Foutenleer
Einde inhoudsopgave
Foutenleer (FM nr. 95) 2000/6.2.5:6.2.5 Onjuiste etikettering; geen onderneming
Foutenleer (FM nr. 95) 2000/6.2.5
6.2.5 Onjuiste etikettering; geen onderneming
Documentgegevens:
dr. A.O. Lubbers, datum 01-07-2000
- Datum
01-07-2000
- Auteur
dr. A.O. Lubbers
- JCDI
JCDI:ADS418081:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal procesrecht / Algemeen
Fiscaal bestuursrecht / Algemeen
Fiscaal bestuursrecht / Aanslag
Inkomstenbelasting / Algemeen
Inkomstenbelasting / Winst
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zoals wordt besproken in hoofdstuk 8, past de Hoge Raad in BNB 1988/43 en BNB 1988/44 de foutenleer (terugkeerregel) toe, waardoor de ten onrechte opgebouwde oudedagsreserve in het oudste nog openstaande jaar in de heffing kan worden betrokken.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De in hoofdstuk 8 te bespreken arresten HR 14 oktober 1987, BNB 1988/43 en BNB 1988/44 laten zien dat het kan voorkomen, dat een inspecteur gedurende enkele jaren heeft geaccepteerd dat de voordelen uit door de belastingplichtige ondernomen activiteiten worden belast als winst uit onderneming, terwijl achteraf blijkt dat de activiteiten niet waren aan te merken als (het drijven van) een onderneming. Het gevolg hiervan zal zijn, dat gedurende die jaren vermogensbestanddelen ten onrechte zijn aangemerkt als ondernemingsvermogen en voordelen ten onrechte zijn belast als winst uit onderneming, waardoor het inkomen over die jaren onjuist is berekend. De vraag is of de foutenleer in deze gevallen toepassing kan vinden1.
A-G Verburg stelt in zijn conclusie bij BNB 1988/43:
(...) een beroep op de balanscontinuïteit [kan] de Inspecteur mijns inziens niet baten indien hij, naar later blijkt ten onrechte, het ondernemerschap van een belastingplichtige heeft erkend en in het latere jaar een door belastingplichtige ten laste van de winst gevormde voorziening (bijvoorbeeld wegens dubieuze debiteuren) aan de winst (of juister: aan het inkomen) zou willen toevoegen. Betrokkene heeft immers (naar het latere inzicht) juist géén winst genoten.
Fortuin (1995/315) schrijft over deze gevallen:
Het is dus niet duidelijk, wat dient te gebeuren met vermogen dat ten onrechte als ondernemingsvermogen is aangemerkt, terwijl pas later blijkt, dat er in het geheel geen onderneming is. Ik ben met advocaat-generaal Verburg van mening, dat de foutenleer geen (analoge) toepassing kan vinden, indien de bron winst uit onderneming nooit heeft bestaan. Boekwinsten of -verliezen, die worden gerealiseerd na de constatering, dat nimmer sprake is geweest van winst uit onderneming, kunnen niet (meer) in het inkomen worden begrepen. In HR 5 juni 1991, FED 1991/817 lees ik een bevestiging van mijn standpunt.
Is er in het geheel geen onderneming geweest, doch zijn vermogensbestanddelen niettemin als ondernemingsvermogen aangemerkt, dan kunnen die vermogensbestanddelen naar mijn mening zonder de heffing van belasting verdwijnen uit de – ten onrechte opgemaakte – balansen (vergelijk de in paragraaf 6.2.4.1 beschreven situatie). Ten laste van de winst opgebouwde fiscale balansreserves als de egalisatiereserve vallen vrij, doch kunnen niet in de belastingheffing worden betrokken.
De foutenleer kan in dit geval niet worden toegepast om in het verleden gemaakte fouten in het oudste nog openstaande jaar te herstellen. Voor het herstel van deze fouten is men aangewezen op navordering, de betaling van gewetensgeld of ambtshalve vermindering.