NJB 2025/2086:Medeplegen van voorbereiding van moord: de Hoge Raad herhaalt de vereisten die gelden voor de kwalificatie medeplegen. Voor een veroordeling voor het – als medepleger – voorhanden hebben van een voorwerp als bedoeld in art. 46 Sr (strafbare voorbereiding), moet komen vast te staan dat sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking door de verdachte met een of meer anderen die was gericht op het voorhanden hebben van zo’n voorwerp. Vereist is dat de verdachte zich bewust was van de (waarschijnlijke) aanwezigheid van dat voorwerp, zonder dat die bewustheid zich hoeft uit te strekken tot de specifieke eigenschappen en kenmerken van dat voorwerp of tot de exacte locatie daarvan. Daarnaast moet vaststaan dat de verdachte tezamen met de mededader(s) feitelijke macht over het voorwerp heeft kunnen uitoefenen in de zin dat hij daarover kan beschikken. Daarvoor hoeft het voorwerp zich niet noodzakelijkerwijs in de directe nabijheid van de verdachte te bevinden. In casu kon het hof oordelen dat de verdachte – die als tussenpersoon bij een mislukte op het slachtoffer gerichte observatie een coördinerende rol heeft vervuld in het contact met de beoogd schutter – en zijn mededaders zo nauw en bewust hebben samengewerkt dat sprake is van het medeplegen van de bewezenverklaarde voorbereiding van moord.