Einde inhoudsopgave
De exhibitieplicht (BPP nr. X) 2010/15.2
15.2 De (on)wenselijkheid van wetgeving
mr. J. Ekelmans, datum 02-12-2010
- Datum
02-12-2010
- Auteur
mr. J. Ekelmans
- JCDI
JCDI:ADS373528:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie over deze thematiek nader: J. Ekelmans, De grenzen van het debat voor de civiele rechter in eerste aanleg, Deventer: Kluwer 2008.
Sijmonsma 2010, p. 81.
Sijmonsma 2010, p. 240.
Nader daarover: § 5.3: toepasselijk op alle gegevensdragers.
Sijmonsma 2010, p. 241-242.Voorts bevat zijn voorstel de bevestiging van de bestaande mogelijkheden om een incidentele vordering in te dienen, een kort geding aan te spannen, verstrekking op grond van een gewichtige reden of professioneel verschoningsrecht te weigeren, aan het niet verstrekken van bescheiden gevolgen te verbinden, een dwangsom op te leggen of lijfsdwang toe te passen. Het voorstel schrapt de weigeringsgrond dat behoorlijke rechtspleging anderszins is gewaarborgd en voorziet niet in de mogelijkheid om bij verzoekschrift als voorlopige maatregel verstrekking van bescheiden te vragen, hetgeen logisch is, omdat Sijmonsma - anders dan ik -meent dat een wettelijke grondslag daarvoor niet vereist is (§12.7.1). Het voorstel biedt de rechter ook de mogelijkheid om ambtshalve een dwangsom op te leggen, waar ik geen voorstander van ben (§11.4).
Kamerstukken II2006/07, 30 951, nr. 1, zie p. 16 en p. 30; zie over de aangekondigde wetgeving ook: Ekelmans 2007c, p. 73-74.
Adviescommissie Burgerlijk Procesrecht 2008.
Inmiddels heeft de exhibitieplicht al zoveel ontwikkeling en gedachtevorming achter de rug, dat het verleidelijk kan zijn om de exhibitieplicht opnieuw en anders wettelijk te regelen. Vallen voor de sirenenzang van de wetgever spreekt niet vanzelf: reeds raadpleging van de inhoud van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering laat zien dat de prestatie van de wetgever grotendeels betrekking heeft op andere thema's die niet of slechts zijdelings raken aan de vraag hoe gewaarborgd moet worden dat een debat plaatsvindt op de juiste feitelijke grondslag. Dat het debat plaatsvindt op de juiste feitelijke grondslag is een onderwerp dat in hoge mate beheerst wordt door rechtspraak eerder dan door wetgeving.1
Ook bij de exhibitieplicht is de ontwikkeling in hoge mate te danken niet aan de prestaties van de wetgever, maar aan de door procespartijen geïnitieerde ontwikkeling in de rechtspraak. Die ontwikkeling is ook mogelijk gebleken doordat de rechtspraak het opvragen van bescheiden met incidentele vorderingen toestond. Waar het bestaande systeem ondanks de oppervlakkige en vaak ondoordachte bemoeienis van de wetgever goed functioneert, was het verlangen naar nieuwe wetgeving bij mij niet groot. Reserves bij wetgeving heeft ook Sijmonsma. Hij ziet daarin geen brood zolang niet van fundamentele problemen blijkt2 en nog geen sprake is van Europese regelgeving en vindt het daarom niet opportuun om nu al een volledig regeling voor te stellen.3 Hij stelt een wettekst voor, waarin hij terecht kiest voor een ruime definitie van het begrip bescheiden, biedt daarbij aansprekend ook de mogelijkheid om stoffen te onderzoeken,4 werkt de mogelijkheid uit om inlichtingen en voorwerpen aan derden te vragen, onderwerpt de bevoegdheden van partijen en de rechter bij de exhibitieplicht terecht aan dezelfde maatstaven en voorziet in een uitdrukkelijke wettelijke grondslag voor bewijs-beslag.5
Als de wetgever zich - anders dan bij alle recente eerdere gelegenheden - wel werkelijk met de exhibitieplicht zou bemoeien, dan valt evenwel te overwegen om een meer omvattende regeling te treffen. De wetgever zal, wanneer hij het onderwerp werkelijk wil regelen, immers onder ogen moeten zien en in een zo helder mogelijke wettekst onder woorden moeten brengen wat de reikwijdte van de exhibitieplicht is, wanneer nog net wel en nog net niet op bescheiden aanspraak gemaakt kan worden en hoe dat moet gebeuren. Daarbij valt, wil voldoende diepgang bereikt kunnen worden, ook niet te ontkomen aan de verdere inbedding van de exhibitieplicht in het bewijsrecht in het algemeen noch aan meer algemene beschouwingen over de relatieve betekenis van waarheidsvinding.
Hierna zal ik aangeven hoe zo'n uitgewerkte regeling er naar mijn mening uit zou moeten zien. Daar heb ik vier redenen voor. Allereerst zijn er onderwerpen die zonder wettelijke regeling mogelijk niet goed (verder) tot wasdom kunnen komen zoals het verzoek tot het vooruitlopend op of tijdens een procedure opvragen van bescheiden, de verplichting tot spontane verstrekking van bescheiden die het eigen standpunt ondersteunen, het betrekken van derden in het geding opdat zij bescheiden verstrekken en het bewijsbeslag. In de tweede plaats dwingt het zelf formuleren van een wettelijke regeling én tot het scherpen van de eigen gedachten én tot een reality check: kritiek leveren op de prestaties van de wetgever is immers te gemakkelijk, als je zelf niet kan laten zien, dat en hoe het beter kan. In de derde plaats heeft de minister in 2007 in reactie op de fundamentele herbezinning onder meer aangeven, dat hij voornemens is om met wetgeving te komen, waarbij de exhibitieplicht als eerste aan de orde zou komen,6 heeft ook de Adviescommissie voor het Burgerlijk Procesrecht daar een aanzet voor geschreven7 en moet ermee gerekend worden dat de minister met het aangekondigde ontwerp zal komen. In de vierde plaats: wanneer de wetgever de fragmentarische en incidentele eerdere wetgeving ontstijgt en er voor kiest zich werkelijk en goed in de materie te verdiepen, moet het mogelijk zijn om met een doordachte en evenwichtige wettelijke regeling te komen. Zo'n wettelijke regeling zou de passende bevestiging zijn van het grote belang van bescheiden als bewijsmiddel.