Einde inhoudsopgave
De exhibitieplicht (BPP nr. X) 2010/15.4
15.4 Uitwerking in een voorstel met toelichting
mr. J. Ekelmans, datum 02-12-2010
- Datum
02-12-2010
- Auteur
mr. J. Ekelmans
- JCDI
JCDI:ADS377094:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Bewerkstelligd wordt, dat bescheiden, waarmee een partij zijn stellingen of verweer kan onderbouwen, aanstonds in het geding worden gebracht. Er wordt, kortom, een verplichting tot spontane verstrekking geïntroduceerd, waarvan de introductie in 2002 achterwege is gelaten, waarover meer uitvoerig § 9.2 (spontane verstrekking van bescheiden naar huidig recht) en § 9.4.2. (spontane verstrekking van bescheiden ter ondersteuning van het eigen standpunt). Omdat het begrip bescheiden ook te veel informatie kan omvatten of informatie die niet eenvoudig valt te kopiëren, is aangegeven dat bij voorkeur een afschrift wordt verstrekt.
Deze bepaling strekt ertoe om de substantiërings- en bewijsaandraagplicht ook van toepassing te verklaren op de verzoekschriftprocedure. Die toepasselijkheid brengt met zich dat ook van toepassing wordt de voorgestelde verplichting bescheiden ter ondersteuning van verzoek of verweer aanstonds in het geding te brengen, waarover meer uitvoerig § 9.2 (spontane vertrekking van bescheiden naar huidig recht) en § 9.4.2 (spontane verstrekking van bescheiden ter ondersteuning van het eigen standpunt). Op grond van art. 282 lid 1 Rv is deze regeling van overeenkomstige toepassing op het verweerschrift.
In de titel over bewijsrecht wordt voorafgaand aan de regeling over de andere bewijsmiddelen en derhalve als eerste een regeling opgenomen over verstrekking van bescheiden. Deze regeling vervangt én art. 22 Rv voor zover dit betreft een rechterlijk bevel tot verstrekking van bescheiden én art. 843a Rv over verstrekking van bescheiden op vordering van een partij.
Krachtens art. 284 Rv geldt de regeling ook in verzoekschriftprocedures, zoals ook thans moet worden aangenomen, waarover meer uitvoerig § 12.3.2 (art. 843a Rv is ook van toepassing in verzoekschriftprocedures). Dat ook om verstrekking van bescheiden verzocht kan worden, behoeft derhalve geen uitdrukkelijke vermelding.
De regeling voor opvragen van bescheiden die thans is opgenomen in twee afzonderlijke regelingen in art. 22 Rv (rechterlijk bevel) en art. 843a Rv (op vordering of verzoek van een partij) wordt opgenomen in één regeling. De in het voorgestelde artikel opgenomen criteria voor toe- en afwijzing van een vordering gelden niet alleen bij toetsing van een vordering of verzoek van een partij, maar ook bij toetsing van een ambtshalve door de rechter gegeven bevel. Er zijn immers geen goede gronden om voor het op verzoek van partijen te geven bevel andere maatstaven te hanteren dan voor het door de rechter ambtshalve te geven bevel, waarover meer uitvoerig § 12.2 (partij initiatief of rechterlijk initiatief). De afzonderlijke regeling van het rechterlijk bevel in art. 22 Rv kan derhalve vervallen (zie de tekst van het voorstel onder E in de hoofdtekst).
Geëxpliciteerd wordt, dat de exhibitieplicht ook jegens derden geldend gemaakt kan worden. Daarbij is van belang dat derden niet op gelijke wijze als processuele wederpartijen om bescheiden gevraagd kunnen worden, waarover meer uitvoerig § 5.5 (toepasselijk jegens een ieder).
De cryptische formuleringen uit het huidige art. 843a Rv worden vervangen door een formulering die aansluit bij hetgeen geldt voor de toelating tot getuigenbewijs. Daardoor wordt aanstonds in de tekst van de bepaling tot uitdrukking gebracht, dat de exhibitieplicht een ruim toepassingsgebied heeft, waarover meer uitvoerig hoofdstuk 4 (het toepassingsgebied voor de aanspraak op bescheiden) en dat de toepassingsvereisten soepel zijn, waarover meer uitvoerig hoofdstuk 5 (de vereisten voor toelating tot kennisneming van bescheiden).
De wijze van opvragen van bescheiden bij derden behoeft een nadere regeling, zodat het mogelijk wordt om een derde ook in een lopend geding te betrekken, waarover meer uitvoerig §12.4.3 (het indienen van een vordering of verzoek tegen een derde).
De weigeringsgronden zijn niet limitatief: zo kan een vordering bijvoorbeeld ook afgewezen worden omdat deze vordering strijd is met tussen de betrokken partijen gemaakte bewijsafspraken, waarover meer uitvoerig § 7.7 (contractuele geheimhoudingsplicht).
De ruime mogelijkheden om bescheiden op te vragen vergen een tegenwicht met criteria aan de hand waarvan verstrekking geweigerd kan worden. Dergelijke criteria zijn hier opgenomen. Tot de gronden om verstrekking te weigeren behoort niet dat verstrekking degene die de bescheiden verstrekt, bloot kan stellen aan het risico van strafrechtelijke vervolging wegens misdrijf, waarover meer uitvoerig § 7.5.2 (geen toepasselijkheid strafrechtelijk verschoningsrecht geboden).
Deze bepaling waarborgt dat een partij bij een geschil zich zo nodig moet inspannen om bescheiden te verkrijgen, waarover meer uitvoerig § 5.6 (toepasselijk als de aangesprokene redelijkerwijs over de bescheiden kan beschikken).
Veilig is gesteld dat het familiale verschoningsrecht ook geldt bij de exhibitieplicht, waarover meer uitvoerig § 7.5.3 (gelijke toepasselijkheid familiaal verschoningsrecht geboden).
Herhaald is het ook thans reeds geldende functionele verschoningsrecht, waarover meer uitvoerig § 7.4 (functioneel verschoningsrecht).
Geëxpliciteerd is aan de hand van welk criterium bepaald moet worden, of een gewichtige reden aan verstrekking in de weg staat, waarover meer uitvoerig § 7.8 (gewichtige reden).
Ruimte om verstrekking van bescheiden te weigeren is gecreëerd door het introduceren van het vereiste dat verstrekking van bescheiden - kort gezegd - in evenwichtige relatie moet staan tot het met bewijslevering te dienen doel, waarover meer uitvoerig § 8.3 (proportionaliteit en in het bijzonder § 8.3.4 (voorstel voor maatstaf voor afweging).
Dit is een andere verwoording van de thans geldende regeling dat verstrekking achterwege kan blijven, indien behoorlijke rechtsbedeling anderszins is gewaarborgd, waarover meer uitvoerig § 8.2 (subsidiariteit).
Dit is een herhaling van de thans geldende regeling met de toevoeging dat desgewenst deskundige bijstand kan worden ingeroepen, waarover meer uitvoerig § 10.2 (inzage, afschrift of uittreksel).
Deze bepaling legt vast de thans geldende regelingen voor vertrouwelijkheid, waarover meer uitvoerig § 7.8.4 (belang bij geheimhouding doorgaans te ondervangen).
Dit is een meer uitgewerkte regeling voor vergoeding van kosten, waarover meer uitvoerig § 10.3 (de kosten van verstrekking). Aansluiting is gezocht bij hetgeen geldt voor voorschot bij voorlopig deskundigenbericht.
Dit is thans voor het op verzoek van partijen gegeven bevel niet uitdrukkelijk in de wet bepaald, waarover meer uitvoerig hoofdstuk 11 (sancties). Strikt genomen is de bepaling overbodig, nu de regels over stelplicht, bewijslastverdeling en bewijswaardering de rechter reeds de mogelijkheid bieden om aan de informatieverstrekking of weigering daarvan door een partij de gevolgen te verbinden die hij geraden acht.
Thans is in de wet nog niet geregeld dat voorlopige verstrekking van bescheiden gevraagd kan worden op dezelfde wijze als - bijvoorbeeld - bij een voorlopig getuigenverhoor. Deze regeling voorziet in die lacune, waarover meer uitvoerig § 12.7 (het verzoek tot verstrekken van bescheiden vooruitlopend op of naast een bodemprocedure) en in het bijzonder § 12.7.4 (Uitbreiding van mogelijkheden tot voorlopig opvragen van bescheiden).
De bepalingen over de bevoegdheid van de rechter sluiten aan op hetgeen geldt voor het verzoekschrift tot houden van een voorlopig getuigenverhoor (art. 187 lid 1 Rv).
De bepalingen over de inhoud van het verzoekschrift sluiten aan op hetgeen geldt voor het verzoekschrift tot houden van een voorlopig getuigenverhoor (art. 187 lid 2 Rv).
Om het debat zo mogelijk meer uit de verf te laten komen is bepaald dat zo mogelijk een buitengerechtelijke discussie gevoerd moet zijn. Heeft die plaatsgehad, dan dienen bekende verweren in het verzoekschrift vermeld te worden op grond van de voorgestelde wijziging van art. 278 lid 1 (zie suggestie tot wetswijziging onder A in de hoofdtekst).
In afwijking van hetgeen bij de overige voorlopige bewijsverrichtingen geldt, is bepaald dat geen hogere voorziening openstaat tegen een beschikking, waarover meer uitvoerig § 12.7.4: (uitbreiding van de mogelijkheden tot voorlopig opvragen van bescheiden). Indien een partij zich niet met het oordeel over de voorlopige bewijsmaatregel kan verenigen, is aangewezen, dat hij desgewenst een bodemprocedure begint.
De tekst van deze bepaling sluit aan op hetgeen gebruikelijk bij voorlopige bewijsmiddelen geldt. De toepasselijkheid van de regeling die in de bodemprocedure geldt, betekent dat een verzoek beoordeeld moet worden aan de hand van de in art. 155a opgenomen criteria en derhalve ook afgewezen kan worden op grond van - bijvoorbeeld - het proportionaliteitsverereiste uit art. 155a lid 3 onder e.
De tekst van deze bepaling sluit aan op hetgeen gebruikelijk bij voorlopige bewijsmiddelen geldt.
Art. 1019c lid 1 Rv verklaart de bepalingen over bewaring van recht van overeenkomstige toepassing op bewijsbeslag in IE-zaken. Het in deze afdeling bepaalde is derhalve ook van belang voor IE-bewijsbeslag.
Met het in de wet opnemen van een uitdrukkelijke grondslag voor bewijsbeslag, wordt zeker gesteld dat dit beslag inderdaad mogelijk is, waarover meer uitvoerig § 13.2.4 (ontbreekt een wettelijke grondslag voor bewijsbeslag in niet IE-zaken?).
Bij de regeling voor bewijsbeslag is aangesloten - zoals ook thans het geval is - bij de regeling voor conservatoir beslag tot afgifte, waarover meer uitvoerig § 13.3 (de op bewijsbeslag toepasselijke voorschriften). De regels van conservatoir beslag tot afgifte zijn evenwel slechts van toepassing voor zover de aard van het bewijsbeslag daaraan niet in de weg staat. Derhalve is het bijvoorbeeld in geen geval mogelijk dat de partij die beslag verzocht heeft aanwezig is bij de daadwerkelijke beslaglegging, waarover meer uitvoerig § 13.5.1 (beslaglegging door de deurwaarder) en uitdrukkelijk de tekst van het voorgestelde art. 770d lid 5.
Deze bepaling is een herhaling van de voorgestelde toepasselijk verklaring van de substantiërings-plicht en bewijsaandraagplicht op verzoekschriftprocedure: zie de wijziging van art. 278 lid 1 voorgesteld onder A.
Meer dan thans het geval is, wordt uitdrukkelijk benadrukt, dat en hoe bij het verlenen van verlof en het daadwerkelijk leggen van beslag beginselen van subsidiariteit en proportionaliteit in acht genomen moeten worden, waarover meer uitvoerig § 13.4.3 (toetsing door de voorzieningenrechter aan subsidiariteit en proportionaliteit). Die toetsing is ook van belang in verband met de vraag, of het leggen van bewijsbeslag in overeenstemming is met art. 8 EVRM, waarover meer uitvoerig § 13.10 (bewijsbeslag in strijd met art. 8 EVRM?).
De afzonderlijke regeling over het rechterlijk bevel tot verstrekking van bescheiden komt te vervallen: voor verstrekking van bescheiden geldt één regeling die gelijkluidend is voor het bevel op vordering en verzoek en het ambtshalve gegeven bevel.
Artikel 1091 lid 1 en 2 kan vervallen nu het daarin bepaalde overbodig is.
In art. 1019a lid 3 moet de verwijzing naar de gewichtige reden in art. 843a lid 4 Rv vervangen worden door een verwijzing naar de bepaling over vertrouwelijkheid in art. 155a, lid 3 onder e.
In art. 1019h over de kostenveroordeling in zaken betreffende intellectuele eigendom moet de verwijzing naar de regeling over het betalen van kosten in art. 843a vervangen worden door een verwijzing naar art. 155c, waarin thans de regeling over het betalen van kosten is opgenomen.
Hierna volgt de uitwerking van het voorgaande in een tekst met een toelichting daarbij in de voetnoten. Dat is eerst en vooral een oefening in scherpen van de geest en daarmee een samenvatting van mijn opvattingen. Of het daadwerkelijk van wetgeving zal komen is immers hoe dan ook ongewis en, als dat wel zal gebeuren, zal de opvatting van de wetgever nog moeten blijken. Van het tot stand komen van nieuwe wetgeving zal de verdere toekomst van de exhibitieplicht hoe dan ook niet afhangen. Ook en wellicht juist zonder tussenkomst van de wetgever heeft het thema zijn vleugels in de afgelopen jaren uitgeslagen en dat zal in de toekomst echt niet veranderen.
De tekst van het voorstel luidt als volgt:
Het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering wordt als volgt gewijzigd:
A.
Substantiërings- en bewijsaandraagplicht
Aan art. 111 lid 3 (dagvaarding) en art. 128 lid 5 (conclusie van antwoord) wordt de volgende tekst toegevoegd:
"Voor zover de bewijsmiddelen bestaan uit bescheiden, wordt de gelegenheid geboden daarvan kennis te nemen bij voorkeur door het verstrekken van een afschrift."1
Aan art. 278 lid 1 (inhoud en indiening van het verzoekschrift) wordt toegevoegd:
"Voor zover aan verzoeker verweren bekend zijn van belanghebbenden, vermeldt hij deze en de gronden daarvoor. Verder vermeldt het verzoekschrift de bewijsmiddelen waarover verzoeker kan beschikken en de getuigen die hij kan doen horen ter staving van de aldus betwiste gronden van het verzoek. Voor zover de bewijsmiddelen bestaan uit bescheiden, wordt de gelegenheid geboden daarvan kennis te nemen bij voorkeur door het verstrekken van een afschrift."2
B.
In de negende afdeling van de tweede titel van het eerste Boek wordt na artikel 155 een nieuwe paragraaf ingevoegd, luidende:
§ 1a Bescheiden3
Art. 155a: Bevel tot verstrekking van bescheiden
De rechter kan in de loop van het geding op vordering4 van een partij of ambtshalve5 aan een partij of een derde6 bevelen op door hem te bepalen wijze inzage, uittreksel of afschrift te verstrekken van bepaalde bescheiden die redelijkerwijs betrekking kunnen hebben op betwiste feiten die tot beslissing van de zaak kunnen leiden.7 Onder bescheiden worden mede verstaan: op een gegevensdrager aangebrachte gegevens, stoffen en voorwerpen die tot bewijs kunnen dienen.
Een bevel aan een derde kan slechts gegeven worden, nadat zo mogelijk in rechte tussen de partijen bij het geschil is gedebatteerd over de wenselijkheid dit bevel te geven én nadat de derde onder mededeling van de mogelijke inhoud van het voorgenomen bevel op door de rechter te bepalen wijze op behoorlijke wijze in het geding is geroepen teneinde te worden gehoord over de vordering of het voornemen jegens hem een bevel te geven.8
Een bevel tot verstrekking van bescheiden blijft in ieder geval9 achterwege:10
indien de persoon tegen wie het bevel gericht zou moeten worden de bescheiden niet onder zich heeft en evenmin met redelijkerwijs van hem te vergen inspanning rechtmatig onder zich kan krijgen;11
indien verstrekking wordt verzocht van de echtgenoot en de vroegere echtgenoot dan wel de geregistreerde partner en de vroegere geregistreerde partner van een partij, de bloed- of aanverwanten van een partij of van de echtgenoot of van de geregistreerde partner van een partij, tot de tweede graad ingesloten, een en ander tenzij de partij in hoedanigheid optreedt;12
indien verstrekking wordt verzocht van een persoon die uit hoofde van zijn ambt, beroep of betrekking tot geheimhouding verplicht is én de bescheiden uitsluitend uit dien hoofde te zijn beschikking staan of onder zijn berusting zijn;13
indien het concrete belang bij vertrouwelijkheid van de bescheiden zwaarder dient te wegen dan het zwaarwegende maatschappelijke belang dat in rechte de waarheid aan het licht komt;14 of
indien en voor zover deze verstrekking niet als evenredig valt aan te merken15, bijvoorbeeld omdat:
de gevraagde informatie reeds op toereikende wijze is, kon of kan worden verkregen op een minder belastende wijze;16
efficiënte geschilbeslechting er aannemelijk bij is gebaat, dat andere thema's aandacht krijgen alvorens wordt besloten of tot de gevraagde bewijslevering door bescheiden wordt overgegaan; of
de aannemelijke belasting van bewijslevering voor de houder niet opweegt tegen het aannemelijke voordeel van deze bewijslevering gelet op het gewicht van de rechtsbetrekking in geding, het financiële belang van het geschil en de financiële mogelijkheden van partijen.
Art. 155b: De wijze van verstrekking van de bescheiden
De bescheiden worden verstrekt doordat op de door de rechter bepaalde wijze daarin inzage of daarvan uittreksel of afschrift wordt verstrekt. Voor zover de persoon ten behoeve van wie de gegevens worden verstrekt hierbij behoefte heeft aan deskundige bijstand, wordt hem de gelegenheid geboden zich daarvan te bedienen.17
Voor zover het vertrouwelijke karakter van bescheiden daartoe noodzaakt, kan de rechter bepalen dat kennisneming van bescheiden slechts gedeeltelijk en/of onder voorwaarden kan geschieden of - indien de wederpartij daarmee instemt -uitsluitend door de rechter.18
Art. 155c: De kosten van verstrekking van bescheiden19
De kosten verbonden aan verstrekking van bescheiden komen voor rekening van de persoon die aanspraak maakt op verstrekking.
De rechter kan bepalen dat binnen een door hem te bepalen termijn een voorschot voor deze kosten moet worden voldaan. De rechter kan, zo nodig ambtshalve, bij de bepaling van een voorschot of nadien, een termijn vaststellen voor de voldoening van het voorschot. Deze termijn kan een of meermalen worden verlengd. Wanneer een partij het voorschot niet binnen de daarvoor gestelde termijn voldoet, kan de rechter daaruit de gevolgtrekking maken die hij geraden acht.
De rechter kan bepalen dat verstrekking van de bescheiden pas behoeft plaats te vinden, nadat deze kosten zijn voldaan.
Art. 155d: De gevolgen van niet medewerken
De rechter kan de gevolgtrekkingen verbinden die hij geraden acht aan het door een partij niet medewerken aan verstrekking van de bescheiden en/of aan kennisname daarvan door uitsluitend de rechter.20
C.
In de negende afdeling van de tweede titel van het eerste Boek wordt na artikel 207 een nieuwe paragraaf ingevoegd, luidende:
§10: Voorlopige verstrekking van bescheiden21
Art. 207a: Het voorlopig opvragen van bescheiden
In de gevallen waarin bij de wet het bewijs door bescheiden is toegelaten, kan, voordat een zaak aanhangig is, op verzoek van de belanghebbende onverwijld de verstrekking van bescheiden gelast worden.
Tijdens een reeds aanhangig geding kan de rechter op verzoek van een partij de verstrekking van bescheiden gelasten.
Art. 207b: Het verzoekschrift
Het verzoek wordt gedaan aan de rechter die vermoedelijk bevoegd zal zijn van de zaak, indien deze aanhangig wordt gemaakt, kennis te nemen, of aan de rechter tot wiens absolute bevoegdheid de zaak behoort en binnen wiens rechtsgebied de personen van wie men bescheiden wil vragen, of het grootste aantal van hen, woonachtig zijn of verblijven. Indien de zaak door de kantonrechter moet worden behandeld en beslist, wordt het verzoek gedaan aan de kantonrechter. De rechter beoordeelt summierlijk of hij absoluut bevoegd is en of de zaak door de kantonrechter moet worden behandeld en beslist.22
Indien het geding reeds aanhangig is, wordt het verzoek gedaan aan de rechter waar het geding aanhangig is.
Het verzoekschrift houdt in:
de aard en het beloop van de vordering;
de feiten of rechten die men wil bewijzen;
de bescheiden, waarvan men verstrekking verlangt of een zo nauwkeurig mogelijke omschrijving daarvan;
de persoon of personen van wie bescheiden worden gevraagd met concrete aanduiding welke bescheiden van wie gevraagd worden;
de naam en de woonplaats van de wederpartij en belanghebbenden of de redenen waarom de wederpartij en/of belanghebbenden onbekend zijn.23
Verzoeker wordt in zijn verzoek niet ontvankelijk verklaard, indien hij in de gegeven omstandigheden onvoldoende heeft gedaan om het gevraagde door het voeren van overleg te verkrijgen. Een termijn van vier weken na ontvangst van de verweerder van een verzoek tot verstrekking onder vermelding van het verzochte, wordt vermoed daartoe toereikend te zijn.24
Tenzij de wederpartij onbekend is en behoudens in gevallen van onverwijlde spoed, wordt op het verzoekschrift niet eerder beschikt dan nadat een behandeling heeft plaatsgevonden, waartoe de verzoeker, de wederpartij en de belang-hebbende(n) worden opgeroepen.
Art. 207c: De uitspraak
Indien de rechter het verzoek toestaat, bepaalt hij welke bescheiden verstrekt dienen te worden en wanneer en op welke wijze dat dient te geschieden.
Tegen de beslissing op het verzoek is een hogere voorziening slechts toegelaten met verlof van de bodemrechter óf tegelijk met de einduitspraak in de bodemprocedure. Art. 1019cc, lid 3 is van overeenkomstige toepassing.25
Art. 207d: Van overeenkomstige toepassing
De bepalingen omtrent de verstrekking van bescheiden zijn op het verzoek tot voorlopige verstrekking van bescheiden van overeenkomstige toepassing.26
Art. 207e: De comparitie na verstrekking27
De rechter kan, op verzoek van partijen of van een van hen dan wel ambtshalve, nadat de bescheiden verstrekt zijn een verschijning van partijen bevelen teneinde een schikking te beproeven of tot het geven van inlichtingen aan de rechter. Artikel 87, tweede en derde lid, en artikel 88, tweede lid, derde lid, eerste en tweede zin, en vierde lid, zijn van overeenkomstige toepassing.
Bij een verschijning van partijen ter terechtzitting kan ook de verdere wijze van behandeling van geschillen over de vordering worden besproken. Afspraken dienaangaande worden, wanneer een partij dat verlangt, met overeenkomstige toepassing van artikel 87, derde lid, in een proces-verbaal vastgelegd. Een beroep in rechte op deze afspraken kan niet worden gedaan, voor zover zij in strijd komen met een dwingende wetsbepaling, met fundamentele beginselen van behoorlijke rechtspleging of voor zover een beroep daarop in verband met onvoorziene omstandigheden redelijkerwijs niet kan worden gedaan.
D.
Aan de vierde titel van het derde boek wordt na art. 770c een nieuwe afdeling toegevoegd luidend:
Tiende afdeling: Bewijsbeslag
Art. 770d:Bewijsbeslag28
Een partij die belang heeft bij bewaard blijven van bewijs, kan bewijsbeslag leggen.29
Op bewijsbeslag zijn de bepalingen met betrekking tot conservatoir beslag tot afgifte van overeenkomstige toepassing, behoudens voor zover toepassing daarvan niet met de aard van het bewijsbeslag in overeenstemming is.30
Het verzoek om verlof vermeldt tevens
de feiten op grond waarvan het bestaan van een vordering op de beslagene aannemelijk is;
de feiten op grond waarvan het leggen van bewijsbeslag is geboden;
de aan de verzoeker bekende verweren tegen de vordering ten gronde én de reactie van de verzoeker daarop;31
de feiten op grond waarvan minder bezwarende maatregelen dan bewijs-beslag niet voor toepassing in aanmerking komen; en
de feiten op grond waarvan een minder bezwarende vorm van bewijs-beslag dan de verzochte vorm niet voor toepassing in aanmerking komt.
4. De voorzieningenrechter verleent slechts verlof, indien voldoende aannemelijk is dat de beginselen van subsidiariteit en proportionaliteit in acht zijn genomen.32 De voorzieningenrechter kan aan het verlof voorwaarden en beperkingen verbinden.
De verzoeker waarborgt dat het beslag waarvoor verlof is verleend op de minst bezwarende wijze wordt gelegd en dat van het in beslag genomen bewijs niet door een ander dan de deurwaarder of een door de voorzieningenrechter aangewezen onafhankelijke deskundige kennis wordt genomen, voordat de houder van het bewijs rechtens verplicht is dit bewijs aan derden ter beschikking te stellen.
E. Overige wijzigingen
In art 22 Rv vervalt de zinsnede "of bepaalde, op de zaak betrekking hebbende bescheiden over te leggen".33
Art. 843a en Art. 843b vervallen.34
Art. 1019a lid 1 en 2 vervallen.35
In art. 1019a lid 3, vervalt de aanduiding "lid 3" en wordt "artikel 843a, vierde lid" vervangen door "artikel 155a lid 3 onder d".36
In art. 1019h wordt "artikel 843, eerste lid" vervangen door "artikel 155c".37