekking die volgt op een weergave van de feiten en omstandigheden die zouden volgen uit de politiesystemen en aan de hand waarvan gezegd zou kunnen worden dat blijkt van het gebruik van de genoemde bijnamen door rekwirant, maar slechts de conclusie/gevolgtrekking dát dit uit de politiesystemen is gebleken.
2.7
Bij de bespreking van dit middel moet worden vooropgesteld dat art. 344 lid 1 sub 2 Sv aan het proces-verbaal van een opsporingsambtenaar de eis stelt dat het de mededeling betreft van feiten of omstandigheden die door de opsporingsambtenaar zelf zijn waargenomen of ondervonden. Een proces-verbaal van een opsporingsambtenaar dat meningen, gissingen of conclusies bevat, kan dus niet voor het bewijs worden gebruikt.1.Het trekken van conclusies en het doen van gevolgtrekkingen op basis van de feiten en omstandigheden die uit de bewijsmiddelen blijken, is immers het domein van de rechter.2.
2.8
Het als bewijsmiddel 6 gebruikte proces-verbaal van bevindingen is opgesteld door een opsporingsambtenaar die onderzoek heeft gedaan naar de relatie tussen de verdachte en zijn medeverdachte [medeverdachte 2] . Daarbij heeft hij onder meer onderzoek verricht naar de verdachte in de politiesystemen. De verbalisant relateert in dit verband bijvoorbeeld dat uit die politiesystemen is gebleken dat de verdachte meermalen is staande gehouden samen met de medeverdachte [medeverdachte 2] . Bij het onderzoek in de politiesystemen naar de verdachte blijkt ook dat hij op 5 oktober 2015 samen met [betrokkene 1] is gecontroleerd bij een tankstation. Ook blijkt uit deze politiesystemen – aldus de verbalisant – dat de verdachte gebruik maakt van de bijnamen [naam 4] , [naam 6] , [naam 5] en [naam 2] .
2.9
Anders dan de steller van het middel meent, gaat het hier in mijn ogen steeds niet om een conclusie of gevolgtrekking van de verbalisant, maar slechts om een waarneming dan wel constatering van de inhoud van het politiesysteem. Kennelijk is op basis van eerder onderzoek of reeds bij de politie bekende informatie in de politiesystemen opgenomen dat de verdachte gebruik maakt van de bijnamen [naam 4] , [naam 6] , [naam 5] en [naam 2] . Dat is wat de verbalisant in zijn onderzoek naar de verdachte in de politiesystemen heeft waargenomen, en dat is ook wat er vervolgens is geverbaliseerd. Dat uit het bewijsmiddel zelf niet blijkt op basis waarvan deze bijnamen in de politiesystemen aan de verdachte zijn gekoppeld, doet daar niets aan af.
2.10
De vergelijking die de steller van het middel in de toelichting trekt met een arrest van 9 februari 20213., gaat wat mij betreft niet op. In die zaak bevatte het ter discussie gestelde bewijsmiddel immers een door de verbalisant gemaakte samenvatting van een aantal OVC-gesprekken en daarbovenop nog conclusies van de verbalisant over wat uit de inhoud van die gesprekken kon worden afgeleid over de wetenschap van de verdachte over de handel van verdovende middelen door zijn zoon.4.Dat is het schoolvoorbeeld van een bewijsmiddel dat ontoelaatbare conclusies bevat en is niet te vergelijken met hetgeen de verbalisant in de onderhavige zaak heeft gerelateerd.
2.11
Als gezegd, gaat het in de onderhavige zaak – zoals ik het zie – om niet meer dan de feitelijke constatering van de verbalisant dat uit de politiesystemen blijkt dat de verdachte gebruik maakt van de bijnamen [naam 4] , [naam 6] , [naam 5] en [naam 2] . Het hof heeft die omstandigheid in zijn hiervoor onder 2.4 geciteerde bewijsoverweging vervolgens in verband gebracht met de omstandigheid dat het account [account 1] in de telefoons van andere Ennetcom-gebruikers is opgeslagen onder de namen [naam 2] en [naam 3] . Het hof heeft naar aanleiding daarvan overwogen dat deze bijnamen nagenoeg overeenkomen met de namen waaronder het account [account 1] door anderen is opgeslagen. Dat is de conclusie/gevolgtrekking die het hof op basis van de uit de bewijsmiddelen blijkende feiten en omstandigheden heeft getrokken en dat het daaraan redengevende betekenis heeft toegekend voor wat betreft het oordeel dat de verdachte de gebruiker is geweest van het account [account 1] , is niet onbegrijpelijk.
2.12
Het middel faalt.
3. Het tweede middel
3.1
Het middel richt zich tegen het oordeel van het hof dat sprake is van medeplegen van de voorbereiding van de moord op [slachtoffer] .
3.2
Ik herhaal dat het hof ten laste van de verdachte heeft bewezen verklaard dat:
“hij op 3 oktober 2015 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met anderen, ter voorbereiding van het misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven te beroven (zijnde moord, strafbaar gesteld in artikel 289 Wetboek van Strafrecht), waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld, opzettelijk
- een vuurwapen en
- (gestolen) voertuigen en
- PGP toestellen,
bestemd tot het begaan van dat misdrijf voorhanden heeft gehad.”
3.3
Het hof heeft ten aanzien van de bewezenverklaring het volgende overwogen:
“5.3.2 Medeplegen van voorbereiding van moord
Uit de bewijsmiddelen volgt dat op 3 oktober 2015 voorbereidingshandelingen zijn verricht om [slachtoffer] op die dag van het leven te beroven. Het hof dient de vraag te beantwoorden of de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen hiervan en overweegt hiertoe als volgt.
Het hof stelt voorop dat voor de kwalificatie medeplegen is vereist dat sprake is van nauwe en bewuste samenwerking. Die kwalificatie is slechts gerechtvaardigd als de bewezenverklaarde – intellectuele en/of materiële – bijdrage aan het delict van de verdachte van voldoende gewicht is. Een en ander brengt mee dat indien het tenlastegelegde medeplegen in de kern niet bestaat uit een gezamenlijke uitvoering, maar uit gedragingen die met medeplichtigheid in verband plegen te worden gebracht (zoals het verstrekken van inlichtingen, op de uitkijk staan, helpen bij de vlucht), op de rechter de taak rust om in het geval dat hij toch tot een bewezenverklaring van het medeplegen komt, in de bewijsvoering – dus in de bewijsmiddelen en zo nodig in een afzonderlijke bewijsoverweging – dat medeplegen nauwkeurig te motiveren. Bij de vorming van zijn oordeel dat sprake is van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking, kan de rechter rekening houden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip. (vgl. Hoge Raad 20 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2126, NJ 2016/420, met noot N. Rozemond)
Op basis van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting stelt het hof het volgende vast.
Op 3 oktober 2015 had [medeverdachte 3] contact met een persoon in de Sporthallen Zuid te Amsterdam, alwaar [slachtoffer] aanwezig was. [medeverdachte 3] gaf aan de schutter, die op een brug stond, meerdere keren door hoe [slachtoffer] gekleed was en dat hij bijna naar buiten zou komen. Ook gaf hij aan de schutter door dat [slachtoffer] niet met de brommer/scooter, maar lopend zou zijn. [medeverdachte 3] had hierover contact met [medeverdachte 2] en hield hem op de hoogte. Ook de verdachte communiceerde met [medeverdachte 2] . Aan de schutter was een motorscooter afgegeven.
Om 22.14 uur stuurt de verdachte een mailwisseling door aan [medeverdachte 2] . Uit deze mailwisseling blijkt dat de verdachte contact heeft met ‘ [betrokkene 2] ’. Het hof stelt op basis van de bewijsmiddelen vast dat ‘ [betrokkene 2] ’ de beoogd schutter is.
Om 21.04 uur stuurt [medeverdachte 2] een signalement (blauw Adidastrainingspak, Adidasschoen en een Louis Vuittontasje) dat hij even daarvoor van [medeverdachte 3] heeft gekregen door aan ‘ [naam 9] ’.
‘ [betrokkene 2] ’ stuurt om 21.38 uur aan de verdachte dat hij risico voor niets neemt, dat hij de motor helemaal naar oost moet brengen en zo niet meer gaat werken. Verder stuurt hij dat hij werkt op honderd procent en geen risico voor niets neemt. ‘ [betrokkene 2] ’ stuurt een berichtenwisseling met [medeverdachte 3] door aan de verdachte. Het hof leidt uit het dossier af dat ‘ [betrokkene 2] ’ in de telefoon van [medeverdachte 3] stond opgeslagen als ‘ [naam 9] ’. Uit deze berichtenwisseling, vanaf 21.18 uur, blijkt dat ‘ [naam 9] ’ op dat moment voor de deur op de brug stond en iedereen zag die naar buiten kwam. [medeverdachte 3] gaf aan dat hij niet te missen is en dat hij dik is, met een trainingspak. ‘ [naam 9] ’ vraagt aan [medeverdachte 3] of hij zijn vriend kan vragen of hij er nog is. [medeverdachte 3] geeft daarop aan dat zijn vriend (het hof begrijpt: de persoon in de sporthal) al weg is, maar dat hij had gezegd dat ‘die bolle’ nog binnen is. [medeverdachte 3] schrijft aan ‘ [naam 9] ’ dat hij nog even moet wachten en dan maar weg moet gaan.
[medeverdachte 2] stuurt de verdachte om 22.25 uur een berichtenwisseling door tussen [medeverdachte 3] (‘ [naam 8] ’) en ‘ [naam 9] ’. Uit deze berichtenwisseling, vanaf 21.08 uur, blijkt dat [medeverdachte 3] – die in de telefoon van ‘ [naam 9] ’ staat opgeslagen als ‘ [naam 10] ’ – aan ‘ [naam 9] ’ een signalement (blauw Adidastrainingspak, Adidasschoen, een Louis Vuittontasje en dik) heeft doorgegeven en heeft aangegeven goed op te letten omdat hij ieder moment naar buiten kan komen. ‘ [naam 9] ’ antwoordt dat hij die bolle niet ziet.
[medeverdachte 2] stuurt om 22.27 uur een bericht aan de verdachte waarvan de vertaling luidt: “vaak tegen hem uitgelegd/gezegd om niet op scooter te letten. Dus vertel aan haar om niet alleen bitch te lopen doen. Huilen bij jou(w) blood wat is dat? Wat wilt ze/hij nog meer dat wij de kerel buiten zetten en hem ook bellen/roepen?”. De verdachte antwoordt “Ik heb gelezen ook hem gezegt”.
Op 4 oktober 2015 communiceren de verdachte en [medeverdachte 2] weer met elkaar. Ook uit deze communicatie blijkt dat de verdachte contact heeft met de beoogde schutter die op de brug heeft gestaan. Volgens de verdachte heeft deze persoon gezegd dat hij alles kon zien. [medeverdachte 2] reageert met boze berichten. Volgens [medeverdachte 2] kan je op die brug niemand zien “om te vegen”. Vanaf die brug zie je niemand naar buiten lopen. De verdachte moet tegen die man zeggen dat als hij wil werken, hij moet werken en niet met shit moet komen. De verdachte geeft aan [medeverdachte 2] aan dat hij heeft gezegd “hoe kan die man weg gaan zonder dat je hem hebt gezien”.
Op 5 oktober 2015 stuurt ‘ [naam 9] ’ om 14.12 uur aan [medeverdachte 2] : “ben je nog dan kom ik met [naam 2] maar jou dan praatte we beeter bro”. [medeverdachte 2] stuurt terug dat hij er is, dat hij die man zo ziet en dat ze straks gaan praten. [medeverdachte 3] vraagt om 22.21 uur aan [medeverdachte 2] wat [naam 2] zegt en vraagt hem wat [naam 2] wel en niet wil. [medeverdachte 2] stuurt terug dat hij hem (het hof begrijpt: [naam 2] ) morgen ziet.
Op 6 oktober 2015 stuurt ‘ [naam 9] ’ een bericht aan [medeverdachte 2] waarin hij meedeelt dat hij vandaag bij ‘ [...] ’ die ‘pipas’ (het hof begrijpt: vuurwapens) op heeft gehaald en van hem hoorde dat die auto, die BMW, door de politie is meegenomen. Eerder, op 3 oktober 2015 om 18.32 uur, had ‘ [naam 9] ’ aan [medeverdachte 2] bericht: “zo ga ik die auto zette en daarna na oost die motro (motor) hallen”. Het hof leidt hieruit af dat er naast een motor – waarvan verdere gegevens onbekend zijn gebleven – ook een BMW voorhanden was om bij de liquidatie te worden gebruikt. In de nacht van 3 op 4 oktober 2015 is in Amsterdam een BMW met valse kentekenplaten inbeslaggenomen.
Het hof stelt op basis van het voorgaande het volgende vast.
Zowel de beoogd schutter als [medeverdachte 2] houden tijdens de op [slachtoffer] gerichte observatie op 3 oktober 2015 contact met de verdachte. De schutter beklaagt zich tegen de verdachte over hoe de observatie loopt en meldt dat hij zo niet wil werken. [medeverdachte 2] stuurt de verdachte een bericht waaruit blijkt dat hij “hem” (het hof begrijpt: de schutter) heeft gezegd dat hij niet op de scooter moet letten en vraagt de verdachte wat het is dat hij bij de verdachte komt uithuilen. De verdachte geeft aan dat hij het “hem” ook heeft gezegd. Ook op 4 oktober 2015 zijn er berichten verstuurd waaruit blijkt dat de verdachte contact heeft met de beoogd schutter. De verdachte zegt tegen [medeverdachte 2] dat hij heeft gezegd “hoe kan die man weg gaan zonder dat je hem hebt gezien”. Het hof leidt hieruit af dat de verdachte verantwoording verwachtte van de schutter. Op 5 oktober 2015 hebben de schutter en [medeverdachte 2] vervolgens contact over een ontmoeting met elkaar en ‘ [naam 2] ’, de verdachte. Het hof leidt hieruit af dat de schutter, [medeverdachte 2] en de verdachte met elkaar zouden gaan praten over de mislukte liquidatie.
Op grond van het voorgaande is het hof van oordeel dat de verdachte als tussenpersoon een coördinerende rol heeft gehad in het contact met de schutter, waarmee hij een substantiële en wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan de voorbereiding van de liquidatie van [slachtoffer] . Hiermee is de voor medeplegen vereiste voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en de medeverdachten komen vast te staan. Hoewel geen sprake is van een gezamenlijke uitvoering, is de bijdrage van de verdachte aan het tenlastegelegde naar het oordeel van het hof van zodanig gewicht dat deze kan worden aangemerkt als medeplegen. Daarmee acht het hof het primair tenlastegelegde bewezen.
Het hof overweegt ten overvloede – anders dan het Openbaar Ministerie – van oordeel te zijn dat op basis van de berichten niet valt vast te stellen dat de verdachte de beoogd schutter heeft geregeld. Dit maakt het oordeel van het hof evenwel niet anders.”
3.4
Uit de bewijsvoering van het hof blijkt dat de beoogd schutter die in de avond van 3 oktober 2015 stond te wachten tot [slachtoffer] , het beoogde slachtoffer, naar buiten zou komen. Nadat de schutter om 21:04 het signalement van [slachtoffer] heeft gekregen, stuurt hij om 21:38 aan de verdachte dat hij “risico voor niets neemt, dat hij de motor helemaal naar oost moet brengen en zo niet meer gaat werken”. Hij stuurt ook dat hij werkt op honderd procent en geen risico voor niets neemt. Ook stuurt de schutter een berichtenwisseling met [medeverdachte 3] aan de verdachte door, waaruit blijkt dat hij om 21:18 klaar stond en iedereen zag die naar buiten kwam. De verdachte stuurt zijn berichtenwisseling met de schutter vervolgens door naar [medeverdachte 2] , waarna de verdachte en [medeverdachte 2] nog enige berichten uitwisselen over de beoogd schutter. [medeverdachte 2] stuurt onder meer: “Wat wilt ze/hij nog meer dat wij de kerel buiten zetten en hem ook bellen/roepen?”, waarop de verdachte antwoordt met: “Ik heb gelezen ook hem gezegt”.
3.5
Verder blijkt uit de bewijsvoering dat de verdachte in de dagen na 3 oktober 2015 steeds als het ware als tussenpersoon in de communicatie tussen de schutter en [medeverdachte 2] fungeert. Op 4 oktober 2015 zegt de verdachte bijvoorbeeld dat de schutter heeft gezegd dat hij alles vanaf de brug kon zien, waarop [medeverdachte 2] vervolgens boos reageert omdat je vanaf die brug “niemand naar buiten [ziet] lopen”. De verdachte zegt vervolgens dat hij ook tegen de schutter heeft gezegd “hoe kan die man weg gaan zonder dat je hem hebt gezien”, waaruit het hof heeft afgeleid dat de verdachte verantwoording verwachtte van de schutter. Ook hebben de verdachte, de schutter en [medeverdachte 2] op 5 oktober 2015 contact over een ontmoeting met elkaar en ‘ [naam 2] ’, de verdachte, waaruit het hof niet onbegrijpelijk heeft afgeleid dat zij met elkaar zouden gaan praten over de mislukte liquidatie.
3.6
De vraag is vervolgens of de rol die de de verdachte heeft gespeeld voldoende is om hem als medepleger van de voorbereiding van de liquidatie van [slachtoffer] te kunnen aanmerken.
3.7
Bij de beantwoording van die vraag is van belang dat slechts van medeplegen kan worden gesproken als de intellectuele en/of materiële bijdrage aan het delict van de verdachte van voldoende gewicht is.5.Over de bijdrage van de medepleger heeft de Hoge Raad in zijn arrest van 2 december 2014 het volgende overwogen:
“De bijdrage van de medepleger zal in de regel worden geleverd tijdens het begaan van het strafbare feit in de vorm van een gezamenlijke uitvoering van het feit. Maar de bijdrage kan ook zijn geleverd in de vorm van verscheidene gedragingen voor en/of tijdens en/of na het strafbare feit. Ook is niet uitgesloten dat de bijdrage in hoofdzaak vóór het strafbare feit is geleverd. (Vgl. bijvoorbeeld HR 3 juli 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW9972, NJ 2012/452). Zeker in dergelijke, in zekere zin afwijkende of bijzondere, situaties dient in de bewijsvoering aandacht te worden besteed aan de vraag of wel zo bewust en nauw is samengewerkt bij het strafbare feit dat van medeplegen kan worden gesproken, in het bijzonder dat en waarom de bijdrage van de verdachte van voldoende gewicht is geweest. Dat geldt in nog sterkere mate indien het hoofdzakelijk gaat om gedragingen die na het strafbare feit zijn verricht. (Vgl. HR 9 april 2013 ECLI:NL:HR:2013:BZ6505, NJ 2013/229). Een geringe rol of het ontbreken van enige rol in de uitvoering van het delict zal in dergelijke uitzonderlijke gevallen wel moeten worden gecompenseerd, bijvoorbeeld door een grote(re) rol in de voorbereiding.”6.
3.8
In de onderhavige zaak doet zich de situatie voor waarin de door het hof vastgestelde bijdrage van de verdachte zich hoofdzakelijk ná het strafbare feit heeft afgespeeld. Het bewezenverklaarde feit – de op 3 oktober 2015 gepleegde voorbereiding van de moord op [slachtoffer] – ziet immers op de feitelijke situatie dat de schutter in de avond van 3 oktober 2015 op een brug stond te wachten totdat [slachtoffer] uit de sporthal zou komen om hem daarna om het leven te brengen, terwijl het eerste contact tussen de verdachte en de schutter op 3 oktober 2015 pas plaatsvindt nadat de schutter kennelijk heeft besloten dat hij dit plan die avond niet zou uitvoeren. In dit geval rustte mijns inziens op het hof de verplichting om in de bewijsvoering bijzondere aandacht te besteden aan de vraag of de verdachte wel zo bewust en nauw heeft samengewerkt bij het strafbare feit dat van medeplegen kan worden gesproken.
3.9
Het hof heeft op grond van de hiervoor onder 3.4 en 3.5 beschreven gedragingen van de verdachte geoordeeld dat hij “als tussenpersoon een coördinerende rol heeft gehad in het contact met de schutter”. Het hof heeft vervolgens overwogen dat de verdachte daarmee “een substantiële en wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan de voorbereiding van de liquidatie van [slachtoffer] ”. Daarbij heeft het hof heeft onderkend dat geen sprake is van gezamenlijke uitvoering van het feit, maar vervolgens geoordeeld dat de bijdrage van de verdachte wel van zodanig gewicht is dat deze kan worden aangemerkt als medeplegen.
3.10
Dat het hof heeft geoordeel dat de verdachte “als tussenpersoon een coördinerende rol” heeft gehad in het contact met de schutter, kan ik tot op zekere hoogte nog wel volgen. Uit de vaststellingen van het hof blijkt vrij letterlijk dat de verdachte in het contact met de schutter en met [medeverdachte 2] de rol van een “tussenpersoon” heeft gespeeld. Hij heeft immers contact met zowel de schutter als met [medeverdachte 2] en spreekt ook met [medeverdachte 2] over het contact dat hij heeft met de schutter, terwijl hij bovendien aanwezig zou zijn bij een ontmoeting tussen de schutter en [medeverdachte 2] om het over de mislukte liquidatie te hebben.
3.11
Zoals het hof zelf ook heeft vastgesteld, blijkt uit de bewijsvoering echter niet dat de verdachte enige betrokkenheid heeft gehad bij de feitelijke uitvoering van de voorbereiding van de moord op [slachtoffer] . Ook ligt in de vaststellingen van het hof over de gedragingen van de verdachte na het bewezen verklaarde feit niet besloten dat hij reeds eerder betrokken was bij het plan om [slachtoffer] om het leven te brengen. Iets dergelijks heeft het hof ook niet vastgesteld. Uit de bewijsvoering kan zelfs niet worden afgeleid dat de verdachte, voorafgaand aan het moment waarop de schutter hem het eerste bericht heeft gestuurd, reeds op de hoogte was van dat plan. Integendeel, uit het feit dat [medeverdachte 2] aan de verdachte vraagt ‘wat het is dat de schutter bij hem komt uithuilen’, zou wat mij betreft kunnen worden afgeleid dat de verdachte oorspronkelijk geen rol had in dat plan. Wat overblijft is dat de verdachte na het door de schutter geïnitieerde contact op meerdere momenten als een doorgeefluik heeft gefunctioneerd tussen de schutter en [medeverdachte 2] . Afgezien van de overweging dat de verdachte daarmee “als tussenpersoon een coördinerende rol” in het contact met de schutter heeft gespeeld, heeft het hof niet uitgelegd waarom deze gedragingen van de verdachte – die dus plaats hebben gevonden nadat het bewezen verklaarde feit reeds was voltooid – kunnen worden aangemerkt als een bijdrage van zodanig gewicht dat van medeplegen kan worden gesproken. Al met al acht ik het oordeel van het hof niet zonder meer begrijpelijk.
3.12
Het middel slaagt.
4. Het derde middel
4.1
Het middel bevat de klacht dat de overweging van het hof dat het uitgaat van een duur van de redelijke termijn van twee jaren per instantie en het daarop volgende oordeel dat er geen sprake is van schending van de redelijke termijn, getuigt van een onjuiste rechtsopvatting.
4.2
Het hof heeft ten aanzien van de redelijke termijn in hoger beroep het volgende overwogen:
“In artikel 6, eerste lid, EVRM is het recht van iedere verdachte gewaarborgd om binnen een redelijke termijn te worden berecht. Die termijn vangt aan op het moment dat vanwege de Nederlandse Staat jegens de betrokkene een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem ter zake van een bepaald strafbaar feit door het Openbaar Ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld. Het eerste verhoor van de verdachte door de politie heeft niet per definitie als een zodanige handeling te gelden. Wel dienen de inverzekeringstelling van de verdachte en de betekening van de inleidende dagvaarding als een zodanige handeling te worden aangemerkt.
Als uitgangspunt heeft in deze zaak te gelden dat de behandeling ter terechtzitting dient te zijn afgerond met een einduitspraak binnen 2 jaren nadat de redelijke termijn is aangevangen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden die kunnen zijn gelegen in de ingewikkeldheid en omvang van de zaak, de invloed van de verdachte en zijn raadsman op het procesverloop en de wijze waarop de zaak door de bevoegde autoriteiten is behandeld.
Het hof gaat uit van een duur van de redelijke termijn van 2 jaren (per instantie). In eerste aanleg heeft de verdachte zich in het geheel niet in voorlopige hechtenis bevonden. Voor de fase in hoger beroep geldt dat de verdachte, die op 19 januari 2022 hoger beroep heeft ingesteld, zich eerst sinds 20 oktober 2023 in Nederland in voorlopige hechtenis bevindt. Hiervóór verbleef hij in Colombia, alwaar hij op 8 november 2022 is aangehouden en op 16 november 2022 op verzoek van de Nederlandse autoriteiten ter fine van uitlevering gevangen is genomen.
Het hof is van oordeel dat in deze zaak de aanvangsdatum van de redelijke termijn moet worden gesteld op 20 november 2019, de datum waarop de dagvaarding is betekend. De rechtbank heeft uitspraak gedaan op 19 januari 2022. Dit betekent dat de termijn van 2 jaar is overschreden.
Het hof is echter van oordeel dat sprake is van bijzondere omstandigheden die met name zijn gelegen in de ingewikkeldheid en omvang van de zaak, die onderdeel uitmaakt van de megazaak Himalaya.
De eerste aanhoudingen in deze megazaak hebben in april 2018 plaatsgevonden. De politie heeft het einddossier – ondanks voortdurende activiteit – echter niet eerder kunnen afronden dan in oktober 2019, als gevolg van met name het intensieve onderzoek aan de Ennetcomberichten. Vervolgens is het dossier in november 2019 door het Openbaar Ministerie onder de rechtbank en de raadslieden verspreid, waarna reeds in januari 2020 een regiezitting is gehouden. Oorspronkelijk waren in deze zaak tien verdachten gedagvaard. Het dossier beslaat in totaal meer dan vijftig ordners. Naar aanleiding van de regiezitting zijn in meerdere zaken diverse getuigen gehoord bij de rechter-commissaris en hebben ook verschillende raadslieden het NFI bezocht voor inzage in het systeem Hansken. Voor de inhoudelijke behandeling ter terechtzitting – waarbij, in het belang van alle zaken, sprake was van gelijktijdige behandeling van alle zaken – dienden vele zittingsdagen te worden uitgetrokken, ook in verband met het uitoefenen van het spreekrecht door diverse nabestaanden/slachtoffers en het bespreken van vorderingen van benadeelde partijen. Daarbij heeft de rechtbank bovendien rekening moeten houden met de omstandigheid dat vanwege veiligheidsaspecten rondom deze zaak, de behandeling grotendeels heeft moeten plaatsvinden in een extra beveiligde zittingszaal, waarvan de beschikbare capaciteit beperkt is.
Het hof acht vanwege deze bijzondere omstandigheden een termijn van 2 jaren en 2 maanden gerechtvaardigd. Dit betekent dat de redelijke termijn niet is geschonden. Ook in hoger beroep is daarvan geen sprake.”
4.3
De steller van het middel klaagt over het oordeel van het hof dat er in hoger beroep geen sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn. Volgens haar is het hof ten onrechte uitgegaan van een redelijke termijn van twee jaren. Nu de verdachte van 16 november 2022 t/m 19 oktober 2023 in uitleveringsdetentie heeft gezeten in Colombia en vervolgens van 20 oktober 2023 t/m 22 december 2023 (de dag van het arrest van het hof) in Nederlandse voorlopige hechtenis, had het hof uit moeten gaan van een redelijke termijn van zestien maanden.
4.4
Uit het overzichtsarrest van 17 juni 2008 over de redelijke termijn volgt dat, indien de verdachte in voorlopige hechtenis verkeert, bij de berechting van de zaak in hoger beroep in de regel sprake is van overschrijding van de redelijke termijn als de behandeling van de zaak ter terechtzitting niet binnen zestien maanden na de aanvang van de redelijke termijn respectievelijk het instellen van het rechtsmiddel is afgerond met een einduitspraak. In zaken waarin geen sprake is van voorlopige hechtenis, heeft als uitgangspunt te gelden dat het hoger beroep met een einduitspraak behoort te zijn afgerond binnen twee jaar nadat het rechtsmiddel is ingesteld.7.
4.5
In de onderhavige zaak heeft het hoger beroep ongeveer 23 maanden geduurd, van 19 januari 2022 (instellen rechtsmiddel) tot en met 22 december 2023 (eindarrest). In deze periode heeft de verdachte zich ongeveer twee maanden in voorlopige hechtenis bevonden, namelijk van 20 oktober 2023 tot en met 22 december 2023. Het hof heeft op grond hiervan kennelijk tot uitgangspunt genomen dat de verdachte niet in voorlopige hechtenis verkeerde, zodat de behandeling van de zaak in hoger beroep binnen twee jaar behoorde te zijn afgerond.8.Daarbij heeft het hof kennelijk geoordeeld dat de door de verdachte ondergane uitleveringsdetentie in Colombia (van 16 november 2022 tot en met 19 oktober 2023) in dit verband buiten beschouwing moet worden gelaten en dus niet maakt dat moet worden uitgegaan van een redelijke termijn in hoger beroep van zestien maanden. De hieruit voortvloeiende rechtsvraag is of bij de bepaling van het uitgangspunt van de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 lid 1 EVRM enkel moet worden gekeken naar de door de verdachte ondergane voorlopige hechtenis of dat ook andere vormen van (voorlopige) vrijheidsbeneming in dit verband moeten worden meegenomen.
4.6
Hoewel dat een interessante vraag is, zal die in de onderhavige cassatieprocedure niet door de Hoge Raad kunnen worden beantwoord. Vaste rechtspraak van de Hoge Raad is namelijk dat in cassatie niet met vrucht kan worden geklaagd over het oordeel omtrent de overschrijding van de redelijke termijn als gevolg van het tijdsverloop vóór de bestreden uitspraak wanneer de zaak in laatste feitelijke aanleg in tegenwoordigheid van de verdachte en/of diens raadsman is behandeld en ter terechtzitting een dergelijk verweer niet is gevoerd.9.In zo een geval neemt de Hoge Raad aan dat de verdachte niet langer dan redelijk is onder de dreiging van een (verdere) strafvervolging heeft geleefd.10.
4.7
Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 17 november 2023 is de zaak behandeld in aanwezigheid van de verdachte en zijn raadsman en is door of namens de verdachte geen verweer gevoerd omtrent de overschrijding van de redelijke termijn.11.
4.8
Het middel kan niet tot cassatie leiden.
5. Slotsom
5.1
Het tweede middel slaagt. Het eerste en het derde middel falen en kunnen worden afgedaan met de aan art. 81 lid 1 RO ontleende motivering.
5.2
Ambtshalve merk ik op dat de redelijke termijn in cassatie zal worden overschreden indien de Hoge Raad uitspraak doet na 29 april 2025. Verder heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
5.3
Deze conclusie strekt tot vernietiging van de uitspraak van het hof en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof te Amsterdam, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 08‑04‑2025
Zie A.J.A. van Dorst & M.J. Borgers, Cassatie in strafzaken, Deventer: Wolters Kluwer 2022, p. 338-339; G.J.M. Corstens, Het Nederlands strafprocesrecht, bewerkt door M.J. Borgers en T. Kooijmans, Deventer: Wolters Kluwer 2021, p. 821-823 en p. 862. Zie ook HR 15 november 2011, ECLI:NL:HR:2011:BR2847, rov. 3.3.
Vgl. recent HR 11 maart 2025, ECLI:NL:HR:2025:326, rov. 2.3.
HR 9 februari 2021, ECLI:NL:HR:2021:192, NJ 2021/110, m.nt. W.H. Vellinga.
HR 9 februari 2021, ECLI:NL:HR:2021:192, NJ 2021/110, m.nt. W.H. Vellinga, rov. 2.4.1.
Zie HR 2 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3474, NJ 2015/390, m.nt. P.A.M. Mevis, HR 24 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:718, NJ 2015/395, m.nt. P.A.M. Mevis en HR 5 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1316, NJ 2016/411, m.nt. N. Rozemond.
HR 2 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3474, NJ 2015/390, m.nt. P.A.M. Mevis, rov. 3.2.3.
HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578, NJ 2008/358, m.nt. P.A.M. Mevis, rov. 3.14-3.16.
Vgl. bijvoorbeeld HR 15 juni 2021, ECLI:NL:HR:2021:893, rov. 3.4.
Zie bijvoorbeeld HR 23 juni 2020, ECLI:NL:HR:2020:1094, rov. 3.3, waarin wordt verwezen naar HR 3 oktober 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA7309, NJ 2000/271, m.nt. J. de Hullu, rov. 3.9 en HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578, NJ 2008/358, m.nt. P.A.M. Mevis, rov. 3.9.
HR 7 november 2017, ECLI:NL:HR:2017:2817, rov. 2.3.
De opmerking van de raadsman dat de verdachte “lange tijd in Colombia vast heeft gezeten in lastige detentieomstandigheden” en dat de raadsman het hof heeft gevraagd om daar “rekening mee te houden”, kan wat mij betreft niet worden aangemerkt als een verweer in de bedoelde zin. Vgl. HR 13 februari 2024, ECLI:NL:HR:2024:168, rov. 2.3.
Beroepschrift 22‑08‑2024
De Hoge Raad der Nederlanden
te 's‑Gravenhage
SCHRIFTUUR IN CASSATIE
Datum betekening: 10 juli 2024
Geacht College,
Ondergetekende,
mr. D.N. de Jonge, advocaat te Rotterdam, kantoorhoudende op het adres Oudehoofdplein 4 (3011 TM) te Rotterdam (Cleerdin & Hamer Advocaten), die in deze zaak bepaaldelijk is gevolmachtigd door rekwirant in cassatie:
de heer [verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1976 te [geboorteplaats] (Nederlandse Antillen),
thans verblijvende in de [woonplaats], [adres] te [woonplaats],
heeft hierbij de eer aan uw College te doen toekomen een schriftuur in cassatie ten vervolge op het tijdig ingestelde beroep in cassatie tegen het arrest, alsmede de tussenbeslissingen van het Gerechtshof te Amsterdam, gewezen tegen rekwirant in de zaak met parketnummer 23/000190-22.
In deze zaak heeft het Gerechtshof te Amsterdam bij arrest van 22 december 2023 rekwirant veroordeeld tot een gevangenisstraf van 7 jaren wegens het medeplegen van voorbereiding moord.
Het beroep in cassatie tegen bovenvermeld arrest is tijdig, te weten op 29 december 2023, ingesteld door S. Demirkaya, griffier bij het Gerechtshof Amsterdam.
Rekwirant voert de navolgende middelen van cassatie aan:
I. Schending van de artt. 46, 47 en 289 Sr en/of de artt. 301, 344, 350, 358, 359 en 415 Sv en/of art 6 EVRM, althans en in elk geval schending en/of onjuiste toepassing van het recht en/of verzuim van vormen
Meer in het bijzonder is de bewezenverklaring dat rekwirant tezamen en in vereniging met anderen ter voorbereiding van het te plegen misdrijf moord opzettelijk een vuurwapen en (gestolen) voertuigen en PGP toestellen bestemd tot het begaan van dat misdrijf voorhanden heeft gehad niet naar de eis der wet met redenen omkleed, althans niet begrijpelijk en in ieder geval niet voldoende begrijpelijk gemotiveerd. Immers heeft het Hof in strijd met artikel 359 lid 3 Sv de beslissing dat het tenlastegelegde feit door rekwirant (als gebruiker van een PGP-account [account 1]) is begaan, niet doen steunen op de inhoud van de bewijsmiddelen die de voor die beslissing redengevende feiten en omstandigheden bevatten en/of heeft het Hof een proces-verbaal van bevindingen van een verbalisant in de bijlage met bewijsmiddelen (als bewijsmiddel 6) opgenomen op een zodanige wijze dat het Hof een verklaring heeft gebruikt die een voor het bewijs ontoelaatbare conclusie/gevolgtrekking inhoudt — te weten (enkel) dat ‘Uit de politiesystemen is gebleken dat [verdachte] de navolgende bijnamen gebruikt: [naam 4], [naam 6], [naam 5] en [naam 2]’ — terwijl (ook indien de door het Hof gemaakte conclusie/gevolgtrekking overeenkomt met de conclusie/gevolgtrekking in de verklaring) geldt dat het Hof met voldoende mate van nauwkeurigheid (a) de feiten of omstandigheden had moeten aanduiden en (b) het wettige bewijsmiddel had moeten aangeven waaraan die feiten of omstandigheden zijn ontleend en waarop de conclusie/gevolgtrekking berust, alsmede feiten of omstandigheden vermeld in processen-verbaal of andere schriftelijke bescheiden had moeten voorlezen ter terechtzitting of de korte inhoud daarvan had moeten mededelen. Aan deze voorschriften is niet voldaan, het enkele herhalen van de conclusie/gevolgtrekking in de nadere bewijsoverweging volstaat daartoe geenszins, en nog eens te minder nu de verklaring van de verbalisant inhoudende de conclusie/gevolgtrekking door en namens rekwirant is betwist en is gesteld dat uit een aanvullend proces-verbaal aangaande de bijnamen van rekwirant blijkt dat het bronmateriaal op grond waarvan de verklaring van de verbalisant is opgenomen in het gebezigde bewijsmiddel 6 niet (meer) beschikbaar was. Het oordeel van het Hof is daarom ontoereikend gemotiveerd en het arrest kan dan ook niet in stand blijven.
Toelichting
Het Hof is in het arrest d.d. 22 december 2023 tot een bewezenverklaring gekomen, daarin is bewezenverklaard dat:
‘hij op 3 oktober 2015 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met anderen, ter voorbereiding van het misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven te beroven (zijnde moord, strafbaar gesteld in artikel 289 Wetboek van Strafrecht), waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld, opzettelijk
- —
een vuurwapen en
- —
(gestolen) voertuigen en
- —
PGP toestellen,
bestemd tot het begaan van dat misdrijf voorhanden heeft gehad.’
Het Hof is, in de kern, tot een bewezenverklaring van de betrokkenheid van rekwirant (en kwalificatie van die betrokkenheid als medeplegen) bij de voorbereiding van de moord op [slachtoffer] gekomen op basis van de inhoud van (onderlinge) PGP-communicatie. Sprake zou zijn van contact tussen rekwirant en de beoogde schutter, alsmede tussen rekwirant en [medeverdachte 2]. Onder 5.3.2 in het arrest heeft het Hof nadere bewijsoverwegingen gewijd waarin de redengevend geachte communicatie wordt beschreven en daar in het kader van het oordeel omtrent het medeplegen vaststellingen over worden gedaan. Deze vaststellingen zijn gebaseerd op bewijsmiddel 4. Uiteindelijk komt het Hof tot het oordeel dat rekwirant als tussenpersoon een coördinerende rol heeft gehad in het contact met de schutter, waarmee hij blijkens de overwegingen van het Hof een substantiële en wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan de voorbereiding van de liquidatie van [slachtoffer]. Uit zowel die nadere bewijsoverwegingen als de gebezigde bewijsmiddelen (1 t/m 11) in Bijlage II bij het arrest, volgt geen andere wijze van betrokkenheid. In het bijzonder volgt daaruit niet dat rekwirant zelf (feitelijk/onmiddellijk) enige mate van betrokkenheid heeft gehad bij het voorhanden hebben van een vuurwapen en gestolen voertuigen, dan wel het voorhanden hebben van PGP toestellen, welke voorwerpen bestemd waren tot het begaan van de moord. Voor wat de PGP-toestellen betreft volgt uit de bewijsmiddelen (bijvoorbeeld) niet dat rekwirant op enig moment aantoonbaar in het bezit van een PGP toestel is geweest, een dergelijke telefoon is aangetroffen op een verblijfslocatie van hem etc.
Het Hof komt dan ook (enkel) tot het oordeel dat rekwirant — zoals bewezen is verklaard — als medepleger betrokken is bij de voorbereiding van de liquidatie nadat het Hof onder 5.3.1 in het arrest heeft geconcludeerd dat rekwirant de gebruiker is geweest van het redengevend geachte account [account 1]. Dit account stond in de wel bij een doorzoeking aangetroffen PGP-telefoon van medeverdachte [medeverdachte 2] opgeslagen als '[naam 1] !'.1. De identificatie van rekwirant als zijnde de gebruiker van het account [account 1] — welk gebruik hij heeft ontkend en uitvoerig en onderbouwd is betwist door zijn raadsman C.W. Flokstra blijkens diens overgelegde pleitnotities — is blijkens het arrest gebaseerd op een aantal omstandigheden die samengevat inhouden (arrest p. 2 en 3):
- —
[account 1] heeft op 3 oktober 2015 PGP-contact met [medeverdachte 2], rekwirant heeft verklaard dat [medeverdachte 2] een kennis van hem is en medeverdachte [medeverdachte 3] heeft verklaard dat rekwirant een vriend is van [medeverdachte 2];
- —
Een deel van de communicatie tussen [account 1] en [medeverdachte 2] is in het Papiaments, rekwirant is geboren op [geboorteplaats] waar Papiaments een officiële taal is;
- —
In de telefoons van andere Ennetcomgebruikers staat [account 1] opgeslagen onder de namen [naam 2] en [naam 3], waarbij het Hof constateert dat de bijnamen van rekwirant die bij de poltiie bekend zijn nagenoeg overeenkomen met de namen waaronder [account 1] wordt opgeslagen;
- —
Op 3 en 4 oktober 2015 stuurt [account 1] naar [medeverdachte 2] berichten waaruit een nauw contact met ‘[betrokkene 1]’ blijkt. Rekwirant is op 5 oktober 2015 in een auto gecontroleerd in het bijzijn van [betrokkene 1], waarvan rekwirant heeft verklaard dat zij in 2015 en relatie met haar had. Het Hof constateert dat de namen ‘[betrokkene 1]’ en ‘[betrokkene 1]’ nagenoeg overeenkomen.
Aangezien in dit middel wordt geklaagd over het bezigen van een proces-verbaal van bevindingen als bewijsmiddel 6 en daaraan het hierboven geformuleerde 3e gedachtestreepje moet worden ontleend, wordt die overweging hier in het geheel geciteerd (p. 3 arrest):
‘In de telefoons van andere Ennetcomgebruikers staat account [account 1] opgeslagen onder de namen [naam 2] en [naam 3]. Uit de politiesystemen is gebleken dat de verdachte gebruik maakt van de bijnamen [naam 2], [naam 4], [naam 5] en [naam 6]. De verdachte had in 2015 rastahaar. Het hof constateert dat de bijnamen van de verdachte die bij de politie bekend zijn, nagenoeg overeenkomen met de namen waaronder het account [account 1] door anderen wordt opgeslagen. Daarbij kent het hof vooral betekenis toe aan de naam [naam 3]/[naam 4]/[naam 5]/[naam 6].’
Uit de bewijsmiddelen blijkt enkel in bewijsmiddel 6 iets over bijnamen die vermeend aan rekwirant te relateren zijn (en redengevend zijn geacht voor de identificatie van rekwirant als de gebruiker van het account [account 1]). Meer in het bijzonder is als bewijsmiddel 6 gebezigd een proces-verbaal van bevindingen d.d. 27 juli 2016, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar. Het onderdeel van de nadere bewijsoverweging aangaande de identificatie is kennelijk gebaseerd op dat bewijsmiddel nu het ergens anders niet aan te ontlenen is. Met dien verstande dat het deel dat rekwirant in 2015 rastahaar had is ontleend aan bewijsmiddel 1. Het bewijsmiddel aangaande de bijnamen, bewijsmiddel 6, houdt (voor zover relevant) het volgende in:
‘Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van verbalisant:
(…)
Onderzoek politiesystemen [verdachte]
Uit dit onderzoek is gebleken dat [verdachte] op 5 oktober 2015 wordt gecontroleerd in een auto op het pompeiland van tankstation [A]. [verdachte] is dan in bijzijn van: *** [betrokkene 1]***
Geboren op [geboortedatum] 1993 te [geboorteplaats]
Uit de politiesystemen is gebleken dat [verdachte] de navolgende bijnamen gebruikt: [naam 4], [naam 6], [naam 5] en [naam 2].’
Dit bewijsmiddel houdt aldus in een mededeling van een verbalisant, inhoudende dat uit de politiesystemen is gebleken dat rekwirant de bijnamen [naam 4], [naam 6], [naam 5] en [naam 2] gebruikt. Uit welke politiesystemen, dit zou zijn gebleken volgt uit de bewijsmiddelen niet. Aan welke informatie uit politiesystemen is ontleend dat rekwirant (of dat het überhaupt gaat deze [verdachte], te weten [verdachte] van [geboortedatum] 1976) deze bijnamen gebruikt, volgt daaruit niet. Evenmin op welke momenten en/of in welke context die bijnamen gebruikt zouden worden.2.
Aan eerdere jurisprudentie van uw College (d.d. 9 februari 2021, ECLI:NL:HR:2021:192) is het volgende te ontlenen:
‘2.3.
Op grond van artikel 359 lid 3 Sv moet de beslissing dat het tenlastegelegde feit door de verdachte is begaan, steunen op de inhoud van de bewijsmiddelen die de voor die beslissing redengevende feiten en omstandigheden bevatten. Deze bewijsmiddelen moeten in beginsel worden opgenomen in het vonnis, dan wel in de aanvulling zoals bedoeld in artikel 365a lid 2 Sv. Indien de rechter zich beroept op feiten of omstandigheden die door de rechter redengevend worden geacht voor de bewezenverklaring maar die niet zijn vermeld in de in het vonnis of de in artikel 365a lid 2 Sv bedoelde aanvulling opgenomen bewijsmiddelen, moet de rechter met voldoende mate van nauwkeurigheid in zijn overweging (a) die feiten of omstandigheden aanduiden, en (b) het wettige bewijsmiddel aangeven waaraan die feiten of omstandigheden zijn ontleend. Als het daarbij gaat om feiten of omstandigheden die zijn vermeld in processen-verbaal, verslagen van deskundigen of andere schriftelijke bescheiden, moeten die stukken ter terechtzitting zijn voorgelezen of moet daarvan daar de korte inhoud zijn medegedeeld. (Vgl. HR 24 juni 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF7985.)
2.4.1
Het hof heeft geoordeeld dat de verdachte wetenschap had dat de in de bewezenverklaring genoemde geldbedragen van misdrijf afkomstig waren, gelet op onder meer ‘de OVC-gesprekken die in de bewijsmiddelen worden genoemd’. Daarbij heeft het hof in de onder 2.2.2 genoemde aanvulling met bewijsmiddelen de inhoud van een relaas van bevindingen van verbalisant [verbalisant 3] weergegeven met betrekking tot een aantal specifiek aangeduide afgeluisterde gesprekken, ‘OVC-gesprekken’, waaraan de verdachte heeft deelgenomen. Die weergave bevat een samenvatting van die gesprekken en conclusies van deze verbalisant over wat uit de inhoud van die gesprekken blijkt met betrekking tot de wetenschap van de verdachte over de handel in verdovende middelen door zijn zoon.
2.4.2
Door op deze wijze het relaas van bevindingen van verbalisant [verbalisant 3] in de aanvulling met bewijsmiddelen op te nemen heeft het hof een verklaring gebruikt die voor het bewijs ontoelaatbare conclusies inhoudt (vgl. onder meer HR 15 november 2011, ECLI:NL:HR:2011:BR2847). Een dergelijk gebruik van een bewijsmiddel hoeft niet onder alle omstandigheden tot cassatie te leiden, bijvoorbeeld als de door het hof gemaakte gevolgtrekking overeenkomt met de in de verklaring getrokken conclusie (vgl. HR 26 juni 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW9189). Ook in dat geval gelden echter de hiervoor onder 2.3 weergegeven voorschriften met betrekking tot de bewijsmiddelen waarop deze gevolgtrekking berust. In het onderhavige geval heeft het hof niet de wettige bewijsmiddelen — in het bijzonder relevante onderdelen van processen-verbaal waarin de afgeluisterde gesprekken zijn weergegeven — opgenomen waaraan het de voor die gevolgtrekking redengevende feiten en omstandigheden heeft ontleend. Het hof heeft evenmin met voldoende nauwkeurigheid naar die feiten en omstandigheden verwezen. De enkele vermelding dat het hof de inhoud van een relaas van bevindingen van de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] waarin de onderzoeksresultaten — waaronder ook de bevindingen van verbalisant [verbalisant 3] — zijn weergegeven, heeft gecontroleerd en dat het hof zich met de daarin verwoorde interpretaties en conclusies kan verenigen, is daarvoor niet voldoende. Het oordeel van het hof is daarom ontoereikend gemotiveerd.
2.5
Het cassatiemiddel slaagt.’
Voorts kan worden verwezen naar de conclusie van A-G Keulen (ECLI:PHR:2022:791) d.d. 6 september 2022, waaraan kan worden ontleend dat een proces-verbaal van bevindingen, in de wettelijke vorm opgemaakt door een daartoe bevoegde opsporingsambtenaar, valt onder art. 344, eerste lid, sub 2o, Sv. En dat aan een proces-verbaal, net als aan de verklaring van een getuige, de eis wordt gesteld dat het de mededeling betreft van feiten of omstandigheden, door de opsporingsambtenaar zelf waargenomen of ondervonden. Uit deze formulering volgt dat een geschrift in zoverre het meningen, gissingen en conclusies van de verbalisant bevat, niet een dergelijk proces-verbaal oplevert. De A-G wijst erop dat de grens tussen het waarnemen van feiten, het doen van gissingen en het trekken van conclusies niet steeds heel scherp is. Uit de jurisprudentie van uw College kan volgens A-G Keulen worden afgeleid dat een aantal factoren een rol spelen bij de vraag of van een waarneming of van een gissing sprake is. Zo speelt de deskundigheid van de waarnemer een rol. Met name aan politieagenten wordt een groot waarnemingsvermogen toebedacht. Van belang is — en dat is in onderhavige zaak bijzonder van belang — ook de mate waarin de ‘conclusie’ volgt uit de daarbij door de verbalisant vermelde feiten. Ook de rol die de verklaring in het geheel van de bewijsconstructie vervult is van belang. Als de verklaring cruciaal is in de bewijsconstructie zal eerder van een (ontoelaatbare) gissing of conclusie sprake zijn.
Naar het oordeel van rekwirant is in onderhavige zaak ten aanzien van het bezigen van bewijsmiddel 6, voor zover inhoudende ‘dat uit de politiesystemen is gebleken dat [verdachte] de bijnamen [naam 4], [naam 6], [naam 5] en [naam 2] gebruikt’, sprake van een vergelijkbare situatie als in het arrest van uw College d.d. 9 februari 2021. Immers heeft het Hof in de bijlage inhoudende de bewijsmiddelen de inhoud van een proces-verbaal van bevindingen van een verbalisant weergegeven, welke weergave een samenvatting van de inhoud van politiesystemen en een conclusie/gevolgtrekking van de verbalisant bevat over wat uit de inhoud van de politiesystemen blijkt ten aanzien van door rekwirant, althans een genoemde [verdachte], gebruikte bijnamen. De inhoud van het bewijsmiddel betreft geen conclusie/gevolgtrekking van de verbalisant die volgt op een weergave in dat bewijsmiddel van de feiten en omstandigheden die zouden volgen uit de politiesystemen en aan de hand waarvan gezegd zou kunnen worden dat blijkt van het gebruik van de genoemde bijnamen door rekwirant. Weergegeven is enkel een conclusie/gevolgtrekking dát dit uit de politiesystemen is gebleken. Door op deze wijze het proces-verbaal van bevindingen van de verbalisant in de bijlage inhoudende de bewijsmiddelen op te nemen, heeft het Hof een verklaring gebruikt die een voor het bewijs ontoelaatbare conclusie/gevolgtrekking inhoudt.
Dit hoeft niet onder alle omstandigheden tot cassatie te leiden, bijvoorbeeld als de door het Hof gemaakte gevolgtrekking overeenkomt met de in de verklaring (of in dit geval het proces-verbaal van bevindingen) getrokken conclusie. Het Hof heeft niet expliciet overwogen dat het de conclusie/gevolgtrekking zoals vermeldt in bewijsmiddel 6 tot de zijne maakt. Zoals gesteld is in de opsomming van omstandigheden die leiden tot de vaststelling van het gebruik van het account [account 1] door rekwirant enkel herhaald dat uit de politiesystemen is gebleken dat de verdachte gebruik maakt van de bijnamen [naam 2], [naam 4], [naam 5] en [naam 6]. Echter, ook in het geval dat de door het Hof gemaakte gevolgtrekking overeenkomt met de in het bewijsmiddel getrokken conclusie, gelden de voorschriften zoals in het arrest van uw College (onder 2.3 genoemd) met betrekking tot de bewijsmiddelen waarop deze gevolgtrekking berust. In het onderhavige geval heeft het Hof niet de wettige bewijsmiddelen — in het bijzonder relevante onderdelen van processen-verbaal (of andere wettige bewijsmiddelen) waarin de onderdelen van politiesystemen zijn weergegeven over de door rekwirant/de genoemde [verdachte] gebruikte bijnamen — opgenomen waaraan het de voor die gevolgtrekking redengevende feiten en omstandigheden heeft ontleend. Het Hof heeft evenmin met voldoende nauwkeurigheid naar die feiten en omstandigheden verwezen, er wordt immers in het geheel niet naar nadere/onderliggende feiten en omstandigheden verwezen.
De enkele herhaling ‘dat uit de politiesystemen is gebleken dat de verdachte gebruik maakt van de bijnamen [naam 2], [naam 4], [naam 5] en [naam 6]’ volstaat daartoe niet. In het bijzonder geldt nog dat voor wat betreft het gebruik van de bijnaam ‘[naam 2]’ wellicht bevestiging is gevonden in bewijsmiddel 1, echter voor de identificatie heeft het Hof juist vooral betekenis toegekend aan de overeenkomsten tussen de namen waaronder Ennetcomgebruikers de [account 1] hebben opgeslagen en de uit de politiesystemen blijkende naam [naam 3]/[naam 4]/[naam 5]/[naam 6]. Die bijnamen in relatie tot rekwirant blijken verder nergens uit. Het overeenkomstige van de bijnaam ‘[naam 2]’ is kennelijk en gelet op het niet erg unieke karakter daarvan begrijpelijkerwijs van ondergeschikte betekenis geacht. Het Hof heeft zelfs (anders dan in ECLI:NL:HR:2021:192) niet overwogen dat het zelf de inhoud van de mededeling van de verbalisant in het proces-verbaal heeft gecontroleerd en dat het Hof zich met de daarin verwoorde conclusie/gevolgtrekking kan verenigen. Hetgeen overigens, gelet op het arrest van uw College, ook onvoldoende zou zijn geweest indien het Hof dat wel had gedaan. Het gaat er immers juist ook om dat met voldoende mate van nauwkeurigheid (a) de redengevende feiten of omstandigheden worden aangeduid waarop de bewijsbeslissing is gebaseerd, en (b) het wettige bewijsmiddel aangeven waaraan die feiten of omstandigheden zijn ontleend. Het oordeel van het Hof is daarom ontoereikend gemotiveerd.
Een en ander geldt naar het standpunt van rekwirant te meer indien de conclusie/gevolgtrekking is betwist. Uit het proces-verbaal terechtzitting van het Hof d.d. 9 november 20233. volgt niet alleen dat rekwirant heeft verklaard geen bijnamen te hebben, dat de bijnamen ‘[naam 6]’, ‘[naam 5]’ en ‘[naam 2]’ hem niets zeggen en hij nooit een PGP-telefoon heeft gehad, maar ook dat zijn raadsman mr. Flokstra op dat moment al aan de orde heeft gesteld dat hij nooit onderbouwing had gezien voor de stelling dat uit het systeem blijkt dat rekwirant de bijnamen [naam 6], [naam 5] en [naam 2] gebruikt. Ook heeft hij aangegeven dat hij in eerste aanleg heeft verzocht om de informatie waar dat uit zou blijken, maar dat die informatie niet meer beschikbaar was. Bij pleidooi heeft de raadsman blijkens zijn overgelegde pleitnotities d.d. 17 november 2023 nog naar voren gebracht dat op (de ook in bewijsmiddel 6 genoemde) pagina 351 van map 9a staat dat uit de politiesystemen zou blijken dat rekwirant staat opgenomen met de bijnamen ‘[naam 3]’, ‘[naam 6]’, ‘[naam 5]’ en ‘[naam 2]’, maar dat uit het ‘aanvullend proces-verbaal bijnamen [verdachte]’ op p. 114 van map 50 blijkt dat het bronmateriaal waar dit uit zou volgen niet beschikbaar was. De raadsman heeft op grond daarvan gesteld dat het volstrekt onduidelijk was is op grond waarvan de politie meent dat rekwirant die bijnamen gebruikte.4.
Ook heeft hij verwezen naar het requisitoir in hoger beroep waaruit volgt dat in 2020 opnieuw een controle is gedaan op de bijnamen en dat daaruit zou blijken dat alle voornoemde bijnamen wederom gekoppeld werden aan rekwirant, behalve de naam ‘[naam 6]’, maar dat ook daarvoor geldt dat het bronmateriaal niet voorhanden is. Het gebruik van het account [account 1] door één en dezelfde persoon én dat rekwirant die persoon was, is namens rekwirant zeer uitvoerig en onderbouwd betwist (p. 2 t/m 11 van de pleitnotities) en geconcludeerd is dat de koppeling tussen rekwirant en het account [account 1] ten tijde van de tenlastegelegde feiten niet gemaakt kon worden en rekwirant diende te worden vrijgesproken.
Op dit deel van het betoog van de raadsman, alsmede op zijn opmerking ter zitting dat hij navraag heeft gedaan bij het Openbaar Ministerie en dat het bronmateriaal waar de mededeling in het proces-verbaal van bevindingen op is gebaseerd niet (meer) beschikbaar was, is het Hof in het geheel niet ingegaan. Dit terwijl de raadsman ook nog heeft verwezen naar een kennelijk opgemaakt aanvullend proces-verbaal aangaande de vermeende bijnamen van rekwirant, waarin wordt bevestigd dat dit bronmateriaal niet beschikbaar was. Het is aldus niet bij een enkele stelling van de raadsman gebleven, hij heeft tijdig navraag gedaan naar de vraag uit welke delen van politiesystemen blijk dat rekwirant de gestelde bijnamen gebruikt en bevestigd is dat dit bronmateriaal er niet (meer) is. Het voorgaande maakt te meer dat het proces-verbaal een mededeling van de verbalisant inhoudt, inhoudende een voor het bewijs ontoelaatbare conclusie/gevolgtrekking, waarbij de ontoelaatbaarheid mede gelegen is in het niet kunnen controleren hiervan door rekwirant én het Hof doordat het bronmateriaal überhaupt niet (meer) bestaat. Rekwirant heeft zich aldus ook niet verder kunnen verdedigen tegen de thans wel als belastend bewijs gebruikte conclusie dat hij bijnamen gebruikt die ook door anderen zijn gebruikt om het account [account 1] mee op te slaan in PGP-telefoons. Het is rekwirant een raadsel hoe hij zich op een eerlijke wijze zou kunnen verdedigen tegen processen-verbaal van opsporingsambtenaren waarin conclusies/gevolgtrekkingen staan en vervolgens het bronmateriaal bij navraag niet voorhanden is. Hoewel in het algemeen al geldt dat het Hof de wettige bewijsmiddelen had moeten opnemen waaraan het de voor de gevolgtrekking redengevende feiten en omstandigheden heeft ontleend en met voldoende nauwkeurigheid naar die feiten en omstandigheden had moeten verwijzen, geldt dat in onderhavige zaak in het bijzonder nu ter zitting al gewezen is op het feit (en de juistheid daarvan wordt bij arrest dus niet ontkracht) dat er ook niet meer wás dan die mededeling in het proces-verbaal van de verbalisant. Processen-verbaal of ander schriftelijke bescheiden waarin de feiten en/of omstandigheden zijn vermeld op grond waarvan de gevolgtrekking kan worden gemaakt/op grond waarvan het Hof die gevolgtrekking tot de zijne maakt, zijn ook niet ter terechtzitting voorgelezen, evenmin is de korte inhoud daarvan medegedeeld.
Hierbij dient nog te worden opgemerkt dat van belang kan zijn de mate waarin de conclusie/gevolgtrekking volgt uit de door de verbalisant in het proces-verbaal vermelde feiten. Echter hier geldt juist dat in het proces-verbaal helemaal niet beschreven wordt op grond van welke informatie uit politiesystem is gebleken dat rekwirant de genoemde bijnamen gebruikte. Met betrekking tot de rol van de mededeling in de bewijsconstructie geldt dat het Hof op basis van een aantal omstandigheden in onderling verband en samenhang bezien heeft geconcludeerd dat rekwirant gebruiker was van het account [account 1], het zijn echter niet veel omstandigheden waardoor aan het onderdeel betreffende de (nagenoeg) overeenkomstige bijnamen al snel veel waarde dient te worden toegekend. In het bijzonder zijn — zoals ook gesteld door de verdediging van rekwirant — de eerste twee gedachtestreepjes, kortgezegd het kennen van [medeverdachte 2] en het onderling deels communiceren in het Papiaments en dat rekwirant van [geboorteplaats] komt, nauwelijks identificerend. Blijven over berichten van [account 1] over een ‘[betrokkene 1]‘, waarvan het Hof overweegt dat dat die naam nagenoeg overeenkomt met de naam van de toenmalige vriendin van rekwirant, ’[betrokkene 1]’. Echter ook indien rekwirant zoals het Hof heeft overwogen zijn vriendin tegenover de politie ‘[betrokkene 1]’ heeft genoemd, dan volgt uit de bewijsmiddelen nog altijd niet dat in de berichten van [account 1] over [betrokkene 1], de vriendin van rekwirant, wordt gesproken (daar is in de bewijsmiddelen geen verdere steun of bevestiging voor te vinden). Zoals gesteld heeft het Hof vooral betekenis toegekend aan het gebruik van de bijnaam [naam 3]/[naam 4]/[naam 5]/[naam 6] door rekwirant, zoals dat uit de politiesystemen zou blijken, terwijl de [account 1] door andere Ennetcomgebruikers wordt opgeslagen onder juist die bijnaam. Ook de combinatie met de bijnaam [naam 2], waaronder [account 1] ook wordt opgeslagen en welke bijnaam rekwirant eveneens zou gebruiken blijkens de politiesystemen, is daarbij redengevend geacht. Hetgeen het Hof heeft overwogen achter het derde gedachtestreepje gebaseerd op bewijsmiddel 6) op p. 3 van het arrest heeft daarmee een belangrijke rol in de conclusie dat rekwirant de gebruiker van account [account 1] is en — zoals ook hiervoor beschreven — is die vaststelling/conclusie cruciaal in de bewijsconstructie. Zonder de identificatie kan er in het geheel op grond van de bewijsmiddelen geen rol van rekwirant worden vastgesteld.
Het arrest kan vanwege het voorgaande niet in stand blijven.
II. Schending van de artt. 46, 47 en 289 Sr en/of de artt. 350, 358, 359 en 415 Sv en/of art 6 EVRM, althans en in elk geval schending en/of onjuiste toepassing van het recht en/of verzuim van vormen
Meer in het bijzonder is de bewezenverklaring dat rekwirant tezamen en in vereniging met anderen ter voorbereiding van het te plegen misdrijf moord opzettelijk een vuurwapen en (gestolen) voertuigen en PGP toestellen bestemd tot het begaan van dat misdrijf voorhanden heeft gehad niet naar de eis der wet met redenen omkleed, althans niet begrijpelijk en in ieder geval niet voldoende begrijpelijk gemotiveerd. Dit nu het oordeel dat rekwirant als medepleger betrokken is geweest bij de voorbereiding van de moord op [slachtoffer] (door het voorhanden hebben van een vuurwapen, (gestolen) voertuigen en PGP toestellen) niet uit de bewijsmiddelen kan volgen en zonder nadere toelichting — en mede gelet op hetgeen door de verdediging naar voren was gebracht — niet voldoende begrijpelijk is, in ieder geval is dit oordeel niet voldoende begrijpelijk gemotiveerd. Nu blijkens de vaststellingen van het Hof ten aanzien van rekwirant geen sprake is van medeplegen in de vorm van een gezamenlijke uitvoering en aan de bewijsvoering (in et beste geval) enkel te ontlenen is dat sprake is van een afwijkende situatie waarin de bijdrage gelegen is in handelingen voor, tijdens of na het strafbare feit, waarbij geldt dat een geringe rol of het ontbreken van enige rol in de uitvoering wordt gecompenseerd (indien toch tot de kwalificatie medeplegen wordt gekomen), mocht worden verwacht dat het Hof in de bewijsvoering aandacht zou besteden aan de vraag of (in die in zekere zin afwijkende situatie) wel zo bewust en nauw is samengewerkt bij het strafbare feit dat van medeplegen kan worden gesproken. Een dergelijke, voldoende (begrijpelijke) motivering van dat oordeel van het Hof wordt in het arrest gemist. Waardoor de bewezenverklaring niet naar de eis der wet met redenen is omkleed en het arrest niet in stand kan blijven.
Toelichting
II.I. De bewezenverklaring
In de kern gaat het in deze zaak om een verdenking van het voorbereiden van een liquidatie op [slachtoffer] op 3 oktober 2015, waarbij het Hof heeft vastgesteld dat op 3 oktober 2015 voorbereidingshandelingen zijn verricht om [slachtoffer] die dat van het leven te beroven. Het bewijs dat dergelijke voorbereidingshandelingen zijn verricht is gebaseerd op PGP-berichten (in het bijzonder die zoals weergegeven in bewijsmiddel 4). Rekwirant heeft ontkend betrokken te zijn geweest bij de voorbereiding van de voorgenomen moord op [slachtoffer]. Desondanks is het Hof in het arrest d.d. 22 december 2023 tot een bewezenverklaring gekomen, daarin is bewezenverklaard dat:
‘hij op 3 oktober 2015 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met anderen, ter voorbereiding van het misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven te beroven (zijnde moord, strafbaar gesteld in artikel 289 Wetboek van Strafrecht), waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld, opzettelijk
- —
een vuurwapen en
- —
(gestolen) voertuigen en
- —
PGP toestellen,
bestemd tot het begaan van dat misdrijf voorhanden heeft gehad.’
II.II. Hetgeen door en namens rekwirant naar voren is gebracht
De feitenbehandeling heeft in de zaak tegen rekwirant in het bijzonder plaatsgevonden ter terechtzitting van het Hof d.d. 9 november 2023. Rekwirant heeft daar blijkens het proces-verbaal terechtzitting verklaard nooit een PGP-telefoon te hebben gehad en niet te weten hoe dat werkt, geen PGP-contact te hebben gehad met [medeverdachte 2], [slachtoffer] niet te kennen en heeft ontkend een rol te hebben gespeeld in de voorbereidingen op 3 oktober 2015 om [slachtoffer] van het leven te beroven. Hij heeft verklaard ‘[betrokkene 2]’ niet te kennen en de hem voorgehouden berichten van 3 oktober niet te herkennen. Mr. Flokstra heeft ter zitting als gewezen op de verklaring van medeverdachte [medeverdachte 3] dat hij nooit met rekwirant over criminele activiteiten heeft gesproken en dat [medeverdachte 3] weliswaar heeft verklaard dat rekwirant bevriend is met Dennis Mongen, maar ook dat hij geen rol speelt in deze zaak.5.
Namens rekwirant is zowel in eerste aanleg als ik hoger beroep uitgebreid en toegespitst op de mogelijk relevant te achten feiten en omstandigheden bepleit dat rekwirant moest worden vrijgesproken wegens het ontbreken van wettig en overtuigd bewijs. Blijkens de ter terechtzitting in hoger beroep overgelegde en voorgedragen pleitnotities heeft de raadsman van rekwirant, mr. C.W. Flokstra, in de eerste plaats bepleit dat niet vastgesteld kon worden dat de gebruiker van het relevante PGP-account aangeduid als [account 1] (volledig [account 1]) rekwirant is geweest. Voor het geval echter vastgesteld zou worden dat rekwirant die gebruiker wel was en de door en naar [account 1] gestuurde berichten dus aan hem zouden worden toegeschreven, heeft de raadsman nog het volgende naar voren gebracht:
‘IV. Gebruiker [account 1] 1–3 oktober 2015 medepleger of uitlokker voorbereiding moord (feit 1)?
Mocht Uw hof desondanks vaststellen dat cliënt de persoon is die het adres [account 1] gebruikte in de periode 1–3 oktober 2015 het volgende.
Zowel het OM als de Rechtbank menen uit de berichten te kunnen reconstrueren en vaststellen dat [naam 1] de schutter ([naam 9]) heeft geregeld en daarmee een wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan het medeplegen van de voorbereiding moord. Die vaststelling wordt voornamelijk gegrond op de berichten van [naam 9] naar [naam 1] waarin hij stelt niet meer op deze wijze te willen werken. Op deze wijze wordt [naam 1] een centrale rol toegekend in verband met de beoogde schutter.
In de visie van de verdediging kan een wezenlijke bijdrage echter in het geheel niet worden vastgesteld nu er uitsluitend sprake is van het doorsturen van berichten, maar geen enkel eigen initiatief tot wat dan ook van de *[account 1] kan uit de bewijsmiddelen volgen.
Dat blijkt met name als alle berichten nog eens worden nagelopen vanaf pag. 196 9a dossier.
- ➢
[naam 9] heeft zelf direct contact met [naam 18] op 3 oktober 2015 (zie pag. 203).
- ➢
[naam 9] heeft direct contact met [naam 18] over ophalen motor
- ➢
[naam 8] heeft direct contact met [naam 18] en met [naam 9]
- ➢
In de vooravond is [naam 1] bezig met eten regelen etc (pag. 207).
- ➢
Directe contactlijnen liggen helder waarin schutter en spotter contact hebben met [naam 8] die weer brieft aan [naam 18] en niet aan [naam 1].
- ➢
Nergens blijkt uit dat [naam 1] direct belang heeft in of bij schutter die hij geregeld heeft
- ➢
Ook niet als het allemaal niet gelukt is en men klaagt over de schutter. /
Een wezenlijke bijdrage van [naam 1] kan dan ook niet worden vastgesteld. Vrijspraak feit 1.’
Voorts heeft de raadsman een beroep gedaan op de verklaringen van medeverdachte [medeverdachte 3]. Op p. 13 en 14 van de pleitnotities wordt (na het aanhalen van onderdelen van verklaringen van [medeverdachte 3]) naar voren gebracht:
‘
- ➢
Dat hij informatie heeft doorgegeven aan [medeverdachte 2] en een vriend van [medeverdachte 2] over de voortgang van de voorgenomen liquidatie, hij kent die vriend niet. Die vriend zou dan [naam 1] moeten zijn. (…)
- ➢
Dat hij de motorscooter bij [naam 1] moest brengen. [naam 1] is niet [verdachte]. (…)
- ➢
Hij twijfelt over [naam 9] en [naam 1], maar linksom of rechtsom, beiden zijn niet [verdachte], aldus [medeverdachte 3]. En hij kan het weten.(…)
Conclusie: uit de verklaringen van [medeverdachte 3] kan worden opgemaakt dat cliënt niet betrokken is bij de voorgenomen moord op [slachtoffer] en niet degene is die als ‘[naam 1]’ (dan wel [naam 9]) in het dossier wordt aangemerkt. De verklaringen van [medeverdachte 3] bieden dus extra grond om cliënt vrij te spreken van het onder feit 1 gelegde.’
II.III. De bewijsvoering van het Hof
Ondanks hetgeen naar voren was gebracht heeft het Hof het feit bewezenverklaard. De bewezenverklaring is gebaseerd op de bewijsmiddelen 1 t/m 11 zoals opgenomen in bijlage II bij het arrest. Aan de bewezenverklaring van het medeplegen heeft het Hof voorts een nadere bewijsoverweging gewijd, inhoudende het volgende:
‘Uit de bewijsmiddelen volgt dat op 3 oktober 2015 voorbereidingshandelingen zijn verricht om [slachtoffer] op die dag van het leven te beroven. Het hof dient de vraag te beantwoorden of de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen hiervan en overweegt hiertoe als volgt.
Het hof stelt voorop dat voor de kwalificatie medeplegen is vereist dat sprake is van nauwe en bewuste samenwerking. Die kwalificatie is slechts gerechtvaardigd als de bewezenverklaarde — intellectuele en/of materiële — bijdrage aan het delict van de verdachte van voldoende gewicht is. Een en ander brengt mee dat indien het tenlastegelegde medeplegen in de kern niet bestaat uit een gezamenlijke uitvoering, maar uit gedragingen die met medeplichtigheid in verband plegen te worden gebracht (zoals het verstrekken van inlichtingen, op de uitkijk staan, helpen bij de vlucht), op de rechter de taak rust om in het geval dat hij toch tot een bewezenverklaring van het medeplegen komt, in de bewijsvoering — dus in de bewijsmiddelen en zo nodig in een afzonderlijke bewijsoverweging — dat medeplegen nauwkeurig te motiveren. Bij de vorming van zijn oordeel dat sprake is van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking, kan de rechter rekening houden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip, (vgl. Hoge Raad 20 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2126, NJ 2016/420, met noot N. Rozemond).
Op basis van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting stelt het hof het volgende vast.
Op 3 oktober 2015 had [medeverdachte 3] contact met een persoon in de Sporthallen Zuid te Amsterdam, alwaar [slachtoffer] aanwezig was. [medeverdachte 3] gaf aan de schutter, die op een brug stond, meerdere keren door hoe [slachtoffer] gekleed was en dat hij bijna naar buiten zou komen. Ook gaf hij aan de schutter door dat [slachtoffer] niet met de brommer/scooter, maar lopend zou zijn. [medeverdachte 3] had hierover contact met [medeverdachte 2] en hield hem op de hoogte. Ook de verdachte communiceerde met [medeverdachte 2]. Aan de schutter was een motorscooter afgegeven.
Om 22.14 uur stuurt de verdachte een mailwisseling door aan [medeverdachte 2]. Uit deze mailwisseling blijkt dat de verdachte contact heeft met ‘[betrokkene 2]’. Het hof stelt op basis van de bewijsmiddelen vast dat ‘[betrokkene 2]’ de beoogd schutter is.
Om 21.04 uur stuurt [medeverdachte 2] een signalement (blauw Adidastrainingspak, Adidasschoen en een Louis Vuittontasje) dat hij even daarvoor van [medeverdachte 3] heeft gekregen door aan ‘[naam 9]!’.
‘[betrokkene 2]’ stuurt om 21.38 uur aan de verdachte dat hij risico voor niets neemt, dat hij de motor helemaal naar oost moet brengen en zo niet meer gaat werken. Verder stuurt hij dat hij werkt op honderd procent en geen risico voor niets neemt. ‘[betrokkene 2]’ stuurt een berichtenwisseling met [medeverdachte 3] door aan de verdachte. Het hof leidt uit het dossier af dat ‘[betrokkene 2]’ in de telefoon van [medeverdachte 3] stond opgeslagen als ‘[naam 9]!’. Uit deze berichtenwisseling, vanaf 21.18 uur, blijkt dat ‘[naam 9]!’ op dat moment voor de deur op de brug stond en iedereen zag die naar buiten kwam. [medeverdachte 3] gaf aan dat hij niet te missen is en dat hij dik is, met een trainingspak. ‘[naam 9]!’ vraagt aan [medeverdachte 3] of hij zijn vriend kan vragen of hij er nog is. [medeverdachte 3] geeft daarop aan dat zijn vriend (het hof begrijpt: de persoon in de sporthal) al weg is, maar dat hij had gezegd dat ‘die bolle’ nog binnen is. [medeverdachte 3] schrijft aan ‘[naam 9]!’ dat hij nog even moet wachten en dan maar weg moet gaan.
[medeverdachte 2] stuurt de verdachte om 22.25 uur een berichtenwisseling door tussen [medeverdachte 3] en ‘[naam 9]!’. Uit deze berichtenwisseling, vanaf 21.08 uur, blijkt dat [medeverdachte 3] — die in de telefoon van ‘[naam 9]!’ staat opgeslagen als ‘ [naam 10]’ — aan ‘[naam 9]!’ een signalement (blauw Adidastrainingspak, Adidasschoen, een Louis Vuittontasje en dik) heeft doorgegeven en heeft aangegeven goed op te letten omdat hij ieder moment naar buiten kan komen. ‘[naam 9]!’ antwoordt dat hij die bolle niet ziet.
[medeverdachte 2] stuurt om 22.27 uur een bericht aan de verdachte waarvan de vertaling luidt: ‘vaak tegen hem uitgelegd/gezegd om niet op scooter te letten. Dus vertel aan haar om niet alleen bitch te lopen doen. Huilen bij jou(w) blood wat is dat? Wat wilt ze/hij nog meer dat wij de kerel buiten zetten en hem ook bellen/roepen?’. De verdachte antwoordt ‘Ik heb gelezen ook hem gezegt’.
Op 4 oktober 2015 communiceren de verdachte en [medeverdachte 2] weer met elkaar. Ook uit deze communicatie blijkt dat de verdachte contact heeft met de beoogde schutter die op de brug heeft gestaan. Volgens de verdachte heeft deze persoon gezegd dat hij alles kon zien. [medeverdachte 2] reageert met boze berichten. Volgens [medeverdachte 2] kan je op die brug niemand zien ‘om te vegen’. Vanaf die brug zie je niemand naar buiten lopen. De verdachte moet tegen die man zeggen dat als hij wil werken, hij moet werken en niet met shit moet komen. De verdachte geeft aan [medeverdachte 2] aan dat hij heeft gezegd ‘hoe kan die man weg gaan zonder dat je hem hebt gezien’.
Op 5 oktober 2015 stuurt ‘[naam 9]!’ om 14.12 uur aan [medeverdachte 2]: ‘ben je nog dan kom ik met [naam 2] maar jou dan praatte we beeter bro’. [medeverdachte 2] stuurt terug dat hij er is, dat hij die man zo ziet en dat ze straks gaan praten. [medeverdachte 3] vraagt om 22.21 uur aan [medeverdachte 2] wat [naam 2] zegt en vraagt hem wat [naam 2] wel en niet wil. [medeverdachte 2] stuurt terug dat hij hem (het hof begrijpt: [naam 2]) morgen ziet.
Op 6 oktober 2015 stuurt ‘[naam 9]!’ een bericht aan [medeverdachte 2] waarin hij meedeelt dat hij vandaag bij ‘shafur’ die ‘pipas’ (het hof begrijpt: vuurwapens) op heeft gehaald en van hem hoorde dat die auto, die BMW, door de politie is meegenomen. Eerder, op 3 oktober 2015 om 18.32 uur, had ‘[naam 9]!’ aan [medeverdachte 2] bericht: ‘zo ga ik die auto zette en daarna na oost die motro (motor) hallen’. Het hof leidt hieruit af dat er naast een motor — waarvan verdere gegevens onbekend zijn gebleven — ook een BMW voorhanden was om bij de liquidatie te worden gebruikt. In de nacht van 3 op 4 oktober 2015 is in Amsterdam een BMW met valse kentekenplaten inbeslaggenomen.
Het hof stelt op basis van het voorgaande het volgende vast.
Zowel de beoogd schutter als [medeverdachte 2] houden tijdens de op [slachtoffer] gerichte observatie op 3 oktober 2015 contact met de verdachte. De schutter beklaagt zich tegen de verdachte over hoe de observatie loopt en meldt dat hij zo niet wil werken. [medeverdachte 2] stuurt de verdachte een bericht waaruit blijkt dat hij ‘hem’ (het hof begrijpt: de schutter) heeft gezegd dat hij niet op de scooter moet letten en vraagt de verdachte wat het is dat hij bij de verdachte komt uithuilen. De verdachte geeft aan dat hij het ‘hem’ ook heeft gezegd. Ook op 4 oktober 2015 zijn er berichten verstuurd waaruit blijkt dat de verdachte contact heeft met de beoogd schutter. De verdachte zegt tegen [medeverdachte 2] dat hij heeft gezegd ‘hoe kan die man weg gaan zonder dat je hem hebt gezien’. Het hof leidt hieruit af dat de verdachte verantwoording verwachtte van de schutter. Op 5 oktober.2015 hebben de schutter en [medeverdachte 2] vervolgens contact over een ontmoeting met elkaar en ‘[naam 2]’, de verdachte. Het hof leidt hieruit af dat de schutter, [medeverdachte 2] en de verdachte met elkaar zouden gaan praten over de mislukte liquidatie.
Op grond van het voorgaande is het hof van oordeel dat de verdachte als tussenpersoon een coördinerende rol heeft gehad in het contact met de schutter, waarmee hij een substantiële en wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan de voorbereiding van de liquidatie van [slachtoffer]. Hiermee is de voor medeplegen vereiste voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en de medeverdachten komen vast te staan. Hoewel geen sprake is van een gezamenlijke uitvoering, is de bijdrage van de verdachte aan het tenlastegelegde naar het oordeel van het hof van zodanig gewicht dat deze kan worden aangemerkt als medeplegen. Daarmee acht het hof het primair tenlastegelegde bewezen.
Het hof overweegt ten overvloede — anders dan het Openbaar Ministerie — van oordeel te zijn dat op basis van de berichten niet valt vast te stellen dat de verdachte de beoogd schutter heeft geregeld. Dit maakt het oordeel van het hof evenwel niet anders.’
II.IV. Juridisch kader medeplegen
Zoals hiervoor weergegeven heeft het Hof in het kader van de motivering van de bewezenverklaring van het medeplegen verwezen naar jurisprudentie van uw College (ontleend aan ECLI:NL:HR:2016:2126). Het kader zoals geschetst is echter naar het standpunt van rekwirant niet volledig. In de uitspraak die het Hof aanhaalt wordt verwezen naar een deel van de overwegingen van uw College in de arresten van 2 december 2014, ECLI:NL:HR:2014: 3474, NJ 2015/390, 24 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:718 en 5 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1316. Uit (bijvoorbeeld) het arrest ECLI:NL:HR:2014:3474 blijkt het volgende:
‘3.2.1
De kwalificatie medeplegen is slechts dan gerechtvaardigd als de bewezenverklaarde — intellectuele en/of materiële — bijdrage aan het delict van de verdachte van voldoende gewicht is. Dat geldt in vergelijkbare zin indien het medeplegen — bijvoorbeeld in de vorm van ‘in vereniging’ — een bestanddeel vormt van de delictsomschrijving.
Dat de kwalificatie medeplegen gerechtvaardigd moet zijn, is mede van belang omdat het in dit verband vaak gaat om de vraag: medeplegen dan wel medeplichtigheid aan een strafbaar feit. Medeplichtigheid is alleen strafbaar in geval van misdrijf. Verder kent medeplichtigheid een beduidend lager strafmaximum (art. 49, eerste lid, Sr). Medeplegen daarentegen levert regelmatig een wettelijke strafverzwaringsgrond op (zie bijvoorbeeld art. 311, eerste lid onder 4, Sr). Waar het verwijt bij medeplegen zich concentreert op het gewicht van de intellectuele en/of materiële bijdrage aan het delict van de verdachte, is het kernverwijt bij medeplichtigheid ‘het bevorderen en/of vergemakkelijken van een door een ander begaan misdrijf’ (vgl. HR 22 maart 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO2629, NJ 2011/341). Voor het gewicht van de rol van de medepleger in de zin van art. 47 Sr kan ook worden gewezen op art. 141, eerste lid, Sr. Het daar strafbaar gestelde ‘in vereniging plegen’ van geweld eist dat de verdachte ‘een voldoende significante of wezenlijke bijdrage aan het geweld’ heeft geleverd, zij het dat deze bijdrage zelf niet van gewelddadige aard behoeft te zijn geweest. (Vgl. bijvoorbeeld HR 2 juli 2013, ECLI:NL:HR: 2013:132, NJ 2013/407).
3.2.2.
Een en ander brengt mee dat indien het tenlastegelegde medeplegen in de kern niet bestaat uit een gezamenlijke uitvoering, maar uit gedragingen die met medeplichtigheid in verband plegen te worden gebracht (zoals het verstrekken van inlichtingen, op de uitkijk staan, helpen bij de vlucht), op de rechter de taak rust om in het geval dat hij toch tot een bewezenverklaring van het medeplegen komt, in de bewijsvoering — dus in de bewijsmiddelen en zo nodig in een afzonderlijke bewijsoverweging — dat medeplegen nauwkeurig te motiveren. Bij de vorming van zijn oordeel dat sprake is van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking, kan de rechter rekening houden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip. Daarbij verdient overigens opmerking dat aan het zich niet distantiëren op zichzelf geen grote betekenis toekomt. Het gaat er immers om dat de verdachte een wezenlijke bijdrage moet hebben geleverd aan het delict. In dit verband valt te wijzen op bijvoorbeeld HR 22 december 2009, ECLI:NL:HR:2009:BK3356, NJ 2010/193 waarin ten aanzien van het medeplegen van een vernieling werd overwogen ‘dat het louter aanwezig zijn bij en zich niet distantiëren van een door een ander gepleegde vernieling, alsmede het louter instemmen met die vernieling, ieder voor zich en in onderlinge samenhang bezien daarvoor onvoldoende zijn’, alsmede HR 3 juni 2014, ECLI:NL: HR:2014:1307 inzake diefstal door twee of meer verenigde personen waarin onvoldoende werd bevonden de enkele vaststelling ‘dat de verdachte een vluchtmogelijkheid heeft gefaciliteerd en dat het niet anders kan zijn dan dat over het verschaffen van deze vluchtmogelijkheid van te voren door de verdachte en zijn mededaders afspraken zijn gemaakt’.
3.2.3.
De bijdrage van de medepleger zal in de regel worden geleverd tijdens het begaan van het strafbare feit in de vorm van een gezamenlijke uitvoering van het feit. Maar de bijdrage kan ook zijn geleverd in de vorm van verscheidene gedragingen voor en/of tijdens en/of na het strafbare feit. Ook is niet uitgesloten dat de bijdrage in hoofdzaak vóór het strafbare feit is geleverd. (Vgl. bijvoorbeeld HR 3 juli 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW9972, NJ 2012/452). Zeker in dergelijke, in zekere zin afwijkende of bijzondere, situaties dient in de bewijsvoering aandacht te worden besteed aan de vraag of wel zo bewust en nauw is samengewerkt bij het strafbare feit dat van medeplegen kan worden gesproken, in het bijzonder dat en waarom de bijdrage van de verdachte van voldoende gewicht is geweest. Dat geldt in nog sterkere mate indien het hoofdzakelijk gaat om gedragingen die na het strafbare feit zijn verricht. (Vgl. HR 9 april 2013 ECLI:NL:HR:2013:BZ6505, NJ 2013/229). Een geringe rol of het ontbreken van enige rol in de uitvoering van het delict zal in dergelijke uitzonderlijke gevallen wel moeten worden gecompenseerd, bijvoorbeeld door een grote(re) rol in de voorbereiding.’
De eerste twee alinea's (waar het juridisch kader van het Hof voornamelijk op is gebaseerd) zien in het bijzonder op de afbakening tussen medeplegen en medeplichtigheid, ook in het geval er geen sprake is van een gezamenlijke uitvoering in die zin dat de gedraging(en) van de verdachte eerder met medeplichtigheid in verband plegen te worden gebracht. In de derde alinea wordt echter nog overwogen dat in de regel de bijdrage van de medepleger zal worden geleverd tijdens het begaan van het feit, de gezamenlijke uitvoering, het ‘klassieke’ medeplegen. Voorts wordt nog ingegaan op in zekere zin (daarvan) afwijkende situaties waarin de bijdrage gelegen is handelingen voor of na het strafbare feit, of een verscheidenheid aan dergelijke gedragingen. Het is duidelijk dat uw College bij een geringe rol of het ontbreken van enige rol in de uitvoering vergt dat dit wordt gecompenseerd, bijvoorbeeld door een grote(re) rol in de voorbereiding. Indien toch tot een bewezenverklaring van medeplegen wordt gekomen in dergelijke gevallen, dient in de bewijsvoering dan ook aandacht te worden besteed aan de vraag of wel zo bewust en nauw is samengewerkt bij het strafbare feit dat van medeplegen kan worden gesproken.
II.V. Analyse bewijsvoering
Vooropgesteld dient te worden dat het hier gaat om een bewezenverklaring van het (op 3 oktober 2015) medeplegen van voorbereiding van moord. Die voorbereiding is gelegen in het (tezamen en in vereniging) voorhanden hebben van een vuurwapen, (gestolen) voertuigen en PGP-toestellen, bestemd tot het begaan van die moord. Het oordeel dat ten aanzien van rekwirant sprake is van medeplegen moet dus ook op dat feit worden toegespitst. Niet aan de orde is de vraag of de moord, als deze was gepleegd, tezamen en in vereniging begaan is, dan wel of vastgesteld kan worden dat rekwirant een rol zou hebben in de uitvoering van dat feit. Als het medeplegen van het voorhanden hebben van een voorwerp als bedoeld in artikel 46 Sr is tenlastegelegd, moet komen vast te staan dat sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking door de verdachte met één of meer anderen die was gericht op het voorhanden hebben van zo'n voorwerp.6.
Aan de bewijsmiddelen, noch de nadere bewijsoverweging kan worden ontleend dat rekwirant zelf enige (feitelijke/onmiddellijke) betrokkenheid heeft gehad bij het voorhanden hebben van dat vuurwapen, die (gestolen) voertuigen en het gezamenlijk voorhanden hebben van PGP-telefoons die bestemd waren tot het begaan van het misdrijf- dat wil zeggen dat aan al/het samenstel van die voorwerpen een rol van betekenis werd toegedicht in de uitvoering van de voorgenomen moord. Aan de bewijsvoering kan wel worden ontleend (na de vaststelling van het Hof dat rekwirant de gebruiker is van het account [account 1]) dat rekwirant op 3 oktober 2015 een PGP-toestel voorhanden had en daarmee contacten had. Zo ook op 4 en 5 oktober 2015, welke data in ieder geval buiten de bewezenverklaarde periode vallen en gelegen zijn ná het moment waarop naar het oordeel van het Hof de schutter op een brug stond (door het Hof ook wel ‘observatie’ genoemd) en informatie kreeg van [medeverdachte 3] over het signalement van [slachtoffer], wanneer deze naar buiten zou komen en dat hij lopend zou zijn en dus niet op een scooter gelet moest worden. Ook uit de nadere bewijsoverweging van het Hof blijkt niet welke rol rekwirant zou hebben gehad in het tezamen en in vereniging voorhanden hebben van de bewezenverklaring genoemde voorwerpen, die bestemd waren tot het begaan van de moord. De motivering van het oordeel dat sprake is van medeplegen ten aanzien van rekwirant is daar niet op toegespitst, daar wordt geen aandacht aan besteed, de motivering beperkt zich tot zijn vermeende rol in onderlinge communicatie (welke communicatie na de voorbereiding plaatsvindt).7
Naar het oordeel van het Hof is ten aanzien van rekwirant (dan ook) geen sprake van een gezamenlijke uitvoering van de voorbereiding van de liquidatie, gelegen in het voorhanden hebben van een vuurwapen, (gestolen) voertuigen en PGP-toestellen), maar is de bijdrage van rekwirant desondanks van zodanig gewicht dat deze kan worden aangemerkt als medeplegen. Rekwirant zou als tussenpersoon een coördinerende rol hebben gehad in het contact met de schutter- en daarmee een substantiële en wezenlijke bijdrage hebben geleverd aan de voorbereiding van de liquidatie van [slachtoffer]. Anders dan de rechtbank (en advocaat-generaal) komt het Hof niet tot de vaststelling dat rekwirant de schutter ‘geregeld’ of in de arm genomen heeft.
Het oordeel dat als tussenpersoon sprake is geweest van een coördinerende rol in het contact met de schutter is gebaseerd op de vaststelling/overweging van het Hof dat zowel de beoogd schutter als [medeverdachte 2] tijdens de op [slachtoffer] gerichte observatie op 3 oktober 2015 contact houden met rekwirant. Uit de bewijsmiddelen kan dit niet volgen. Immers volgt uit bewijsmiddel 4 dat voorafgaand aan de door het Hof genoemde observatie [medeverdachte 2] contact heeft met [medeverdachte 3] om 18:18 uur en met de beoogde schutter ([naam 9] !) tussen 18:29 en 18:35, in welke contacten het gaat over ‘de auto zette’ en ‘daarna na oost die motro hallen’ en ‘daar naar toe rijden’. Rekwirant (als [account 1]/[naam 1] !) komt — blijkens de bewijsmiddelen — in die communicatie niet voor, evenmin worden deze ontwikkelingen ten aanzien van het voorhanden krijgen/hebben van de benodigde voorwerpen door de schutter aan hem teruggekoppeld. Ten aanzien van de schutter geldt dat deze blijkens een (om 22:14) door [naam 1] ! aan [medeverdachte 2] doorgestuurd bericht om 21:38 uur naar rekwirant heeft gestuurd dat hij risico voor niks neemt, dat hij die motor helemaal naar oost moet brengen en dat hij zo niet meer gaat werken. In combinatie met het feit dat in die doorgestuurde berichten ook het bericht zit van [medeverdachte 3] ([naam 10]) aan de schutter van 21:30 uur dat hij nog even moet wachten en dan maar weg moet gaan, kan uit het bericht van 21:38 aan rekwirant niet anders worden afgeleid dan dat de schutter op dat moment al weg is gegaan — te meer nu de motor die eerst die avond in oost is opgehaald nu (terug) naar oost werd gebracht. Van verdere berichten van de schutter aan rekwirant, of van rekwirant aan de schutter (tijdens/omstreeks de voorbereiding op 3 oktober 2015) blijkt uit de bewijsmiddelen geheel niet. Berichten tussen rekwirant en [medeverdachte 2], beginnend met een om 22:25 uur aan rekwirant doorgestuurde reeks berichten tussen [medeverdachte 3] en de schutter, zijn van (ruimschoots) na de observatie/het moment waarop de schutter in de buurt van de Sporthallen zou zijn geweest.
Bovendien heeft [medeverdachte 2], zoals ook het Hof heeft vastgesteld (p. 5 arrest) een bericht gestuurd naar rekwirant waarin hij aangeeft tegen de schutter te hebben gezegd wat het is dat hij bij rekwirant komt uithuilen. Uit de bewijsmiddelen en hetgeen daaruit blijkt ten aanzien van de verschillende betrokkenen volgt juist dat het uithuilen bij rekwirant niet de bedoeling was/hij daarvoor niet het aanspreekpunt was. Hetgeen ook passend is bij het feit dat uit de bewijsmiddelen ook geen reactie van rekwirant op het bericht van de schutter van 21:38 uur blijkt.
Mede gelet op het feit dat uit de vaststellingen van het Hof (zoals weergegeven onder 5.3.2. in het arrest) en de bewijsmiddelen blijkt dat:
- —
[medeverdachte 2] met [medeverdachte 3] contact had voorafgaand aan de observatie en vroeg of ‘kleine’ klaar was;
- —
[medeverdachte 2] vervolgens contact heeft met de schutter over het (klaar)zetten van de auto, het halen van de motor en naar de locatie gaan;
- —
[medeverdachte 2] tegen de schutter zegt dat hij wel op tijd moet zijn;
- —
[medeverdachte 2] een paar uur later aan [medeverdachte 3] vraagt of er nog geen nieuws is;
- —
Het [medeverdachte 3] was die in contact stond met een persoon in de Sporthallen Zuid alwaar [slachtoffer] aanwezig was;
- —
Het [medeverdachte 3] was die in contact stond met de schutter en meermaals het signalement van [slachtoffer] doorgaf en dat hij bijna naar buiten zou komen en dat hij lopend zou zijn;
- —
[medeverdachte 3] aan [medeverdachte 2] vraagt ‘hem’ voor de zekerheid nog een keer het signalement te sturen;
- —
[medeverdachte 3] hierover in contact stond met [medeverdachte 2] en hem op de hoogte hield;
- —
Het [medeverdachte 3] was die aan de schutter, na een vraag van de schutter of [medeverdachte 3] kon vragen of [slachtoffer] nog in de Sporthallen was, heeft doorgegeven dat hij nog even moest wachten en dan maar weg moest gaan (en daar zelfstandig over beslist);
- —
Rekwirant geen rol speelt in deze communicatie, evenmin in de vorm dat aan hem de ontwikkelingen worden teruggekoppeld,
valt niet zonder meer in te zien dat aan de bewijsmiddelen te ontlenen zou zijn dat rekwirant een tussenpersoon is geweest. Tussen wie dat was en op grond waarvan het Hof overweegt dat hij in die rol als tussenpersoon coördinerend is geweest in het contact met de schutter, is niet (zonder meer) begrijpelijk gemotiveerd. Uit de bewijsmiddelen en vaststellingen van het Hof blijkt immers dat [medeverdachte 3], [medeverdachte 2] en de schutter allemaal contact met elkaar hadden en zij (anders dan rekwirant) wél onderling contact hadden ten aanzien van het voorhanden hebben van de bij de moord benodigde voorwerpen/vervoermiddelen en in het kader van de timing van het voorgenomen misdrijf (waaruit de dienstigheid van de PGP-toestellen bij het begaan van de moord dan uit zou moeten volgen). Het contact met de schutter wordt voorts blijkens de bewijsmiddelen niet door rekwirant geïnitieerd. De substantiële en wezenlijke bijdrage van rekwirant in contacten met de schutter ter voorbereiding van de moord, kan uit de bewijsvoering zonder nadere motivering — die ontbreekt — niet volgen.
De communicatie van na het observatiemoment8. en de dagen daarna (4 t/m 6 oktober 2015), op welke communicatie door het Hof een beroep wordt gedaan in het kader van het oordeel omtrent het medeplegen, maakt dat niet anders. Zoals gesteld, het Hof heeft zelf geoordeeld dat hier geen sprake is van een gezamenlijke uitvoering van de voorbereiding van de liquidatie. Het gaat dan ook om een (zoals door uw College beschreven) in zekere zin afwijkende situatie waarin de bijdrage gelegen is in handelingen voor, tijdens en/of na het strafbare feit, of een verscheidenheid aan dergelijke gedragingen. Zoals gesteld bevinden zich bij de bewijsmiddelen in het geheel geen berichten waar iets uit kan worden afgeleid over gedragingen van rekwirant voorafgaand aan de voorbereiding, dan wel daadwerkelijk ten aanzien van het voorhanden hebben (gezamenlijk) van het vuurwapen, de (gestolen) voertuigen en de PGP-toestellen. Bij de bewijsmiddelen bevinden zich berichten waaruit in het beste geval iets kan worden afgeleid over contacten/de afwikkeling na de niet uitgevoerde liquidatie. Een coördinerende rol van rekwirant, die ook (zonder meer) zou meebrengen dat aangenomen kan worden dat hij een substantiële en wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan het voorbereiden van de liquidatie volgt daaruit evenmin. Een voldoende substantiële/wezenlijke bijdrage voorafgaand aan/tijdens de voorbereiding van de liquidatie ligt daar geenszins (zonder meer) in besloten. Dat rekwirant (na het niet uitvoeren van de liquidatie) verantwoording verwachtte van de schutter, zoals het Hof heeft vastgesteld en heeft laten bijdragen aan het oordeel omtrent het medeplegen, wordt door rekwirant betwist. Maar hoe dan ook kan een coördinerende rol als tussenpersoon, of anderszins een wezenlijke en substantiële bijdrage, daar in het licht van de bewijsmiddelen ook niet (zonder meer) uit volgen — nu daaruit blijkt dat het bericht van rekwirant aan [medeverdachte 2] ‘ik heb hem Gezegt hoe kan die man weg aan zonder je heb hem niet gezien’ volgt op een klaagzang over de schutter en de ontstane situatie van [medeverdachte 2] en de mededeling/instructie van [medeverdachte 2] aan rekwirant: ‘Zeg die man als die wil werken werk maar kom niet steeds met shit blood’. Er is in het licht daarvan geen sprake van het initiatief van rekwirant om de beoogde schutter ‘verantwoording’ te laten afleggen aan hem.9. Dat rekwirant (kennelijk) betrokken raakt in de communicatie nadat de moord niet is uitgevoerd, is zeker in het licht van het feit dat de bewezenverklaring hier is dat hij in nauwe en bewuste samenwerking met anderen de moord heeft voorbereid, onvoldoende om zijn rol als medeplegen te kwalificeren en te volstaan met de motivering waarmee het Hof heeft volstaan.
Dat geldt te meer nu er door de raadsman specifiek nog op is gewezen dat de medeverdachte die zijn betrokkenheid bij dit feit heeft bekend, [medeverdachte 3], heeft verklaard dat hij dat met rekwirant nooit over criminele activiteiten heeft gesproken en rekwirant geen rol speelt in deze zaak.10. Het Hof heeft de verklaring van [medeverdachte 3] wel tot het bewijs gebezigd om tot de vaststelling te komen dat rekwirant bevriend is met [medeverdachte 2], dat de bedoeling was [slachtoffer] van het leven te beroven (en de berichten zoals ook tot het bewijs gebezigd door het Hof uit map 9a daarover gaan) en dat hij daartoe in contact stond met [medeverdachte 2] en ‘[naam 9]’, maar is zonder nadere motivering voorbij gegaan aan het deel van zijn verklaring(en) waaruit volgt dat rekwirant geen rol heeft gespeeld bij dit feit, de voorbereiding van de moord op [slachtoffer].
Bij een geringe rol of het ontbreken van enige rol in de uitvoering (zoals hier, nu geen sprake is van een gezamenlijke uitvoering) geldt dat dit wordt gecompenseerd, bijvoorbeeld door een grote(re) rol in de voorbereiding. In dit geval zal het dan dus moeten gaan om een grotere rol in de voorbereiding van de voorbereiding, of een anderszins compenserende rol die van voldoende gewicht is om bij een niet gezamenlijke uitvoering van de voorbereiding van een liquidatie als medeplegen te worden gekwalificeerd. Een dergelijk rol kan uit de bewijsvoering niet worden afgeleid. Indien toch tot een bewezenverklaring van medeplegen wordt gekomen in dergelijke gevallen, dient in de bewijsvoering in het bijzonder aandacht te worden besteed aan de vraag of wel zo bewust en nauw is samengewerkt bij het strafbare feit dat van medeplegen kan worden gesproken. Dat is gelet op het voorgaande niet (voldoende begrijpelijk) het geval. Het oordeel van het Hof dat de rol van rekwirant van voldoende gewicht is om deze als medeplegen te kwalificeren is, mede ook gelet op hetgeen daartoe naar voren was gebracht, niet begrijpelijk en in ieder geval niet voldoende begrijpelijk gemotiveerd.
Gelet op al het voorgaande kan het arrest niet in stand blijven.
III. Schending van de artt. 350, 358, 359 en 415 Sv, alsmede art. 6 en 13 EVRM en/of art. 14 IVBPR, althans en in elk geval schending en/of onjuiste toepassing van het recht en/of verzuim van vormen
Meer in het bijzonder getuigt de overweging van het Hof inhoudende ‘Het hof gaat uit van eend uur van de redelijke termijn van 2 jaren (per instantie)’ en het daarop gevolgede oordeel dat in hoger beroep geen sprake is van schending van de redelijke termijn van een onjuiste rechtsopvatting, nu de redelijke termijn in strafzaken waarin de verdachte in voorlopige hechtenis verkeert immers door de Hoge Raad is gesteld op 16 maanden, en het Hof er bij de beantwoording van de vraag of er sprake was van een overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep ten onrechte ervan is uitgegaan dat geen schending van de redelijke termijn heeft plaatsgevonden, terwijl — ook blijkens de vaststellingen van het Hof sprake was het (in hoger beroep) ondergaan van voorlopige hechtenis door rekwirant in Nederland en daarvóór van uitleveringsdetentie in Colombia ter fine van uitlevering aan Nederland voor onderhavige zaak en op verzoek van de Nederlandse autoriteiten, waardoor dat onjuiste uitgangspunt er toe heeft geleid dat het Hof niet is overgegaan tot vermindering van de straf die zonder overschrijding van de redelijke termijn zou zijn opgelegd, althans is de strafoplegging (hierdoor) in ieder geval niet zonder meer begrijpelijk (gemotiveerd).
Toelichting
Blijkens paragraaf 9.3 in het arrest d.d. 22 december 2023 heeft het Hof in het kader van de strafmaat zich uitgelaten over het aan artikel 6 EVRM te ontlenen recht van rekwirant om berecht te worden binnen een redelijke termijn. Als uitgangspunt heeft het Hof daarbij genomen dat een termijn van 2 jaar per instantie een redelijke termijn betreft. De vraag is of dat ten aanzien van de procedure in hoger beroep in de specifieke omstandigheden van dit geval het juiste uitgangspunt is, rekwirant stelt zich op het standpunt dat dit niet geval is.
Het Hof het volgende overwogen:
‘Het hof gaat uit van een duur van de redelijke termijn van 2 jaren (per instantie). In eerste aanleg heeft de verdachte zich in het geheel niet in voorlopige hechtenis bevonden. Voor de fase in hoger beroep geldt dat de verdachte, die op 19 januari 2022 hoger beroep heeft ingesteld, zich eerst sinds 20 oktober 2023 in Nederland in voorlopige hechtenis bevindt. Hiervóór verbleef hij in Colombia, alwaar hij op 8 november 2022 is aangehouden en op 16 november 2022 op verzoek van de Nederlandse autoriteiten ter fine van uitlevering gevangen is genomen.
Het hof is van oordeel dat in deze zaak de aanvangsdatum van de redelijke termijn moet worden gesteld op 20 november 2019, de datum waarop de dagvaarding is betekend. De rechtbank heeft uitspraak gedaan op 19 januari 2022. Dit betekent dat de termijn van 2 jaar is overschreden.
Het hof is echter van oordeel dat sprake is van bijzondere omstandigheden die met name zijn gelegen in de ingewikkeldheid en omvang van de zaak, die onderdeel uitmaakt van de megazaak Himalaya. De eerste aanhoudingen in deze megazaak hebben in april 2018 plaatsgevonden. De politie heeft het einddossier — ondanks voortdurende activiteit — echter niet eerder kunnen afronden dan in oktober 2019, als gevolg van met name het intensieve onderzoek aan de Ennetcomberichten. Vervolgens is het dossier in november 2019 door het Openbaar Ministerie onder de rechtbank en de raadslieden verspreid, waarna reeds in januari 2020 een regiezitting is gehouden. Oorspronkelijk waren in deze zaak tien verdachten gedagvaard. Het dossier beslaat in totaal meer dan vijftig ordners. Naar aanleiding van de regiezitting zijn in meerdere zaken diverse getuigen gehoord bij de rechter-commissaris en hebben ook verschillende raadslieden het NFI bezocht voor inzage in het systeem Hansken. Voor de inhoudelijke behandeling ter terechtzitting — waarbij, in het belang van alle zaken, sprake was van gelijktijdige behandeling van alle zaken — dienden vele zittingsdagen te worden uitgetrokken, ook in verband met het uitoefenen van het spreekrecht door diverse nabestaanden/slachtoffers en het bespreken van vorderingen van benadeelde partijen. Daarbij heeft de rechtbank bovendien rekening moeten houden met de omstandigheid dat vanwege veiligheidsaspecten rondom deze zaak, de behandeling grotendeels heeft moeten plaatsvinden in een extra beveiligde zittingszaal, waarvan de beschikbare capaciteit beperkt is.
Het hof acht vanwege deze bijzondere omstandigheden een termijn van 2 jaren en 2 maanden gerechtvaardigd. Dit betekent dat de redelijke termijn niet is geschonden. Ook in hoger beroep is daarvan geen sprake.’
Uit de stukken van het geding volgt dat rekwirant zich in eerste aanleg niet in voorlopige hechtenis heeft bevonden (over het oordeel van het Hof ten aanzien van de redelijke termijn en het niet overschrijden daarvan in eerste aanleg wordt ook niet geklaagd). Blijkens het vonnis d.d. 19 januari 2022 (p. 7) is de vordering gevangenneming ten aanzien van rekwirant toegewezen. Zoals ook het Hof heeft gesteld heeft rekwirant op 19 januari 2022 hoger beroep ingesteld. Rekwirant is op aangehouden in Colombia op 8 november 2022 en op 16 november 2022 op verzoek van de Nederlandse autoriteiten ter fine van uitlevering gevangen genomen. Blijkens het proces-verbaal terechtzitting d.d. 16 en 21 december 2022 heeft mr. Flokstra de gewijzigde situatie benoemd en aangegeven dat hij had begrepen dat rekwirant zou instemmen met zijn uitlevering en mr. Flokstra hoopte dat dit snel zou gaan. Blijkens het proces-verbaal terechtzitting d.d. 6 en 8 september 2023 heeft mr. Wijburg (waarnemend voor mr. Flokstra) opgemerkt dat rekwirant gedetineerd was in Colombia, in afwachting van zijn uitlevering aan Nederland. Uit de gedingstukken is niet af te leiden dat dit anders was, waardoor er van moet worden uitgegaan dat de uitleveringsdetentie daadwerkelijk werd ondergaan en dit het Hof ook bekend was. Tevens blijkt uit het proces-verbaal terechtzitting d.d. 7, 8, 9, 14, 16, 17, 21, 23 november en 22 december 2023 (p. 3) dat er e-mailcontact is geweest tussen de advocaat-generaal en mr. Flokstra (en aan het Hof) op 4 oktober 2023 dat rekwirant op korte termijn zou worden uitgeleverd aan Nederland en iets later aangaande de aankomst in Nederland en het creëren van een verhoor over diens voorlopige hechtenis. Vanaf 20 oktober 2023 was rekwirant in Nederland voorlopig gehecht. Door mr. Flokstra is tijdens de inhoudelijke behandeling aangegeven dat de uitleveringsdetentie geschorst is geweest, rekwirant heeft daarover — in het kader van zijn persoonlijke omstandigheden — gesteld dat hij werd aangehouden in Colombia en twee dagen later met zijn familie naar buiten mocht, dat hij dit vier keer mocht en dat hij geen van die momenten is gevlucht.11.
Uitgaande van het voorgaande heeft rekwirant (naar het zich laat aanzien met vier kortere momenten van schorsing) van 16 november 2022 t/m 19 oktober 2023 in uitleveringsdetentie verbleven in Colombia, volgend op het door de rechtbank in deze zaak gegeven bevel gevangenneming en het verzoek tot uitlevering van de Nederlandse autoriteiten. Vanaf 20 oktober 2023 t/m het uitspreken van het arrest d.d. 22 december 2023 zat rekwirant in Nederland in voorlopige hechtenis voor deze zaak en dat is ook thans nog altijd het geval. de uitleveringsdetentie en voorlopige hechtenis in Nederland zijn ook daadwerkelijk ondergaan. De duur van de vrijheidsbeneming in het kader van deze onderhavige zaak bedroeg tot de dag van de uitspraak in hoger beroep 1 jaar, 1 maand en 7 dagen.
Behoudens bijzondere omstandigheden behoort in de procesfase van het hoger beroep het geding met een einduitspraak te zijn afgerond binnen twee jaar nadat het rechtsmiddel is ingesteld, en binnen 16 maanden indien de verdachte in verband met de zaak in voorlopige hechtenis verkeert en/of het strafrecht voor jeugdigen is toegepast.12. Het Hof heeft zich niet heel expliciet uitgelaten over het moment van aanvang van de redelijke termijn in de fase van het hoger beroep, maar gelet op het benoemen van het feit dat rekwirant op 19 januari 2022 hoger beroep heeft ingesteld (en anders dan in eerste aanleg dat aanvangsmoment blijkens de jurisprudentie van uw Hoge Raad ligt op het moment van het instellen van het rechtsmiddel) lijkt het Hof wel van dat (juiste) aanvangsmoment te zijn uitgegaan. Tot het moment van het wijzen van het arrest heeft de fase van het hoger beroep (bij benadering) 1 jaar en 11 maanden geduurd. Bij een redelijke termijn van 2 jaar is dan geen sprake van een overschrijding, bij een redelijke termijn van 16 maanden zou daar echter wel degelijk sprake van zijn. De redelijke termijn zou dan (in beginsel) met 7 maanden zijn overschreden, hetgeen in de regel wordt gecompenseerd door vermindering van de straf die zou zijn opgelegd indien de redelijke termijn niet zou zijn overschreden. Tot een dergelijke compensatie is het Hof niet overgegaan nu geoordeeld is dat in hoger beroep (net als in eerste aanleg) geen sprake is van een schending van de redelijke termijn. Aan de jurisprudentie van uw College is te ontlenen dat een (kennelijk) oordeel dat als uitgangspunt heeft te gelden dat de periode voor de redelijke termijn zowel in eerste aanleg als in hoger beroep telkens 2 jaar bedraagt niet juist is indien uit de aan de Hoge Raad gezonden stukken blijkt dat de verdachte voor de desbetreffende zaak in voorlopige hechtenis bevindt.13. Dat is in onderhavige zaak het geval. Het oordeel dat in hoger beroep geen sprake is van schending van de redelijke termijn getuigt van een onjuiste rechtsopvatting en is in ieder geval niet voldoende begrijpelijk (gemotiveerd), waardoor ook de strafoplegging niet zonder meer begrijpelijk (gemotiveerd) is.
Door de vaststelling dat in hoger beroep geen sprake is van overschrijding van de redelijke termijn, terwijl die vaststelling gebaseerd is op een onjuist uitgangspunt, is tevens sprake van een schending van het aan rekwirant toekomende recht op een eerlijk proces, zoals bedoeld in artikel 6 EVRM. Nu het Hof desondanks geen strafvermindering heeft toegepast, is evenmin voldaan aan het in art. 13 EVRM gewaarborgde recht op een daadwerkelijk rechtsmiddel voor een nationale instantie. Het voorgaande maakt dat het arrest niet in stand kan blijven.
Het is op bovengenoemde gronden dat rekwirant uw College eerbiedig verzoekt om het arrest zoals gewezen door het Gerechtshof te Amsterdam op 22 december 2023 te vernietigen en een zodanige uitspraak te doen als uw College juist en noodzakelijk voorkomt.
De bepaaldelijk gevolmachtigde,
mr. D.N. de Jonge
Rotterdam, 22 augustus 2024
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 22‑08‑2024
Dit volgt ook uit bewijsmiddel 2
Een blik over de papieren muur leert dat de in het bewijsmiddel genoemde pagina's van map 9a, waarvan delen als bewijsmiddel 6 zijn gebezigd, voor wat betreft de vermeende bijnamen die rekwirant gebruikte ook niet meer inhouden dan die enkele zin ‘Uit de politiesystemen is gebleken dat [verdachte] de navolgende bijnamen gebruikt: [naam 4], [naam 6], [naam 5] en [naam 2].’
p. 37 van het proces-verbaal terechtzitting d.d. 7, 8, 9, 14, 16, 17, 21, 23 november en 22 december 2023.
Zie ook nog de aanvulling op zijn pleidooi op p. 48 van het proces-verbaal terechtzitting d.d. 7, 8, 9, 14, 16, 17, 21, 23 november en 22 december 2023, inhoudende dat in de gehele communicatie vaak over en weer wordt gesproken met ‘blood’, maar dat het gaat om de bijnaam ‘Ras’ en ten aanzien daarvan geen politieregistratie voorhanden is.
p. 37–38 van het proces-verbaal terechtzitting d.d. 7, 8, 9, 14, 16, 17, 21, 23 november en 22 december 2023.
Hoge Raad 13 februari 2024 ECLI:NL:HR:2024:193, r.o. 3.4.2
Waar blijkens de bewijsmiddelen aan te ontlenen is (p. 19 arrest) dat vooral door [medeverdachte 2] de twijfel toeslaat of de schutter uberhaupt wel op de juiste plek heeft gestaan om [slachtoffer] te kunnen zien en het feit te kunnen uitvoeren.
Gewezen kan ook nog worden op de berichten op p. 19 van het arrest tussen rekwirant en [medeverdachte 2] waarin rekwirant steeds hartelijk moet lachen om de (klagende/wantrouwende) houding van [medeverdachte 2] ten opzichte van de schutter en waar hij zou hebben gestaan. Rekwirant lijkt zich daar niet erg om te bekommeren, het falen van de schutter serieus of hoog op te nemen etc.
Bij pleidooi zoals geciteerd, maar ook blijkens p. 38 van het proces-verbaal terechtzitting d.d. 7, 8, 9, 14, 16, 17, 21, 23 november en 22 december 2023.
p. 38 van het proces-verbaal terechtzitting d.d. 7, 8, 9, 14, 16, 17, 21, 23 november en 22 december 2023
Hoge Raad d.d. 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578
Hoge Raad d.d. 28 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:834